-A +A

Aansprakelijkheid van de bewaarder van een verhuurde zaak zaak

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 02/02/2015

Bewaarder in de zin van art. 1384, eerste lid BW is degene die voor eigen rekening van de zaak gebruik maakt of het genot ervan heeft, zich van de zaak bedient en voor haar bewaring en instandhouding instaat met de mogelijkheid van leiding, toezicht en controle over de zaak.

In principe dient de huurder als bewaarder te worden beschouwd, maar de rechter moet in concreto nagaan wie in feite van de zaak gebruik maakt met het voor de bewaring kenmerkende recht van toezicht, leiding en controle.

Wanneer de zaak in het kader van een huurovereenkomst overgedragen wordt aan iemand anders, moet de rechtbank in concreto beoordelen of deze overeenkomst tot gevolg heeft dat de bewaring overging; het is immers denkbaar dat de eigenares zich de leiding en het toezicht over de zaak voorbehield bij de verhuring.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
236
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

BVBA S.-J. t/ Gemeente Zulte

Eiseres zet in de dagvaarding uiteen dat een haar toebehorend voertuig op 22 oktober 2013 rond 19u30 schade opliep op de parking van SV Z.-W., volgens de dagvaarding een sportstadion. De bestuurder van het voertuig van eiseres kwam er volgens de dagvaarding in aanrijding met een betonnen blok, dat een abnormaal obstakel zou zijn.

Eiseres vordert een schadevergoeding van 2.627,58 euro, in conclusie herleid tot 2.393,46 euro, vermeerderd met de interest, en baseert haar aansprakelijkheidsvordering op art. 1384, eerste lid BW (verweersters kwalitatieve aansprakelijkheid als bewaarder van een gebrekkige zaak) en art. 135, § 2 Gemeentewet (gemeentelijke verplichtingen inzake veilig wegbeheer). De verplichting tot vergoeding van de schade wordt dan gebaseerd op art. 1382 BW.

De feiten

1. Van de gewraakte toestand worden foto’s voorgelegd. Daarop is een omheinde parking in asfalt te zien. In de grondbedekking van die parking bevindt zich een vierkant soort perk met betonnen rand, met daarin het restant van iets dat verwijderd werd (volgens de conclusie een verwijderde verlichtingspaal).

2. Uit de schriftelijke getuigenverklaringen denkt de rechtbank inderdaad te kunnen afleiden dat het voertuig van eiseres met dat obstakel in aanrijding kwam. Er is geen objectief bewezen reden om de geloofwaardigheid van de getuigen in twijfel te trekken.

...

Beoordeling

1. Een eerste punt van betwisting is de vraag of verweerster de bewaarder is van de parking in de zin van art. 1384, eerste lid BW.

Eiseres, op wie de bewijslast van haar vordering rust, moet, om in haar vordering te slagen, bewijzen dat verweerster de bewaarder van de parking was.

2. Bewaarder in de zin van art. 1384, eerste lid BW is degene die voor eigen rekening van de zaak gebruik maakt of het genot ervan heeft, zich van de zaak bedient en voor haar bewaring en instandhouding instaat met de mogelijkheid van leiding, toezicht en controle over de zaak (Cass. 4 april 1986, RW 1986-87, 1819; T. Vansweevelt en B. Weyts, Handboek Buitencontractueel Aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, nr. 739; H. Vandenberghe, “Overzicht van rechtspraak. Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad 2000-2008”, TPR 2011, p. 349, nr. 158; inzake wegen: Pol. Gent 9 januari 2012, RW 2011-12, 1606).

Te dezen werd het sportstadion waarvan de parking deel uitmaakt door de gemeente verhuurd aan de voetbalvereniging SV Z.W. De vraag rijst derhalve of verweerster de bewaring had over de parking in de zin van art. 1384, eerste lid BW.

3. Aangezien de eigenares (verweerster) de zaak (sportstadion) in het kader van een huurovereenkomst overdroeg aan iemand anders, moet de rechtbank in concreto beoordelen of deze overeenkomst tot gevolg heeft dat de bewaring overging; het is immers denkbaar dat de eigenares zich de leiding en het toezicht over de zaak voorbehield (H. Bocken en I. Boone, m.m.v. M. Kruithof, Inleiding tot het schadevergoedingsrecht. Buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht en andere vergoedingsstelsels, Brugge, die Keure, 2014, nr. 305).

In principe dient de huurder als bewaarder te worden beschouwd, maar de rechter moet in concreto nagaan wie in feite van de zaak gebruik maakt met het voor de bewaring kenmerkende recht van toezicht, leiding en controle (H. Vandenberghe, o.c., TPR 2011, nr. 165; T. Vansweevelt en B. Weyts, o.c., nrs. 749 e.v.). Essentieel is het element “voor eigen rekening”.

4. Een eerste te beoordelen punt is de vraag of de parking deel uitmaakt van de huurovereenkomst.

De rechtbank herinnert eraan dat eiseres moet bewijzen dat verweerster de bewaarder van de zaak is.

De rechtbank stelt vast: 1) dat de huurovereenkomst krachtens haar art. 1 betrekking heeft op een voetbalaccommodatie zoals beschreven, met toebehoren, en de twee voetbalvelden met afhankelijkheden; 2) dat uit overgelegde foto’s blijkt dat de parkeerruimte een omheinde parkeerruimte is die onmiddellijk bij de voetbalvelden aansluit en die deel uitmaakt van één grote complexe structuur.

5. Een tweede punt is de overdracht van de bewaring. In art. 6 van de huurovereenkomst leest de rechtbank dat de huurder het gebouw en de voetbalvelden als een goed huisvader beheert en zal instaan voor het onderhoud “van het gebouw, de voetbalvelden, de afsluitingen, de hekken, de goals, de ballenvangers, de netten, ...”, m.a.w. van de gehuurde structuur.

6. Het minste wat, gezien het bovenstaande, gezegd kan worden, is dat eiseres niet bewijst dat verweerster nog voor eigen rekening gebruik maakte van de parking, met recht van toezicht, leiding en controle, en voor de instandhouding instond, m.a.w. niet bewijst dat verweerster nog steeds de bewaarder was van de parking in de zin van art. 1384, eerste lid BW.

In de mate waarin de vordering gebaseerd is op art. 1384, eerste lid BW, is zij derhalve niet gegrond, zonder dat zij in haar andere aspecten (gebrek, ...) nog moet beoordeeld worden.

7. Blijft de beoordeling van de aansprakelijkheidsgrond wegens miskenning van de gemeentelijke veiligheidsverplichting op grond van art. 135, § 2 Nieuwe Gemeentewet.

De op de gemeente rustende veiligheidsverplichting is weliswaar niet beperkt tot de gemeentewegen, maar strekt zich niet uit tot privéwegen en privéplaatsen, d.w.z. wegen en plaatsen die niet openstaan voor het verkeer in het algemeen. In concreto was de parking niet aan het gezag van de gemeente toevertrouwd, maar was hij door de verhuring bestemd voor het private gebruik van de bezoekers van het voetbalstadion; daarvoor hoeft de gemeente krachtens art. 135, § 2 Nieuwe Gemeentewet niet in te staan, zelfs indien zou bewezen zijn dat de parking occasioneel of bij gedogen door anderen dan de normale gebruikers zou worden gebruikt (Pol. Brugge 10 juni 2009, RW 2009-10, 1573; vergelijk: Pol. Gent 9 januari 2012, RW 2011-12, 1606 en de in dat vonnis vermelde rechtsleer).

Conclusie is dat ook de vordering, in zoverre zij gebaseerd is op art. 135, § 2 Gemeentewet (juncto art. 1382 BW), ongegrond is, omdat eiseres niet bewijst dat de plaats van het ongeval onder haar beheer viel in de zin van art. 135, § 2 Gemeentewet.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 05/10/2015 - 15:39
Laatst aangepast op: ma, 05/10/2015 - 15:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.