-A +A

Belg worden na sociale fraude en fiscale fraude

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 02/06/2016

Volgens art. 8 Gw. staat het aan de wetgever de voorwaarden te bepalen waaronder de Belgische nationaliteit kan worden verkregen. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsmarge. Wanneer de door de wetgever gemaakte keuzes leiden tot een verschil in behandeling, dient het Grondwettelijk Hof evenwel na te gaan of dat verschil op een redelijke verantwoording berust. Het is redelijk verantwoord dat de rechter die de gegrondheid moet beoordelen van een negatief advies van de procureur des Konings, gebaseerd op een strafrechtelijke veroordeling van de verzoeker wegens sociale of fiscale fraude, niet de vrijheid wordt gelaten om te oordelen of de feiten die aan de veroordeling ten grondslag liggen als “gewichtige feiten eigen aan de persoon” moeten worden aangemerkt.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
537
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest nr. 85/2016

Onderwerp van de prejudiciële vragen

Bij vonnis van 21 april 2015 heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg te Eupen de volgende prejudiciële vragen gesteld:

“1) Schendt art. 1, 4o, gelezen in samenhang met art. 1, 8o, 1, 9o en 15, § 3 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit art. 10 en 11 Gw. en houdt dit een ongelijke behandeling in van de kandidaten voor toekenning van de Belgische nationaliteit, doordat de sociale fraude op algemene wijze als schending van de sociale wetgeving wordt gedefinieerd en voor de fiscale fraude de schending moet worden begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden?

2) Schendt art. 1, 4o, gelezen in samenhang met art. 1, 8o, 1, 9o, en 15, § 3 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit art. 10 en 11 Gw., wanneer die bepalingen in die zin worden geïnterpreteerd dat bij een veroordeling op grond van een schending van de sociale wetgeving aan de rechter geen beoordelingsvrijheid wordt gelaten om te oordelen of de feiten die aan de strafrechtelijke veroordeling ten grondslag liggen, al dan niet dienen te worden aangemerkt als gewichtige feiten eigen aan de persoon?”

...

In rechte

...

B.1. De nationaliteitsverklaring is één van de wijzen, naast het verzoek tot naturalisatie, waarop een vreemdeling de Belgische nationaliteit kan verkrijgen.

De vreemdeling moet daartoe aan bepaalde voorwaarden voldoen, vermeld in art. 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, en voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van zijn hoofdverblijfplaats de verklaring afleggen, bedoeld in art. 15, § 1, eerste lid van hetzelfde Wetboek.

Als de verklaring volledig en ontvankelijk is en het verschuldigde registratierecht werd voldaan, geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand een ontvangstbewijs af en zendt hij een afschrift van het dossier voor advies aan de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied (art. 15, § 2, vierde en achtste lid van het vermelde Wetboek).

B.2. Het in het geding zijnde art. 15, § 3, eerste lid van het Wetboek van de Belgische nationaliteit bepaalt: “De procureur des Konings kan, binnen vier maanden te rekenen van de datum van het in § 2 bedoelde ontvangstbewijs, een negatief advies uitbrengen inzake de verkrijging van de Belgische nationaliteit wanneer er een beletsel is wegens gewichtige feiten eigen aan de persoon, die hij in de motivering van zijn advies dient te omschrijven, of als de grondvoorwaarden, die hij moet aanduiden, niet vervuld zijn.”

In het geval van een negatief advies kan de vreemdeling aan de ambtenaar van de burgerlijke stand vragen zijn dossier over te maken aan de rechtbank van eerste aanleg, die uitspraak doet over de gegrondheid van het negatieve advies (art. 15, § 5 van het voormelde Wetboek).

B.3. Het eveneens in het geding zijnde art. 1, § 2, eerste lid, 4o, d), 8o en 9o van hetzelfde Wetboek bepaalt:

“Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:

[...]

4o gewichtige feiten eigen aan de persoon zijn, met name:

[...]

d) het feit dat aan de aanvrager, omwille van eender welke vorm van sociale of fiscale fraude, door de rechter een definitieve straf is opgelegd die in kracht van gewijsde is gegaan;

[...]

8o sociale fraude: iedere inbreuk op een sociale wetgeving;

9o fiscale fraude: iedere inbreuk op de fiscale wetboeken of op de ter uitvoering ervan genomen besluiten die wordt begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden”.

B.4. De voormelde bepalingen roepen een verschil in behandeling in het leven tussen vreemdelingen naargelang zij veroordeeld zijn wegens een overtreding van de sociale wetgeving of wegens een overtreding van de fiscale wetgeving. Overtredingen van de sociale wetgeving vormen steeds “gewichtige feiten eigen aan de persoon”. Voor overtredingen van de fiscale wetgeving is dat enkel het geval indien zij werden gepleegd met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.

De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of het verschil in behandeling van vreemdelingen, naar gelang van de aard van de wetsovertreding waarvoor zij zijn veroordeeld, verenigbaar is met art. 10 en 11 Gw. (eerste prejudiciële vraag), en of die grondwetsartikelen worden geschonden wanneer de in het geding zijnde bepalingen in die zin worden geïnterpreteerd dat bij een veroordeling op grond van een overtreding van de sociale wetgeving aan de rechter geen beoordelingsvrijheid wordt gelaten om te oordelen of de feiten die aan de strafrechtelijke veroordeling ten grondslag liggen, dienen te worden aangemerkt als gewichtige feiten eigen aan de persoon (tweede prejudiciële vraag).

B.5. Volgens art. 8 Gw. staat het aan de wetgever de voorwaarden te bepalen waaronder de Belgische nationaliteit kan worden verkregen. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsmarge. Wanneer de door de wetgever gemaakte keuzes leiden tot een verschil in behandeling, dient het Grondwettelijk Hof evenwel na te gaan of dat verschil op een redelijke verantwoording berust.

B.6. De omschrijving van de begrippen “sociale fraude” en “fiscale fraude” werd, als gevolg van het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, bij amendement toegevoegd aan de begripsomschrijvingen in art. 1, § 2 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. Het amendement werd als volgt toegelicht:

“8o sociale fraude

“De Raad van State vraagt een definitie van “sociale fraude”. Verwezen kan worden naar art. 309 van de programmawet van 27 december 2006, waarbij in titel XII de SIOD wordt opgericht, en waarin sociale fraude wordt gedefinieerd als: “iedere inbreuk op een sociale wetgeving”.

“9o fiscale fraude

“Hoewel dit door de Raad van State niet werd gevraagd, is het, gelet op de definiëring van het begrip “sociale fraude”, allicht ook aangewezen om het begrip “fiscale fraude” te definiëren.

“Ter zake wordt de definitie van fiscale fraude of belastingsontduiking gehanteerd die algemeen gangbaar is in het fiscale recht, en o.m. vervat zit in art. 449 WIB, art. 73 WBTW, art. 133 van het Wetboek der successierechten, enz. Opdat er sprake is van fiscale fraude, is m.a.w. zowel het materiële element (overtreding van de fiscale wetboeken of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten) als het intentionele element (bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden) vereist” (Parl.St. Kamer, 2011-12, DOC 53-0476/013, p. 21).

B.7. De wetgever beoogde bijgevolg de begripsomschrijving van sociale en fiscale fraude in het Wetboek van de Belgische nationaliteit af te stemmen op de gangbare betekenis van dezelfde begrippen in de sociale en fiscale wetgeving.

Art. 1, § 1 van het Sociaal Strafwetboek, dat art. 309 van de programmawet (I) van 27 december 2006 heeft vervangen, bepaalt:

“Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder sociale fraude en illegale arbeid: iedere inbreuk op een sociale wetgeving die tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort”.

Art. 449, eerste lid WIB en art. 73 WBTW bepalen:

“Hij die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 250 euro tot 500 000 euro of met een van die straffen alleen.”

B.8. De verduidelijking van de begrippen “sociale fraude” en “fiscale fraude” in het Wetboek van de Belgische nationaliteit strekt ertoe nader te bepalen waarin de “gewichtige feiten eigen aan de persoon” met name kunnen bestaan. Het voorhanden zijn van dergelijke gewichtige feiten kan leiden tot een negatief advies van de procureur des Konings. De verduidelijking van wat “gewichtige feiten eigen aan de persoon” zijn, biedt de procureur des Konings een preciezer houvast in de uitoefening van zijn adviesbevoegdheid teneinde “kandidaat-Belgen allemaal een gelijke behandeling te kunnen garanderen” (Parl.St. Kamer, 2011-12, DOC 53-0476/013, p. 19).

B.9. In het licht van de nagestreefde doelstelling en met het oog op een coherente regelgeving, is het niet zonder redelijke verantwoording dat de wetgever, teneinde de begrippen “sociale fraude” en “fiscale fraude” in het Wetboek van de Belgische nationaliteit te omschrijven, verwijst naar de omschrijving die voor dezelfde begrippen wordt gebruikt in respectievelijk de sociale en de fiscale wetgeving.

De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

B.10. In het licht van de nagestreefde rechtszekerheid en gelijke behandeling van de vreemdelingen die een nationaliteitsverklaring afleggen, is het evenmin zonder redelijke verantwoording dat de rechter die de gegrondheid van een negatief advies van de procureur des Konings moet beoordelen, op grond van het in het geding zijnde art. 1, § 2, eerste lid, 4o, d), zoals het door de verwijzende rechter in de tweede prejudiciële vraag wordt geïnterpreteerd, niet de vrijheid wordt gelaten om te oordelen of de feiten die aan de strafrechtelijke veroordeling ten grondslag liggen als “gewichtige feiten eigen aan de persoon” moeten worden aangemerkt.

De tweede prejudiciële vraag dient eveneens ontkennend te worden beantwoord.

Noot: 

zie ook de noot onder dit arrest gepubliceerd in het RW

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 06/01/2017 - 15:07
Laatst aangepast op: vr, 06/01/2017 - 15:07

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.