-A +A

Aansprakelijkheid van bestuurders van een vennootschap in vereffening Actio mandati

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 28/02/2011

De vennootschap blijft na de ontbinding voortbestaan met het oog op haar vereffening en behoudt haar rechtspersoonlijkheid. Bestuurders blijven aansprakelijk voor hun bestuursfouten en kunnen via de acti mandati door schuldeisers worden aangesproken

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2012/9
Pagina: 
585
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(L.F./BELGISCHE STAAT)

( ... )

Feiten en procedure in eerste aanleg

( ... )

Samenvattend vermeldt het hof dat geïntimeerde met haar oorspronkelijke zijdelingse vordering beoogde dat appellant zou worden veroordeeld om aan de NV V. een bedrag te betalen van 263.575,12 EUR, meer de gerechtelijke interesten en de gedingkosten.

Het bestreden vonnis verklaarde deze vordering ontvankelijk en gegrond en veroordeelde appellant om aan de NV V. te betalen de som van 263.575,12 EUR, meer de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet op de hoofdsom van 210.550,61 EUR vanaf de dagvaarding tot de algehele betaling, en meer de gedingkosten.

( ... )

Kort samengevat argumenteert appellant dat:

- de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde onontvankelijk voorkomt nu de NV V. bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brugge van 5 oktober 2000 gerechtelijk werd ontbonden en een vereffenaar werd aangesteld zodat het enkel aan laatstgenoemde toekomt om een vordering in bestuurdersaansprakelijkheid lastens appellant in te stellen,

de dwangbevelen die niet werden betekend aan de vereffenaar noch aan het parket, maar alleen aan appellant als bestuurder, nietig voorkomen,

de dwangbevelen inzake de kohierartikelen 482 en 725 aldus in fisco verjaard zijn omdat de verjaring daaromtrent niet rechtsgeldig werd gestuit, hem geen bestuurdersaansprakelijkheid treft.

Appellant vordert dan ook het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis teniet te doen en de oorspronkelijke vordering af te wijzen als onontvankelijk, minstens ongegrond, met de veroordeling van de geïntimeerde tot de kosten van de beide aanleggen.

Geïntimeerde houdt daarentegen voor dat haar zijdelingse vordering wel degelijk ontvankelijk en gegrond voorkomt.

Zij vordert dan ook de afwijzing van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van appellant tot betaling van de gedingkosten.

Beoordeling

Appellant kan worden bijgetreden in zijn argumentatie dat na de gerechtelijke ontbinding en invereffeningstelling van de NV V. het aan de vereffenaar toekomt om, zelfs zonder machtiging van de algemene vergadering, de actio mandati ten aanzien van de bestuurders van de vennootschap in te stellen.

Appellant kan evenwel niet worden gevolgd dat staande de vereffening, de schuldeiser zich niet in de plaats kan stellen van de vereffenaar en in feite lijdzaam moet toezien of de vereffenaar al dan niet initiatieven neemt om de bestuurders in gebreke te stellen en de actio mandati daadwerkelijk in te stellen.

Hoogstens, aldus nog appellant, zou de schuldeiser zich gebeurlijk tegen de vereffenaar kunnen richten mocht gemeend worden dat deze in zijn mandaatsverplichtingen tekort schiet.

Hij verliest daarbij artikel 1166 BW - de zijdelingse vordering - uit het oog. Luidens artikel 1166 BW, kunnen de schuldeisers immers alle rechten en vorderingen van hun schuldenaar uitoefenen, met uitzondering van die welke uitsluitend aan de persoon verbonden zijn, wat hier manifest niet het geval is.

Blijft de vereffenaar in gebreke een vordering in bestuurdersaansprakelijkheid in te stellen, dan kan een schuldeiser bij wijze van zijdelingse vordering (art. 1166 BW) ageren tegen de schuldenaar van de vennootschap, hier de appellant als afgevaardigd bestuurder van de vennootschap.

Ter zake overwoog de eerste rechter dan ook zeer terecht dat geïntimeerde op ontvankelijke wijze een zijdelingse vordering ten aanzien van appellant kon instellen:

"Waar [geïntimeerde] in de dagvaarding stelt schuldeiser te zijn van de NV V. en bij wijze van zijdelingse vordering een aansprakelijkheidsvordering richt tegen de afgevaardigd bestuurder van de vennootschap, bij het in gebreke blijven van de vereffenaar, heeft hij hoedanigheid en belang (zie ook Cass. 26 februari 2004, RW 2006-07,133)."

Het hof treedt de eerste rechter dan ook bij waar de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ontvankelijk werd verklaard en er tevens werd op gewezen dat de gebeurlijke verjaring van de fiscale vordering tegen de vennootschap, de grond van de zaak raakt.

Eveneens terecht oordeelde de eerste rechter dat voor elk van de vijf artikelen geïntimeerde tijdig en rechtsgeldig een verjaringstuitend dwangbevel liet betekenen.

Appellant kan niet worden bijgetreden in zijn argumentatie waar hij in hoger beroep blijft volhouden dat de dwangbevelen inzake de kohierartikelen 482 en 725 in fisco geen rechtsgeldige stuiting van de verjaring inhouden nu deze niet aan de vereffenaar, en ook niet aan het parket werden betekend.

Ter zake stelt het hof vooreerst vast dat artikel 18 3, § 1 W. Venn. (oud art. 1 78 Venn.W.) uitdrukkelijk bepaalt dat een vennootschap na haar ontbinding geacht wordt voort te bestaan voor haar vereffening. Zij bewaart haar rechtspersoonlijkheid en behoudt de hoedanigheid van een handelsvennootschap zolang de vereffening niet is afgesloten.

Nazicht van de voorliggende stukken toont aan dat het op 12 januari 2005 met betrekking tot de kohierartikelen 482 en 725 uitgebrachte verjaringstuitend dwangbevel bedoeld was om te worden betekend aan de maatschappelijke zetel van de NV V., maar bij gebrek aan maatschappelijke zetel werd betekend aan appellant in toepassing van artikel 42, 5° Ger.W.

Het ontbreken van de vermelding in dit dwangbevel dat de NV V. in vereffening is, en de betekening aan appellant tast de rechtsgeldigheid van dit dwangbevel en van het verjaringstuitend effect ervan niet aan. Artikel 183, § 1, 2de lid W.Venn. bepaalt overigens uitdrukkelijk dat alle stukken "uitgaande van een ontbonden vennootschap vermelden dat zij in vereffening is".

Terecht ook oordeelde de eerste rechter in dit verband dat appellant niet aantoont dat, gegeven het feit dat niet rechtsgeldig kon worden betekend aan de niet in werking gestelde en bij vonnis aangeduide vereffenaar, de belangen van de NV V. in vereffening werden geschonden ingevolge de betekening van dit dwangbevel aan appellant, eerder dan aan de vereffenaar en/of aan de procureur.

Anders dan appellant thans in hoger beroep voorhoudt brengt de betekening aan appellant geen absolute nietigheid van het dwangbevel in toepassing van artikel 862, 6° Ger.W. met zich mee.

Waar de door appellant aangehaalde onregelmatigheid met betrekking tot de betekening van het dwangbevel van 12 januari 2005 - volgend uit de omstandigheid dat deze niet aan de vereffenaar en/of aan de procureur werd gedaan - geen betrekking heeft op de vermelding dat de akte is betekend aan de persoon of op een andere wijze die de wet bepaalt in de zin van artikel 862, § 1, 6° Ger.W., kan de daaruit voortvloeiende nietigheid alleen dan worden uitgesproken wanneer de partij die de exceptie opwerpt door het verzuim of de onregelmatigheid haar rechten in het geding redelijkerwijze niet of niet volledig heeft kunnen laten gelden binnen de normale procesgang (Cass. 8 september 2008, C.06.497.N, www.cass.be; Cass. 24 juni 1982, Arr.Cass. 1981-82, 1344; Cass. 14 juni 1985, Arr.Cass. 1984-85, 1425; Cass. 12 mei 1997, Arr.Cass. 1997, 541).

Ter zake kan het hof enkel vaststellen dat appellant, die zich uitsluitend op de absolute nietigheid beroept, op geen enkele wijze enige dergelijke belangenschade noch in zijnen hoofde, noch in hoofde van de NV V. aannemelijk maakt, laat staan bewijst.

De door appellant op basis van een beweerdelijke nietigheid van het dwangbevel voorgehouden verjaring in fiscale zaken kan dan ook niet in aanmerking worden genomen.

Voor de eerste rechter voerde appellant geen betwisting omtrent de hem ten laste gelegde aansprakelijkheid, de schade en het oorzakelijk verband, zodat de eerste rechter de vordering inwilligde.

In hoger beroep betwist appellant wel de hem ten laste gelegde bestuurdersaansprakelijkheid en besluit hij tot de afwijzing van de vordering van geïntimeerde.

Naar het oordeel van het hof lijdt het echter geen twijfel dat appellant geenszins als een normaal voorzichtige bestuurder heeft gehandeld, maar integendeel op een manifest nalatige wijze is opgetreden.

Het niet neerleggen van een jaarrekening voor 1998 en de volgende jaren, het ontbreken van processen-verbaal van vergaderingen van de algemene vergadering en van de raad van bestuur, het niet indienen van aangiften in de vennootschapsbelasting en het nalaten om bezwaar in te dienen na de ambtshalve aanslag waardoor de aanslagen inclusief boetes en verhogingen definitief verschuldigd werden, tonen op zich reeds naar genoegen van recht aan dat appellant de vennootschap volledig aan haar lot heeft overgelaten en zijn mandaat geenszins als een normaal diligent en voorzichtig optredend gedelegeerd bestuurder heeft waargenomen maar daaraan manifest is tekort gekomen.

Het lijdt naar het hof ook geen twijfel dat door dit nalatig en foutief optreden het vermogen van de vennootschap ernstige schade heeft geleden.

Indien appellant zijn taak als een normaal diligent en voorzichtig bestuurder had opgenomen, dan waren er immers geen administratieve boetes gevestigd wegens het niet indienen van aangiften in de vennootschapsbelasting en waren er geen ambtshalve aanslagen gevestigd die overigens door een gebrek aan enig verweer definitief verschuldigd werden.

De door geïntimeerde uit naam en in de plaats van de NV V. in vereffening lastens de appellant ingestelde actio mandati, met welke vordering uitsluitend het behoud en/of de aangroei van het patrimonium van haar schuldenaar - de NV V. in vereffening - wordt nagestreefd, komt in de gegeven omstandigheden dan ook gegrond voor.

Het hof bevestigt dan ook, zij het deels op andere gronden, het bestreden vonnis waar dit de zijdelingse vordering van geïntimeerde niet alleen ontvankelijk maar tevens gegrond verklaart.
 

Noot: 

Pieter KORTBEEK , De actio mandati als zijdelingse vordering door een schuldeiser namens een vennootschap in vereffening RABG, 2012/+9, 590

Bronnen :

• FREDERICQ, Traité de droit commercial beige, Gent, Fecheyr, 1950, V, 626, nr. 438;

•J. RONSE, Algemeen deel van het vennootschapsrecht, Leuven, Acco, 1978, 481;

• C. RESTEAU, A. BENOIT-MOURY en A. GREGOIRE, Traité des sociétés anonymes, II, Brussel, Swinnen, 1982, 188, nr. 945.

• DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil beige, III, Obligations, Bruxelles, Bruylant, 1967, 206, nrs. 180 e.v.;

• L. CORNELIS, Verbintenissenrecht. Algemene theorie van de verbintenis, Antwerpen, lntersentia, 2000, 357, nrs. 288 e.v.;

• A. VAN ÜEVELEN, "Kroniek van het verbintenissenrecht (1993-2004)'', RW 2004-05, 1660;

• W. VAN GERVEN, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2006, 242-243;

• R. DEKKERS, A. VERBEKE, N. CARETTE en K. VANHOVE, Handboek burgerlijk recht, Deel 3, Verbintenissen, bewijs/eer, gebruikelijke contracten, Antwerpen, lntersentia, 2007, 253, nrs. 425 e.v.

• A. CLAES, "Le recouvrement de dettes fiscales auprès de tiers: action paulienne, action oblique, responsabilité des dirigeants et liquidateurs", RGCF 2003, afl. 4, 5-20;

• A. DELEU en N. BOUVERET, "La place de l'action oblique au sein de la procédure fiscale", RGCF 2007, 317-337;

• J. GOFFIN en G. DE SAUVAGE, "La responsabilité civile des dirigeants de société en matière fiscale", RGCF 2008, 355.

• D. VAN GERVEN, "Kroniek. Vennootschapsrecht (2010-2011)'', TRV 2011, afl. 6, 34-41

• J. DELVOIE en A. FRANCOIS, "Buitencontractuele aansprakelijkheid van rechtspersonen en hun bestuurders jegens derden" in B. ALLEMEERSCH en V. SAGAERT (eds.), Actuele ontwikkelingen inzake vennootschapsrecht. Vlaams Pleitgenootschap, lntersentia, Antwerpen, 2010, p. 215, e.v.

• J. VANANROYE, "De bekrachtiging van eenzijdige vertegenwoordigingshandelingen, in het bijzonder van de actio mandati ingesteld zonder beslissing van de AV", TRV 2004, 37-50;

• J.-P. RENARD, "Commentaire de I'article 561 C.Soc.", Commentaire systématique du Code des sociétés, CSCS - Suppl. 11 (30 avril 2006).

• J. VAN RYN, Principes de droit commercial, Brussel, Bruylant, 1954, 397, nr. 611; C. RESTEAU, A.

• A. HANSEBOUT en B. HEYNICKX, "De aansprakelijkheid van de vereffenaar en de curator voor de belastingschulden van de vennootschap", TFR 2007, afl. 329, 815-828

• J. PIETERS, "Vereffenaarsaansprakelijkheid. De fiscus kan (soms) de vereffenaar aanspreken'', Fisc.Act. 2003, afl. 41, 3-5.

• K. GEENS en M. WYCKAERT (eds.), Verenigingen en vennootschappen, Deel II, De vennootschap in Beginselen van het Belgisch privaatrecht, Mechelen, Wolters Kluwer, 2011, 535, nr. 294, met de verwijzingen in voetnoot 2009.

• Rb. Brussel (4' k.) 4 oktober 1991, JT 1992, 251

•. Cass. 25 september 2003, Pas. 2003, 1, p. 1470.

• Luik 22 april 1965, Pas. 1965, II, p. 220.

• Rb. Charleroi 7 januari 1956, Rev.prat.soc. 1956, 141;

• Rb. Brugge 8 september 2003, JDSC 2005, 163, noot M.-A. DELVAUX, "ACTION OBLIQUE EN RESPONSABILITÉ, COMPÉTENCE DU TRIBUNAL DE COMMERCE ET QUlTUS".

•. Brussel 5 december 1991, JLMB 1993, 74, noot J.-F. ]EUNEHOMME.

•. Cass. 26 juni 1984, Arr.Cass. 1983-84, 1397; Luik 24 juni 1998, TBBR 1999, 409.

• Rb. Charleroi 7 januari 1956, Rev.prat.soc. 1956, 141; A. CLAES, o.c., 2.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 14/06/2013 - 17:02
Laatst aangepast op: vr, 14/06/2013 - 17:02

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.