-A +A

Aansprakelijkheid van de reisbemiddelaar bij gebrek aan opgave van de reisorganisator

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Vredegerecht
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
don, 04/10/2007

Vredegerecht Antwerpen, 04/10/2007, RW Jaargang : 2009-2010 (73) Pagina : 293 .
Integrale tekst van het vonnis:

Overwegende dat eiser ten aanzien van de feiten aanvoert dat hij op 16 augustus 2005 met NV C.-E. een overeenkomst heeft gesloten met betrekking tot een «last minute»-reis naar Kreta, voor twee personen, in de periode van 18 augustus 2005 tot 25 augustus 2005, in het hotel Orama, inclusief ontbijt voor de totale prijs van 1.026 euro, vliegtuigticket inbegrepen. Dat het een driesterrenhotel betrof, beschreven als rustig gelegen op 300 meter van het strand.

Dat bij de aankomst in Kreta eisers echter op de hoogte werden gebracht dat zij ingevolge overboekingen naar een ander hotel dienden te gaan, namelijk hotel Orion.

Dat toen echter vastgesteld werd dat het hotel Orion veel verder van het centrum van het strand gelegen was dan het hotel Orama, eisers hebben geprotesteerd bij een verantwoordelijke, een zekere Wendy, die slechts het huren van een auto of scooter aanprees.

Dat na veel aandringen eisers de dag nadien zijn verhuisd naar een ander hotel, dat weliswaar dichter bij het centrum en het strand gelegen was, maar dat van een lagere categorie was dan het oorspronkelijk geboekte hotel.

Dat eisers tot 21 augustus 2005 in hotel Xenofone zijn gebleven, en pas tegen de avond de door hen bestelde hotelkamer-appartement in hotel Orama konden betrekken en uiteindelijk konden beginnen genieten van hun vakantie.

Dat echter al onmiddellijk was gebleken dat er onvoldoende stoelen aan het zwembad beschikbaar waren, hoewel er in de brochure melding werd gemaakt van een mooi buitenzwembad.

Overwegende dat eisers dan ook aanvoeren dat uit het feitenrelaas duidelijk is gebleken dat zij niet hebben verkregen wat er door hen werd besteld en betaald, en dat zij hierdoor ernstige schade hebben geleden waarvoor thans een vergoeding gevorderd wordt van 1000 euro ex aequo et bono.

Dat, ondanks een aangetekende brief aan eerste verweerster, eisers geen reactie van verweerders ontvingen en dan tot dagvaarding overgingen.

Dat aangezien in de reisovereenkomst die eiser heeft ondertekend geen melding wordt gemaakt van de reisorganisator voor wie eerste verweerster zou optreden, zij als reisorganisator wordt beschouwd en terecht gedagvaard werd als reisorganisator overeenkomstig art. 23, § 4, van de wet van 16 februari 1994.

Dat overeenkomstig art. 17 van de wet van 16 februari 1994 eerste verweerster dan ook aansprakelijk is voor de goede uitvoering van het contract, en aangezien uit het gedane relaas blijkt dat er geen uitvoering van de onderschreven reisovereenkomst is geweest, omdat zij niet onmiddellijk toegang kregen tot het door hen geboekte hotel, ramen zij de door hen geleden schade ex aequo et bono op 1000 euro.

Overwegende dat indien eerste verweerster inderdaad bevestigt dat eerste eiser op haar kantoor te 2000 Antwerpen (...) op 16 augustus 2005 een reiscontract heeft gesloten met bestemming Kreta, zij echter onderstreept dat zij als reisbemiddelaar is opgetreden voor de reisorganisator NV I.C., waarvan S.W./I. geregistreerde merknamen zijn.

Dat de geboekte reis een «last minute»-reis betrof, naar Matala op het eiland Kreta, in hotel Orama, voor een duurtijd van zeven dagen voor een totale prijs van 1.026 euro, met vlucht en hotelkamer voor twee met ontbijt.

Dat verweerders eveneens beamen dat eisers zich hebben beklaagd over het feit dat zij de eerste dagen in een slechter hotel werden ondergebracht dan aanvankelijk geboekt, en eiser hebben geschreven dat zij desbetreffende een onderzoek zouden voeren, dat evenwel enige tijd zou duren.

Dat verweerders bij brief van 27 augustus 2005 in gebreke werden gesteld voor de door eisers geleden schade die door de rechtsbijstandsverzekeraar op 500 euro werd geraamd.

Dat bij het uitblijven van een positief antwoord huidige dagvaarding tegen verweerders werd uitgebracht.

Overwegende dat eerste verweerster in de eerste plaats de onbevoegdheid van Onze zetel opwerpt, aangezien in het reiscontract, dat op 16 augustus 2005 werd gesloten, in art. 12 is voorzien in de exclusieve bevoegdheid van de Geschillencommissie Reizen.

Dat, aangezien eisers zich akkoord hebben verklaard met de algemene voorwaarden (inclusief arbitragebeding), de Vrederechter zich in casu onbevoegd moet verklaren.

Dat eerste verweerster subsidiair aanvoert dat zij enkel is opgetreden als reisbemiddelaar en niet als reisorganisator, die in casu de NV T.C. is, met maatschappelijke zetel te W.

Dat eisers hebben geboekt uit de catalogus van de NV I.C. en zich aldus akkoord hebben verklaard met een reisaanbod uit voormelde catalogus.

Dat in deze omstandigheden de reisbemiddelaar dan ook niet aansprakelijk is wanneer hij zijn bemiddelingsopdracht, informatie en raadgevingsverplichting correct heeft uitgevoerd, maar zich bij de uitvoering van het reiscontract problemen hebben voorgedaan.

Dat eerste verweerster hierbij verwijst naar het reiscontract waarin in art. 9 duidelijk wordt gestipuleerd dat indien eerste verweerster als reisbemiddelaar is opgetreden, zij niet aansprakelijk kan worden gesteld bij de gehele of gedeeltelijke niet-uitvoering van de reis om redenen eigen aan de reisorganisator.

Dat eerste verweerster dan ook meent dat eisers zich tot de reisorganisator hadden moeten richten.

Overwegende dat wanneer eisers in hun dagvaarding aanvoeren dat eerste verweerster wel is opgetreden als reisorganisator, en dat zij de identiteit van de reisorganisator niet kennen, repliceert verweerster dat uit de brochure die eisers zelf als nuttig stuk naar voren brengen duidelijk blijkt dat de reis werd besteld uit de gids van reisorganisator I., maar in de kantoren en via de bemiddeling van eerste verweerster.

Dat eisers in deze omstandigheden zich dan ook moeten richten tot de NV I.C.

Dat zelfs indien zou worden aangenomen dat eerste verweerster opgetreden is als reisorganisator – quod non – zij zich beroept op art. 9 van het reiscontract, waarin is bedongen dat C. nooit aansprakelijk kan worden gesteld voor wijzigingen waaraan zij vreemd is en die opgelegd werden door derden, waaronder touroperators.

Overwegende dat nog meer subsidiair en voor zover geoordeeld zou worden dat eerste verweerster als reisorganisator is opgetreden, dan is de door eisers gevorderde schadevergoeding buitensporig.

Dat uit het relaas van eisers immers gebleken is dat zij minstens vier dagen in het door hen geboekte hotel hebben verbleven, en voor zover gebleken is dat zij drie overnachtingen in een hotel van mindere kwaliteit hebben gehad, de schade moeilijk geëvalueerd kan worden op de nagenoeg volledige kostprijs van de geboekte reis.

Dat de rechtsbijstandsverzekeraar van eerste eiser zich hiervan blijkbaar bewust is, aangezien hij aanvankelijk de schade had begroot op 500 euro.

Dat aangezien het verschil in prijzen tussen de kamers een totaal bedraagt van 42,06 euro, de schade hoogstens op voormeld bedrag dient te worden geraamd.

Dat voorts de morele waarde, waarvoor vergoeding wordt gevraagd, niet is aangetoond.

...

Overwegende dat in rechte en na de uitvoerige conclusie van de partijen te hebben gelezen blijkt dat verweerders in de eerste plaats de onbevoegdheid van Onze zetel opwerpen, en aanvoeren dat eisers met het reiscontract dat op 16 augustus 2005 werd gesloten, zich akkoord hebben verklaard om in geval van betwisting deze voor de Geschillencommissie Reizen te brengen.

Dat desbetreffende echter dient te worden gerepliceerd dat er in casu geen sprake is van exclusieve bevoegdheid van voormelde Geschillencommissie Reizen, en dat het de consument-reiziger steeds toegelaten is zich te wenden tot zijn natuurlijke rechter.

Dat indien de algemene voorwaarden weliswaar aan de achterzijde van het reiscontract van 16 augustus 2005 zijn afgedrukt, echter blijkt dat deze in zeer kleine drukletters zijn geschreven en bovendien onderaan niet werden ondertekend voor goedkeuring.

Dat men ook hier duidelijk te maken heeft met een toetredingscontract, waarbij eisers als economisch zwakkere persoon zich noodgedwongen hebben aangesloten, zodat er van een geldige toestemming van eisers om zich aan het scheidsrechterlijk beding te schikken, geen sprake kan zijn.

Dat eisers dan ook gerechtigd zijn om zich tot de gewone rechtsmacht te wenden.

Dat Wij derhalve bevoegd zijn om van deze zaak kennis te nemen.

Overwegende dat wanneer verweerders in de tweede plaats echter aanvoeren dat zij enkel als reisbemiddelaar en niet als reisorganisator opgetreden zijn, dient men aan de hand van de gevoerde briefwisseling vast te stellen dat eerste verweerster in haar antwoordschrijven aan eiser zich nooit heeft verschuild achter het feit dat zij enkel reisbemiddelaar was en dat eisers zich maar tot NV I.C. als reisorganisator dienden te richten.

Dat trouwens niet kan worden ontkend dat op het reisdocument van 16 augustus 2005 dat de respectieve verbintenissen van partijen vermeldt er nergens sprake is van het feit dat eerste verweerster alleen zou zijn opgetreden als reisbemiddelaar, aangezien het document als hoofding «C.-E.» heeft en onder de benaming C. ondertekend wordt.

Dat nergens op het document, noch op de achterzijde ervan verwezen wordt naar een reisorganisator, zodat eiser terecht aanvoert dat conform art. 23, § 4, van de wet van 16 februari 1994 eerste verweerster als reisorganisator wordt beschouwd.

Overwegende dat ten slotte wat de beweerde schade aangaat, dient te worden opgemerkt dat eisers gedurende vier dagen en vier nachten niet hebben verbleven in het door hen geboekte hotel, maar werden ondergebracht in een hotel van lagere kwaliteit, ver van het centrum en van het strand.

Dat derhalve gebleken is dat eerste verweerster de door haar aangegane verbintenis, namelijk het verblijf gedurende zeven dagen in een driesterrenhotel niet is nagekomen, en zulks minstens voor de duur van vier dagen op zeven, zodat wegens foutieve en gebrekkige uitvoering van de overeenkomst vergoeding verschuldigd is.

Dat rekening houdend enerzijds met de totale prijs van het verblijf met vliegtickets van 1.026 euro voor twee personen, en anderzijds met de geleden hinder en het gestoorde reisgenot, de vergoeding ex aequo et bono geraamd wordt op 250 euro voor beide eisers.

...
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 14/10/2009 - 18:25
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 17:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.