-A +A

Beroepsgeheim en discretieplicht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
woe, 08/11/2017

Het beroepsgeheim van de politieman zoals bedoeld in artikel 458 Sw. Betreft eerder een 'ambtsgeheim', nu een politieambtenaar nooit inlichtingen verkrijgt in persoonlijke naam maar in naam van de gemeenschap die hij vertegenwoordigt, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld advocaten of geneesheren aan wie de geheimen ten persoonlijken titel worden toevertrouwd (Antwerpen, K.I., 12 november 1999, Vigiles, 2000, blz. 100, met noot D. Lybaert, "het beroepsgeheim van de politieambtenaar t.o.v. de onderzoeksrechter, blz. 100 e.v., i.h.b. blz. 101- 102).

Indien het enkel gaat om materiële elementen die geen enkel geheim karakter hebben, is de politieman slechts gehouden door een deontologische verplichting van discretie. Hebben deze inlichtingen een geheim karakter dan krijgt die deontologische verplichting een wettelijk karakter (Brussel, 20 december 1988, R.W. 1988-1989, kol 1332, met noot L. Huybrechts; navolgbaar).

Een discretieplicht heeft niets te maken met artikel 458 Sw. en heeft, in tegenstelling tot het beroepsgeheim, geen algemene wetsbepaling als grondslag. Eerder is het een gemeenschappelijke noemer voor een amalgaam van door de overheid, door een beroepsorganisatie of door particulieren opgelegde verplichtingen om bij het uitoefenen van een ambt of functie geen gegevens vrij te geven aan anderen dan aan diegenen die gerechtigd zijn om er kennis van te nemen ( ... )
Een discretieplicht kan zowel wettelijk, tuchtrechtelijk als contractueel van aard zijn. 

Het bestaan van een discretieplicht belet niet dat er tegelijk nog een beroepsgeheim kan gelden ten aanzien van hetzelfde beroep of dezelfde persoon. Bij de handhaving van beide normen zal dan wel een onderscheid gemaakt moeten worden tussen de informatie die onder de discretieplicht valt en die welke gedekt is door het beroepsgeheim.

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
263
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

In de zaak van het openbaar ministerie

tegen

1. DM~

D. TEN GRONDE

III. D. 1. Saisine van dit hof

13. In deze zaak werd enkel hoger beroep ingesteld door het openbaar ministerie.

14. In het grievenschrift wordt dit hoger beroep als volgt beperkt: "1.4. strafmaat: rekening houdend met de vrijspraak voor tenlastelegging B, waaromtrent BEPERKT HOGER BEROEP wordt aangetekend, wordt de strafmaat als te laag beoordeeld door appellante" en "1.11. vrijspraak: betreft een BEPERKT HOGER BEROEP en dus enkel wat de tenlastelegging B betreft, gezien D.M. voor dit feit werd vrijgesproken, terwijl er voldoende elementen in het strafdossier voorhanden zijn om de schending van beroepsgeheim te weerhouden als zijnde bewezen".

15. Op grond van deze inhoud en lezing van het beroepen vonnis, waarin op blz. 9 (nummer 10) uitdrukkelijk wordt gesteld "de rechtbank meent dat er geen eenheid van opzet kan worden weerhouden tussen enerzijds de tenlastelegging A (zoals geherkwalificeerd) en anderzijds de tenlastelegqinq C" blijft de bevoegdheid van dit hof thans beperkt tot een nieuwe beoordeling van het feit B (bewijs van het feit B en de eventuele schuld/bestraffing van de beklaagde voor dit feit B), ter uitsluiting van enige (verdere) beoordeling omtrent het eventueel bestaan van eenheid van opzet tussen dit feit B (zo dit feit bewezen zou worden verklaard) en de overige feiten, nu geen hoger beroep werd ingesteld tegen de geciteerde beslissing in nummer 10, blz. 9 van het beroepen vonnis en dit ook niet het voorwerp uitmaakt van enige beroeps grief van het openbaar ministerie.

III. D. 2. Bewijs feit B en schuld van de beklaagde

16. Betichting B betreft beweerde feiten die plaatsvonden op 16/05/2013 (ter uitsluiting van andere feiten op andere data).

17. In de telastlegging wordt het 'geheim' meer bepaald omschreven als volgt: 'meer bepaald door een alcoholcontrole of barcontrole bekend te hebben gemaakt aan iemand die werkzaam is in het barmilieu'.

18. Het hof overweegt in dit opzicht als volgt:

a. Het beroepsgeheim van de politieman zoals bedoeld in artikel 458 Sw. Betreft eerder een 'ambtsgeheim', nu een politieambtenaar nooit inlichtingen verkrijgt in persoonlijke naam maar in naam van de gemeenschap die hij vertegenwoordigt, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld advocaten of geneesheren aan wie de geheimen ten persoonlijken titel worden toevertrouwd (Antwerpen, K.I., 12 november 1999, Vigiles, 2000, blz. 100, met noot D. Lybaert, "het beroepsgeheim van de politieambtenaar t.o.v. de onderzoeksrechter, blz. 100 e.v., i.h.b. blz. 101- 102).

b. Indien het enkel gaat om materiële elementen die geen enkel geheim karakter hebben, is de politieman slechts gehouden door een deontologische verplichting van discretie. Hebben deze inlichtingen een geheim karakter dan krijgt die deontologische verplichting een wettelijk karakter (Brussel, 20 december 1988, R.W. 1988-1989, kol 1332, met noot L. Huybrechts; navolgbaar).

c. Een discretieplicht heeft niets te maken met artikel 458 Sw. en heeft, in tegenstelling tot het beroepsgeheim, geen algemene wetsbepaling als grondslag. Eerder is het een gemeenschappelijke noemer voor een amalgaam van door de overheid, door een beroepsorganisatie of door particulieren opgelegde verplichtingen om bij het uitoefenen van een ambt of functie geen gegevens vrij te geven aan anderen dan aan diegenen die gerechtigd zijn om er kennis van te nemen ( ... )

Een discretieplicht kan zowel wettelijk, tuchtrechtelijk als contractueel van aard zijn. (B. Allemeersch, "Het toepassingsgebied van art. 458 strafwetboek. Over het succes van het beroepsgeheim en het geheim van dat succes", R.W. 2003-2004, blz. 1 ev., i.h.b. nr. 6, blz. 2 en nr. 7, blz. 2).

d. Het bestaan van een discretieplicht belet niet dat er tegelijk nog een beroepsgeheim kan gelden ten aanzien van hetzelfde beroep of dezelfde persoon. Bij de handhaving van beide normen zal dan wel een onderscheid gemaakt moeten worden tussen de informatie die onder de discretieplicht valt en die welke gedekt is door het beroepsgeheim (B. Allemeersch, "Het toepassingsgebied van art. 458 strafwetboek. Over het succes van het beroepsgeheim en het geheim van dat succes", R.W. 2003-2004, blz. 1 e.v., i.h.b. nr. 10, blz. 3 met verwijzing naar rechtspraak en rechtsleer).

e. In geen geval is bewezen, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de beklaagde op 16/05/2013 persoonsgegevens heeft bekendgemaakt of medegedeeld aan derden.

f. De stukken verzameld tijdens het vooronderzoek tonen eveneens aan dat het uitgesloten is dat de beklaagde terzake zelf optrad in het kader van een opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek. De beklaagde wordt dan ook niet vervolgd voor een inbreuk op artikel 28quinquies, § 1, tweede lid of artikel 57 § 1, tweede lid Sv.

De in deze artikelen aangewende begrippen "duiden aan dat de verwijzing naar artikel 458 Strafwetboek betrekking heeft op de toepasselijke straf. Het geheim waarvan hier sprake is, is niet het beroepsgeheim in de zin van artikel 458 van het Strafwetboek. De tekst in het ontwerp creëert een nieuw misdrijf dat een ruimer toepassingsveld heeft dan artikel 458 Strafwetboek" (zie en vgl. Parl.St. Kamer, 1996- 1997, wetsontwerp tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, nr. 857/1,30; navolgbaar).

g. Er is in deze zaak al evenmin met voldoende zekerheid aangetoond of bewezen dat beklaagde op één of andere wijze daadwerkelijk kennis heeft genomen/ mededeling heeft gekregen van gegevens in verband met een barcontrole op 16/05/2013 in het kader van (of op grond van) een vertrouwelijke beroepsrelatie met de burgers dan wel dat hij zulke gegevens heeft bekomen of medegedeeld gekregen via een vertrouwensopdracht binnen zijn korps.

Terzake blijft in ieder geval wat dit aspect betreft redelijke twijfel heersen, die de beklaagde (in strafrecht - eventuele toepassing artikel 458 Sw.) ten goede komt.

h. Inzonderheid werd niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat-de beklaagde daadwerkelijk inzage of mededeling had gekregen van het operatieorder van de barcontrole op 16/05/2013 (stuk 660 strafdossier).

Bevraging van de politionele databanken heeft blijkbaar niet toegelaten aan te tonen dat de beklaagde, in de periode voorafgaand aan of op 16/05/2013, via deze weg kennis zou kunnen hebben gekregen van geplande controles (zie stuk 41 e.v. strafdossier: betreft enkel de periode van 01/09/2013 tot 26/11/2013, alsmede het proces-verbaal nr. 004842 van 13/09/2013 (periode van 10/09/2012 tot 10/09/2013) en st. 300 e.v. dossier: periode 01/09/2013 tot 26/11/2013)).

Ook nazicht van de mailbox liet niet toe mailberichten terug te vinden die erop zouden wijzen dat de beklaagde via interne mails vooraf op de hoogte werd gesteld van barcontroles (zie stuk 326 strafdossier). Nazicht van de persoonlijke bestanden leverde al evenmin iets op (stuk 328 strafdossier).

i. In het proces-verbaal nr. 006915/2013 van 20/12/2013 wordt evenwel aangegeven dat er op 16/05/2013 naast een alcoholcontrole ook een barcontrole plaatsvond (stuk 132 strafdossier). In dit proces-verbaal wordt bijkomend aangegeven dat de beklaagde niet betrokken was of in kennis gesteld was van de geplande controles.

Er wordt bijkomend gesteld dat hij geen kennis kon krijgen van de geplande barcontrole via de dienstplanning, doch wel van de geplande alcoholcontrole.

Zonder enig verder onderzoek terzake wordt dan uiteindelijk in dit proces-verbaal ook gesteld dat hij kennis (onderlijning door het hof) gekregen hebben van de geplande barcontrole via de planningskalender voor het reserveren van het briefinglokaal.

Dit laatste is evenwel een verregaande veronderstelling of mogelijkheid, die zonder verdere bijkomende onderzoeksresultaten of bevindingen onvoldoende zekerheid biedt tot vaststelling van een eventuele schuld van de beklaagde. Nazicht van deze lijsten toont bovendien nogmaals aan dat op deze lijsten geen namen van instellingen of personen voorkwamen en dat de uitvoering van controles zonder verdere verwijzing naar persoonsgegevens een materieel feit betrof, niet beschermd door artikel 458 Sw.

De informatie waarvan kennis kon worden genomen was onvoldoende precies en bepaald om onder het beroepsgeheim, zoals bedoeld in artikel 458 Sw. te vallen. De zogenaamde 'mogelijkheid' tot kennisname door de beklaagde van de geplande barcontrole en alcoholcontrole is dan ook zonder verder onderzoek of gegevens die dit hof tot een vaststaande en zekere overtuiging zouden kunnen leiden zuiver hypothetisch en in ieder geval onvoldoende tot vaststelling van de eventuele schuld van de beklaagde in huidige zaak (overeenkomstig hetgeen hem precies ten laste wordt gelegd).

19. Bijkomend wordt vastgesteld en overwogen:

a. Het hof is, tezamen met de eerste rechter, de opvatting toegedaan dat de simpele mededeling van het feit/gegeven dat er op een bepaald ogenblik een barcontrole of alcoholcontrole plaatsvond of zou plaatsvinden, zonder dat daarbij een bepaalde instelling of bepaald persoon wordt geviseerd of genoemd, hoe dan ook een zuiver materieel element uitmaakt dat (voor personen (politieambtenaren) die niet deelnemen aan de gepande operatie) eventueel onder de discretieplicht valt, doch niet onder het beroepsgeheim zoals bedoeld in artikel 458 Sw.

b. In zijn verhoor op 18/12/2013 antwoordde de beklaagde (op de vraag of hij (technisch) aan informatie over geplande barcontroles door de politiezone Grensleie kon, dan wel of hij sowieso bestemmeling van berichten over aankomende controles was) dat hij daarvan niet op de hoogte was (zie st. 438 strafdossier). Hij stelde ook dat hij nooit bordeelhouders tipte over controles. Wat betreft het gesprek nr. 3541 van 16/05/2013 om 16.16 uur (inkomend gesprek bij K.) stelde hij dat dit wellicht een alcoholcontrole betrof: "ik wist dat ze regelmatig naar Moeskroen ging en ik wou een algemene waarschuwing geven over een Bob-actie. Ik heb geen toegang tot de gegevens over barcontroles".

Toen de verbalisanten hem mededeelden dat er op 16/05/2013 door de politiezone Grensleie barcontroles gepland werden, samen met de sociale inspectie, stelde hij dat dit een samenloop van omstandigheden moet geweest zijn: hij stelde enkel gewaarschuwd te hebben voor controles op de weg op een bepaalde dag, mogelijk dus dan ook op de weg naar Moeskroen. Barcontroles waren volgens hem altijd geheim. Ze werden uitgevoerd door de recherche. Als dagcoordinator of coördinator wist hij dat niet. G. had hem wel gevraagd om verwittigd te worden bij barcontroles, doch dat heeft hij nooit willen doen. Hij bevestigde deze verklaring op 18/12/2013 tijdens de ondervraging door de onderzoeksrechter:

"Heb je op één of andere manier die R. of andere uitbaters van champagnebars ingelicht over politiecontroles? Neen. Wel gewaarschuwd voor eventuele BOBcampagnes of andere verkeerscontroles. Wie waarschuwde je dan ? R. Dat was in het algemeen, niet specifiek. Omdat ik wist dat ze nu en dan eens dronk en stuurde. Buiten die R. zijn er nog andere die je zou verwittigd hebben met betrekking tot verkeerscontroles? Ja, als de mensen vroegen of er controles waren dan zei ik van ja". Ook wanneer hij op 16/06/2015 werd verhoord hield hij vol dat dit gesprek op 16/05/2013 een alcoholcontrole betrof (stuk 676 strafdossier).

c. Tegenover deze verklaringen staan evenwel ook de verklaringen van de genaamde K., alsmede de onderzoeksresultaten zoals opgesomd in de 'besluiten', op 27/07/2017 bij dit hof neergelegd door het openbaar ministerie. Het hof verwijst alhier kortheidshalve naar de inhoud van deze besluiten, die alhier als herhaald wordt aangezien (met bijkomende verwijzing in deze besluiten naar stukken van het strafdossier). De inhoud van deze stukken overtuigt het hof: daaruit blijkt dat het feit dat er een alcoholcontrole of barcontrole zou plaatsvinden op zeer algemene wijze toch was 'getipt' aan de genaamde K. door de beklaagde.

d. Evenwel, zelfs wanneer wordt aanvaard dat de beklaagde de controles, die hij aldus via interne weg (uit hoofde van zijn staat of bij de uitoefening van zijn beroep) had vernomen op die wijze en in die omstandigheden toch zou hebben medegedeeld aan derden (de genaamde K.), is hij thans nog steeds niet strafbaar:

i. Een politieambtenaar die interne, niet- persoonsgebonden informatie die hij uit hoofde van zijn beroep heeft vernomen, bekendgemaakt, namelijk informatie nopens een door de politie voorgenomen auto- en alcoholcontrole, waarbij hijzelf evenwel niet betrokken was, is niet strafbaar wegens een schending van zijn beroeps- of ambtsgeheim, aangezien dit geheim niet ingesteld is ten voordele van de korpsen waartoe de officieren van gerechtelijke politie behoren of van het gerecht, maar van de rechtsbedeling en dus van de burgers.

Art. 458 Sw. Beschermt geen principes, maar concrete belangen van individuele rechtssubjecten. Bij gebrek aan rechtssubjecten die rechtstreeks door de betwiste uitlatingen in hun belangen worden gekrenkt, kan geen schending van het beroepsgeheim worden vastgesteld. Slechts de bekendmaking van persoonsgebonden informatie kan worden bestraft via art. 458 Sw. (Antwerpen, 19 juni 2013, R.W. 2014-2015, 141-145, met (goedkeurende) noot L. Huybrechts, "informatie over de door de politie voorgenomen auto- of alcoholcontrole: beroepsgeheim of discretieplicht"; navolgbaar).

ii. dit hof is van oordeel dat de beklaagde aldus geen concrete of identificeerbare vertrouwelijke gegevens bekend maakte (zie hoger in dit arrest).

iii. Niet alles wat de politieambtenaar beroepshalve verneemt of verricht, valt, in de huidige stand van de wetgeving, onder het beroepsgeheim. Het hof verwijst in dit opzicht, in navolging van bestaande rechtsleer, naar artikel 131 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst en de bestaansgeschiedenis van dit artikel. "Daarin wordt naast de erkenning van het strafrechtelijk gesanctioneerde beroepsgeheim van de politieambtenaar ook een niet-strafrechtelijk gesanctioneerde discretieplicht opgelegd. Voor wat betreft de bij zijn ambtsuitoefening vernomen vertrouwelijke inlichtingen en feitelijke gegevens die niet onder het strafrechtelijk gesanctioneerde beroepsgeheim van artikel 458 Sw., het geheim van het vooronderzoek of het geheim van de verwerkte informatie en persoonsgegevens vallen, heeft de politieambtenaar discretieplicht. Deze discretieplicht omvat bijvoorbeeld de operatieorders van de bestuurlijke politie en de aanhoudingstechnieken in strafzaken. Men kan betreuren dat de wet de schending ervan niet strafbaar heeft gesteld, maar het is zo.

Het is aan de disciplinaire overheden om strikt de hand aan één en ander te houden" (voor dit alles, zie L. Huybrechts, "Beroepsgeheim(en) en discretieplicht van de politieambtenaar", Vigiles, 2014/3 blz. 175, i.h.b. blz. 190; navolgbaar; zie ook in identieke zin noot L. Huybrechts onder Antwerpen, 19 juni 2013, R.W. 2014-2015, 141-145, "informatie over de door de politie voorgenomen auto- of alcoholcontrole: beroepsgeheim of discretieplicht", i.h.b. nrs. 6 tot en met 9, blz. 144-145; navolgbaar).

iv. In casu werden blijkbaar enkel bestuurlijke acties i.v.m. een barcontrole en een alcoholcontrole (waarvan onduidelijk is op welke wijze die ter kennis zouden gekomen zijn van de beklaagde) door deze laatste toch bekend gemaakt aan derden, wat evenwel telkenmale (nog steeds) niet valt onder de bescherming van artikel 458 Sw., in acht genomen de bestaande wetgeving ("Het zal evenwel om een door art 458 Sw. beschermd beroepsgeheim gaan, wanneer het ingevolge een wet of reglementaire bepaling vertrouwelijke informatie van of betreffende derden betrefr, of wanneer een bijzondere wetsbepaling de bekendmaking strafbaar stelt, eventueel met verwijzing naar art. 458 Sw." Zie noot L. Huybrechts onder Antwerpen, 19 juni 2013, R.W. 2014-2015, 141-145, "Informatie over de door de politie voorgenomen auto- of alcoholcontrole: beroepsgeheim of discretieplicht", i.h.b. nr. 8, blz. 144; navolgbaar - de auteur suggereert de introductie van een nieuwe strafbepaling in nr. 12, blz. 145 van zijn bijdrage - wat de rechtszekerheid, oordelend in strafrecht, zou ten goede komen).

20. Binnen de perken van het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep (zie hoger), wordt het beroepen vonnis bevestigd door dit hof. Hetgeen thans in besluiten van het openbaar ministerie wordt aangehaald kan het hof niet anderszins doen beslissen, gelet op de overwegingen zoals hoger in dit arrest opgenomen.

[ ... ]

OP DEZE GRONDEN, HET HOF,[...]

Verklaart het beperkt hoger beroep ontvankelijk en erover beslissend:

Bevestigt het beroepen vonnis wat betreft het feit B in alle onderdelen en beslissingen en laat de kosten van het hoger beroep ten laste van de Staat.

[ ... ]

Noot: 

S. Royer , Beroepsgeheim politieagenten (onterecht) beperkt NJW 2018, 266

Luc HuybrechtsInformatie over de door de politie voorgenomen auto- of alcoholcontrole: beroepsgeheim of discretieplicht? (not onder de publicatie van voormeld arrest in het RW 2014-2015, 141

Overige rechtsleer

• J. Leclercq, “Secret professionnel” Novelles, Droit pénal, IV, Brussel, Larcier, 1989

• L. Huybrechts, “Het ambtsgeheim van de politieman en het publiek feit” (noot onder Brussel 20 december 1988), RW 1988-89, 1333-1335

• G. Bourdoux en O. Mazy, “Secret professionnel et police: questions choisies”, Rev.dr.pén. 2010

• A. Pavoncelli, Het politioneel tuchtrecht. Noot in een hervorming of nood aan hervorming, lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/.../RUG01-002060892_ 2013_0001_AC.pdf

• A. DIERICKX, “Hoe geheim moet een geheim zijn om beschermd te worden door artikel 458 Sw.?”, T.Gez. 2015-16, 232.

•  L. HUYBRECHTS, “Informatie over de door de politie voorgenomen auto- of alcoholcontrole: beroepsgeheim of discretieplicht”, RW 2014-15, (143) 145.

• (L. HUY-BRECHTS, “Beroepsgeheim(en) en discretieplicht van de politieambtenaar”, Vigiles 2014, (175) 180. In

Rechtspraak:

• Antwerpen 19 juni 2013, RW 2014-15, 141;

• Brussel 20 december 1988, RW 1988-89, 1332

• Gent 13 maart 2015, niet gepubliceerd, citaat in F. SCHUERMANS, “Geen flexibilisering voor het beroepsgeheim van de politieambtenaar”, T.Strafr. 2016,
(357) 360;

• Cass. 3 september 2014, AR P131966F

• Cass. 9 december 2014, P141039N.

Aanvullende commentaar

• Art. 28quinquies, § 1 en art. 57, § 1 Sv. bepalen dat zowel het opsporings- als het gerechtelijk onderzoek, behalve de wettelijk bepaalde uitzonderingen, geheim zijn en dat eenieder die hieraan beroepshalve zijn medewerking dient te verlenen, tot geheimhouding is verplicht; hij die dit geheim schendt, wordt gestraft met de straffen bepaald in art. 458 Sw. De wet slaat op elke persoon die uit hoofde van hun beroep betrokken worden bij het strafrechtelijk vooronderzoek, onder wie vanzelfsprekend ook de politiebeambten (R. Verstraeten, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, nr. 746; C. Van den Wyngaert, m.m.v. S. Vandromme en B. De Smet, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 2011, 562; M. Franchimont, A. Jacobs en A. Masset, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2012, 448; H. Bosly, D. Vandermeersch en M. Beernaert, Droit de la procédure pénale, Brugge, La Charte, 2010, 324-325).

Het geheim van het strafrechtelijk vooronderzoek heeft als doel:

– de facilitering van het onderzoek en de vrijwaring van de bescherming ervan tegen de druk van de openbare opinie;

– de bescherming van de verdachte tegen laster;

– de bescherming tegen de schandaal- en sensatiezucht van een bepaalde pers, van het publiek tegen de sensatiepers en de schandaalzucht,(M. Franchimont, A. Jacobs en A. Masset, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2012., 447).

Het geheim van het strafrechtelijk vooronderzoek is brederveel dan het beroepsgeheim ( 458 Sw)

Bron: Luc Huybrechts, o.c. in hogervermelde noot.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 02/04/2018 - 15:32
Laatst aangepast op: vr, 11/05/2018 - 00:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.