-A +A

Aansprakelijkheid van de eigenaar van een omvallende boom

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 03/09/2013

Een boom is bestand tegen wind en zelfs hevige wind. Indien hij omvalt bij normaal winderig weer en niet bij een abnormale storm is de boom gebrekkig en is de eigenaar of de bewaarder aansprakelijk voor de schade.

Publicatie
tijdschrift: 
niet gepubliceerd
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
 
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL
21ste KAMER
 
 
Nr. 398                 
A.R.2012/12609/A
 
-             beroep vonnis vredegerecht
-             Schadevergoeding
-             Eindvonnis op tegenspraak
 
 
 
Bijlage : 1 verzoekschrift, 1 beschikking 747§1 Ger. W., 3 conclusies
 
In zake:
 
De heer J.B. en mevrouw A. D., samenwonende te 3090 Overijse,
 
Appellanten,
Verweerders in eerste aanleg,
 
Bijgestaan door mr. Jan Goedhuys, advocaat met kantoor te 3001 / Leuven, Ambachtenlaan 6, en ter zitting vertegenwoordigd door mr. Julie Leus.
 
Tegen:
 
De heer R.C. en mevrouw M. D, samenwonende te 3090 Overijse, Geïntimeerden,
Eisers in eerste aanleg,
 
Bijgestaan door mr. Sven Gondry, advocaat met kantoor te 2020 Antwerpen, Volhardingsstraat 71, en ter zitting vertegenwoordigd door mr. Céline Vannieuwenhuyze.
 
In deze zaak, in beraad genomen op de openbare zitting van 6 juni 2013, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit.
 
 
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder van:
-        het "proces-verbaal van vrijwillige verschijning" voor de vrederechter te Overijse, van 8 november 2011,
-        het vonnis van de vrederechter van het kanton Overijse-Zaventem, afdeling Overijse, van 1 juni 2012,
-        het "verzoekschrift tot hoger beroep", voor de heer en mevrouw J.B.-A.D. ter griffie van deze rechtbank neergelegd op 12 oktober 2012,
-        de beschikking in toepassing van artikel 747, §1, van het Gerechtelijk Wetboek van 5 november 2012,
-        de "conclusies in hoger beroep" en "syntheseconclusies in hoger beroep", voor de heer en mevrouw R.C.-M.D. respectievelijk ter griffie neergelegd op 13 december 2012 en 25 maart 2013,
-        de "beroepsconclusie", voor de heer en mevrouw Bauwens¬De Winter ter griffie neergelegd op 28 februari 2013,
-        het stukkenbundel, voor de heer en mevrouw J.B.-A.D. neergelegd ter griffie op 27 maart 2013,
-        het stukkenbundel, voor de heer en mevrouw R.C.-M.D. neergelegd ter griffie op 29 mei 2013.
 
De rechtbank heeft de middelen en conclusies van de partijen gehoord tijdens de openbare zitting van 6 juni 2013. Daarna werden de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen.
 
De procedure verliep met inachtneming van de toepasselijke bepalingen van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
 
Alle conclusies werden tijdig neergelegd.
 
** ** **
 
I.                 FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN
 
1.
Op basis van de door partijen bijgebrachte stukken en conclusies kunnen de relevante feiten die ten grondslag liggen aan het geschil in deze zaak als volgt worden samengevat.
 
2.
De heer en mevrouw R.C.-M.D. zijn eigenaars van een Jeep Cherokee. Op 13 januari 2011 stond die geparkeerd op hun eigendom te Overijse.
 
Een boom op het aangrenzend perceel (Terhulpsesteenweg 130, eigendom van de heer en mevrouw J.B.-A.D.) waaide om en kwam op de Jeep Cherokee terecht.
 
De wagen raakte daardoor beschadigd.
 
3.
De heer en mevrouw R.C-.M.D. zijn van oordeel dat de boom gebrekkig was en dat de eigenaars ervan - de heer en mevrouw J.B.-A.D. - bijgevolg moeten instaan voor de vergoeding van de erdoor veroorzaakte schade.
 
De heer en mevrouw J.B.-A.D. beweren dat er op 13 januari 2011 sprake was van storm, met windsnelheden tot 60 km per uur en stellen dat daaruit volgt dat het omvallen van de boom niet te wijten is aan een gebrek in de boom.
 
4.
Op 8 november 2011 verschenen de partijen vrijwillig voor de Vrederechter te Overijse.
 
De heer en mevrouw R.C-.M.D. vorderden de vergoeding van de schade aan hun voertuig, begroot op € 1.617,24, te vermeerderen met de interesten vanaf 13 januari 2011. Ze vroegen tevens de veroordeling van de heer en mevrouw J.B.-A.D. tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van€ 440,00.
 
5.
Bij vonnis van 1 juni 2012 verklaarde de vrederechter te Overijse de vordering van de heer en mevrouw R.C-.M.D. ontvankelijk en gegrond. De heer en mevrouw J.B.-A.D. werden veroordeeld tot betaling van € 1.617,24, te vermeerderen met de interesten vanaf 17 januari 2011 tot aan 'de datum der dagvaarding' en met de gerechtelijke interesten vanaf 8 november 2011, evenals van de gerechtskosten, begroot op € 475,00.
 
II.               VORDERINGEN
 
6.
De heer en mevrouw J.B.-A.D. kunnen zich niet verzoenen met dit vonnis en stelden bij verzoekschrift van 12 oktober 2012 hoger beroep in.
 
Zij vorderen het bestreden vonnis teniet te doen en de oorspronkelijke vordering van de heer en mevrouw R.C-.M.D. ongegrond te verklaren. Zij vragen heer en mevrouw R.C-.M.D. te veroordelen tot de gerechtskosten, waaronder de rechtsplegingsvergoeding, begroot op € 440,00 voor iedere aanleg.
 
7.
De heer en mevrouw R.C-.M.D. verzoeken het hoger beroep ongegrond te verklaren en de heer en mevrouw Bauwens¬De Winter te veroordelen tot betaling van € 1.617,24, te vermeerderen met de interesten vanaf 13 januari 2011, en tot een rechtsplegingsvergoeding van € 440,00.
 
III.              BEOORDELING.
 
A.     Ontvankelijkheid van het hoger beroep
 
10.
Er ligt geen bewijs voor van betekening van het bestreden vonnis.
 
Het hoger beroep is tijdig.
 
Er zijn geen ambtshalve op te werpen redenen van onontvankelijkheid.
 
Het hoger beroep van de heer en mevrouw J.B.-A.D. is ontvankelijk.
 
11.
Bij conclusie vragen de heer en mevrouw Cortuy-Dehertogh een beslissing betreffende de interesten die afwijkt van het beschikkend gedeelte van het bestreden vonnis.
 
Het gaat met name om de aanvangsdatum: 13 januari 2011 in plaats van 17 januari 2011.
 
Die vraag kan als een incidenteel beroep beschouwd worden. Dat incidenteel beroep is ontvankelijk.
 
B.     Gegrondheid van het hoger beroep
 
12.
Overeenkomstig artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is de persoon die een zaak onder zich heeft ertoe gehouden de schade te vergoeden die door die zaak veroorzaakt wordt. Een zaak 'veroorzaakt' schade indien zij behept is met een gebrek dat in oorzakelijk verband staat met de schade.
 
Een zaak kan als gebrekkig worden omschreven indien het een kenmerk vertoont dat afwijkt van het normale. Dat is het geval indien de zaak tot een schadeverwekkende gebeurtenis leidt waartoe andere zaken - van dezelfde soort en hetzelfde type - in dezelfde concrete omstandigheden niet zouden leiden.
 
Indien een dergelijke abnormaliteit aangetoond wordt, kan besloten worden dat de zaak gebrekkig is op voorwaarde dat andere, externe oorzaken voor die abnormaliteit uitgesloten worden.
 
Het is met andere woorden aan de schadelijder om te bewijzen dat de zaak leidde tot een abnormale, schadeverwekkende gebeurtenis en dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring kan gegeven worden.
 
13.
De partijen betwisten niet dat de heer en mevrouw J.B.-A.D. eigenaars en bewaarders zijn van de omgevallen boom, noch dat de boom op de wagen van heer en mevrouw R.C.-M.D. viel en dat de schade waarvoor vergoeding wordt gevraagd, door de val van die boom werd veroorzaakt.
 
14.
Er bestaat enkel betwisting over de vraag of het omvallen van de boom in de concrete omstandigheden als abnormaal te beschouwen valt.
 
15.
Er zijn geen gegevens over welke boom het gaat, wat de ouderdom of staat ervan was. De enige gegevens die de partijen voorleggen zijn het feit van de val en een algemene beschrijving van de weersomstandigheden in België op die dag.
 
16.
De weersvoorspelling van die dag luidde:
"zwaar bewolkt tot betrokken en de hele dag zijn er perioden met regen. (..) Er staat een vrij strakke wind uit het westzuidwesten met soms windstoten tot 30 kilometer per uur."
Volgens het KMI (stuk 4 van heer en mevrouw R.C-.M.D.) is er sprake van storm indien er een windkracht is van negen Beaufort, d.i. een windsnelheid van minstens gemiddeld 75 km/u gedurende tien minuten. Bij 90 en 103 km per uur (respectievelijk 10 en 11 Beaufort) is er sprake van zware storm, vanaf 117 km/u van orkaankracht (12 Beaufort).
 
 
17.
Uit het feit dat een boom op een ander perceel valt en schade veroorzaakt aan een wagen, kan afgeleid worden dat hij een zekere omvang moet hebben gehad, zowel in hoogte als zwaarte.
Bomen kunnen slechts een zekere hoogte en grootte bereiken indien zij bestand zijn tegen slechte weersomstandigheden, inzonderheid hevige winden. Zij hebben dus als eigenschap dat zij niet omvallen bij stevige aanhoudende winden of rukwinden.
 
18.
Het feit dat een boom omvalt, is een abnormale gebeurtenis.
 
Indien geen gegevens voor handen zijn dat er een externe oorzaak is die de boom deed omvallen (bijvoorbeeld kap of ongeval), kan uit dat feit op zich redelijkerwijze afgeleid worden dat de boom gebrekkig moet zijn geweest.
 
Geen van de partijen werpt op of voert aan dat er een dergelijke externe oorzaak voor handen was, zodat in beginsel kan aangenomen worden dat de boom inderdaad gebrekkig was.
 
19.
De heer en mevrouw J.B.-A.D. voeren aan dat de wind een externe oorzaak vormde.
 
Om een dergelijke externe oorzaak uit te maken, moet evenwel vaststaan dat de wind dermate sterk was, dat van een gelijkaardige boom niet kan verwacht worden dat hij blijft staan.
 
20.
Uit de door partijen bijgebrachte stukken blijkt niet dat er op de bewuste dag sprake was van abnormale windsnelheden die de buigzaamheid van de bomen op de proef stelden.
 
De door het KMI gebruikte woorden ('vrij strakke wind') wijzen eerder op het tegendeel. Een windsnelheid van 60 km per uur kan niet als uitzonderlijk worden bestempeld of dermate krachtig dat sommige in België levende boomsoorten van enige omvang zeker en vast omvallen, zelfs wanneer ze gezond zijn.
 
Uit niets blijkt dat op de bewuste dag nog een groot aantal andere bomen omviel of andere vormen van stormschade optraden.
 
 
De windsnelheid kan dan ook niet als een externe oorzaak beschouwd worden die een zelfstandige oorzaak voor het schadegeval vormt of onwaarschijnlijk maakt dat de boom gebrekkig was.
21.
De rechtbank besluit dat het omvallen van de boom in de concrete omstandigheden abnormaal was en dat er geen andere verklaring voor de val is, dan dat de boom eigenschappen had die van het normale afwijken zodat hij als gebrekkig moet worden omschreven.
 
De heer en mevrouw J.B.-A.D. zijn dan ook gehouden de schade die uit de val voortvloeide te vergoeden.
 
22.
Er is geen betwisting omtrent de schadebegroting, ook niet wat de aanvangsdatum van de interesten betreft.
 
23.
Het bestreden vonnis kan dan ook worden bevestigd, mits aanpassing van de aanvangsdatum van de interesten.
 
 
C. Gerechtskosten
 
24.
De heer en mevrouw J.B.-A.D. moeten tot de gerechtskosten worden veroordeeld als in het ongelijk gestelde partij. De kosten van hun beroep (€ 100,00 rolrecht) blijven te hunnen laste. Zij zijn een rechtsplegingsvegoeding verschuldigd voor de procedure in hoger beroep, te begroten op het basisbedrag dat overeenstemt met de waarde van de vordering (€ 440,00).
 
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
 
Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals gewijzigd.
 
 
Rechtsprekend in beroep, op tegenspraak.
 
Verklaart het hoger beroep van de heer en mevrouw J.B.-A.D. ontvankelijk maar ongegrond.
 
Verklaart het . hoger beroep van de heer en mevrouw R.C.-M.D. ontvankelijk en gegrond.
 
Bevestigt het bestreden vonnis mits volgende aanpassingen:
- zegt dat 'BAUWERS Johan' in het bestreden vonnis moet gelezen worden als 'BAUWENS
 Johan' 
- zegt dat de interesten lopen vanaf 13 januari 2011.
 
Veroordeelt de heer J.B. en mevrouw A.D. in solidum tot betaling aan de heer R. C. en mevrouw M.D van een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van€ 440,00.
 
Aldus beslist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 21 ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op datum van 03 september 2013.
 
Waar aanwezig waren en zitting namen:

Vonnis à quo

 
VREDEGERECHT van het kanton
OVERIJSE - ZAVENTEM (zetel OVERIJSE)
 
Rolnummer.: 11 A915
Rep.R.nr. : 634 /2012
 
VONNIS
 
Op de buitengewone openbare terechtzitting van vrijdag, één juni tweeduizend en twaalf, in de gerechtszaal van het Vredegerecht OVERIJSE - ZAVENTEM (zetel OVERIJSE), werd door, Lieva WAIGNEIN, vrederechter bijgestaan door André MANNAERTS, afgevaardigd griffier, het volgende vonnis uitgesproken,
 
INZAKE:
 
1.            C.R., wonende te 3090 OVERIJSE, Terhulpensesteenweg 132, verschijnt in persoon en bijgestaan door mr Sven GONDRY, advocaat te 2020 ANTWERPEN, Volhardingstraat 71
2.            D.M. , wonende te 3090 OVERIJSE, Terhulpensesteenweg 132, vertegenwoordigd door mr Sven GONDRY, advocaat te 2020 ANTWERPEN, Volhardingstraat 71
 
eerste comparanten;
 
TEGEN:
 
1.            B.J. , wonende te 3090 OVERIJSE, vertegenwoordigd door mr Julie LEUS, loco mr Jan GOEDHUYS, advocaat te 3001 LEUVEN, Ambachtenlaan 6
2.            D.W., wonende te 3090 OVERIJSE, vertegenwoordigd door mr Julie LEUS, loco mr Jan GOEDHUYS, advocaat te 3001 LEUVEN, Ambachtenlaan 6
 
tweede comparanten;
 
Gelet op het proces-verbaal van vrijwillige verschijning van 8 november 2011;
 
Gelet op het verzoek tot vaststelling van een conclusieagenda neergelegd ter griffie op 1 december 2011;
 
Gelet op de beschikking dagbepaling dd. 7 december 2011, rep. 1422/2011 ter bepaling van een conclusieagenda en de erop volgende kennisgeving rechtsdag op grond van art.747§2 al. 4 van het Ger. Wb. dd. 8 december 2011;
 
Gelet op de besluiten van tweede comparanten middels de raadsman neergelegd ter griffie op 10 januari 2012;
 
Gelet op de besluiten van eerste comparanten middels de raadsman neergelegd ter griffie op 8 maart 2012;
Gelet op de synthesebesluiten van tweede comparanten middels de raadsman neergelegd ter griffie op 12 april 2012;
Gelet op de door de advocaten van partijen in hun pleidooien verstrekte gegevens toegelichte middelen en de door eerste comparanten verstrekte gegevens en toelichtingen ter terechtzitting van 8 mei 2012, waarna de debatten voor gesloten werden verklaard, de zaak in beraad werd gehouden en de uitspraak werd gesteld op heden;
 
Gelet op de wet van 15 juni 1935 en de aanvullende wetten over het taalgebruik in gerechtszaken.
Op 13 januari 2011 deed zich een schadegeval voor te Overijse
 
Het voertuig Jeep Cherokee, eigendom van eerste comparanten stond geparkeerd onder een boom, dewelke zich op het perceel van tweede comparanten bevindt, en werd getroffen door de neervallende boom, eigendom van tweede comparanten.
 
Het voertuig van eerste comparanten werd beschadigd, het schadegeval werd gemeld aan de verzekeraar van tweede comparanten, zijnde verwerende partijen.
 
Het voertuig werd hersteld, de herstellingsfactuur bedraagt 1.617,24 EURO en wordt niet betwist, BTW-verklaringen worden bijgebracht.
 
De verzekeraar van tweede comparanten beperkte zich tot het standpunt dat haar verzekerden niet aansprakelijk kunnen gehouden worden omdat er geen gebrek is aan de boom en verzekerde geen enkele fout heeft gemaakt.
 
In casu heeft er geen expertise betreffende de kwestieuze boom plaatsgehad.
 
De eerste comparanten vorderen een vergoeding van de geleden schade op basis van artikel 1384 lid 1.
 
Zij beroepen zich op gepubliceerde rechtspraak dat "wanneer niet bewezen is dat een boom omvalt door een storm of door een daad van een derde, men moet besluiten dat de boom gebrekkig was." (TPR 1987, nr. 76, pag. 1405).
 
" Wanneer een boomstam niet kan weerstaan aan windkrachten van 60 km per uur, geldt meteen als bewezen dat hij door gebrek is aangetast". (HVB te Brussel, 18 november 1993, RW 95-96, 112-113).
 
In casu was er geen sprake van een hevige storm of orkaan .
Evenmin was er sprake dat er andere voorwerpen dan de boom om- of weggewaaid zijn.
 
Uit de afwezigheid van een andere oorzaak mag dan ook volgens eerste comparanten dat de aansprakelijkheid van de tweede comparanten vaststaat (voor een gebrek aan een zaak onder hun bewaring).
 
Op deze basis vorderen eerste comparanten de vergoeding van de geleden schade, door betaling van de som 1.617,24 EURO, zijnde de herstelkost van het voertuig, bedrag waarover geen betwisting wordt gevoerd.
 
In casu bleek duidelijk dat de boom die omgevallen is door een strakke wind met windkracht 60 km/uur, duidelijk moet behept zijn door een gebrek.
 
Tweede comparanten, de verwerende partijen zijn derhalve verantwoordelijk voor deze boom dewelke zich op hun terrein bevindt.
Wanneer een boom bij stormachtig weer reeds omvalt geeft dit duidelijk aan dat hij reeds behept is door een gebrek, hetgeen normaliter niet gebeurt.
De door tweede comparanten ingeroepen argumenten zijn geenszins te weerhouden.
Volkomen terecht vorderen eerste comparanten herstelling van de door geleden schade.
 
 
OM DEZE REDENEN:
 
Rechtdoende op tegenspraak en in eerste aanleg beslissend en alle andere en strijdige besluiten als ongegrond van de hand wijzend;
 
Verklaren de vordering van eerste comparanten ontvankelijk en gegrond;
 
Veroordelen dienvolgens tweede comparanten tot de betaling aan eerste comparanten van het bedrag van duizend zeshonderd zeventien EURO vierentwintig EUROCENT (1.617,24 EURO) ten titel van vergoeding van de geleden schade, te vermeerden met de intresten sedert de datum van het schadegeval, zijnde 17 januari 2011, tot aan de datum der dagvaarding, meer de gerechtelijke intresten vanaf 08 november 2011, datum van neerlegging van het proces-verbaal van vrijwillige verschijning;
 
Veroordelen tweede comparanten tevens tot de kosten het geding, deze tot heden begroot in hoofde van eerste comparanten op 475,00 EURO basisbedrag rechtsplegingsvergoeding inbegrepen en in hoofde van tweede comparanten op 440,00 EURO basisbedrag rechtsplegingsvergoeding.
 
Verklaren onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling.
 
De vrederechter heeft getekend met de afgevaardigd griffier. 

Zie ook Vred. Brugge, 3 mei 2012, RW 2013-2014,952
 
M.K. t/ Brugge

Overwegende dat [eiseres] bij dagvaarding van 24 januari 2012 veroordeling vordert van verwerende partij tot betaling van een bedrag van 1.692,31 euro, vermeerderd met de interesten vanaf de datum van de feiten en de kosten.

Dat ter staving van deze vordering uiteengezet wordt dat de eisende partij haar voertuig op 26 mei 2011 regelmatig parkeerde op een parkeerplaats van de stad Brugge gelegen aan het Graaf Visartpark, dat aldaar de parkeerplaats naast een bomenrij gelegen was, om 17 u 37 ’s avonds ingevolge een felle wind een aantal takken afwaaiden en op het voertuig van verzoekster terechtkwamen, die daardoor schade leed ter hoogte van het linker achterlicht dat gebroken was en totaal vernield, alsook krassen over het hele voertuig, de rijbaan daarna zelfs door de politieadministratie afgesloten werd voor alle verkeer, de groendienst om 18 u 30 in kennis gesteld werd van de gevaarssituatie en daarna daaraan geremedieerd werd.

Dat verwerende partij aansprakelijk is voor de door eiseres geleden schade, niet enkel op basis van art. 1384, eerste lid BW, maar ook op basis van art. 1382 BW.

Dat allereerst deze rechtbank bevoegd is omdat het geen verkeersongeval betreft, maar een schade veroorzaakt door externe factoren, zodat de vrederechter bevoegd is, en wel die van de plaats waar het schadegeval zich heeft voorgedaan.

Dat dan voorts geargumenteerd wordt dat verweerster ook moet instaan voor haar personeel en de zaken die zij onder haar bewaring heeft, en met een uitgebreide verwijzing naar rechtspraak en rechtsleer geargumenteerd wordt dat dit in casu het geval is en dat er daarenboven een tekortkoming is in de zin van art. 1382 BW, omdat de overheid niet tijdig en gepast is opgetreden om het verkeer veilig te houden, terwijl er daarenboven geen overmacht voorhanden is.

Dat aldus een schadevergoeding gevorderd wordt van 1.692,31 euro in hoofdsom, namelijk 60 euro hersteltijd, 1.534,81 euro hoofdsom materiële schade, 20 euro wachttijd één dag, 62,50 euro administratie-, correspondentie- en telefoonkosten, 15 euro verplaatsingskosten en de interesten.

Dat daarenboven geen minnelijke schikking mogelijk was, omdat de verzekeraar beweerde dat naar zijn aanvoelen de boom niet gebrekkig was. Het staat echter vast dat de bomenrij dode takken bevatte die niet verwijderd waren zodat zij bij een windruk zouden afwaaien en in die omstandigheden niet enkel de boom wel degelijk gebrekkig was maar daarenboven ook de parkeerplaats, wat meebrengt dat er niet enkel een aansprakelijkheid voortvloeit uit art. 1384, eerste lid BW, maar ook uit art. 1382 BW, omdat vaststaat dat verwerende partij niet tijdig overging tot het verwijderen van het dode hout.

Dat daarop verweerster verschijnt, aanvoert dat de lokale politie op 26 mei 2011 om 17 u 37 vaststelde dat dode takken ingevolge de felle wind op het geparkeerde voertuig van eiseres terechtgekomen waren, aldaar op z’n minst het linkerachterlicht van gebroken hadden, maar het proces-verbaal geen melding maakt van krassen over het hele voertuig, de klacht van eiseres overigens werd geseponeerd, het herstelbedrag weliswaar op 1.534,81 euro werd becijferd, maar het expertiseverslag slechts 1.112,68 euro vermeldt, een minnelijke regeling niet mogelijk gebleken is, en ten slotte dat de enige concrete herstelling die werd uitgevoerd die van het achterlicht was voor een bedrag van 82,46 euro, vermeerderd met de btw, in totaal 99,78 euro.

Dat dan in rechte verweerster erkent dat zij bewaarder is van de bomen en parkeerplaatsen gelegen aan het Graaf Visartpark, die zaken evenwel niet gebrekkig blijken en het niet is omdat er schade is veroorzaakt dat het gebrek bewezen is, er overigens rechtspraak is die zegt dat afbrekende takken een boom niet gebrekkig maken, daarenboven een boom geen idealiter statisch gegeven is maar een dynamisch levend voorwerp dat onderhevig is aan veranderingen, en er daarenboven in het najaar 2010 wel degelijk nazicht geweest is van de bomen.

Dat in casu volgens verweerster de boom dan ook niet gebrekkig is, maar dat er ook geen fout voorhanden kan zijn omdat de bomen in het najaar 2010 werden nagezien op dood hout, de dode takken werden verwijderd, dat dit overigens jaarlijks geschiedt en dat er in die omstandigheden geen nalatigheid voorhanden is.

Dat daarop gerepliceerd wordt door eiseres dat inhoudelijk de rechter moet nagaan of het kenmerk van de zaak, waarvan beweerd wordt dat het een gebrek is, een normale dan wel abnormale gesteldheid is op het ogenblik van de feiten, het abnormale karakter van de zaak slechts kan worden beoordeeld door een vergelijking te maken met zaken van dezelfde soort en hetzelfde type op het ogenblik van de feiten, en in casu inzonderheid de parkeerplaatsen gebrekkig zijn omdat afvallende takken inderdaad deel uitmaken van het levensproces van een boom, in die omstandigheden onder de bomen geen parkeerplaatsen kunnen worden aangebracht omdat die parkeerplaatsen niet voldoen aan het model waarvan men normaal mag verwachten dat een parkeerplaats eraan voldoet, en in deze omstandigheden de vordering gegrond is.

Dat dit volgens eiseres des te meer klemt daar de wind windstoten van 60 tot 65 km per uur vertoonde, dat dit geen abnormale windsnelheden zijn en er dan ook geen overmacht is maar daarenboven de vordering ook gegrond blijkt op basis van art. 1382 BW.

Dat cijfermatig geargumenteerd wordt dat het expertiseverslag het herstel van het achterlicht niet bevat, het bedrag van 999,53 euro bijgevolg het totaal van de schade oplevert, vermeerderd met de btw, wat neerkomt op 1.209,43 euro, dat dit bedrag dient te worden verhoogd met de hersteltijd en de wachttijd, maar dat de verplaatsingskosten en administratiekosten evenzeer verschuldigd zijn, des te meer daar de verplaatsingskosten niet betwist worden.

Dat in de dossiers een uitgebreide documentatie wordt aangetroffen van de fotoschade, een afschrift van het strafdossier, een afschrift van de meteo-informatie en de briefwisseling tussen partijen;

Overwegende dat ter zake de principes de rechtbank allereerst dient uit te gaan van art. 1382 BW.

Dat voorts art. 1384, eerste lid BW bepaalt dat men niet alleen aansprakelijk is voor de schade welke men veroorzaakt door de eigen daad, maar ook voor die welke veroorzaakt wordt door de daad van personen voor wie men moet instaan of voor zaken die men onder zijn bewaring heeft.

Dat overeenkomstig vaste rechtspraak de bewaarder van een zaak diegene is die voor eigen rekening gebruik maakt van de zaak die de schade heeft aangericht (Cass. 4 april 1986, RW 1986-87, 1819; Cass. 29 oktober 1987, RGAR 1989, nr. 11.542, Cass. 24 januari 1991, Arr.Cass. 1990-91, 562; Cass. 26 juni 1980, Pas. 1980, I, 1341).

Dat de rechtspraak een gebrek in de zaak heeft omschreven als zijnde elke hoedanigheid die de zaak ongeschikt maakt tot het gebruik waartoe ze bestemd is (Cass. 19 september 1985, Pas. 1986, I, 54), of ongeschikt maakt aan de eisen die men aan een zodanige zaak mag stellen (Cass. 5 december 1985, RW 1986-87, 2246).

Dat uit het bovenstaande voortvloeit, eveneens conform vaste rechtspraak, dat een zaak door een gebrek is aangetast wanneer zij een abnormaal karakter vertoont (Cass. 29 september 1988, RW 1988-89, 1261).

Dat bij de beoordeling van het kenmerk van de zaak waardoor de schade is aangericht, dient te worden uitgegaan van een vergelijking met zaken van dezelfde soort en hetzelfde type op het ogenblik van de feiten (Cass. 25 april 2005, RW 2007-08, 62).

Dat voorts een gebrek geëxpliciteerd geweest is als zijnde de omstandigheid dat de zaak van aard is in bepaalde omstandigheden schade te veroorzaken (Cass. 19 december 1988, Verkeersrecht 1989, 112; Cass. 9 maart 1989, Verkeersrecht 1989, 245; Cass. 3 september 1992, Arr.Cass. 1992-93, 1061; Cass. 1 maart 1996, Arr.Cass. 1996, 214; Cass. 5 juni 1998, TBBR 1999, 332; Cass. 21 mei 1999, RW 2001-02, 679).

Overwegende dat, toegepast op deze casus, de rechtbank in eerste instantie dient vast te stellen dat verweerster niet betwist dat zij bewaarder is van deze zaak en daarmee bedoeld wordt zowel de bomenrij in het Visartpark, als de parkeerplaatsen die eronder gelegen zijn.

Dat de rechtbank evenzeer dient vast te stellen dat evenmin betwist wordt dat dode takken zijn afgevallen van de bomen en terechtgekomen op voertuigen, omdat dit blijkt uit het strafdossier en de verbalisanten overigens vaststellen dat daardoor het linkerachterlicht van het voertuig van eiseres onherstelbaar beschadigd werd.

Dat in dit geval dan ook de vraag rijst of enerzijds de bomen met een gebrek behept waren, anderzijds de parkeerplaatsen die zich eronder bevinden.

Dat de rechtbank m.b.t. beide deze vraag positief dient te antwoorden, omdat enerzijds een windsnelheid van 60 tot 65 km/u niet buitengewoon is, vervolgens bij dergelijke windsnelheden levende takken alleszins niet gaan afwaaien, zelfs vrij recent dood hout naar algemene bekendheid ook niet zomaar zal afwaaien bij een beperkte windsnelheid als die van 60 tot 65 km/u, en dit noodzakelijkerwijze impliceert dat het afgewaaide dode hout dat zich overigens over de hele straat verspreid heeft, een gebrek uitmaakt omdat het in de omstandigheid van een normale windsnelheid afviel en schade veroorzaakte.

Dat daarenboven van een normale parkeerplaats, die enkel tegen betaling ter beschikking gesteld wordt, mag worden verwacht dat die daarop gestalde voertuigen niet aan schade blootstelt, zelfs bij een hevige wind, en gelet op de vigerende rechtspraak dit het geval moet zijn voor windsnelheden tot ruim boven de 110 km/u (Rb. Brussel 17 januari 1992, RJI 1992, 185; Vred. Ninove 2 oktober 1991, TGR 1991, 156; Vred. Kortrijk 29 mei 1991, TGR 1991, 164; Vred. Deinze 29 mei 1991, TGR 1991, 164; Luik 31 oktober 1990, JT 1991, 66).

Dat aldus het gebrek vaststaat in die zin dat enerzijds van een parkeerplaats mag worden verwacht dat erop gestalde voertuigen niet aan schade worden blootgesteld, en anderzijds van een in een stadspark staande boom die daarenboven jaarlijks wordt onderhouden, mag worden verwacht dat deze geen dood hout meer bevat dat op passerende auto’s en op passerende voetgangers kan terechtkomen.

Dat de omstandigheid dat het tot het normale leven van een boom behoort dat daarin bepaalde takken afsterven, niet meebrengt dat een overheid als bewaarder ontslagen is van haar zorgvuldigheidsverplichting m.b.t. het onderhoud van bomen, en ter zake eiseres terecht beklemtoont dat de aanwezigheid van dood hout niet enkel een fout uitmaakt in de zin van art. 1382 BW, maar ook bewijst dat gedurende jaren het dode hout onzorgvuldig verwijderd werd uit de betrokken bomen, wat daarenboven een nalatigheid impliceert in de zin van art. 1382 BW.

Dat de rechtbank ten slotte de aandacht erop vestigt dat er zich over de hele rij van de betrokken bomen een neervallen van dood hout heeft voorgedaan, wat impliceert dat het dode hout alleszins niet zorgvuldig verwijderd werd over de hele rij bomen en dat dit zelfs in dergelijke mate een gevaar voor de veiligheid opleverde dat de politie overging tot het afsluiten van de straat, dit dan nog met de omstandigheid dat een windsnelheid van 60 tot 65 km/u echt veel voorkomend is in onze streken.

Dat aldus niet enkel vaststaat dat er meteen een gebrek was voor zowel de bomen als de parkeerplaats, maar ook een fout in de zin van art. 1382 BW.

Overwegende dat m.b.t. het oorzakelijk verband, de rechtbank m.b.t. art. 1384, eerste lid BW dient te wijzen op het wettelijk vermoeden van aansprakelijkheid. Dat immers conform vaste rechtspraak bij toepassing van art. 1384, eerste lid BW een vermoeden bestaat dat aan de benadeelde die schade heeft geleden een betere bescherming moet bieden (Cass. 17 januari 1991, RW 1992-93, 758; Cass. 5 december 1997, Verkeersrecht 1998, 151).

Dat dit vermoeden overeind blijft, zelfs bij onwetendheid van de bewaarder van het gebrek van de zaak, welke ook de oorsprong van dit gebrek zij en zelfs in de mate dat die onwetendheid onoverkomelijk is (zie o.m. Cass. 9 november 1976, Pas. 1976, I, 320).

Dat ten slotte niet bewezen wordt dat een vreemde oorzaak het gebrek heeft veroorzaakt, noch dat verweerster onwetend zou geweest zijn, laat staan onoverwinnelijk onwetend van het gebrek, zodanig dat het oorzakelijk verband tussen het gebrek aan de zaak en de schade geleden door eiseres ten genoege van rechte vaststaat.

Overwegende dat m.b.t. de omvang van de schade de rechtbank dient vast te stellen dat eisende partij de voertuigschade materieel correct begroot op 1.209,43 euro, gelet op het feit dat enerzijds blijkbaar op het ogenblik van de expertise het achterlicht reeds hersteld was, de herstelfactuur desbetreffende voorligt en de overige schade wel degelijk, gelet op o.m. de foto’s die voorliggen, bewezen voorkomt, zodat deze post tot beloop van het bedrag van 1.209,43 euro dient te worden toegewezen, wat des te meer klemt nu de rechtbank dient vast te stellen dat, als de verbalisanten schade vaststellen in de vorm van een volledig gebroken licht, meteen het bestaan van andere schade ten gevolge van dezelfde oorzaak, namelijk afvallende takken, aan het voertuig met voldoende zekerheid bewezen voorkomt.

Overwegende dat de rechtbank voorts dient vast te stellen dat de posten wachttijd, derving en verplaatsingskosten niet betwist worden, zodanig dat deze kunnen worden toegekend tot beloop van het totaal van 75 euro.

Dat de rechtbank wel de stelling van verwerende partij volgt m.b.t. administratie-, correspondentie- en telefoonkosten, welke kosten van eigen verdediging uitmaken.

Overwegende dat, gelet op het bovenstaande, de hoofdvordering kan worden toegekend tot beloop van het na herleiding gevorderde bedrag van 1.284,43 euro, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf de datum van de feiten, zijnde 26 mei 2011, de gerechtelijke interesten vanaf de datum van dagvaarding, en de kosten.
 

 

 

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 10/02/2014 - 01:37
Laatst aangepast op: do, 20/03/2014 - 21:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.