-A +A

Afstand van recht op natrekking kan door feiten die voor geen andere uitleg vatbaar zijn

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 26/12/2014
A.R.: 
C.14.0121.N

De grondeigenaar kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van het recht van natrekking. Dit kan door feitelijke handelingen die de rechter beoordeelt, maar die evenwel voor geen andere interpretatie dan de afstand van het recht mogen vatbaar zijn.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat

Nr. C.14.0121.N
I. G.,
eiseres,
tegen
J. V. D.,
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 11 september 2013.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 552 tot 555 en 1341 Burgerlijk Wetboek;

- het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van een recht niet vermoed wordt en slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen enkele andere uitlegging vatbaar zijn.

Aangevochten beslissingen

De appelrechters beslissen dat, nu de woning gebouwd is op een grond die exclusief aan de eiseres toebehoort, deze vermoed wordt haar toe te behoren ingevolge natrekking maar dat het vermoeden van natrekking wordt weerlegd en stellen een notaris aan met opdracht de bestaande onverdeeldheid van de woning tussen partijen te vereffenen en te verdelen, na schatting van de woning, die partijen samen hebben opgetrokken op de grond die aan de eiseres toebehoort, op grond van de volgende overwegingen:
"4 Beoordeling ten gronde:

Nu partijen niet gekozen hebben voor het huwelijk, en/of voor de wettelijke samenwoonst zijn de regels die voor die respectieve samenwoonstvormen gelden niet van toepassing, ook niet "bij analogie".

In deze feitelijke samenwoonst gelden de regels van het gemeen recht.

Hier blijkt uit de overgelegde stukken dat partijen gedurende veertien jaar hebben samengewoond en dat zij een gezamenlijke bankrekening aanhielden, waarop zij hun respectieve inkomsten uit arbeid lieten toekomen, en waarmee zij ook alle huishoudelijke uitgaven betaalden, alsook de afbetaling van hun woonlening en de betaling van diverse investeringen/facturen in hun woning.

Te dezen is er geen betwisting over het feit dat de inboedel tussen partijen verdeeld is.

Anders dan wat [de eiseres] voorhoudt en dan wat de eerste rechter aannam, moet hier worden vastgesteld dat er wel degelijk sprake is van een onverdeeldheid betreffende de woning, zodat er dient overgegaan tot aanstellen van een notaris, die de woning ook dient te schatten:

- het feitelijk concubinaat doet geen afbreuk aan de exclusieve eigendom van iedere partner op de goederen die hij bezat bij het begin van het samenleven en deze die hij tijdens het samenleven verwerft;

- iedere partner kan dus, bij het einde van het concubinaat, zijn eigen goederen terugnemen, mits hij zijn exclusief eigendomsrecht bewijst;

- indien geen der partijen slaagt in de bewijslast van zijn exclusieve eigendom, worden de goederen geacht tussen hen in onverdeeldheid te zijn en dringt een verdeling bij helften zich op (zie o.m. DIRIX, E., Vermogensrechtelijke aspecten van het concubinaat, in: Concubinaat, Acco, 1992, nr. 346);

- het eigendomsrecht mag geleverd worden door alle middelen van recht, inclusief, getuigenissen en vermoedens (ibidem, nr. 348);

- gezien de woning, gebouwd is op een grond die exclusief aan [de eiseres] toebehoort, wordt deze vermoed haar toe te behoren ingevolge natrekking (artikel 553 Burgerlijk Wetboek);

- dat vermoeden kan evenwel weerlegd worden met alle middelen van recht (zie o.m. DE PAGE, H, Traité élémentaire de droit civil Belge, t VI, 1942, p 69, n° 80; Het onroerend goed in de praktijk, I. G.3-3);

- [de verweerder] brengt hier de stukken bij waaruit blijkt dat beide partijen samen de vergunning aanvroegen met betrekking tot het bouwen van een woonhuis met carport (zie de bouwvergunning

- stuk 39 van [de verweerder]), dat beide partijen het gezamenlijke krediet bij Fortis Bank aangingen, opnamen en afbetaalden, nadien vervangen door een lening bij Record Bank, en waarmee onder meer het openstaand saldo bij Fortis Bank is aangezuiverd, en waarop eveneens met gezamenlijke middelen (lees: hun inkomsten uit arbeid) is afbetaald; dat zij de diverse aankopen en werken met betrekking tot de oprichting van "hun" woning op beider naam bestelden en betaalden via hun gemeenschappelijke rekening door resp. opnames op het krediet; dat zij ook fiscale voordeel van die woonlening genoten".

Door de bovenvermelde elementen is te dezen het vermoeden van natrekking weerlegd".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 552 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de eigendom van de grond in zich bevat de eigendom van hetgeen op en onder de grond is.

Alle gebouwen, beplantingen en werken op of onder de grond van een erf, worden vermoed door de eigenaar, op zijn kosten, te zijn tot stand gebracht en hem toe te behoren, tenzij het tegenovergestelde bewezen is; onverminderd de eigendom die de derde door verjaring mocht verkrijgen of hebben verkregen, hetzij van een ondergrondse ruimte onder eens anders gebouw, hetzij van enig ander gedeelte van het gebouw (artikel 553 Burgerlijk Wetboek).

Krachtens artikel 554 Burgerlijk Wetboek moet de eigenaar van de grond, die gebouwen, beplantingen en werken met hem niet toebehorende materialen heeft tot stand gebracht, de waarde van deze materialen betalen; hij kan ook tot schadevergoeding worden veroordeeld, indien daartoe reden is; maar de eigenaar van de materialen heeft niet het recht ze weg te nemen.

Krachtens artikel 555 Burgerlijk Wetboek heeft, indien de beplantingen, gebouwen en werken zijn tot stand gebracht door een derde met zijn eigen materialen, de eigenaar van het erf het recht die voor zich te houden, ofwel de derde te verplichten ze weg te nemen.

Indien de eigenaar verkiest die beplantingen en gebouwen te behouden, moet hij de waarde van de materialen en de arbeidslonen vergoeden, zonder dat de min of meer belangrijke vermeerdering der waarde, die het erf kan hebben verkregen, in aanmerking komt. Indien echter de beplantingen, gebouwen en werken zijn tot stand gebracht door een derde, onder wie het goed is uitgewonnen en die niet tot teruggave van de vruchten is veroordeeld, daar hij te goeder trouw was, dan kan de eigenaar de wegruiming van die werken, beplantingen en gebouwen niet vorderen; maar hij heeft de keus om, ofwel de waarde van de materialen en de arbeidslonen te vergoeden, ofwel een bedrag te betalen dat gelijk is aan de door het erf verkregen meerwaarde.

In artikel 553 Burgerlijk Wetboek worden twee wettelijke vermoedens uitgedrukt: alle gebouwen, beplantingen en werken, op of onder de grond van een erf, worden vermoed door de eigenaar, op zijn kosten te zijn tot stand gebracht (eerste vermoeden); bovendien wordt vermoed dat al wat tot stand werd gebracht, aan de eigenaar toebehoort (tweede vermoeden).

Deze beide vermoedens kunnen worden weerlegd. Inzonderheid kan het tweede vermoeden luidens hetwelk al wat tot stand werd gebracht, aan de eigenaar toebehoort, worden weerlegd door te bewijzen dat de gebouwen, beplantingen en werken niet aan de eigenaar toebehoren.

De bouwer moet in dat geval bewijzen dat hij vanwege de eigenaar een recht heeft verkregen op de grond voor hemzelf te bouwen en derhalve een recht op opstal heeft bekomen, dan wel eigenaar is geworden door verjaring.

Het bewijs van het bestaan van een overeenkomst waarbij vanwege de eigenaar het recht werd bekomen om voor hemzelf op diens grond te bouwen dient geleverd te worden door een geschrift overeenkomstig artikel 1341 Burgerlijk Wetboek. Wanneer de derde zich daarentegen op verjaring beroept, kan het bewijs met alle middelen worden geleverd.

Weliswaar kan de eigenaar van de grond afstand doen van zijn recht van natrekking, doch een dergelijke afstand wordt niet vermoed en kan enkel worden afgeleid uit feiten die voor geen enkele andere uitlegging vatbaar zijn (algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk afstand van een recht niet vermoed wordt en slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen enkele andere uitlegging vatbaar zijn).

De appelrechters beslissen dat gezien de woning, voor de bouw waarvan leningen werden aangegaan ten belope van 150.000 euro, gebouwd is op een grond die exclusief aan de eiseres toebehoort, deze wordt vermoed haar toe te behoren ingevolge natrekking.

De appelrechters beslissen evenwel dat dit vermoeden kan worden weerlegd met alle middelen van recht, inclusief getuigenissen en vermoedens en leiden vervolgens het eigendomsrecht van de verweerder op de woning af uit:

- de beide partijen vroegen samen de vergunning aan met betrekking tot het bouwen van een woonhuis met carport;

- de beide partijen gingen een gezamenlijk krediet aan bij Fortis Bank, namen dit samen op en betaalden dit samen af, dat nadien vervangen werd door een lening bij Record Bank;

- beide partijen hebben diverse aankopen en werken uitgevoerd met betrekking tot de oprichting van hun woning op beider naam en betaalden deze via hun gemeenschappelijke rekening of door de opnames op het krediet;

- de beide partijen hebben het fiscale voordeel van de woonlening genoten.

Door aldus te beslissen dat het recht van de verweerder om voor zichzelf te bouwen op de grond van de eiseres, dit is het opstalrecht van verweerder dat de waarde van 375 euro te boven gaat, kan bewezen worden door alle middelen van recht, schenden de appelrechters artikel 1341 Burgerlijk Wetboek, evenals de artikelen 552 en 553 Burgerlijk Wetboek.

In zoverre de appelrechters vervolgens uit voormelde vaststellingen afleiden dat de eiseres afstand heeft gedaan van haar recht van natrekking, schenden de appelrechters het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk afstand van recht niet wordt vermoed en enkel kan worden afgeleid uit feiten die voor geen enkele andere uitlegging vatbaar zijn, nu uit voormelde feiten niet noodzakelijk dient te worden afgeleid dat de eiseres afstand deed van haar recht van natrekking.

Uit deze feiten zou immers evenzeer afgeleid kunnen worden dat de verweerder aldus louter een bijdrage leverde in de gezinslasten zonder dat er van enige afstand van het recht van natrekking sprake was.

Door ten slotte op grond van deze vaststellingen te beslissen dat het vermoeden van natrekking is weerlegd en er derhalve sprake is van een onverdeeldheid betreffende de woning, schenden de appelrechters alle in het middel genoemde bepalingen.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling

1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres in haar aanvullende syntheseberoepsconclusie heeft aangevoerd dat het feit dat de leningen, die werden aangegaan om de woning te bouwen, mee werden aangegaan op naam van de verweerder, "geen vermoeden is dat doet besluiten dat de grond en de woning die erop gebouwd is, geen exclusieve eigendom zouden zijn van de eiseres". De eiseres heeft derhalve niet betwist dat het eigendomsvermoeden van artikel 553 Burgerlijk Wetboek kan worden weerlegd met alle middelen van recht.
In zoverre de eiseres een schending aanvoert van artikel 1341 Burgerlijk Wetboek is het middel nieuw en mitsdien niet ontvankelijk.

2. Luidens artikel 553 Burgerlijk Wetboek worden alle gebouwen, beplantingen en werken op of onder de grond van een erf vermoed aan de grondeigenaar toe te behoren, tenzij het tegenovergestelde bewezen is.

3. De grondeigenaar kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van het recht van natrekking.
De rechter oordeelt in feite of er afstand van recht is.
De afstand van recht wordt niet vermoed en kan slechts worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitleg vatbaar zijn.

4. Het arrest stelt vast dat de beide partijen:

- gezamenlijk de vergunning voor het bouwen van de woning hebben aan-gevraagd;

- gezamenlijk een hypothecaire lening zijn aangegaan die met gezamenlijke middelen werd afbetaald;

- de aankopen en de werken met betrekking tot de oprichting van "hun" woning op hun beider naam hebben besteld en hebben betaald via hun gemeenschappelijke rekening door de respectievelijke opnames op het krediet;

- het fiscale voordeel van de woonlening hebben genoten.

Op grond van die elementen vermochten de appelrechters te oordelen dat de eiseres afstand heeft gedaan van haar recht op natrekking.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 919,54 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Noot: 

Vincent Sagaert, Concubanten bouwen op de eigen grond van één van hen: de stilzwijgende afstand van natrekking als zakenrechtelijk beschermingsmechanisme, noot onder voormeld arrest in het RW 2015-2016, 187.

• E. Dirix, “Vermogensrechtelijke aspecten van het concubinaat” in P. Senaeve (ed.), Concubinaat, Leuven, Acco, 1992, 209-226;

• J. Fonteyn, “La renonciation à accession au sein du couple – Une question de temps”, Rev.not.b. 2013, 82-101;

• I. Samoy, “Investeren in andermans woning bij feitelijke samenwoning” in W. Pintens, J. Du Mongh en Ch. Declerck (eds.), Patrimonium 2008, Antwerpen, Intersentia, 2008, 273-285).

• F. Baudoncq en V. Guffens, “Bouwen op andermans grond in het specifiek geval van concubinaat”, T.Not. 2003, 318-346;

• S. Bouly, “Zakenrechtelijke en vermogensrechtelijke aspecten van bouwen op de grond van een partner”, TBBR 2011, 44-52;

• S. Becqué-Ickowitz, “La construction sur le terrain d’un époux séparé de biens financée par des sommes indivises”, Rev.trim.dr. civ. 2008, 589 e.v.

• V. Sagaert, Goederenrecht in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Mechelen, Kluwer, 2014, nrs. 333 en 982

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 26/09/2015 - 15:03
Laatst aangepast op: za, 26/09/2015 - 15:03

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.