-A +A

Aansprakelijkheid van de feitelijke bestuurder in faillissement

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
vri, 23/04/2010

Zaakvoerders, gewezen zaakvoerders en alle andere personen die ten aanzien van de zaken van de vennootschap werkelijke (lees feitelijke) bestuursbevoegdheid hebben gehad, kunnen door de RSZ en de curator persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor het geheel of een deel van alle op het ogenblik van de uitspraak van het faillissement verschuldigde sociale bijdragen, bijdrageopslagen, verwijlinteresten en de vaste vergoeding bedoeld in art. 54ter van het KB van 28 november 1969 tot uitvoering van de RSZ-Wet (art. 265 § 2 W. Venn.), Met het “personen die ten aanzien van de zaken van de vennootschap werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad” worden de personen bedoeld die zich een werkelijke bestuursbevoegdheid hebben aangemeten, hetzij door zich in de plaats te stellen van de bestuurders/zaakvoerders, hetzij door hen nauwkeurige instructies te geven.
 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
1010
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

RSZ t/ S.

Feiten en retroacta

De relevante feiten, nuttig voor de beoordeling van de zaak, zoals zij uit de stukken en uit de conclusies van partijen blijken, kunnen als volgt worden samengevat.

Bij beslissing van de buitengewone algemene vergadering van 1 mei 2004 werd verweerster benoemd tot zaakvoerder van de BVBA W.F.T.C. Deze beslissing werd gepubliceerd in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad op 9 juli 2004. Deze vennootschap werd failliet verklaard op 30 juni 2005, met een schuld ten aanzien van de RSZ ten bedrage van 62.595,44 euro.

Bij beslissing gepubliceerd in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad op 21 juni 2005 werd verweerder benoemd als bestuurder en gedelegeerd bestuurder van de NV A. Deze vennootschap werd failliet verklaard op 30 november 2006 met een schuld ten aanzien van de RSZ ten bedrage van 35.725,26 euro.

Betreffende de vordering(en)

De vordering strekt ertoe om verweerder te horen veroordelen tot betaling aan eiser van de som van 22.253,60 euro, vermeerderd met de gerechtelijke interesten en de kosten.

Bespreking

Het standpunt van eiser

Eiser spreekt verweerder aan in zijn hoedanigheid van degene die werkelijke bestuursbevoegdheid had ten aanzien van de zaken van de BVBA AB., failliet verklaard op 27 mei 2008, voor het geheel van de nog bij deze vennootschap openstaande sociale bijdragen, bijdrageopslagen en verwijlinteresten ten bedrage van 22.253,60 euro. Zijn vordering is gebaseerd op de objectieve aansprakelijkheid van art. 265, § 2, eerste lid W.Venn. ingevoerd door art. 56 van de Programmawet van 20 juli 2006 (BS 28 juli 2006).

Het standpunt van verweerder

In zijn conclusie werpt verweerder één enkel argument op. Hij voert aan dat hij nooit werkelijke bestuursbevoegdheid heeft gehad ten aanzien van de zaken van de BVBA AB.

Beoordeling

In de gegeven omstandigheden, waarbij de toepassing van voornoemd art. 265, § 2, eerste lid W.Venn. door verweerder niet betwist wordt, beperkt de tussenkomst van de rechter zich tot de kwestie of verweerder, ja dan neen, werkelijke bestuursbevoegdheid heeft gehad ten aanzien van de zaken van de BVBA AB.

Krachtens art. 265, § 2, eerste lid W.Venn. kunnen de zaakvoerders, gewezen zaakvoerders en alle andere personen die ten aanzien van de zaken van de vennootschap werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad, door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en de curator persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor het geheel of een deel van alle op het ogenblik van de uitspraak van het faillissement verschuldigde sociale bijdragen, bijdrageopslagen, verwijlinteresten en de vaste vergoeding bedoeld in art. 54ter van het KB van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, indien komt vast te staan dat een door hen begane grove fout aan de basis lag van het faillissement, of indien zij zich, in de loop van de periode van vijf jaar voorafgaand aan de faillietverklaring in de situatie bevonden hebben zoals beschreven in art. 38, § 3octies, 8o van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.

Bij toepassing van de hierboven vermelde bepaling kunnen personen die ten aanzien van de zaken van de vennootschap werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad en die in de loop van de periode van vijf jaar voorafgaand aan de faillietverklaring betrokken waren in minstens twee faillissementen, vereffeningen of soortgelijke procedures met schulden ten aanzien van een inningsorganisme van de socialezekerheidsbijdragen worden aangesproken.

Met het begrip “personen die ten aanzien van de zaken van de vennootschap werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad” worden dezelfde personen bedoeld als diegenen tegen wie de vordering in delging van het tekort tussen baten en schulden kan worden ingeleid. Hier kan aldus toepassing worden gemaakt van de bestaande rechtspraak met betrekking tot art. 265, 409 en 530 W.Venn. (A. Coibion, “Développements récents en matière de responsabilité des dirigeants: l’arrêt de la Cour de cassation du 20 juin 2005 et la loi-programme du 20 juillet 2006”, CJ 2006, 57).

Worden dan ook bedoeld, de personen die zich werkelijk bestuursbevoegdheid hebben aangemeten, hetzij door zich in de plaats te stellen van de bestuurders/zaakvoerders, hetzij door hen nauwkeurige instructies te geven (Kh. Brussel 3 april 2001, TBH 2003, 21, noot J. Buyle).

Eiser legt de rechtbank een verklaring voor van R.G., zaakvoerder van de BVBA AB. van 1 mei tot 31 december 2007. Hij verklaarde onder meer: “Ik zie mezelf niet als zaakvoerder van BVBA AB. Ik was meestal zelf mee de baan op met een camionette en ik nam de opdrachten aan die (verweerder) mij gaf. In de praktijk zat (verweerder) de hele dag op het bureau (...) en ik reed met een camionette. Ik voerde uit wat (verweerder) zei van te doen. Hoe kwamen uw werknemers in dienst? Via (verweerder). (Verweerder) zei ik heb een paar chauffeurs, als ge die kunt gebruiken. Op een gegeven moment was er veel werk, dus ik nam ze aan. Dit waren de twee buitenlandse chauffeurs. Eigenlijk verliep de aanwerving via (verweerder). (Verweerder) belde dat hij personeel had en ik zei, als er veel werk is, mogen ze werken. (...) Dus (verweerder) belde dat hij personeel had en ik vertrouwde hem. (...) Ik heb geen opdrachten gegeven aan mijn personeel. ’s Morgens hing er een lijst uit van het werk. (Verweerder) hing die lijst altijd op. (Verweerder) verdeelde ook iedere dag het werk. (...) Eigenlijk deed ik niks. Enkel meerijden zoals de andere werknemers. Qua indienstnames, dimonameldingen, contacten met overheid en sociaal secretariaat deed ik niks, alles werd geregeld door (verweerder). Ik heb twee keer mijn handtekening gezet: voor de overname en voor een abonnement van Mobistar”.

Onterecht insinueert verweerder dat R.G. door eiser onder druk werd gezet, althans toont hij dit niet aan. Het is duidelijk dat de verklaring “Ik heb deze mededelingen begrepen” slaat op de mededelingen die aan R.G. bij het begin van het verhoor werden gedaan en die trouwens integraal in het proces-verbaal van verhoor worden opgenomen.

Eiser legt de rechtbank bovendien een verklaring voor van V.D., werknemer van de BVBA AB. van 12 tot 26 november 2007. Hij verklaarde onder meer: “Ik heb een Marokkaan gezien, (verweerder). Hij was niet de zaakvoerder, maar hij was de woordvoerder van de baas. Hij regelde de zaken voor de verantwoordelijke. De echte zaakvoerder heb ik nooit gezien. (...). Ik heb alleen opdrachten gekregen van (verweerder), hij belde altijd”.

Het staat vast dat verweerder zeker als feitelijk zaakvoerder moet worden beschouwd. De voornoemde verklaringen laten geen twijfel, de zaakvoerders van de BVBA AB. waren in feite slechts naamleners. Verweerder moet bijgevolg worden beschouwd als een persoon die ten aanzien van de zaken van de BVBA AB. werkelijke bestuursbevoegdheid heeft gehad in de zin van het art. 265, § 2, eerste lid W.Venn.

Onterecht argumenteert verweerder dat zijn recht van verdediging zou zijn geschonden. Hij wordt in de loop van onderhavige procedure geconfronteerd met de integrale twee voornoemde verklaringen en kan daartegen dan ook verweer voeren.

 

Noot: 

• M. Vandenbogaerde, Aansprakelijkheid van vennootschapsbestuurders, Antwerpen, Intersentia, 2009, p. 121 e.v., nrs. 137 e.v.).

• H. De Wulf en S. De Geyter, “Aansprakelijkheid van rechtspersonen en hun vertegenwoordigers” in XXXIIIste P.U.C. Willy Delva 2006-2007, Aansprakelijkheid, aansprakelijkheidsverzekering en andere schadevergoedingssystemen, Mechelen, Kluwer, 2007, p. 171 e.v., nrs. 87 e.v.;

• M. Wauters, “Nieuwe ontwikkelingen inzake aansprakelijkheid van bestuurders en aandeelhouders” in Themis-cahier vennootschapsrecht 2007-2008, Brugge, die Keure, 2008, p. 55, nr. 4

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 21/01/2012 - 15:46
Laatst aangepast op: za, 21/01/2012 - 15:46

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.