-A +A

Aansprakelijkheid verzekeraar bij opzegging en vernieuwing polis

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Brugge
Datum van de uitspraak: 
vri, 21/12/2007
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2010-2011
Pagina: 
1780
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds t/ P.P.-J., NV A.B., NV V. en BVBA C. Verzekeringskantoor

A. Gegevens en voorwerp van de vordering

De vordering van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds strekt ertoe, na uitbreiding van de vordering in conclusies neergelegd ter griffie op 4 september 2007, P.P.-J., NV A.B., NV V. en BVBA C. Verzekeringskantoor in solidum te veroordelen tot betaling van een provisioneel bedrag van 5.858,01 euro in hoofdsom. Dit bedrag wordt gevorderd als terugbetaling van de verleende prestaties m.b.t. een verkeersongeval op 8 april 2005 te Brugge. De vordering is gebaseerd op het subrogatierecht verleend krachtens art. 19bis-14 W.A.M.-wet.

Met betrekking tot de vordering van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds gedraagt P.P.-J. zich naar het oordeel van de rechtbank.

P.P.-J. heeft NV A.B., NV V. en BVBA C. Verzekeringskantoor gedagvaard in gedwongen tussenkomst en vrijwaring. Hij vordert (1) te horen zeggen voor recht dat NV A.B., NV V. en BVBA C. Verzekeringskantoor in solidum gehouden zin om P.P.-J. te vrijwaren voor iedere veroordeling die hij mogelijk zou kunnen oplopen uit hoofde van de vordering van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds; (2) NV A.B., NV V. en BVBA C. Verzekeringskantoor minstens op rechtstreekse eis solidair, minstens in solidum te veroordelen om aan P.P.-J. een provisioneel bedrag van 5.858,01 euro in hoofdsom te betalen als schadevergoeding.

NV A.B., NV V. en BVBA C. Verzekeringskantoor betwisten de vorderingen van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds en van P.P.-J.

B. Beoordeling

...

2. De vordering van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds tegen P.P.-J.

2.1. Op basis van de chronologie van de verzekering burgerlijke aansprakelijkheid motorrijtuigen staat het vast dat het voertuig Saab, bestuurd door P.P.-J., op het tijdstip van het ongeval niet was verzekerd.

Het ongeval deed zich voor op 8 april 2005. Het voertuig Saab was bij de NV A.B. tot 25 januari 2005 verzekerd. De bij NV V. aangegane polis trad, voor wat de waarborg burgerrechtelijke aansprakelijkheid betreft, in werking op 28 juni 2005.

2.2. Omdat het voertuig Saab niet geldig was verzekerd, hebben de benadeelde partijen schadeloosstelling van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds gevorderd.

Op basis van zijn wettelijke vergoedingsopdracht heeft het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds (art. 19bis-11, § 1, 8o, W.A.M.-wet) inmiddels reeds een schadevergoeding van in totaal 5.858,01 euro aan de schadelijders betaald. Aangezien een benadeelde partij ook lichamelijke schade opliep, waarvoor klaarblijkelijk nog geen schadevergoeding werd uitgekeerd, worden deze uitkeringen door het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds als voorlopig en provisioneel beschouwd.

2.3. Overeenkomstig art. 19bis-14, § 1, W.A.M.-wet treedt het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds in zoverre het de schade heeft vergoed, in de rechten van de benadeelde tegen de aansprakelijke personen en eventueel tegen hun verzekeraars.

In voorliggend geval wordt niet betwist dat P.P.-J. de voor het ongeval aansprakelijke persoon was. Hij was onaandachtig waardoor hij zijn voorligger aanreed en bijgevolg een overtreding van art. 10.1.3. Wegverkeersreglement beging.

Bijgevolg is de vordering van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds tegen P.P.-J. rechtmatig en gegrond.

Cijfermatig bestaat er geen betwisting, zodat het gevorderde provisionele bedrag van 5.858,01 euro toewijsbaar is. De vergoedende interesten worden toegekend vanaf 25 januari 2006 tot en met 25 juni 2006 op een bedrag van 2.336,87 euro, en vanaf 26 juni 2006 op een bedrag van 5.858,01 euro.

3. De tussenvordering van P.P.-J. tegen NV A.B., NV V. en BVBA C. Verzekeringskantoor

3.1. P.P.-J. is van oordeel dat het hiaat in de verzekeringsperiode (25 januari-28 juni 2005) van het voertuig Saab en de niet-verzekering ervan op het ogenblik van het ongeval te wijten zijn aan een fout/ nalatigheid van (1) de verzekeringsmaatschappij NV A.B. bij wie het voertuig oorspronkelijk verzekerd was, (2) de verzekeringsmaatschappij NV V. die de nieuwe verzekeraar was en (3) BVBA C. Verzekeringskantoor die de verzekeringsmakelaar was.

NV A.B. wordt allereerst verweten de opzegbrief, meer bepaald de bewoordingen «eerstkomende vervaldatum» verkeerd te hebben geïnterpreteerd. Vervolgens wordt aangevoerd dat de NV A.B. ertoe gehouden was in te staan voor een onmiddellijk aansluitende verzekeringsdekking en dat zij de verzekeringnemer er uitdrukkelijk op had moeten wijzen dat de polis op een andere datum afliep dan op de vervaldatum vermeld in de opzegbrief.

NV V. wordt eveneens onzorgvuldigheid bij de opzegregeling ten laste gelegd. De opzegbrief werd door bemiddeling van de NV V. opgesteld en aan NV A.B. gestuurd, zodat de NV V. volgens P. dan ook het nodige had moeten doen om ervoor te zorgen dat de nieuwe bij NV V. aangegane polis op 25 januari 2005 in werking trad.

Ten slotte is P.P.-J. van oordeel dat de BVBA Verzekeringskantoor C. zowel verzekeringnemer P.P. als verzekeraar NV V. onjuiste informatie heeft verstrekt en heeft misleid betreffende de vervaldatum van de polis bij de NV A.B.

3.2. Op basis van de voorliggende stukken kan de rechtbank de respectieve handelingen van de betrokken partijen, relevant voor de opzegregeling, als volgt samenvatten:

de BVBA Verzekeringskantoor C. heeft NV A.B. verzocht om de polis met ingang van 2 oktober 2003 te schorsen n.a.v. de buitengebruikstelling van het voertuig Renault; BVBA Verzekeringskantoor C. heeft ook het premiesaldo van 517,96 euro terugbetaald;

– de benaming voor het opnieuw in werking stellen van de polis bij de NV A.B. n.a.v. de aankoop van het voertuig Saab gebeurde door de BVBA Verzekeringskantoor C.; het bijvoegsel voor de voertuigwijziging werd door het Verzekeringskantoor C. aan P.P. toegezonden. In een begeleidende brief van 28 mei 2004 werd onder meer vermeld: «Uw bijpremie bedraagt 527,82 euro (28/05/2004-28/05/2005)»;

– de bijzondere voorwaarden, opgemaakt n.a.v. de voertuigwijziging, werden opgesteld door de NV A.B. en vermeldden als jaarlijkse vervaldag «25 januari»; betreffende de premiestaat werd vermeld: «Een premiestaat van 527,82 euro voor de periode van 30 april 2004 tot 25 januari 2005 gaat bij deze bijzondere voorwaarden»;

– de opzegbrief m.b.t. de polis burgerrechtelijke aansprakelijkheid bij de NV A.B. en de polis rechtsbijstand bij D. werd op 29 april 2004 door P.P. ondertekend; als vervaldag voor de polis burgerrechtelijke aansprakelijkheid bij de NV A.B. werd «28/06» op de opzegbrief vermeld;

– op 29 april 2004 heeft P.P. een verzekeringsvoorstel voor een nieuwe polis bij de NV V. ondertekend;

de NV V. heeft in de maand mei 2005 («exemplaar voor de verzekeringnemer») gedateerd op 11 mei 2004 en «exemplaar producent» gedateerd op 17 mei 2005) een polis opgemaakt met de volgende waarborgen: «omnium» («schade conventionele formule») vanaf 29 april 2004; «rechtsbijstand» vanaf 18 maart 2005 en «burgerrechtelijke aansprakelijkheid» vanaf 28 juni 2005;

– het beheer van de opzeg van de bestaande polis (bij de NV A.B.) alsook de inzameling van gegevens voor de opmaak van de nieuwe polis (bij de NV V.) verliep via de beheerscel V.A.; de opzegbrief werd op 10 mei 2004 aan de NV A.B. verzonden;

– op 12 mei 2004 stuurde de NV A.B. de opzegbrief terug naar V.A. met een vraagteken naast het polisnummer en met de vermelding «slecht nummer»; dit document werd op 17 mei 2004 door V.A. ontvangen;

V.A. probeerde meermaals P.P. telefonisch te bereiken om de juiste gegevens van de bij de NV A.B. onderschreven polis te verkrijgen, maar zonder resultaat. Uiteindelijk werd op 6 oktober 2004 een brief gestuurd met als bijlage nogmaals een opzegbrief teneinde het document juist in te vullen;

P.P. vulde de gevraagde gegevens op de opzegbrief in en antwoordde op 7 oktober 2004 als volgt aan V.A.: «Hopelijk is het nu in orde. Hierbij nogmaals de fotokopie van ons contract»; deze documenten werden door V.A. op 12 oktober 2004 ontvangen;

– op basis van de door P.P. verstrekte gegevens werd een verbeterde opzegbrief op 12 oktober 2004 door V.A. aan de NV A.B. toegezonden; het correcte polisnummer werd vermeld en als vervaldatum werd 28 mei 2005 vermeld;

NV A.B. heeft op 15 oktober 2004 een brief gestuurd naar P.P. met de bevestiging van de ontvangst van de opzegbrief én van de beëindiging van de polis tegen 25 januari 2005; een kopie van deze brief werd naar het Verzekeringskantoor C. gestuurd;

NV A.B. heeft op 25 januari 2005 een «attest schadeverleden» gestuurd naar P.P., met verzoek dit onverwijld aan de volgende verzekeraar af te geven; in het betreffende document werd de einddatum van de polis (25 januari 2005) vermeld; een kopie van deze brief werd naar het Verzekeringskantoor C. gestuurd;

– de waarborg «burgerrechtelijke aansprakelijkheid» in de bij NV V. aangegane polis met nummer 6442235 is in werking getreden op 28 juni 2005.

...

5. De beoordeling van de aansprakelijkheid van de NV V.

5.1. De aankoop van het voertuig Saab door P.P. ging gepaard met een deal m.b.t. het verzekeringsonderdeel. Net als de factuur van de nieuwe Saab werd het verzekeringsvoorstel op 29 april 2004 opgemaakt. De samenwerking tussen autofabrikant Saab en de NV V. blijkt duidelijk uit de keuzewaarborgen op het voorgedrukte verzekeringsvoorstel van de NV V.: «Saab Insurance Bronze», «Saab Insurance Silver» en «Saab Insurance Gold».

Het beheer van de polisopmaak gebeurde door V.A., een beheerscel binnen de groep NV V.

5.2. Allereerst stelt de rechtbank vast dat V.A. initieel reeds bij de opmaak van de polis op 11 mei 2004 een verkeerde vervaldatum in aanmerking heeft genomen; de begindatum van de waarborg «burgerrechtelijke aansprakelijkheid» werd op 28 juni 2005 bepaald.

Als diligente verzekeraar had V.A. in feite op dat ogenblik reeds alle nuttige stukken aan P.P., het Verzekeringskantoor C. en/of de NV A.B. kunnen opvragen teneinde zich van de exacte vervaldatum te vergewissen. Op V.A. rustte een eigen onderzoeks- en verificatieplicht en bovendien moest zij, als professioneel verzekeraar, ervan op de hoogte zijn dat een schorsing van de polis met een daaropvolgende wederinwerkingstelling n.a.v. het in het verkeer brengen van een nieuwe wagen implicaties zou hebben op de vervaldag van de bij de NV A.B. aangegane polis.

5.3. Toen bleek dat er onduidelijkheid bestond betreffende het nummer van de polis bij de NV A.B. van P.P. heeft V.A. nadere informatie aan P.P. gevraagd. P.P. had volgens zijn bericht van 7 oktober 2004 een kopie van het verzekeringscontract gevoegd. Hij schreef letterlijk: «Hierbij gevoegd de fotokopie van ons contract».

Op basis van de voorliggende dossierstukken kan de rechtbank niet uitmaken of de polis zelf dan wel enkel het vervaldagbericht van de premie (zoals door de NV V. wordt beweerd) werd toegezonden. Indien de polis zelf werd toegezonden, dan had V.A. op grond van de polisgegevens onbetwistbaar moeten weten dat de vervaldag «25 januari» was. Indien alleen maar het vervaldagbericht werd toegezonden, dan kan de rechtbank enkel maar vaststellen dat V.A. geen verdere inspanningen heeft gedaan om het verzekeringscontract (op grond waarvan definitief uitsluitsel over de vervaldatum kon worden verkregen) bij P.P. effectief op te vragen en/of bij de vorige bemiddelaar (C.) nadere informatie in te winnen.

5.4. V.A. heeft op 12 oktober 2004 een «verbeterde» opzegbrief (vervaldatum «28 mei 2005»), met daarbij een samenvattend borderel (in twee exemplaren) van de als bijlage gevoegde opzegbrieven aan de NV A.B. toegezonden. Op het borderel werden eveneens het polisnummer en de vervaldatum (28 mei 2005) vermeld. Onderaan het borderel werd gevraagd om het dubbel van het borderel binnen acht dagen voor akkoord terug te sturen.

Klaarblijkelijk werd – volgens de voorliggende stukken en dossiergegevens – het borderel door de NV A.B. niet teruggestuurd. Evenmin is er, volgens de NV V. zelf, enige verdere repliek van de NV A.B. op de opzegbrief gekomen. De NV A.B. heeft enkel een bevestiging van de beëindiging van de polis naar P.P., met kopie aan Verzekeringskantoor C., gestuurd.

V.A. heeft dan zelf geen acties meer ondernomen. Dit wekt des te meer verwondering, daar de «Overeenkomst opzeggings- en/of medeverzekeringsbrieven in Motorrijtuigen, OGR en Brand», die tussen de verzekeringsmaatschappijen werd gesloten, bepaalt dat «de geadresseerde zich ertoe verbindt de kopie van het samenvattend borderel te ondertekenen en binnen acht dagen na ontvangst van de verzending aan de afzender terug te sturen» (art. 2 van de overeenkomst).

In het raam van een actieve opvolging en zorgvuldig polisbeheer zou redelijkerwijze toch verwacht mogen worden dat V.A. de NV A.B. opnieuw gecontacteerd zou hebben teneinde uitsluitsel te krijgen over de correctheid van de gegevens vermeld op het borderel.

Bovendien dient de rechtbank vast te stellen dat V.A. de begindatum van de waarborg «burgerrechtelijke aansprakelijkheid» in haar polis niet eens meer heeft aangepast en gewijzigd van 28 juni 2005 naar 28 mei 2005. Indien zij meende te mogen voortgaan op de gegevens verstrekt door P.P. (en het premievervaldagbericht van C.), dan had zij consequent de waarborgen in haar polis moeten laten aanvangen op 28 mei 2005.

5.5. De bovenvermelde elementen leiden de rechtbank tot het besluit dat V.A. bij de opzeg en de opmaak van de nieuwe polis onzorgvuldig en nalatig is geweest en is tekortgeschoten in de op haar rustende verificatieplicht. Deze foutieve nalatigheid van de NV V. betreft niet louter een (pre)contractuele tekortkoming ten aanzien van de verzekeringnemer P.P. Een verzekeraar heeft immers ook in zijn rechtsverhouding tot derden bepaalde verplichtingen, namelijk het naleven van de algemene zorgvuldigheidsnorm die geldt voor een normaal voorzichtige en redelijke verzekeraar, in dezelfde feitelijke omstandigheden geplaatst, en die door art. 1382-1383 B.W. wordt bepaald (L. Cornelis, Beginselen van het Belgische buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Maklu, 1989, 120-121 en 264).

Daarbij komt nog dat bepaalde derden niet totaal vreemd zijn aan een tussen contractpartijen gesloten overeenkomst, omdat ze in een nauwe contactuele (maar niet-contractuele) relatie staan tot een van de contractanten (W. Van Gerven, Verbintenissenrecht, Acco, 2006, 246). Dit is onder meer het geval voor de gezinsleden van een verzekeringnemer die vaak ook «verzekerde persoon» in de polis zijn. Met betrekking tot een polis motorrijtuigen geldt dit zelfs voor alle «toegelaten bestuurders» die vanaf de contractsluiting reeds in de «contractsfeer» zijn opgenomen en evenzeer belanghebbende partijen zijn voor wat betreft de juistheid en de omvang van de waarborgverstrekking van de polis. Ten aanzien van deze personen geldt dan ook een verhoogde aansprakelijkheid als gevolg van de doorwerking van de contractverhouding in het voordeel van deze derden (W. Van Gerven, Verbintenissenrecht, 246).

De rechtbank is van oordeel dat de sub 5.2., 5.3. en 5.4. geschetste tekortkomingen van de NV V. een tekortkoming uitmaken aan de op haar rustende algemene (buitencontractuele) zorgvuldigheidsplicht, en dit meer bepaald ten nadele van P.P.-J. In dit verband moet ook worden benadrukt dat de NV V. (net als de NV A.B. overigens) de tussen verzekeraars gesloten overeenkomst inzake de opzeggingsbrieven niet accuraat heeft nageleefd. Dit is relevant, omdat de invulling van de zorgvuldigheidsplicht van een «professioneel» mede wordt geïnspireerd door de gedragsregels opgenomen in een tussen de betreffende beroepsgroep bestaande gedragscode of conventie (K. Bernauw, «Buitengerechtelijke schaderegeling met aansprakelijkheidsverzekeraars», in XXXIIIe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva: Aansprakelijkheid, aansprakelijkheidsverzekering en andere schadevergoedingssystemen, Mechelen, Kluwer, 2007). Derhalve is de aansprakelijkheid van de NV V. ten aanzien van P.P.-J. betrokken.

Hierna (sub 7.) zal worden onderzocht op P.P.-J. zelf ook schuld treft aan de schade (uitgaven van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds) voortvloeiend uit het besturen van een niet-verzekerd voertuig. Dit zou dan tot gevolg hebben dat P.P.-J. zelf een deel van de schade zou moeten dragen.

6. De beoordeling van de aansprakelijkheid van de NV A.B.

6.1. De NV A.B. ontving op 12 mei 2004 de opzegbrief van P.P., die via V.A. aan haar was toegezonden. Op 12 mei 2004 stuurde de NV A.B. de opzegbrief terug naar V.A. met een vraagteken naast het polisnummer en met de vermelding «slecht nummer»; dit document werd op 17 mei 2004 door V.A. ontvangen.

Het komt de rechtbank voor dat de NV A.B. bijzonder weinig inspanningen heeft geleverd om na te gaan op welke polis de opzegbrief betrekking had. In plaats van enig elementair opzoekwerk via de databestanden te verrichten, heeft de NV A.B. de opzegbrief gewoon teruggestuurd naar de NV V. met de melding «slecht nummer». Nochtans werd in de opzegbrief duidelijk vermeld dat het ging om de «autoverzekering» van «P.P.» (met vermelding van zijn identiteitsgegevens).

Bovendien blijkt dat er enkel een foutje (1 cijfer) in het borderel en niet in de opzegbrief zelf geslopen was. In plaats van het correcte polisnummer «600.332.870» werd verkeerdelijk «600.332.820» op het borderel vermeld. Op de opzegbrief zelf stond het nummer «600.332.870» geschreven. Wellicht had V.A. het voorlaatste cijfer van het polisnummer (manueel geschreven door P.P.) op de opzegbrief ten onrechte als een «2» in plaats van een «7» gelezen. Mits enige inspanning te leveren, had de NV A.B., die in haar bestand over alle nuttige gegevens beschikte, reeds op 12 mei 2004 kunnen en moeten weten op welke polis de opzegbrief betrekking had.

Overigens stelt de rechtbank vast dat de NV A.B. in haar conclusies van 28 maart 2007 zelf schrijft: «Op 12 mei 2004 ontving concluante een opzeggingsbrief, waarbij haar verzekerde liet weten: «met huidig schrijven deel ik u mee dat ik mijn polis (waarvan de ref. hierna) voor de volgende waarborgen en vervaldata wens op te zeggen: burgerrechtelijke aansprakelijkheid/ polisnummer 600332870 (...)» (eigen cursivering). Met andere woorden, NV A.B. schrijft thans in conclusies dat zij reeds op 12 mei 2004 kennis had van het juiste polisnummer (= 600.332.870) ...

Kortom, indien de NV A.B. op 12 mei 2004 grondiger was tewerkgegaan, dan hadden initieel reeds heel wat misverstanden vermeden kunnen worden en hadden de verzekeraars NV A.B. en NV V. onderling, zoals van professionele verzekeraars had mogen worden verwacht, de opzegregeling correct en naadloos kunnen laten verlopen, zonder dat aan P.P. nog nadere informatie moest worden gevraagd. Een en ander geldt des te meer in het licht van de tussen verzekeraars gesloten overeenkomst met het oog op een vlotte opzegregeling van de verzekeringscontracten («Overeenkomst opzeggings- en/of medeverzekeringsbrieven in motorrijtuigen, OGR en brand») ...

6.2. Het standpunt van P.P.-J. kan weliswaar niet gevolgd worden wanneer hij aanvoert dat de «eerstkomende vervaldatum» in de opzegbrief geïnterpreteerd moest worden als zijnde de «eerstkomende correcte vervaldag na de initieel opgegeven vervaldatum in de opzegbrief». De bewoordingen van de opzegbrief zijn duidelijk: «Vervaldatum (of op de eerstkomende vervaldatum indien die datum onjuist blijkt te zijn» (eigen cursivering). Het voegwoord «of» wijst erop dat de einddatum van het contract ofwel de opgegeven vervaldatum is, ofwel de eerstkomende eerdere of latere werkelijke vervaldatum.

P.P.-J. heeft wel gelijk wanneer hij betoogt dat van professionele verzekeraars mag worden verwacht dat zij een opzegregeling en een overgang van polissen correct en zonder verzekeringshiaat opvolgen en laten verlopen.

Om die reden ook hebben de verzekeraars een overeenkomst gesloten betreffende het vlot verloop van opzeggingsbrieven tussen verzekeraars onderling. Eén van de modaliteiten daarvan is dat de «geadresseerde (verzekeraar) zich ertoe verbindt de kopie van een samenvattend borderel te ondertekenen en binnen acht dagen na ontvangst van de verzending aan de afzender terug te sturen» (art. 2 van de overeenkomst).

Uit de voorliggende stukken en de conclusies van de betrokken partijen blijkt dat de NV A.B. op 15 oktober 2004 enkel een bevestiging van de beëindiging van de polis naar P.P., met kopie aan het Verzekeringskantoor C., heeft gestuurd. Nochtans had de NV V. onderaan het borderel van 12 oktober 2004 uitdrukkelijk gevraagd om het dubbel van het borderel voor akkoord terug te sturen binnen acht dagen, zoals dit in art. 2 van de overeenkomst tussen verzekeraars is voorgeschreven.

De NV V. ontkent formeel dat zij van de NV A.B. kennis heeft gekregen van de juiste vervaldatum. Zij betwist ook ten stelligste dat zij in het bezit was en/of kennis had van het stuk met de handgeschreven datum «25/1/2005» op het borderel.

De rechtbank stelt inderdaad vast dat (1) uit geen enkel dossiergegeven blijkt dat de NV A.B. het borderel voor akkoord en/of na de nodige correcties te hebben aangebracht aan de NV V. heeft teruggestuurd en (2) de NV A.B. in conclusies zelf aangeeft dat zij de bevestiging van de opzeg heeft medegedeeld aan P.P., met kopie aan verzekeringsmakelaar C.

De NV A.B. gaat er dan ook verkeerdelijk vanuit dat zij enkel verplichtingen had ten aanzien van de verzekeringnemer en dat zij er niet toe gehouden was om de NV V. te berichten.

Indien de NV A.B. het borderel, dat haar op 12 oktober 2004 was bezorgd, had beantwoord en de kopie ervan had ondertekend en binnen acht dagen na de verzending aan de NV V. had teruggestuurd met een duidelijke vermelding van de correcte vervaldatum, zou de overgang van de polis redelijkerwijze juist en zonder verzekeringshiaat zijn verlopen. Bijgevolg is ook de NV A.B. onzorgvuldig en nalatig geweest en treft ook haar schuld aan de niet-verzekering van het voertuig Saab op het tijdstip van het ongeval.

Met verwijzing naar wat hierboven (sub 5.5) werd uiteengezet, is de rechtbank van oordeel dat niet alleen de (contractuele) aansprakelijkheid van de NV A.B. ten aanzien van P.P. betrokken is, maar ook haar buitencontractuele aansprakelijkheid ten aanzien van P.P.-J.

7. De beoordeling van de aansprakelijkheid van P.P.-J.

7.1. De vordering van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds is het gevolg van het feit dat P.P.-J. bestuurder was van een voertuig dat op het tijdstip van het ongeval niet verzekerd was.

P.P. heeft op 8 april 2004 een voertuig in het verkeer gebracht zonder dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid was gedekt. Uit het strafdossier blijkt dat P.P.- J. geen geldig verzekeringsdocument kon voorleggen. Nochtans is een groene kaart een verplicht boorddocument dat een bestuurder van een motorvoertuig steeds moet kunnen voorleggen.

7.2. Een bestuurder van een voertuig moet er dan ook steeds op toezien dat alle vereiste boorddocumenten zich in het voertuig bevinden. Dit is een wettelijke verplichting die op de bestuurder rust en die zelfs strafrechtelijk wordt beteugeld (art. 23 W.A.M.- wet);

Een persoon die een strafrechtelijk beteugelde regel overtreedt, begaat tevens een fout in de zin van art. 1382-1383 B.W. Een normaal voorzichtige en redelijke toerekeningsvatbare persoon leeft namelijk steeds de strafwetten na (L. Cornelis, Beginselen van het Belgische buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Maklu, 1989, 120-121 en 264).

Overigens is het belangrijk te onderstrepen dat de schadeverwekker niet in de wetenschap moet verkeren dat de handeling of nalatigheid de overtreding van een wettelijke norm inhoudt. Een persoon begaat ook een fout wanneer hij een wettelijke norm overtreedt zonder zich in concreto bewust te zijn van de wetsovertreding (Antwerpen 13 december 2005, Limb. Rechtsl. 2006, 119; G. Jocqué, «Bewustzijn en subjectieve verwijtbaarheid», in XXXIIIe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva: Aansprakelijkheid, aansprakelijkheidsverzekering en andere schadevergoedingssystemen, Mechelen, Kluwer, 2007).

7.3. Dit foutief handelen van P.P.-J. staat ontegensprekelijk in causaal verband met de schade, zoals die thans blijkt uit de voorliggende vordering van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds. Indien betrokkene zich van de verzekering van het voertuig Saab en meer bepaald van de aanwezigheid van een groene kaart (waarop o.m. de geldigheidsduur van de verzekering wordt vermeld) had vergewist, dan zou hij vanzelfsprekend gemerkt hebben dat het voertuig Saab niet verzekerd was en zou hij zich redelijkerwijze niet zonder geldige verzekering in het verkeer hebben begeven. Zodoende is ook de eigen aansprakelijkheid van P.P.-J. betrokken. Hij heeft zich met een niet-verzekerd voertuig in het verkeer begeven, waardoor het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds tot tussenkomst was gehouden.

8. De beoordeling van de aansprakelijkheid van P.P.

8.1. De vraag of P.P., verzekeringnemer en eigenaar van het voertuig Saab, foutief heeft gehandeld, is in het voorliggende geschil niet aan de orde. P.P. is geen partij in de procedure.

8.2. Het enige wat de rechtbank in het raam van deze procedure moet nagaan, is of de verwerende partijen (Verzekeringskantoor C., NV V. en NV A.B.) een fout hebben begaan die in oorzakelijk verband met de schade staat.

Indien het antwoord op die vraag positief is, vloeit daaruit noodzakelijkerwijze voort dat de (aansprakelijke) verwerende partijen de schade van de benadeelde partij integraal moeten vergoeden, met uitzondering weliswaar van dat deel van de schade dat het gevolg is van de eigen fout van de schadelijder (H. Vandenberghe e.a., «Overzicht van rechtspraak – Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad 1994-1999», T.P.R. 2000, p. 1921, nr. 168; Cass. 5 mei 1993, Arr. Cass. 1993, 435; Cass. 12 april 1995, Arr. Cass. 1995, 407; Cass. 26 april 1996, Arr. Cass. 1996, 371).

9. De beoordeling van de tussenvordering van P.P.-J. tegen BVBA Verzekeringskantoor C., NV A.B. en NV V.

9.1. Op basis van wat hierboven werd uiteengezet, komt de rechtbank tot het algemeen besluit dat de uitgaven van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds wegens niet-verzekering van het voertuig Saab te wijten zijn aan een foutieve nalatigheid zowel van de NV V. en van de NV A.B., die bij de overgang van de polis onzorgvuldig zijn geweest waardoor een verzekeringshiaat ontstond, als van P.P.-J. die er zich niet van had vergewist of het voertuig Saab, waarvan hij bestuurder was, verzekerd was.

De BVBA Verzekeringskantoor C. heeft naar het oordeel van de rechtbank geen fout in causaal verband met de schade begaan.

9.2. Het deel van de schade dat door P.P.-J. zelf moet worden gedragen ingevolge zijn eigen foutief gedrag, wordt door de rechtbank op 1/3 bepaald.

Dit betekent dat 2/3 van de schade door de andere aansprakelijke personen moet worden gedragen. Immers, wanneer de schade het gevolg is van de fout van verschillende personen, is ieder van hen jegens de getroffene gehouden tot volledige vergoeding van de schade, met uitzondering weliswaar van dat deel van de schade dat het gevolg is van de eigen fout van de schadelijder (Cass. 5 mei 1993, Arr. Cass. 1993, 435; Cass. 26 april 1996, Arr. Cass. 1996, 371; Gent 13 maart 1997, T.G.R. 1998, 3; H. Vandenberghe e.a., «Overzicht van rechtspraak – Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad 1994- 1999», T.P.R. 2000, p. 1921, nr. 168). Bijgevolg zijn de NV A.B. en de NV V. in solidum gehouden tot terugbetaling van 2/3 van het bedrag waartoe P.P.-J. krachtens het huidige vonnis wordt veroordeeld tot betaling aan het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds, namelijk 5.858,01 euro x 2/3 = 3.905,34 euro in hoofdsom.

10. De beoordeling van de tussenvordering van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds tegen BVBA Verzekeringskantoor C., de NV A.B. en de NV V.

10.1. Het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds heeft in zijn conclusie van 3 september 2007 zijn vordering uitgebreid tegen de BVBA Verzekeringskantoor C., de NV A.B. en de NV V.

Op grond van art. 19bis-14, § 1, W.A.M.-wet treedt het Fonds, in zoverre het de schade heeft vergoed, in de rechten van de benadeelde tegen de aansprakelijke personen en eventueel tegen hun verzekeraars. Het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds beschikt aldus over een specifiek wettelijk verhaalsrecht, gebaseerd op indeplaatsstelling.

Hierboven (sub 2.3.) werd reeds uiteengezet dat de vordering van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds tegen P.P.-J. («de aansprakelijke persoon») rechtmatig en gegrond voorkomt. Het is immers duidelijk dat de benadeelden schadevergoeding konden vorderen tegen P.P.-J. die voor het ongeval aansprakelijk was.

10.2. De in nr. 10.1. vermelde zinsnede «en eventueel tegen hun verzekeraars» doelt op de situatie waarbij na de schaderegeling door het Gemeenschappelijk Waarborgfonds blijkt dat de verzekeraar toch tot verzekeringsdekking was verplicht, en bijgevolg tot schadeloosstelling van de benadeelde derden was gehouden. In dat geval zouden de benadeelde derden dan ook over een rechtstreeks vorderingsrecht tegen de tot dekking verplichte verzekeraar hebben beschikt, waardoor het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds als gesubrogeerde deze aanspraak ook zou kunnen laten gelden.

De bovenvermelde hypothese moet echter van de voorliggende casus worden onderscheiden. In casu staat het vast dat er op het ogenblik van het ongeval geen geldige verzekeringspolis bestond, zodat de benadeelde derden geen aanspraak konden maken op schadevergoeding tegen de NV V. en/of de NV A.B. op grond van het rechtstreekse vorderingsrecht.

Het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds kan uiteraard niet méér verhalen of méér rechten uitoefenen dan het slachtoffer zelf had kunnen doen, vermits het als gesubrogeerde als het ware in de juridische schoenen van het slachtoffer stapt en diens vorderingsrecht uitoefent tegen de derde aansprakelijke of zijn verzekeraar.

De rechtbank stelt voorts vast dat het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds niet aantoont dat de schadelijders (in wier rechten het treedt) schade hebben geleden door een fout van de in tussenkomst gedagvaarde partijen, zodat de vordering van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds als ongegrond moet worden afgewezen.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 13/06/2011 - 22:22
Laatst aangepast op: ma, 13/06/2011 - 22:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.