-A +A

Afstand van niet-concurrentiebeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 13/12/2010
A.R.: 
S.10.0044.F

Uit de artikelen 65, §2, vijfde lid, 4°, en 86, §1, Arbeidsovereenkomstenwet, die van dwingend recht zijn ten voordele van de werknemer, volgt dat zijn recht op de betaling van de daarin bepaalde vergoeding, ingeval de werkgever niet afziet van het concurrentiebeding, pas ontstaat na het verstrijken van de termijn van vijftien dagen die volgt op het einde van de overeenkomst.

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2011
Pagina: 
178
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

B. H.,
eiser,
tegen
LEAF BUSINESS HOLDINGS BELGIUM, naamloze vennootschap, voorheen Outokumpu Copper Bcz,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 januari 2010 gewezen door het arbeidshof te Luik.
Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht Philippe de Koster heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan, waarvan het eerste gesteld is als volgt.
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de Grondwet ;
- de artikelen 6, 65, inzonderheid § 2, 4°, en 86, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten ;
- de artikelen 6 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek.
Aangevochten beslissingen
Het arrest, dat de beslissing van de eerste rechter wijzigt, verklaart de rechtsvordering van de eiser tot het betalen van de vergoeding ten gevolge van het concurrentiebeding die verschuldigd is krachtens is in artikel 16 van de arbeidsovereenkomst die hij op 3 mei 2004 met de verweerster had gesloten, niet-gegrond om de volgende redenen :
"Aan het (arbeids)hof werd de vraag gesteld of (de eiser), door zijn brief van 10 juli 2006, rechtsgeldig heeft afgezien van de forfaitaire vergoeding die uit dat concurrentiebeding voortvloeit (artikel 16 van de arbeidsovereenkomst tussen de eiser en de verweerster) :

1. Wanneer is (eisers) recht op die vergoeding ontstaan ?
(De eiser) heeft de arbeidsovereenkomst op 10 juli 2006 beëindigd door met ingang van 30 september 2006 ontslag te nemen ;

De arbeidsbetrekkingen zijn inderdaad op 30 september 2006 stopgezet ;
Het Hof van Cassatie heeft beslist dat de geldigheid van het concurrentiebeding beoordeeld moet worden op het ogenblik waarop het ingaat, dat wil zeggen de dag waarop de arbeidsbetrekkingen eindigen (...) ;
Op dat ogenblik ontstaat dus ook het recht. Er kan immers niet redelijkerwijs worden volgehouden dat de geldigheidsvoorwaarden beoordeeld moeten worden op een latere datum dan die waarop het recht ontstaat ;
Zo is het recht op de vergoeding te dezen ontstaan op 30 september 2006 ;

2. Kon (de eiser) van dat recht afzien en zo ja, op welk ogenblik?
De bepalingen van de artikelen 65 en 86 van de Arbeidsovereenkomstenwet betreffende de reglementering op het concurrentiebeding zijn van dwingend recht (Cass., 14 mei 1990, A.C., 1989-90, nr. 539 en J.T.T., 1990, 337) ;
Hieruit volgt dat de werknemer rechtsgeldig van de reglementering op het concurrentiebeding zal kunnen afwijken wanneer deze niet langer in zijn voordeel van dwingend recht is. De overgang van dwingend naar aanvullend recht vindt plaats op het einde van de overeenkomst. Zo schrijft Cl. Wantiez in zijn boek ‘Les clauses de non-concurrence et le contrat de travail' (Larcier, 2001, 12) : 'c'est à partir de ce moment que les disposi¬tions relatives au délai de préavis de licenciement deviennent supplétives'. Het Hof van Cassatie heeft op 13 oktober 1997 (J.T.T., 1998, 159) beslist dat de bediende vrijwillig afstand kan doen van de hem bij artikel 82 van de Arbeidsovereenkomstenwet geboden bescherming, nadat hem van de opzegging is kennisgegeven.
Te dezen heeft (de eiser) op 10 juli 2006 ontslag genomen. Vanaf dat ogenblik kan hij dus afstand doen van de vergoeding waarop het concurrentiebeding recht geeft. De litigieuze afstand die hij diezelfde dag heeft gedaan, was dus rechtsgeldig ratione temporis ;

3. Kon (de eiser) op 10 juli 2006 afstand doen van een recht dat slechts zou ontstaan op 30 september 2006 ?
De heer Wantiez schrijft wat dat betreft het volgende : ‘Le travailleur peut renoncer au paiement de l'indemnité compensatoire (..). Si (cette renonciation) doit être certaine, (elle) ne doit pas être expresse : elle peut, par exemple, résulter de la signature, au moment de la cessation du contrat, d'une convention contenant une disposition par laquelle les parties renoncent à faire valoir tous droits, autre que ceux reconnus par la convention, nés ou à naître, existant ou ayant existé entre elles' ;

Dat is ook de mening van P. Van Ommeslaghe (in ‘Rechtsverwerking en afstand van recht', T.P.R., 1980, n° 5, p. 740) : ‘la renonciation peut aussi porter sur des droits acquis (...). Chacun reconnaît ensuite qu'elle peut aussi porter sur des droits fu¬turs et sur des droits éventuels', en van Fr. Rigaux (in ‘Les renonciations au bénéfice de la loi en droit civil belge', Travaux de l'association Henri Capitant pour la culture fran¬çaise, 1959-1967, XIII, 411 e.v.) ;
Zo kon (de eiser) op 10 juli 2006 afstand doen van zijn recht op de compensatoire vergoeding, dat pas zou ontstaan op 30 september 2006 ".

Grieven

Eerste onderdeel

Het arrest is om de volgende redenen tegenstrijdig gemotiveerd :
1. hoewel het arrest erkent dat de artikelen 65 en 86 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten van dwingend recht zijn, dat de overgang van die bepalingen van dwingend naar aanvullend recht pas aan het einde van de overeenkomst plaatsvindt en dat de arbeidsbetrekkingen tussen de partijen geëindigd zijn op 30 september 2006, d.i. de datum waarop het ontslag van de eiser, volgens zijn brief van 10 juli 2006 die de verweerster voor akkoord had ondertekend, is ingegaan.

2. beslist het niettemin dat de eiser reeds vanaf 10 juli 2006 had kunnen afzien van zijn recht op de vergoeding dat uit de toepassing van het concurrentiebeding voortvloeide, dat wil zeggen nog vóór de dag waarop de arbeidsbetrekkingen zijn geëindigd en dus, volgens de analyse van het arrest zelf, op een ogenblik dat de voormelde wetsbepalingen nog van dwingend recht waren en de eiser hiervan bijgevolg niet rechtsgeldig kon afzien.
Het arrest schendt wegens die tegenstrijdigheid artikel 149 van de Grondwet.

Tweede onderdeel

Hoewel, in beginsel, afstand van een recht dat nog moet ontstaan wel degelijk rechtsgeldig is, geldt dat niet voor een recht dat voortvloeit uit een dwingende bepaling.

Zoals de eiser in zijn samenvattende conclusie preciseerde, kan de titularis van een dergelijk recht er niet van afzien zolang hij de door dat recht geboden bescherming moet genieten en zolang het dus om een eventueel recht gaat (P. van Ommeslaghe, "Rechtsverwerking en afstand van recht", T.P.R., 1980, p. 735, inz. nr. 10, p. 749 ; Cass., 16 november 1990, A.C., 1990-91, nr. 154, en verwijzingen in de noten (1) en (2)).

De door het arrest aangehaalde rechtsleer van de heer Wantiez spreekt dat niet tegen ; deze heeft trouwens betrekking op de opzeggingsvergoeding (waarbij het recht van de werknemer om die te betwisten op het einde van de overeenkomst ontstaat) en niet op de toepassing van een concurrentiebeding dat, om de hierboven uiteengezette redenen, in andere bewoordingen is gesteld. De auteur preciseert daarentegen (nr. 67) dat de stopzetting van de overeenkomst samenvalt met het werkelijke einde van de contractuele betrekkingen.

Het arrest beslist dat het recht op de vergoeding pas is ontstaan op 30 september 2006, d.i. de datum waarop de arbeidsbetrekkingen zijn geëindigd.

De overgang van dwingend naar aanvullend recht heeft op zijn vroegst, zoals het arrest trouwens preciseert, op dat ogenblik kunnen plaatsvinden.

Het arrest schendt bijgevolg de artikelen 65 en 86 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten en artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek wanneer het beslist dat de eiser in zijn brief van 10 juli 2006 rechtsgeldig heeft kunnen afzien van het concurrentiebeding.

Overigens was het recht op de vergoeding zelfs op 30 september 2006 nog niet ontstaan, aangezien de vergoeding pas verschuldigd is wanneer de werkgever, binnen de vijftien dagen na de werkelijke stopzetting van de contractuele betrekkingen, te kennen geeft dat hij zich op het concurrentiebeding wil beroepen.

De werknemer kan bijgevolg pas vanaf dat tijdstip aanspraak maken op de contractuele vergoeding.

De bediende kan in werkelijkheid dus op zijn vroegst na het verstrijken van die termijn van vijftien dagen afzien van zijn recht op vergoeding. De rechtspraak betreffende de opzeggingsvergoeding kan op dit geval niet worden toegepast, daar het recht op vergoeding, in dit specifieke geval, ontstaat zodra de overeenkomst ten einde is.

Het arrest, dat beslist dat de eiser vanaf 10 juli 2006 rechtsgeldig heeft kunnen afzien van de in het concurrentiebeding bepaalde vergoeding, schendt ook om de voormelde reden de in het middel bedoelde wetsbepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet.
Het arrest, dat om de voormelde redenen weigert om uitwerking te verlenen aan artikel 16 van de arbeidsovereenkomst van 3 mei 2004, miskent daarenboven de verbindende kracht van die contractuele bepaling en schendt bijgevolg artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Eerste middel
Tweede onderdeel
Over de door de verweerster tegen dat onderdeel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid : het onderdeel voert de miskenning van de rechtsleeer of van de rechtspraak aan :

Hoewel het onderdeel, tot staving van de daarin uiteengezette grieven, verwijst naar de rechtspraak en de rechtsleer, voert het niets meer dan de schending van de wet aan.

Over de door de verweerster tegen dat onderdeel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid : het onderdeel verzuimt de miskenning aan te voeren van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk afstand van een recht op beperkende wijze moet worden uitgelegd en alleen maar kan worden afgeleid uit feiten die voor geen enkele andere uitlegging vatbaar zijn :
Het onderdeel verwijt het arrest dat het beslist dat de eiser reeds vooraf heeft kunnen afzien van een recht dat voorvloeit uit wetsbepalingen van dwingend recht, maar niet dat het die afstand aanneemt in omstandigheden die strijdig zouden zijn met het algemeen rechtsbeginsel waarnaar de verweerster verwijst.

De gronden van niet-ontvankelijkheid kunnen niet worden aangenomen.

De gegrondheid van het onderdeel

Krachtens de artikelen 65, § 2, vijfde lid, 4°, en 86, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, is het concurrentiebeding dat in de arbeidsovereenkomst van een bediende kan voorkomen, pas geldig wanneer het voorziet in de betaling van een enige en forfaitaire compensatoire vergoeding door de werkgever, tenzij laatstgenoemde binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf het ogenblik van de stopzetting van de overeenkomst afziet van de werkelijke toepassing van het concurrentiebeding.

Uit die bepalingen, die van dwingend recht zijn ten behoeve van de werknemer, volgt dat zijn recht op de betaling van de daarin bepaalde vergoeding, ingeval de werkgever niet afziet van het concurrentiebeding, pas ontstaat na het verstrijken van de termijn van vijftien dagen die volgt op het einde van de overeenkomst.

Hieruit volgt dat de werknemer, vóór dat tijdstip, niet rechtsgeldig kan afzien van die vergoeding.

Het arrest stelt enerzijds vast dat de partijen op 3 mei 2004 een arbeidsovereenkomst voor bedienden hebben gesloten en dat artikel 16 van die overeenkomst een concurrentiebeding bevat, luidens hetwelk "de (verweerster) een forfaitaire vergoeding gelijk aan zes maanden loon zal betalen, tenzij (zij) schriftelijk afziet van de toepassing van het concurrentiebeding binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de werkelijke stopzetting van de arbeidsbetrekkingen", en anderzijds, dat de eiser "met ingang van 30 september 2006" ontslag heeft genomen bij een brief van 10 juli 2006, "die de volgende passage bevat : 'Ik maak geen aanspraak en, na de werkelijke datum van mijn ontslag, zal ik ook geen aanspraak maken op enige latere vergoeding die verband houdt met mijn ontslag (...) of met deze ontslagbrief'", en, ten slotte, dat de verweerster niet heeft afgezien van de toepassing van het concurrentiebeding.

Het arrest, dat om de in het middel weergegeven en bekritiseerde redenen overweegt dat de eiser op 10 juli 2006 rechtsgeldig heeft afgezien van het recht op de vergoeding die uitbetaald moet worden ingeval het concurrentiebeding toegepast wordt, hoewel dat recht op dat ogenblik nog niet was ontstaan, schendt derhalve de voormelde wetsbepalingen.

Het onderdeel is gegrond.

Er bestaat geen grond tot onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel of van het tweede middel, aangezien die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie.

Dictum

Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dat arrest het hoger beroep ontvankelijk verklaart ;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel

Noot: 

AVB, Verzekaing aan het recht op concurrentievergoeding, NJW 238, 179

Dit arrest is eveneens gepubliceerd in RABG, 2011/15, 1038, met noot op pagina 1044 van J. Herman, Afstand door de werknemer van de vergoeding ter compensatie van het concurrentiebeding. Vroegtijdig = ontijdig.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 10/07/2011 - 18:39
Laatst aangepast op: ma, 07/11/2011 - 14:42

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.