-A +A

Bekrachtiging lastgeving met onvoldoende vertegenwoordigingsmacht gegeven

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
zon, 26/02/2017
A.R.: 
2011/AR/2016

Indien een lasthebber buiten voldoende vertegenwoordigingsmacht gehandeld heeft kan de rechtshandeling toch rechtstreeks toegerekend worden aan de lastgever, in de mate deze geregulariseerd wordt (artikel 1998, tweede lid, B.W.). Bekrachtiging is niet alleen mogelijk wanneer een lasthebber buiten zijn vertegenwoordigingsmacht is opgetreden, maar evenzeer wanneer die persoon zonder of op grond van een nietig mandaat optrad. Ook een schijnmandaat kan worden bekrachtigd (B. Tilleman, "Lastgeving", A.PR. 1997, blz. 203, nr. 397).

Dergelijke regularisatie veronderstelt de wil tot bekrachtiging, namelijk de wil zich de handeling, die hem oorspronkelijk vreemd was, rechtstreeks toe te eigenen (vgl. B. TILLEMAN, "Lastgeving", A.PR. 1997, blz. 411, nrs. 397 e.v.). De bekrachtiging kan zowel uitdrukkelijk als stilzwijgend gebeuren en het bewijs dat moet worden geleverd door diegene die de bekrachtiging inroept, kan door alle middelen van recht geleverd worden

Een bekrachtiging kan stilzwijgend geschieden. Weliswaar is dan vereist dat de bekrachtiging wordt afgeleid uit handelingen die, bij diegenen die ze stellen met zekerheid wijzen op de bedoeling om de handeling, die buiten of zonder vertegenwoordigingsmacht werd gesteld, te bekrachtigen. (cfr. Luik, 8 januari 1982, J.L.M.B. 1982, 293-294, derde alinea; H. DE PAGE, V, blz. 437, nr. 446).

Een stilzwijgende bekrachtiging zal onder meer worden afgeleid uit het feit dat een bepaalde handeling geen reactie uitlokt van de lastgever, terwijl een normale zorgvuldige lastgever handelend in dezelfde omstandigheden uitdrukkelijk zou reageren tegen een dergelijk onbevoegd optreden van de lasthebber. In dat geval is er sprake van een omstandig stilzwijgen.

Wanneer men zonder voorbehoud te maken voordeel haalt of aanvaardt uit de te bekrachtigen handeling, kan hieruit een stilzwijgende bekrachtiging voortvloeien.

Publicatie
tijdschrift: 
TBBH
Jaargang: 
2017-3
Pagina: 
203
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Gent 26 februari 2014, TBBR/RGDC 2017 /03 - 203

AR: 2011/AR/1216

Het afsluiten van een dading door een advocaat vereist dat de advocaat beschikt over een bijzondere volmacht.

Een schijnmandaat veronderstelt de toerekening van de handeling aan de schijnvertegenwoordigde, wat slechts billijk is indien deze op een of andere manier bijdroeg tot het verwekken van de schijn van vertegenwoordigingsmacht. De toerekenbare schijn moet aanwezig zijn op het ogenblik van de handeling zelf.

Een regularisatie door bekrachtiging kan volgen uit een omstandig stilzwijgen. Wanneer men zonder voorbehoud voordeel haalt of aanvaardt uit de te bekrachtigen handeling, kan hieruit een stilzwijgende bekrachtiging worden afgeleid.

( ... )

1. Antecedenten

1. Feitelijke voorgaanden

B.L. (hierna genoemd L.) en H.C. (hierna genoemd C.), beide aandeelhouders in de BVBA Heidelberg Beheer, huwden op 18.08.2000. Een dagvaarding in echtscheiding werd betekend in februari 2006. C. liet zich in het kader van diverse procedures, zo onder meer de echtscheidingsprocedure en de voorlopige maatregelen, bijstaan door Mr. D.

Partijen startten besprekingen om tot een minnelijke oplossing te komen en voerden onderhandelingen met het oog op de vereffening-verdeling van hun huwgemeenschap. Ook hierbij werd C. vertegenwoordigd door Mr. D.

Op 24.03.2009 verstuurde de raadsman van L. volgende brief aan Mr. D.:

"Ik kan bevestigen dat cliënt akkoord gaat met volgende overeenkomst tot minnelijke vereffening en verdeling van de onverdeeldheid na echtscheiding tussen partijen:

- akkoord met schrapping borgstelling KBC (en dit na ondertekening van de dading);

- akkoord met kwijtschelding van de 4.200 EUR (afschaffing onderhoudsgeld ingevolge kortgeding};

- alle procedures worden stopgezet: zowel echtscheidingsprocedure, als de procedures vanwege de bvba;

- Uw cliënte draagt alle aandelen in de bvba Heidelberg over, (onmiddellijk na de dading}, te verdelen tussen cliënt en bvba Finacor;

- En de afgifte van de laptop van de BVBA terug aan de BVBA;

- alle kosten in verband met de procedures uitgaande van de bvba worden gedragen door de bvba;

• Uw cliënte verzaakt aan de rechtsplegingsvergoeding die haar werd toegekend in de procedure beslag en pauliaanse vordering (REA Oudenaarde)

- Wat de procedurekosten betreft in de echtscheiding:

• Elk der partijen neemt de door hem/haar betaalde kosten te zijne/hare laste.

- Mijn cliënt betaalt uw cliënte een eenmalige opleg van 5.000 EUR, te verspreiden over 10 maanden.

- Deze overeenkomst wordt gesloten tot slot van alle regeling, waarbij partijen elkaar niets meer te vorderen hebben. - Uw cliënte onthoudt zich ervan om verdere klachten neer te leggen bij welke instantie ook, en onthoudt er zich van om schadevergoedingen te vorderen bij welke instantie en rechtbank ook (dus ook geen vordering meer wegens achterstallig loon van de BVBA}, en om welke reden ook.

- beide partijen nemen de verplichting op zich om de afhandeling van de overeenkomst te bespoedigen."

Huidig schrijven is niet vertrouwelijk, bevattende een overeenkomst tussen partijen.

Op 25.03.2009 antwoordde Mr. D. als volgt:

"Ik verwijs naar Uw niet-vertrouwelijk schrijven dd. 24.03.2009.

Cliënte gaat akkoord met de overeenkomst tot minnelijke vereffening en verdeling van de onverdeeldheid na echtscheiding tussen partijen, overeenkomstig de modaliteiten vermeld in voormeld schrijven dd. 24.03.2009.

Ik verwacht eerstdaags de door Uw cliënt (en de overige betrokken bvba's} ondertekende dadingsovereenkomst, opdat ook mijn cliënte kan ondertekenen.

Als antwoord op Uw niet-vertrouwelijk schrijven en ingevolge het ontstane akkoord tussen partijen, is huidig schrijven eveneens niet vertrouwelijk."

Het ontwerp van de dadingsovereenkomst werd meegedeeld aan C. in juli 2009, maar deze laatste ging niet over tot ondertekening.

2. Procedurele voorgaanden

1. Bij exploot dd. 12.02.2010 dagvaardde C. voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge en vorderde:

- te horen zeggen voor recht dat zij de dadingsakte, haar meegedeeld op 13.07.2009, moet ondertekenen, dit onder verbeurte van een dwangsom van 500,00 EUR per dag vertraging, dit vanaf de betekening van het tussen te komen vonnis;

- de veroordeling van C. tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding alsook de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement.

Bij besluiten, neergelegd ter griffie op 15.06.2010 en 31.01.2011, vroeg L.:

- te zeggen voor recht dat C. gebonden is door het akkoord zoals vastgelegd bij niet vertrouwelijke briefwisseling van 24.03.2009 en 25.03.2009 en gehouden is tot alle daarin vervatte verbintenissen, inzonderheid:

• het ondertekenen van het instrumentum, zijnde de dadingsakte, haar meegedeeld op 13.07.2009;

• alle pleegvormen na te komen inzake de overdracht van haar aandelen in de BVBA Heidelberg Beheer;

dit onder verbeurte van een dwangsom van 500,00 EUR per verbintenis per dag vertraging.

- de veroordeling van C. tot de kosten van het geding;

- de uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Bij syntheseconclusie, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg op 13.09.2010, vroeg C. de vordering van L. af te wijzen als ongegrond en deze laatste te veroordelen tot de gedingkosten.

Op 28.09.2010 wenste BVBA Finacor vrijwillig tussen te komen in de bovenvermelde procedure. Zij stelde dat het geschil de bekrachtiging inhield van een akkoord tussen L. en C. en dat Finacor eveneens partij was bij dit akkoord, en belang had bij de uitvoering van het akkoord omwille van bepaalde vermogensrechtelijke aspecten.

Bij syntheseconclusie, neergelegd ter griffie op 05.01.2011, vroeg C. de vordering op hoofdeis af te wijzen als onontvankelijk en/of minstens als ongegrond. Ook de vorderingen van Finacor wenste zij te zien afwijzen als ongegrond. Finacor vorderde, bij syntheseconclusie, neergelegd ter griffie op 31.01.2011:

- te horen zeggen voor recht dat C. was gebonden door het akkoord, zoals gesloten per officiële briefwisseling van 24.03.2009 en 25.03.2009 en vervolgens te horen zeggen dat C. gehouden was tot alle daarin vervatte verbintenissen, nl.

• de stopzetting van alle procedures tussen Finacor en C;

• de overdracht van de computer PC Acer Aspire 1357Lmi, voorwerp van de tussen partijen hangende revindicatievordering gekend onder rolnummer 07 /2543/ A;

• de verzaking door C. aan de rechtsplegingsvergoeding in het dossier met betrekking tot de Pauliaanse vordering;

• alle pleegvormen na te komen inzake de overdracht van haar aandelen in de BVBA Heidelberg Beheer;

• de onthouding van alle verdere klachten of procedures lastens haar.

Dit alles onder verbeurte van een dwangsom ten belope van 500,00 EUR per verbintenis per dag vertraging in de uitvoering ervan en dit na betekening van het tussengekomen vonnis.

Verder vroeg Finacor dat de eerste rechter zou beslissen dat, bij gebrek aan de hierboven vermelde medewerking van C. tot uitvoering van de dadingsovereenkomst en dit binnen de twee maanden na de betekening van het tussen te komen vonnis, dit vonnis zou gelden als titel van overdracht van 3500 aandelen van C. in de BVBA Heidelberg Beheer, met maatschappelijke zetel te 8210 Loppem, ( ... ), aan L.B., met machtiging aan L. de aandelenoverdracht in het aandelenboek alleen te ondertekenen met vermelding van het tussen gekomen vonnis.

Ten slotte vroeg Finacor de veroordeling van C. tot alle kosten van het geding, en het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad.

2. In zijn bestreden eindvonnis dd. 07.03.2011 verklaarde de eerste rechter de vordering van L. en de vordering van Finacor ontvankelijk doch ongegrond. Hij veroordeelde hen in solidum tot de kosten van het geding. Het vonnis werd uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

L. en Finacor hielden voor dat L. en C. in het kader van de vereffening-verdeling van hun huwgemeenschap een overeenkomst van dading hadden afgesloten en meenden dat dit werd aangetoond op basis van de voorliggende briefwisseling tussen de raadslieden van de partijen.



De eerste rechter oordeelde dat voor het afsluiten van een dading er voor een advocaat een bijzonder mandaat vereist is en dat het niet volstaat om te verwijzen naar het mandaat ad litem van de raadsman van C. Het afsluiten van een dading viel volgens de eerste rechter zeker buiten een mandaat ad litem, aangezien het ingrijpende handelingen betreft waarbij partijen over rechten beschikken en aan rechten verzaken. Aangezien een bewijs van dergelijk bijzonder mandaat niet voorlag en het bestaan van dergelijk mandaat door C. werd betwist, besliste de eerste rechter dat geen bewijs voorlag van een overeenkomst van dading die tussen partijen was afgesloten.

Bovendien besliste de eerste rechter dat, ook al werd er reeds gedurende een drietal jaar onderhandeld tussen partijen via de voormalige raadsman van C., daaruit nog niet kon worden afgeleid dat er sprake was van een mandaat om de dading zelf ook af te sluiten. Het mandaat om te onderhandelen en procedurestappen te zetten, impliceerde volgens de eerste rechter nog geen mandaat om een dading af te sluiten.

De raadsman van C. kwam volgens de eerste rechter wel tussen als tussenpersoon bij de onderhandelingen, maar daaruit volgde volgens de eerste rechter nog geen bevoegdheidsmandaat om ook afstand te doen van bepaalde rechten in hoofde van zijn cliënte. Uit de onderhandelingen en de daden die daarin werden gesteld kon volgens de eerste rechter nog niet worden afgeleid dat de raadsman ook de 'eindbevoegdheid' had om ook effectief juridische daden te stellen met een dergelijk drastische draagwijdte voor zijn cliënte. Volgens de eerste rechter kon dit zelfs impliciet worden afgeleid uit het feit dat er nog werd verwezen naar een overeenkomst, die door partijen verder zélf zou moeten worden ondertekend.

De eerste rechter besliste verder dat L. niet zomaar een rechtmatig vertrouwen kon hebben in het feit dat de toenmalige raadsman van C. over een dergelijk uitgebreid mandaat zou beschikken om een dading af te sluiten, waarmee hij het argument van het schijnmandaat van L. van de hand wees. Bovendien kon L. geen enkele actieve daad van C. zelf aanduiden, waaruit zou blijken dat zij haar medewerking aan het kwestieuze akkoord had gegeven.

Er kon volgens de eerste rechter enkel verwezen worden naar brieven van de toenmalige raadsman, van wie de omvang van het mandaat net ter discussie stond voor de eerste rechter, alsook naar het beweerd stilzitten of niet reageren door C. De niet actieve houding van C. in het kader van diverse procedures (o.m. vrijgave van borg) vormde echter volgens de eerste rechter geen bewijs dat voormeld uitdrukkelijk mandaat voorhanden was en/ofC. minstens het mandaat zou hebben bekrachtigd. De eerste rechter besloot dat er minstens een bewijs moest voorliggen van het akkoord van C. Dergelijk bewijs kon niet worden afgeleid uit het stilzitten in bepaalde procedures, zodat van een bekrachtiging van het akkoord door C. dan ook geen sprake was. Dit alles impliceerde volgens de eerste rechter dat er geen bijzonder mandaat in hoofde van de toenmalige raadsman van C. was bewezen. In die omstandigheden wees de eerste rechter de vorderingen van L. en Finacor af als ongegrond.

3. L. kan zich met het bestreden vonnis niet verzoenen en tekent hiertegen hoger beroep aan. Met zijn verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 20.04.2011, en zijn besluiten, neergelegd ter griffie van dit hof op 14.12.2012 beoogt hij de vernietiging van het bestreden vonnis en vraagt hij te zeggen voor recht dat:

- C. gebonden is door het akkoord zoals vastgelegd bij niet vertrouwelijke briefwisseling van 24.03.2009 en 25.03.2009 en dienvolgens dat C. gehouden is tot alle daarin vervatte verbintenissen, inzonderheid:

• het ondertekenen van het instrumentum, zijnde de dadingsakte, haar meegedeeld op 13.07.2009;

• alle pleegvormen na te komen inzake de overdracht van haar aandelen in de BVBA Heidelberg Beheer;

Dit onder verbeurte van een dwangsom van 500,00 EUR per verbintenis per dag vertraging;

Verder vraagt L. dat het hof zou beslissen dat, bij gebrek aan de hierboven vermelde medewerking van C. tot uitvoering van de dadingsovereenkomst en dit binnen de twee maanden na de betekening van het tussen te komen vonnis, dit vonnis zou gelden als titel van overdracht van 3500 aandelen van C. in de BVBA Heidelberg Beheer, met maatschappelijke zetel te 8210 Loppem, ( ... ), aan L., met machtiging aan L. de aandelenoverdracht in het aandelenboek alleen te ondertekenen met vermelding van het tussen gekomen arrest.

Minstens vraagt hij alvorens te oordelen hem te machtigen te bewijzen door alle middelen van recht, met inbegrip van getuigen, dat Mr. D. over een bijzonder mandaat beschikte om onderhandelingen te voeren en om uiteindelijk een akkoord te sluiten, zoals blijkt uit de niet vertrouwelijke briefwisseling.

Ten slotte vraagt hij de veroordeling van C. tot de kosten van de procedure.

Bij 'tweede beroepsbesluiten', neergelegd ter griffie op 19.09.2012, vraagt Finacor akte te willen nemen van haar incidenteel hoger beroep. Zij vraagt het bestreden vonnis teniet te doen en haar vordering toelaatbaar en gegrond te verklaren. Dienvolgens vraagt zij, zoals voor de eerste rechter, te horen zeggen voor recht dat:

- C. was gebonden door het akkoord, zoals gesloten per officiële briefwisseling van 24.03.2009 en 25.03.2009 en

- vervolgens te horen zeggen dat C. gehouden was tot alle daarin vervatte verbintenissen, nl.

• de stopzetting van alle procedures tussen Finacor en C.;

• de overdracht van de computer PC Acer Aspire 1357Lmi, voorwerp van de tussen partijen hangende revindicatievordering gekend onder rolnummer 07 /2543/ A;

• de verzaking door C. aan de rechtsplegingsvergoeding in het dossier met betrekking tot de Pauliaanse vordering;

• alle pleegvormen na te komen inzake de overdracht van haar aandelen in de BVBA Heidelberg Beheer;

• de onthouding aan alle verdere klachten of procedures lastens haar.

Dit alles onder verbeurte van een dwangsom ten belope van 500,00 EUR per verbintenis per dag vertraging in de uitvoering ervan en dit na betekening van het tussengekomen arrest.

Verder vraagt Finacor dat het hof zou beslissen dat, bij gebrek aan de hierboven vermelde medewerking van C. tot uitvoering van de dadingsovereenkomst en dit binnen de twee maanden na de betekening van het tussen te komen vonnis, dit vonnis zou gelden als titel van overdracht van 3500 aandelen van C. in de BVBA Heidelberg Beheer, met maatschappelijke zetel te ( ... ), aan L., met machtiging aan L. de aandelenoverdracht in het aandelenboek alleen te ondertekenen met vermelding van het tussen gekomen arrest. Ten slotte vraagt Finacor de veroordeling van C. tot alle kosten van het geding.

Bij conclusie, neergelegd ter griffie van dit hof op 15.09.2011, vraagt C. het hoger beroep af te wijzen als ongegrond en het vonnis a quo integraal te bevestigen en dienvolgens L. te veroordelen tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Wat betreft de vordering van Finacor stelt zij dat deze terecht door de eerste rechter werd afgewezen als ongegrond en vraagt zij de bevestiging van deze beslissing.

ll. Beoordeling

1. Voorafgaandelijk

De partijen hebben hun middelen en argumenten, zoals uiteengezet in hun besluiten voor de eerste rechter, in graad van hoger beroep herhaald en verder uitgewerkt. Deze zullen, in de mate deze dienstig zijn, hierna worden ontmoet. Er wordt geen betekeningsexploot voorgelegd. Geen enkele partij maakt gewag van de betekening van het bestreden vonnis. Het hoger beroep is bijgevolg tijdig ingesteld en is ook regelmatig naar vorm. Middelen van onontvankelijkheid worden niet opgeworpen en het hof ziet geen redenen om dit ambtshalve te doen. Het hoger beroep is ontvankelijk. Spijts hieromtrent door C. geen betwisting wordt gevoerd, is het Hof ertoe gehouden (ambtshalve) de ontvankelijkheid van het incidenteel beroep van Finacor te onderzoeken, nu dit de openbare orde raakt (zie ook CASS, 13 december 1991, Arr. Cass. 1991-92, 346).

a. Het hoofdberoep van appellant L. is enkel gericht tegen C., en niet tegen Finacor.

Dit overigens geheel conform de vaststelling dat in graad van eerste aanleg geen vorderingen werden gesteld tussen L. en Finacor.

Enkel C. is dienvolgens als gedaagde in hoger beroep te beschouwen, met uitsluiting van de partij (Finacor) tegen wie het (hoofd)beroep niet gericht is en die via het hoofdberoep in het appelgeding wordt betrokken zonder dat evenwel iets van haar wordt gevorderd (zie ook CASS., 14 november 1991, JT 1992, 393, CASS. 15 oktober 1981, Rw 1982-83, 1973 en TAELMAN, P. en PITEUS, K, Dynamiek en evolutie van het geding in hoger beroep, in "Goed procesrecht -Goed procederen", Kluwer, Gent, 1993, p. 358).

Overeenkomstig art. 1054 Ger. W. kan incidenteel beroep enkel worden ingesteld door "de gedaagde in hoger beroep", zodat het hoger beroep van Finacor, die geen gedaagde is in hoger beroep, als incidenteel hoger beroep niet ontvankelijk is.

b. Het Hof is echter evenzeer gehouden (ambtshalve) te onderzoeken of het incidenteel beroep van Finacor niet kan worden geherkwalificeerd als hoofdberoep (zie ook CASS., 2 februari 1989, Arr.Cass. 1988-89,657). Waar C. nooit de ontvankelijkheid van het hoger beroep van Finacor heeft betwist, dient het hof alvorens tot herkwalificatie tot hoofdberoep over te gaan de debatten niet te heropenen teneinde C. toe te laten alsnog de ontvankelijkheid van het aldus geherkwalificeerde beroep te betwisten.

b.1. Vooreerst werd het beroep, geherkwalificeerd als hoofdberoep, naar vorm rechtsgeldig ingesteld.

Zowel hoofdberoep als incidenteel beroep kunnen krachtens art. 1056, 4° Ger. W. bij conclusies worden ingesteld (zie ook CASS., 1 juni 1992, Arr. Cass., 1991-92,923).

Waar Finacor partij is in het geding, nu zij in het (aanvankelijke) hoofdberoep betrokken werd zonder dat dit tegen haar gericht was (zie ook CASS. 24 april 1987, RW 1987-88, 806) (- weze het dat zij geen gedaagde in hoger beroep is-], kan

zij als (verschenen) partij conclusies neerleggen en kan zij dienvolgens hoofdberoep instellen onder de vorm van een conclusie (art. 1056, 4° Ger. W.).

b.2. Anderzijds liggen er geen elementen voor die toelaten te stellen dat het beroep van Finacor, als hoofdberoep hergekwalificeerd, laattijdig zou zijn, nu niet blijkt dat het bestreden vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep werd anderzijds ook rechtsgeldig ingesteld tegen C., nu tegen deze laatste door L. tijdig en geldig naar vorm hoofdberoep was ingesteld.

c. Het hoofdberoep van Finacor, ingesteld bij besluiten van 15.12.2011, is dienvolgens ontvankelijk.

2. Ten gronde

Huidig geschil heeft betrekking op de vraag of tussen L. en C. een dadingsovereenkomst tot stand is gekomen en of C. door deze dading is gebonden.

L. argumenteert dat tussen partijen een dadingsovereenkomst tot stand is gekomen door middel van niet vertrouwelijke briefwisseling van 24.03.2009 en 25.03.2009 tussen zijn raadsman enerzijds en de voormalige raadsman van C., Mr. D., anderzijds. Dat tussen partijen een dadingsovereenkomst tot stand is gekomen, wordt formeel betwist door C. Aangezien L. vordert te horen zeggen voor recht dat C. is gebonden door het akkoord, en dat zij is gebonden door de daarin vervatte verbintenissen, is het aan hem overeenkomstig art. 870 Ger.W. om aan te tonen dat er een dadingsovereenkomst is tot stand gekomen.

2.1. Het mandaat in hoofde van de voormalige raadsman van C.

L. argumenteert dat Mr. D. het mandaat had om de vereffening en verdeling van de huwgemeenschap af te werken en dat hij alle handelingen mocht stellen om dit te bewerkstelligen, dit met inbegrip van het voeren van onderhandelingen die uiteindelijk kunnen resulteren in een overeenkomst (sic besluiten L., blz. 6, neergelegd ter griffie van dit hof op 14.12.2012). Hij argumenteert dat conform art. 440 Ger.W. alle handelingen die binnen het mandaat ad litem vallen, worden toegerekend aan de lastgever, in casu C.

Het hof kan L. niet volgen waar hij argumenteert dat het mandaat ad litem voldoende is opdat de toenmalige raadsman van C. een dadingsovereenkomst kon sluiten voor zijn cliënte. Een advocaat verschijnt als gevolmachtigde van een partij zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken, behalve indien de wet een bijzondere lastgeving vereist (artikel 440, tweede lid, Ger. W). Het mandaat ad ]item (vermoeden van rechtsgeldige volmacht) van een advocaat is beperkt tot proceshandelingen. In de gevallen waarbij een advocaat, los van enige procedure voor een rechtscollege (bv. in het kader van het sluiten van een dading), optreedt als lasthebber van zijn cliënt, wordt aangenomen dat dit mandaat wordt beheerst door de regels van het gemene recht inzake lastgeving. In dat geval moet duidelijk het bewijs worden voorgelegd van het mandaat van de advocaat en van de omvang van dergelijk mandaat (A. VAN OEVELEN, Het mandaat van de advocaat wanneer hij niet in rechte optreedt, R.W 2009-2010, p. 1586).

Voor het afsluiten van een akkoord buiten een gerechtelijke procedure om moet een uitdrukkelijke en bijzondere volmacht kunnen worden voorgelegd. (cfr. Cass. 18 november 1988, Arr. Cass., 1988-89, 341; Pas. 1989, I, 313) Het mandaat ad litem van een advocaat omvat immers niet (automatisch) de bevoegdheid om namens een cliënt een dading aan te gaan. In geval van betwisting moet het bewijs van dit bijzonder mandaat geleverd worden (cfr. Luik, 6 maart 1992, Rev. Rég. Dr., 1992, 416).

Aangezien C. stellig het mandaat van Mr. D. betwist, dient L. het bewijs te leveren van dit (bijzonder) mandaat. L. draagt de bewijslast.

Het hof bevestigt L. in zijn stelling dat het bewijs en het bestaan en de draagwijdte van een mandaat door hem kan worden bewezen door alle middelen van recht, maar dient echter vast te stellen dat L. tekort schiet in zijn bewijslast. Het gegeven dat Mr. D. sinds 2006 onderhandelingen voerde om tussen partijen tot een minnelijke overeenkomst te komen, bewijst niet dat hij hiertoe mandaat had, laat staan dat dit bewijst dat hij meteen ook het bijzonder mandaat had om een akkoord te sluiten. Het gegeven dat C. akkoord ging om in der minne een expert aan te stellen om de aandelen van de BVBA Heidelberg Beheer te schatten, of het feit dat elke procedure tussen L. en C. werd stil gelegd of dat zij de voordelen uit de vermeende dading heeft aanvaard (althans volgens L.), tonen volgens het hof niet genoegzaam aan dat C. haar voormalige raadsman had belast met een uitdrukkelijk en bijzonder mandaat om een dadingsovereenkomst te sluiten. In die zin faalt L. in zijn bewijslast.

2.2. Het schijnmandaat

Ondergeschikt baseert L. zich op het bestaan van een schijnmandaat.

Iemand kan vertegenwoordigd worden ten opzichte van een derde wanneer deze derde er redelijkerwijze kon van uitgaan dat de pseudolasthebber de pseudolastgever geldig vertegenwoordigde en de handeling kan worden toegerekend aan de pseudolastgever. Opdat men zich zou kunnen beroepen op het schijnmandaat dient een schijnbare vertegenwoordigingsbevoegdheid te bestaan van de lasthebber, moet de derde, die zich op het schijnmandaat beroept, te goeder trouw zijn, dient de handeling aan de schijnvertegenwoordigde toerekenbaar te zijn en moet de derde nadeel ondervinden, wanneer de schijntoestand niet wordt gehonoreerd door degene aan wie hij wordt toegerekend (vgl.: VAN GERVEN, W., Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Algemeen Deel, p. 227, nr. 85; TILLEMAN, B., Lastgeving, A.PR., nr. 440-457, p. 233-248; Cass. 20 juni 1988, R.W 1989-90, 1426-1430, met noot A. VAN OEVELEN). De juridische grondslag en de toepassingsvoorwaarden van de verbondenheid van de lastgever bij een schijnmandaat). Het bewijs van het bestaan van het schijnmandaat moet geleverd worden door de partij die er zich op beroept. Het is aldus aan L., die zich ondergeschikt op het bestaan van een schijnmandaat beroept, dergelijk mandaat te bewijzen.

a) Er bestond een schijnbare vertegenwoordigingsbevoegdheid van de voormalige raadsman van C., Mr. D., die bij niet-vertrouwelijke brief dd. 25.03.2009 meldde dat zijn cliente, C., akkoord ging met de overeenkomst tot minnelijke vereffening en verdeling van de onverdeeldheid na echtscheiding tussen partijen en dit overeenkomstig de modaliteiten vermeld in de brief dd. 24.03.2009 uitgaande van de raadsman van L. In diezelfde brief dd. 25.03.2009 bevestigde Mr. D. dat zijn brief 'ingevolge het ontstane akkoord tussen partijen', eveneens niet vertrouwelijk diende te worden beschouwd. Het staat vast dat Mr. D. de schijn wekte dat hij handelde in naam en voor rekening van C. Bij de verwijzing in de niet-vertrouwelijke brief van mr. D. naar het akkoord van zijn cliënte, werd dit akkoord bovendien niet gegeven onder voorbehoud van goedkeuring van zijn cliënte.

b) Opdat men zich zou kunnen beroepen op het schijnmandaat is bovendien vereist dat de gewekte schijn toerekenbaar is aan C. Een rechtstreekse toerekening van een door de schijnvertegenwoordiger gestelde handeling aan de schijnvertegenwoordigde, is slechts billijk indien deze laatste op één of andere manier bijgedragen heeft tot het verwekken van de schijn van vertegenwoordigingsmacht (VAN OEVELEN A., noot onder Cass. 20 juni 1988, R.W 1989-90, 1426, randnummer 8, 1430).

Deze toerekenbare schijn moet aanwezig zijn op het ogenblik van de rechtshandeling zelf, nl. op 25.03.2009, datum waarop de niet-vertrouwelijke brief van Mr. D. houdende het akkoord van zijn cliënte, werd verstuurd.

Uit de voorliggende stukken blijkt uitsluitend dat C. aan Mr. D. toeliet onderhandelingen te voeren in het kader van het bereiken van een minnelijke regeling tussen partijen. Mr. D. voerde sinds september 2006 onderhandelingen teneinde tussen partijen een minnelijke oplossing te bereiken, waarbij hij telkens als eerste voorstellen deed. Verder blijkt dat in het kader van de minnelijke besprekingen partijen beroep deden op een technisch raadsman met het oog op de waardebepaling van de aandelen van BVBA Heidelberg Beheer (vennootschap waarin L. en C. beide aandeelhouder zijn), en dit in het kader van de vereffening van de huwgemeenschap L.-C. Hierbij werden de opmerkingen op het verslag van mw. C. gemaakt door mr. D.

Deze (2) elementen acht het hof evenwel onvoldoende om te besluiten dat bij L. en diens raadsman op 25.03.2009 het gewettigd vertrouwen werd gewekt dat mr. D. bevoegd was om in naam en voor rekening van C. een dadingsovereenkomst te sluiten. Een mogelijke aan C. toerekenbare schijn op 25.03.2009, een vereiste om tot een geldig schijnmandaat te kunnen besluiten, is niet voorhanden, minstens niet bewezen.

Op grond van deze vaststelling alleen al, kan er dan ook geen schijnmandaat worden weerhouden.

2.3. Bekrachtiging

2.3.1. Volgens L. is er minstens sprake van bekrachtiging door C.

Indien een lasthebber buiten voldoende vertegenwoordigingsmacht gehandeld heeft kan de rechtshandeling toch rechtstreeks toegerekend worden aan de lastgever, in de mate deze geregulariseerd wordt (artikel 1998, tweede lid, B.W.). Bekrachtiging is niet alleen mogelijk wanneer een lasthebber buiten zijn vertegenwoordigingsmacht is opgetreden, maar evenzeer wanneer die persoon zonder of op grond van een nietig mandaat optrad. Ook een schijnmandaat kan worden bekrachtigd (B. Tilleman, "Lastgeving", A.PR. 1997, blz. 203, nr. 397).

Dergelijke regularisatie veronderstelt de wil tot bekrachtiging, namelijk de wil zich de handeling, die hem oorspronkelijk vreemd was, rechtstreeks toe te eigenen (vgl. B. TILLEMAN, "Lastgeving", A.PR. 1997, blz. 411, nrs. 397 e.v.). De bekrachtiging kan zowel uitdrukkelijk als stilzwijgend gebeuren en het bewijs dat moet worden geleverd door diegene die de bekrachtiging inroept, kan door alle middelen van recht geleverd worden

Een bekrachtiging kan stilzwijgend geschieden. Weliswaar is dan vereist dat de bekrachtiging wordt afgeleid uit handelingen die, bij diegenen die ze stellen met zekerheid wijzen op de bedoeling om de handeling, die buiten of zonder vertegenwoordigingsmacht werd gesteld, te bekrachtigen. (cfr. Luik, 8 januari 1982, J.L.M.B. 1982, 293-294, derde alinea; H. DE PAGE, V, blz. 437, nr. 446). Een stilzwijgende bekrachtiging zal onder meer worden afgeleid uit het feit dat een bepaalde handeling geen reactie uitlokt van de lastgever, terwijl een normale zorgvuldige lastgever handelend in dezelfde omstandigheden uitdrukkelijk zou reageren tegen een dergelijk onbevoegd optreden van de lasthebber. In dat geval is er sprake van een omstandig stilzwijgen.

2.3.2. Hierboven verwees het hof reeds naar het feit dat uit de dossierstukken is gebleken dat partijen via hun raadslieden, voorafgaand aan de dadingsovereenkomst, onderhandelingen voerden, waarbij diverse procedures werden stilgelegd en waarbij C. zich telkens gedroeg of naliet uitvoeringsdaden te stellen en dit conform de in de brieven dd. 24.03.2009 en 25.03.2009 uitgewerkte dading.

Zo onder meer werden in de procedure (met rolnummer 2008/ AR/3151 en ingeleid op 16.01.2009, waarbij BVBA Finacor schadevergoeding eist van C. wegens bestuursfouten en misbruiken van vennootschapsgoederen en gelden) hangende voor de 17de kamer bij dit hof tussen partijen conclusietermijnen conform art. 747 Ger.W. afgesproken. Niettegenstaande de conclusiekalender conform art. 747 Ger.W., waarvan C. persoonlijk op de hoogte werd gebracht, liet zij toe dat Mr. D. deze conclusietermijnen liet verstrijken zonder besluiten neer te leggen.

Hetzelfde doet zich voor in de procedure die werd opgestart voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge (gekend onder rolnummer 07 /2543/ Al betreffende de door BVBA Finacor van C. gevorderde teruggave van een computer. Ook in deze procedure liet C. toe dat Mr. D. geen conclusies neerlegde, niettegenstaande de conform art. 747 Ger.W. verleende conclusietermijnen.

In het kader van een procedure (met rolnummer 07 /1151/ Al gevoerd voor de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde werd de door BVBA Finacor lastens C. ingestelde pauliaanse vordering afgewezen en werd BVBA Finacor veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan C.C. heeft nooit betaling van deze vergoeding gevraagd en evenmin drong Mr. D. ooit aan op betaling van deze gerechtskost. Elke zorgvuldige lastgever zou, indien hij of zij niet akkoord was met de besprekingen en de overeenkomst, gereageerd hebben en zou zijn of haar advocaat erop gewezen hebben zijn conclusietermijnen te benutten en zelfs een andere advocaat hebben geraadpleegd. C. houdt voor dat zij een andere raadsman heeft geraadpleegd, maar bewijst dit niet. Uit geen enkel stuk blijkt dat de huidige raadsman van C. voorafgaand aan huidig geschil reeds door C. was aangesproken ter verdediging van haar belangen. De brief die de huidige raadsman van schreef aan Mr. D. werd geschreven na de inleiding van de procedure in eerste aanleg, meer bepaald op 18.05.2010, wat ruimschoots na de betekening op 12.02.2010 van het exploot van de dagvaarding was.

Verder verwijst het hof nog naar de hierboven uiteengezette stilzwijgende houding van C. naar aanleiding van de werkzaamheden van de technisch raadsman met het oog op de waardebepaling van de aandelen van BVBA Heidelberg Beheer (vennootschap waarin L. en C. beide aandeelhouder zijn), en dit in het kader van de vereffening van de huwgemeenschap 1.-C.

2.3.3. Wanneer men zonder voorbehoud te maken voordeel haalt of aanvaardt uit de te bekrachtigen handeling, kan hieruit een stilzwijgende bekrachtiging voortvloeien.

Het hof stelt vast dat C. voordelen heeft aanvaard uit de te bekrachtigen handeling, zodat ook om deze reden het hof besluit dat een stilzwijgende bekrachtiging voorhanden is. Immers, ingevolge een beschikking van de kortgedingrechter dd. 28.01.2009 werd C. veroordeeld tot teruggave van het door L. teveel betaalde onderhoudsgeld t.b.v. 4.200,00 EUR. De raadsman van L. maakte de afrekening over aan Mr. D., maar gelet op de dadingsovereenkomst werd C. niet aangemaand over te gaan tot betaling. C. ging evenmin over tot betaling van haar schuld.

Bovendien aanvaardde C. de uitvoering van de overeenkomst, waar de schrapping van haar borgstelling bij KBC bank conform de dadingsovereenkomst werd gerealiseerd. C. liet nooit verstaan dat de aanvaarding van de vrijgave van haar solidaire borgstelling niet kon beschouwd worden als een daad van uitvoering van de dadingsovereenkomst.

Al deze elementen samen worden door het hof geacht de eventuele bevoegheidsoverschrijdende handelingen van Mr. D. weliswaar stilzwijgend te hebben bekrachtigd.

2.4. Gevolgen van de bekrachtiging

2.4.1. Door de bekrachtiging wordt de lasthebber geacht retroactief over de vereiste vertegenwoordigingsmacht te beschikken voor de bekrachtigde handeling (cf. F. LAURENT, XXVIII, blz. 79, nr. 73) en wordt de bekrachtigde handeling retroactiefrechtstreeks toegerekend aan de lastgever. (cfr. B. Tilleman, "Lastgeving", A.P.R. 1997, blz. 217-218 nrs. 423 en 424).

C. is aldus gebonden door het akkoord zoals vastgelegd bij de niet vertrouwelijke brieven dd. 24.03.2009 en 25.03.2009, uitgewisseld tussen de raadsman van L. en de voormalige raadsman van C., nl. Mr. D. Dienvolgens is C. gehouden de in de dadingsovereenkomst vervatte verbintenissen na te komen, nl.

- het ondertekenen van het instrumentum, zijnde de dadingsakte, meegedeeld op 13.07.2009;

- definitieve stopzetting van alle procedures, nl. de tussen L. en C. hangende echtscheidingsprocedure alsook de procedures tussen C. en BVBA Finacor;

- het nakomen van alle pleegvormen inzake de overdracht van alle aandelen in de BVBA Heidelberg aan L. en BVBA Finacor;

- afgifte van de laptop PC Acer Aspire 1357Lmi van de BVBA Heidelberg aan de BVBA Heidelberg (en voorwerp van de tussen Finacor en C. hangende revindicatievordering gekend onder rolnummer 07/2543/A);

- definitieve verzaking aan de rechtsplegingsvergoeding haar toegekend in de beslagprocedure en de procedure betreffende de pauliaanse vordering;

Op de vraag van L. om vast te stellen dat C. gehouden is de in de dadingsovereenkomst vervatte verbintenissen na te komen, inzonderheid het ondertekenen van het instrumentum, zijnde de dadingsakte, en alle pleegvormen na te komen inzake de overdracht van haar aandelen in de BVBA Heidelberg Beheer, onder verbeurte van een dwangsom per verbintenis per dag vertraging in de uitvoering ervan en dit na betekening van het tussengekomen arrest, kan worden ingegaan, met dien verstande dat het hof deze dwangsom begroot op 150,00 EUR i.p.v. de door L. gevorderde 500,00 EUR.

L. vordert verder dat bij gebrek aan medewerking van C. tot uitvoering van de dadingsovereenkomst en dit binnen de 2 maanden na de betekening van het tussen te komen arrest, dit arrest zal gelden als titel van overdracht van 3500 aandelen van C. in BVBA Heidelberg Beheer, met zetel te 8210 Loppem, ( ... ), aan L., met machtiging aan hem de aandelenoverdracht in het aandelenboek alleen te ondertekenen met vermelding van het tussen gekomen arrest. Ook op deze vordering kan worden ingegaan.

2.4.2. Zoals hierboven reeds uiteengezet vordert Finacor bij wijze van incidenteel hoger beroep, doch geherkwalificeerd als een hoofdberoep, te horen zeggen voor recht dat C. is gebonden door het akkoord, zoals gesloten per officiële briefwisseling van 24.03.2009 en 25.03.2009 en te horen zeggen dat C. gehouden is tot alle daarin vervatte verbintenissen, zoals dit op dezelfde wijze door L. wordt gevorderd (zie supra).

Het enige verweer van C. luidt dat tussen haar en L. nooit een dading is tot stand gekomen, zodat Finacor hierop zich dan ook niet kan beroepen. De motivering van het hof aangaande het mandaat, het schijnmandaat en de bekrachtiging geldt evenzeer ten aanzien van het verweer van C. tegenover Finacor zodat het hof naar de overwegingen dienaangaande verwijst.

C. stelt dan ook ten onrechte dat er minstens geen sprake kan zijn van overdracht van een computer pc Acer Aspire 1357 Lmi en zij dus niet kan worden verplicht om wat dan ook af te geven.

De afgifte van de laptop aan Finacor door C. vormt een onderdeel van de dadingsovereenkomst, die het hof als geldig bekrachtigd beschouwt. Er bestaat dan ook geen twijfel over dat C. ook deze verplichting, nl. de teruggave van de kwestieuze pc aan Finacor, dient te honoreren.

Verder stelt C. dat, zelfs indien alle procedures zouden moeten worden stop gezet (o.m. de procedure hangende voor het hof van beroep, gekend onder rolnummer 2008/AR/3151, doch naar de rol aldaar verwezen), zij alsnog recht zou hebben op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.200,00 EUR voor de procedure eerste aanleg. Uit de stukken blijkt dat in de zaak met rolnummer 2008/ AR/3151 hoger beroep werd aangetekend tegen een tussenvonnis van de eerste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge dd. 11.06.2008, waarin evenwel de heropening van de debatten werd bevolen en de beslissing omtrent de gedingskosten werd aangehouden. Finacor werd m.a.w. niet veroordeeld tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan C., zodat haar verweer dat haar alsnog een rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.200,00 EUR voor die procedure toekomt, niet kan worden gevolgd.

Op de vraag van Finacor om vast te stellen dat C. gehouden is de in de dadingsovereenkomst vervatte verbintenissen na te komen, onder verbeurte van een dwangsom per verbintenis per dag vertraging in de uitvoering ervan en dit na betekening van het tussengekomen arrest, kan, bij gebrek aan verder verweer, worden ingegaan, met dien verstande dat het hof deze dwangsom begroot op 150,00 EUR i.p.v. de door Finacor gevorderde 500,00 EUR.

( ... )

OP DEZE GRONDEN

Het Hof, recht doende op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep uitgaande van L. alsook het hoger beroep uitgaande van Finacor ontvankelijk en gegrond in de volgende mate,

Vernietigt dienvolgens het bestreden vonnis; En opnieuw wijzende,

Zegt voor recht dat tussen L. en C. een dadingsovereenkomst tot stand is gekomen door middel van niet vertrouwelijke briefwisseling van 24.03.2009 en 25.03.2009 tussen de raadsman van B.L. enerzijds en de voormalige raadsman van G., Mr. D., anderzijds.

Recht doende op de vordering van L.:

Veroordeelt C. tot nakoming van de in deze dadingsovereenkomst vervatte verbintenissen, nl.

- het ondertekenen van het instrumentum, zijnde de dadingsakte, haar meegedeeld op 13.07.2009;

- alle pleegvormen na te komen inzake de overdracht van haar aandelen in de BVBA Heidelberg Beheer;

dit onder verbeurte van een dwangsom van 150,00 EUR per verbintenis per dag vertraging in de uitvoering ervan en dit na betekening van het tussengekomen arrest;

zegt voor recht dat, dat bij gebrek aan de medewerking van H.C. tot uitvoering van de dadingsovereenkomst en dit binnen de 2 maanden na de betekening van het tussen te komen arrest, dit arrest zal gelden als titel van overdracht van 3500 aandelen van H.C. In BVBA Heidelberg Beheer, met zetel te 8210 Loppem,( ... ), aan B.L., met machtiging aan deze laatste de aandelenoverdracht in het aandelenboek alleen te ondertekenen met vermelding van het tussen gekomen arrest. Recht doende op de vordering van BVBA Finacor:

Veroordeelt C. tot nakoming van de in deze dadingsovereenkomst vervatte verbintenissen, nl.

- de stopzetting van alle procedures tussen Finacor en C.;

- de overdracht van de computer PC Acer Aspire 1357 Lmi,

voorwerp van de tussen partijen hangende revindicatievordering gekend onder rolnummer 07 /2543/ A;

- de verzaking door C. aan de rechtsplegingsvergoeding in het dossier met betrekking tot de pauliaanse vordering;

- alle pleegvormen na te komen inzake de overdracht van haar aandelen in de BVBA Heidelberg Beheer;

- de onthouding van alle verdere klachten of procedures lastens Finacor.

dit onder verbeurte van een dwangsom van 150,00 EUR per verbintenis per dag vertraging in de uitvoering ervan en dit na betekening van het tussengekomen arrest;

zegt voor recht dat, dat bij gebreke aan de medewerking van C. tot uitvoering van de dadingsovereenkomst en dit binnen de 2 maanden na de betekening van het tussen te komen arrest, dit arrest zal gelden als titel van overdracht van 3500 aandelen van C. in BVBA Heidelberg Beheer, met zetel te 8210 Loppem, ( ... ), aan BVBA Finacor, met machtiging aan L. de aandelenoverdracht in het aandelenboek alleen te ondertekenen met vermelding van het tussen gekomen arrest.

( ... )



 

Noot: 

Zie ook Hof van Beroep Gent, 10/03/2010, 2007/AR/2810 en 2007/AR/2992, website KUL

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 17/06/2018 - 10:22
Laatst aangepast op: zo, 17/06/2018 - 10:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.