-A +A

Ambtshalve ontheffing - Nieuw feit - Interpretatief decreet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 07/04/2016
A.R.: 
F.14.0097.N

Een interpretatieve wet is een wet die betreffende een punt waar de rechtsregel onzeker of betwist is een oplossing geeft die door de rechtspraak had kunnen worden aangenomen; wanneer een interpretatieve wet de draagwijdte van een wetsbepaling verduidelijkt, belet dit niet dat de rechter vaststelt dat een concrete toestand ook voor de interpretatieve wet reeds met zekerheid onder het toepassingsgebied van de geïnterpreteerde wet viel.

Artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 waarbij aan artikel 253, vierde lid, WIB92 een zin werd toegevoegd ter precisering van de leasingsovereenkomsten die krachtens deze bepaling voor vrijstelling van onroerende voorheffing in aanmerking komen, is een interpretatieve wet zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding van dat decreet.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/19
Pagina: 
1402

 (A. NV / Vlaams Gewest - Rolnr.: F.14.0097.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 11 februari 2014.

II. Cassatiemiddel

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Artikel 253, eerste lid WIB 1992, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest, bepaalt dat het kadastraal inkomen van de daarin opgesomde onroerende goederen wordt vrijgesteld van de onroerende voorheffing.

Artikel 253, vierde lid WIB 1992, zoals ingevoegd door artikel 90 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994, bepaalde, in de versie vóór de wijziging ervan bij decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009, dat de in het eerste lid onder 1°, 1°bis, 2° en 3°, bedoelde vrijstelling evenzeer wordt verleend wanneer het betreffende onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een financiering door middel van financiële leasing of huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht voor de duur van de overeenkomst.

Bij artikel 22 van het voormelde decreet van 19 december 2008 werd aan artikel 253, vierde lid WIB 1992 de volgende zin toegevoegd: “Onder deze overeenkomsten worden zowel de leasingovereenkomsten zoals omschreven in artikel 44, § 3, 2), b, van het Btw-Wetboek, als de leasingovereenkomsten die beantwoorden aan de omschrijving opgenomen in de uitvoeringsbesluiten van het Wetboek van Vennootschappen, begrepen.”

Artikel 96 van dit decreet bepaalt dat artikel 22 uitwerking heeft vanaf 1 januari 2008.

2. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 19 december 2008 blijkt dat de decreetgever met de toevoeging van de voormelde zin heeft willen verduidelijken dat de vrijstelling van onroerende voorheffing geldt zowel wanneer het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een financiële leasing zoals bedoeld in het Btw-Wetboek, als wanneer de overeenkomst beantwoordt aan de omschrijving van een dergelijke overeenkomst in het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen, welke ruime interpretatie volgens diezelfde parlementaire voorbereiding volledig in lijn ligt met de visie van de decreetgever bij de invoering van het vierde lid van artikel 253 WIB 1992 bij decreet van 22 december 1993.

Artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 is dan ook een interpretatieve wet, namelijk een wet die betreffende een punt waar de rechtsregel onzeker of betwist is, een oplossing geeft die door de rechtspraak had kunnen worden aangenomen.

Artikel 96 van het decreet van 19 december 2008, dat bepaalt dat artikel 22 uitwerking heeft vanaf 1 januari 2008, ontneemt aan artikel 22 niet zijn aard van interpretatieve wetsbepaling.

3. Het onderdeel dat gesteund is op de rechtsopvatting dat artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 artikel 253, vierde lid WIB 1992 met terugwerkende kracht heeft gewijzigd, faalt naar recht.

Tweede onderdeel
4. Een interpretatieve wet is een wet die betreffende een punt waar de rechtsregel onzeker of betwist is een oplossing geeft die door de rechtspraak had kunnen worden aangenomen.

Wanneer een interpretatieve wet de draagwijdte van een wetsbepaling verduidelijkt, belet dit niet dat de rechter vaststelt dat een concrete toestand ook voor de interpretatieve wet reeds met zekerheid onder het toepassingsgebied van de geïnterpreteerde wet viel.

5. Het onderdeel dat aanvoert dat de toevoeging aan het vierde lid van artikel 253 WIB 1992 van een interpretatieve bepaling uitwijst dat de uitkomst van een eventueel bezwaar tegen de aanslag in de onroerende voorheffing onder gelding van de vroegere tekst onzeker was, dat de appelrechters bijgevolg niet naar recht konden beslissen dat het bezwaar tot vrijstelling van de onroerende voorheffing zou hebben geleid en hun beslissing dat een interpretatieve wet geen nieuw feit is dat een ambtshalve ontheffing toelaat bijgevolg evenmin naar recht verantwoord is, kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

(…)

F.14.0097.N
Conclusie van advocaat-generaal Thijs:

1. Als opstalhouder van twee terreinen die zij aan De Post ter beschikking stelde door middel van twee leasingovereenkomsten, kreeg eiseres twee aanslagen in de onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 2008 voor een cumulatief bedrag van 236.944,07 euro , welke zij betaalde.

Op 18 december 2009 diende eiseres een verzoek in tot ontheffing van ambtswege van beide aanslagen op grond van art. 376 van het WIB92.

Dit verzoek was gebaseerd op artikel 253 WIB92, zoals van toepassing in het Vlaams Gewest, dat retroactief met ingang van 1 januari 2008 werd gewijzigd door artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009.

Eiseres voerde aan dat een wet die retroactief in werking treedt een nieuw feit uitmaakt in de zin van artikel 376 WIB92. Daarnaast voerde zij de onduidelijkheid van (oud) artikel 253 WIB92 aan. Noch in het WIB noch in de parlementaire voorbereiding werd immers verduidelijkt aan welke voorwaarden een leasing moest voldoen om een vrijstelling van onroerende voorheffing te kunnen genieten krachtens (oud) artikel 253 WIB92.

Bij beslissingen van 17 augustus 2010 werd de ontheffing van ambtswege geweigerd omdat er geen sprake zou zijn van een materiële vergissing, dubbele belasting of afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten.

Bij vonnis van 30 mei 2012 heeft de rechtbank van eerste Aanleg te Gent het fiscaal verhaal van eiseres tegen deze beslissingen ontvankelijk en gegrond verklaard.

De rechtbank oordeelde dat de interventie van een bevoegde fiscale overheid om een door haar gecreëerde juridische onduidelijkheid in haar regelgeving weg te werken door middel van de creatie van nieuwe regelgeving als een nieuw feit in de zin van artikel 376, § 1 WIB92 kan beschouwd worden.

Het hof van beroep te Gent hervormde op hoger beroep van verweerder het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg en stelde eiseres in het ongelijk met veroordeling tot de gedingkosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en in hoger beroep.

2. In het eerste onderdeel van het enig middel komt eiseres op tegen de beslissing dat de toevoeging door artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009 aan artikel 253 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 een interpretatieve bepaling betreft, aangezien die toevoeging slechts uitwerking kreeg met ingang van 1 januari 2008, en niet met ingang van 1 januari 1994(1).

3. Artikel 253, eerste lid, WIB92, zoals van toepassing in het Vlaams Gewest, bepaalt dat het kadastraal inkomen van de in dat artikel opgesomde onroerende goederen worden vrijgesteld van de onroerende voorheffing.

Artikel 253, vierde lid, WIB92, zoals ingevoegd door artikel 90 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994, bepaalde dat de in het eerste lid onder 1°, 1°bis, 2° en 3°, bedoelde vrijstelling evenzeer wordt verleend wanneer het betreffend onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een financiering door middel van financiële leasing of huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht voor de duur van de overeenkomst.

Bij artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009, werd aan artikel 253, vierde lid, WIB92 de volgende zin toegevoegd:

"Onder deze overeenkomsten worden zowel de leasingovereenkomsten zoals omschreven in artikel 44, §3, 2), b, van het Btw-Wetboek, als de leasingovereenkomsten die beantwoorden aan de omschrijving opgenomen in de uitvoeringsbesluiten van het Wetboek van Vennootschappen, begrepen."

Artikel 22 trad in werking vanaf 1 januari 2008 overeenkomstig artikel 96 van het decreet.

4. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009 werd erop gewezen dat het begrip financiële leasing noch in het WIB 1992, noch in de parlementaire voorbereiding bij het decreet van 22 december 1993 expliciet werd gedefinieerd, alsook op het feit dat zowel het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen als het BTW-Wetboek een definitie bevatten van financiële leasing. Omdat die beide omschrijvingen niet geheel gelijkluidend zijn, kon onduidelijkheid rijzen over de precieze interpretatie van de bij artikel 253, tweede lid, van het WIB 1992 bedoelde overeenkomsten, zodat de decreetgever ervoor gekozen heeft duidelijkheid te brengen:

"De hierbij voorgestelde aanvulling op het tweede lid van artikel 253 beoogt duidelijkheid: de vrijstelling wordt toegekend zowel wanneer het betreffend onroerend goed het voorwerp uitmaakt van de financiële leasing conform de btw-wetgeving, als wanneer de overeenkomst beantwoordt aan de omschrijving uit het btw-wetboek."

De decreetgever heeft voor de toekomst de onzekerheid willen wegnemen door uitdrukkelijk aan te geven dat de vrijstelling wordt toegekend zowel wanneer het betreffend onroerend goed het voorwerp uitmaakt van de financiële leasing conform de btw-wetgeving, als wanneer de overeenkomst beantwoordt aan de omschrijving uit het btw-wetboek.

De memorie van toelichting preciseert bovendien dat "deze ruime interpretatie volledig in lijn ligt met de visie van de decreetgever bij invoering van het tweede lid van artikel 253 met ingang van 1 januari 1994."(2)

Ook in het verslag namens de Commissie voor Algemeen Beleid, Financiën en Begroting wordt expliciet gesteld dat het gaat om een verduidelijking van het begrip financiële leasing(3).

"Artikel 17 verduidelijkt het begrip financiële leasing. Sinds het decreet van 1993 behouden goederen die in het Vlaams Gewest van onroerende voorheffing vrijgesteld zijn, bijvoorbeeld wanneer het om zogenaamde domeingoederen gaat, hun vrijstelling ook al maken ze het voorwerp uit van financiering door financiële leasing of huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht.

Het begrip financiële leasing is een begrip dat tot verwarring aanleiding zou kunnen geven, zo blijkt uit enkele praktische toepassingsgevallen.

Er zijn in de wetgeving immers twee omschrijvingen van het begrip financiële leasing terug te vinden: één definitie is terug te vinden in de boekhoudwetgeving en één definitie wordt gegeven door de btw-wetgeving. Beide definities blijken subtiele verschillen te vertonen.

Om verwarring te vermijden tussen de in subtiele details verschillende definities van leasing in de boekhoud- en de btw-wetgeving, wil de Vlaamse Regering met de voorliggende bepaling duidelijk maken dat het voor het behoud van de vrijstelling van de onroerende voorheffing geen belang heeft aan welke van de twee definities de financiële leasing beantwoordt. Hiermee wordt duidelijkheid gecreëerd voor een aantal situaties, vooral pps-constructies (publiek-private samenwerking). De zekerheid over de fiscale vrijstelling kan immers een cruciale factor zijn voor het slagen van deze constructies."

5. Een interpretatieve wet is een wet die betreffende een punt waar de rechtsregel onzeker of betwist is een oplossing geeft die door de rechtspraak had kunnen worden aangenomen(4).

Zoals verweerder stelt in de memorie van antwoord, kan er op basis van de parlementaire stukken dan ook geen twijfel over bestaan dat de aanvulling van het vierde lid van artikel 253 van het WIB92 door artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009 een interpretatieve bepaling is.

6. De loutere omstandigheid dat de decreetgever bij artikel 96 van het decreet van 19 december 2008 artikel 22 in werking heeft laten treden met ingang van 1 januari 2008, doet aan het voorafgaande en aan de aard van de bepaling m.i. geen afbreuk, ook al had een dergelijke bepaling geen enkele zin.

De uitleggingswet vormt immers één geheel met de uitgelegde wet, die geacht wordt de interpretatieve draagkracht te hebben sinds haar inwerkingtreding, voor zover er in een geschil niet definitief over werd beslist.

Het onderdeel, dat ervan uitgaat dat artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 geen interpretatieve bepaling is maar artikel 253, vierde lid, WIB92 met terugwerkende kracht heeft gewijzigd, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt dienvolgens naar recht.

7. In het tweede onderdeel komt eiseres op tegen de beslissing van het hof van beroep dat een interpretatieve wet geen nieuw feit oplevert dat ambtshalve ontheffing verantwoordt(5).

De eiseres voert daarbij aan dat, aangezien de toevoeging door artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 aan artikel 253 van het WIB 1992 gebeurde om aan de heersende verwarring over de invulling van het begrip "financiële leasing" een einde te maken en de rechtszekerheid te herstellen, het hof van beroep zijn beslissing niet naar recht verantwoordt dat het bezwaar op basis van de vigerende tekst van artikel 253 van het WIB 1992 tot vrijstelling van de onroerende voorheffing had geleid.

8. Wanneer een interpretatieve wet de draagwijdte van een wetsbepaling verduidelijkt, belet dit niet dat de rechter vaststelt dat een concrete feitelijke situatie ook vóór de interpretatieve wet reeds met zekerheid onder het toepassingsgebied van de geïnterpreteerde wet viel.

Dit is precies wat het hof van beroep heeft gedaan, waar het nagaat of zij in het concrete voorliggende geval, op basis van de wettekst van artikel 253 van het WIB92 vóór diens aanvulling bij het decreet van 19 december 2008, vrijstelling van de voorheffing kon vragen.

Het hof van beroep oordeelt op dit punt dat er geen twijfel over bestaat dat de operationele leasing zoals omschreven in de door de eiseres met de nv De Post gesloten overeenkomst ook vóór de inwerkingtreding van het interpretatieve decreet als een financiële leasing of huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht voor de duur van de overeenkomst zou zijn beschouwd, zodat tot een vrijstelling van de onroerende voorheffing zou zijn beslist.

Het tweede onderdeel kan dan ook niet worden aangenomen.
Besluit: VERWERPING.
______________________
(1) Voorziening, 9de blad, bovenaan.
(2) Memorie van toelichting, Parl. St., stuk 1894 (2008-2009) - nr. 1, p. 8, tekstmarkering toegevoegd.
(3) Parl. St., stuk 1894 (2008-2009) - nr. 6, p. 6, tekstmarkering toegevoegd.
(4) Cass. 17 februari 2000, AR F.96.0090.N, AC 2000, nr. 134; Cass. 4 november 1996, AR C.93.0235.N, AC 1996, nr. 483; Cass. 6 september 2012, F.11.0134.F, AC 2012, nr. 451.
(5) Voorziening, 10de blad, onderaan.
 

 

Noot: 

Bellens, A., « Een interpretatieve wetsbepaling vormt geen nieuw feit in de zin van artikel 376 WIB 1992 », R.A.B.G., 2016/19, p. 1405-1407

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 15/07/2017 - 11:31
Laatst aangepast op: za, 15/07/2017 - 11:31

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.