-A +A

Berusting door stilzitten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 30/06/2016
A.R.: 
F.15.0014.N

De wetgeving die de wezenlijke belangen van de Staat of van de gemeenschap betreft of die, in het privaatrecht, de juridische grondslagen vastlegt waarop de economische of morele orde berust, is van openbare orde; zulks impliceert dat een betwisting inzake de belastingwet de openbare orde raakt.

De belastingplichtige kan rechtsgeldig berusten in een beslissing die de vordering afwijst die hij heeft ingesteld tegen de Staat ter betwisting van een fiscale aanslag, nu dergelijke berusting de wezenlijke belangen van de Staat of van de gemeenschap niet bedreigt en derhalve de openbare orde niet verstoort

 

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/19
Pagina: 
1381
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(M.L. BVBA / Belgische Staat - Rolnr.: F.15.0014.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 15 september 2009.

II. Cassatiemiddelen
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, drie middelen aan.

III. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
1. De verweerder voert aan dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is omdat de brief van de raadsman van de eiseres van 25 februari 2010, de uitvoering van het bestreden arrest ingevolge deze brief en het stilzitten van de eiseres gedurende 5 jaar na deze uitvoering, bewijzen dat zij in het bestreden arrest heeft berust.

2. De wetgeving die de wezenlijke belangen van de Staat of van de gemeenschap betreft of die, in het privaatrecht, de juridische grondslagen vastlegt waarop de economische of morele orde berust, is van openbare orde.

Een betwisting inzake de belastingwet raakt de openbare orde. De berusting in een beslissing die een vordering afwijst die de belastingplichtige heeft ingesteld tegen de Staat, bedreigt de wezenlijke belangen van de Staat of van de gemeenschap evenwel niet, zodat zij de openbare orde niet verstoort.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de Staat ten laste van de eiseres bijzondere aanslagen geheime commissielonen heeft gevestigd op grond van artikel 219 WIB 1992, dat de eiseres de vernietiging of volledige ontheffing heeft gevorderd van deze aanslagen en dat de appelrechters de vordering van de eiseres grotendeels als ongegrond hebben afgewezen.

4. In die omstandigheden kon de eiseres aldus rechtsgeldig berusten in de bestreden beslissing, in zoverre die haar vordering tegen de Staat heeft afgewezen, zonder hierdoor de openbare orde te verstoren.

De omstandigheid dat de eiseres haar vordering tot vernietiging of ontheffing van de bijzondere aanslag geheime commissielonen mede heeft gesteund op de beweerde schending van grondrechten, doet daaraan geen afbreuk.

5. Krachtens artikel 1045, derde lid Gerechtelijk Wetboek, kan de stilzwijgende berusting in een rechterlijke beslissing alleen worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing.

De afstand van het recht om een rechtsmiddel in te stellen moet strikt worden uitgelegd en mag slechts worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitleg vatbaar zijn.

6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

de raadslieden van de eiseres op 25 februari 2010 het volgende officiële schrijven hebben gericht aan de raadsman van de verweerder: “Wij verwijzen naar ons telefonisch onderhoud van dinsdag 16 februari jl. evenals naar onze fax van vrijdag 19 februari jl. Hierbij kunnen wij u bevestigen dat onze cliënte ons heeft meegedeeld dat zij geen cassatie wenst aan te tekenen tegen het in referte vermelde arrest en dat zij dus wenst te berusten in dit arrest. Mogen wij u dan ook vriendelijk verzoeken het arrest niet te laten betekenen?”;
de verweerder het bestreden arrest niet heeft laten betekenen ten gevolge van dit schrijven;
de bestreden beslissing ten gevolge van dit schrijven werd uitgevoerd en aan de eiseres, in overeenstemming met het beschikkende gedeelte van het arrest, een gedeeltelijke ontheffing werd verleend voor het aanslagjaar 2001, zoals medegedeeld in een aangetekend schrijven van 8 maart 2010;
de eiseres slechts op 6 februari 2015 een cassatieberoep heeft ingesteld tegen het bestreden arrest, nadat de uitvoering van dit arrest 5 jaar geleden was afgerond.
7. Door voormelde brief van 25 februari 2010, ten gevolge waarvan het bestreden arrest werd uitgevoerd, en het stilzitten van de eiseres gedurende 5 jaar na de uitvoering van het arrest, heeft de eiseres stilzwijgend, doch zeker in dat arrest berust.

Het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

(…)

F.15.0014.N
Conclusie van advocaat-generaal Thijs:

1. Onderhavige betwisting betreft de lastens eiseres voor de aanslagjaren 2000 en 2001gevestigde bijzondere aanslagen geheime commissielonen.

Het bestreden arrest heeft de vordering van eiseres:
- ongegrond verklaard voor zover deze aanslagen gevestigd werden op de bedragen die door de vennootschap werden gestort op de rekening van de heer Eens waarvoor geen fiches werden opgesteld;
- gegrond verklaard wat de kwalificatie van een renteloze lening als voordeel in natura betreft, zodat een bedrag van 9.783,63 EUR ten onrechte werd onderworpen aan de aanslag geheime commissielonen.

2. In de memorie van antwoord werpt verweerder op dat de voorliggende voorziening in cassatie niet ontvankelijk is aangezien door eiseres werd berust in het bestreden arrest:

"Deze berusting blijkt uit het officieel schrijven dd. 25 februari 2010 (bijlage 1), uitgaande van de raadslieden van eiseres,. J. G. en H. S., waarin zij aan de raadsman van verweerder, A. v.L.d.J., het volgende lieten weten:

"Hierbij kunnen wij u bevestigen dat onze cliënte ons heeft meegedeeld dat zij geen Cassatie wenst aan te tekenen tegen het in referte vermelde arrest en dat zij dus wenst te berusten in dit arrest.

Mogen wij u dan ook vriendelijk verzoeken het arrest niet te laten betekenen".

Gelet op deze berusting werd het bestreden arrest door verweerder niet betekend en werd eiseres, conform het beschikkend gedeelte van het bestreden arrest, bij aangetekend schrijven van 8 maart 2010, een ontheffing verleend voor het aanslagjaar 2001 (bijlage 2).

Voormeld schrijven van 25 februari ll., alsook het stilzitten van eiseres gedurende vijf jaar, duidt ondubbelzinnig op de vaste wil van eiseres om afstand te doen van haar recht om cassatieberoep in te stellen.

Huidige voorziening wordt kennelijk door eiseres ingesteld louter opdat zij toepassing zou kunnen maken van artikel 30 van de Programmawet van 19 december 2014 waarbij het tarief van de afzonderlijke aanslag geheime commissielonen wordt verlaagd van 300% naar 100%.

Artikel 40 van de Programmawet bepaalt immers dat de artikelen 28 tot 39 in werking treden de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgische Staatsblad (29.12.2014) en van toepassing zijn op "alle geschillen die nog niet definitief zijn afgesloten op de datum van deze inwerkingtreding".

Onderhavig geschil werd ingevolge de berusting door eiseres reeds definitief afgesloten zodat artikel 30 van de Programmawet van 19 december 2014 in geen geval toepassing kan vinden.

Berusting in een rechterlijke beslissing is een onherroepelijke daad (FETTWEIS, A., FETTWEIS, A., Manuel de procédure civile, Luik, 1985, 473, nr. 700).

De voorziening is niet ontvankelijk."

3. Een betwisting inzake de belastingwet raakt de openbare orde.

De bepalingen die de invordering van belastingen betreffen, raken de openbare orde(1). Het valt niet te betwisten dat ook de fiscale bepaling van art. 219 WIB 1992, die in voorliggende zaak in het geding is, de openbare orde raakt.

4. Zo oordeelde Uw Hof in een arrest van 14 januari 2011(2) dat "de bepalingen inzake btw en douane en accijnzen de openbare orde raken, zodat de partijen niet kunnen berusten in een beslissing die toepassing maakt van die bepalingen".

Vanuit dezelfde optiek oordeelde Uw Hof in een arrest van 19 september 2013(3) dat "de belastingwet de openbare orde raakt. Hieruit volgt dat de eiser niet rechtsgeldig kon berusten in de bestreden beslissing die (...) het goedgekeurd belastingreglement, waarbij voor de dienstjaren (...) een belasting werd gevestigd op het in huur geven van kamers in logiesverstrekkende bedrijven, onwettig verklaart en de op basis van dat reglement gevestigde aanslagen vernietigt."

Op het eerste gezicht lijken deze precedenten een ruime formulering te hanteren: men zou hieruit kunnen afleiden dat de partijen in het algemeen niet kunnen berusten in een beslissing die betrekking heeft op bepalingen inzake de invordering van belastingen nu die bepalingen van openbare orde zijn.

5. Uit de rechtspraak van Uw Hof blijkt evenwel dat het verbod van berusting in fiscale aangelegenheden, die van openbare orde zijn, dient genuanceerd te worden. Zo oordeelde Uw Hof in een arrest van 25 april 2002 (P&B 2002, 111) dat "de wetgeving die de wezenlijke belangen van de Staat of van de gemeenschap betreft of die, in het privaatrecht de juridische grondslagen vastlegt waarop de economische of morele orde berust, van openbare orde is; dat een betwisting over de invordering van de belasting over de toegevoegde waarde de openbare orde raakt; overwegende dat de berusting in een vonnis dat een lastens de belastingplichtige ingestelde vordering inwilligt evenwel de wezenlijke belangen van de Staat of van de gemeenschap niet bedreigt en derhalve de openbare orde niet verstoort."

Waar het Hof aanneemt aan dat het belastingrecht de openbare orde raakt, maakt het evenwel een duidelijk onderscheid: waar de Staat niet kan berusten in een vonnis dat zijn vordering tegen de belastingplichtige verwerpt (zulke berusting zou de belangen van de gemeenschap namelijk raken), kan de belastingplichtige wel berusten in een vonnis dat de vordering van de Staat tegen hem inwilligt (deze berusting verstoort de belangen van de gemeenschap immers niet)(4).

In de casus waarover Uw Hof in die zin uitspraak deed, werd de vordering van de Staat tot betaling van achterstallige BTW ingewilligd (en het verzet tegen het dwangbevel door de belastingplichtige verworpen), zodat de appelrechters wettig konden oordelen dat de belastingplichtige stilzwijgend had berust in het beroepen vonnis.

6. Vanuit deze invalshoek was de berusting in de voormelde zaken waarin Uw Hof uitspraak deed op14 januari 2011 en 19 september 2013 nietig, aangezien de belastingheffende overheid in deze zaken telkens berustte in een beslissing die haar vordering tegen de belastingplichtige had verworpen(5).

Een berusting door de in het ongelijk gestelde belastingheffende overheid zou de openbare orde verstoren.

7. In de voorliggende zaak, is het echter de belastingplichtige die (stilzwijgend) heeft berust in een beslissing die een vordering van de Staat tegen de belastingplichtige heeft ingewilligd (nl. de vestiging van bijzondere aanslagen wegens geheime commissielonen op de bedragen die door eiseres werden gestort op de rekening van de heer E. zonder dat fiches werden opgesteld).

De berusting in een beslissing die een vordering inwilligt die de Staat heeft ingesteld ten laste van de belastingplichtige, bedreigt de wezenlijke belangen van de Staat of van de gemeenschap evenwel niet, zodat zij de openbare orde niet verstoort.

In de gegeven omstandigheden kon eiseres aldus rechtsgeldig berusten in de bestreden beslissing, nu deze beslissing de vordering van de Staat ten laste van de eiseres heeft ingewilligd, zonder hierdoor de openbare orde te verstoren.

8. Ik kan terzake tevens verwijzen naar volgende passus uit mijn gepubliceerde conclusie bij het arrest van Uw Hof van 25 april 2002(6):

"Krachtens de gevestigde rechtsleer(7), en de vaststaande rechtspraak van Uw Hof(8), is berusting onmogelijk in zaken die de openbare orde aanbelangen, te weten wetsbepalingen "die de essentiële belangen van de Staat of van de gemeenschap raken of die, in het privaatrecht, de juridische grondslagen vastleggen waarop de economische (politieke, sociale) of morele orde van de maatschappij rust"(9).

Toch is enige nuance geboden, nu niet het recht op hoger beroep in se de openbare orde raakt -en dus in beginsel mag worden prijsgegeven-, maar de afstand ervan slechts toegelaten is als het materieel recht waarop het geschil betrekking heeft mag worden vrijgegeven(10).

Zoals voormeld, impliceert berusting een afstand (van verdere rechtsvordering(11)) die het recht teniet doet om verder anders te handelen met betrekking tot de aanspraak die voor de eerste rechter is gebracht.

Welnu, enkel wanneer de bescherming van dit recht de openbare orde raakt, is berusting verboden.

In die optiek kan men bezwaarlijk berusten in een vonnis dat de echtscheiding uitspreekt(12), de ontkenning van vaderschap inwilligt of een faillissement uitspreekt, doch wel in een vonnis dat de echtscheidingsvordering afwijst(13).

Waar ook het belastingrecht de openbare orde raakt(14), kan men -in diezelfde optiek- bezwaarlijk berusten in een vonnis dat de lastens de belastingplichtige ingestelde vordering afwijst, doch wel in een vonnis dat -zoals te dezen- de lastens de belastingplichtige ingestelde vordering inwilligt.

Bepaalde auteurs gaan nog verder waar zij voorhouden dat het steeds mogelijk is te berusten in een vonnis, ook raakt de aan dit vonnis ten grondslag liggende zaak de openbare orde, nu men, door te berusten (evenals door het laten verstrijken van de termijn om een rechtsmiddel aan te wenden), enkel ten volle het gezag van gewijsde van de beslissing van de eerste rechter respecteert. De aan de openbare orde rakende zaak weerspiegelt hierbij geenszins de enkele wil der partijen, doch is veeleer "l'œuvre de justice"(15)."

9. Luidens art. 1044 Ger.W. is ‘berusten in een beslissing' afstand doen van de rechtsmiddelen die een partij tegen alle of sommige punten van die beslissing kan aanwenden of reeds heeft aangewend(16).

Toegepast inzake cassatieberoep betreft berusting een persoonlijke, eenzijdige(17) en onherroepelijke rechtshandeling, houdende de afstand van het recht op cassatieberoep in se(18). Het is een daad van beschikking, waarbij men het rechtsmiddel van cassatieberoep zelf prijsgeeft. Deze afstand (van verdere rechtsvordering) doet het recht teniet om verder (anders) te handelen met betrekking tot de aanspraak die voor de feiten- rechter is gebracht(19).

Krachtens art. 1045, eerste lid Ger.W. kan een dergelijke berusting uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn, waarna het derde lid preciseert dat "de stilzwijgende berusting alleen (kan) worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing".

De stilzwijgende berusting door een partij in een gewezen rechterlijke beslissing kan derhalve enkel worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende handelingen of feiten, waaruit blijkt dat die partij het vaste en ondubbelzinnige voornemen heeft haar instemming te betuigen met die beslissing(20).

Hoewel de appelrechter deze handelingen of feiten op een in cassatie onaantastbare wijze vaststelt, gaat het Hof van Cassatie na of de feitenrechter op grond van die vaststellingen wettelijk tot een stilzwijgende berusting heeft kunnen besluiten(21).

Nu de afstand van een recht strikt moet worden uitgelegd en slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn, is de rechtspraak moeilijk te vinden voor een stilzwijgende berusting(22).

10. Het Hof heeft in het verleden geoordeeld dat een brief waarin de raadsman van de eiser officieel aan de raadsman van de verweerder laat weten dat de eiser wenst te berusten in de bestreden beslissing, niet volstaat om een berusting uit af te leiden in de zin van art. 1045 Ger.W. Het Hof oordeelde dat "noch uit dit schrijven noch uit enig ander aan het Hof voorgelegd element blijkt dat de eisers een bijzondere volmacht aan hun raadsman hadden toegekend om in het arrest te berusten(23).

Deze arresten hadden echter betrekking op artikel 1045, tweede lid, Ger.W. inzake de uitdrukkelijke berusting, waarvoor de raadsman van de berustende partij een bijzondere volmacht moet kunnen voorleggen. De voorliggende zaak betreft daarentegen artikel 1045, derde lid, Ger.W. inzake de stilzwijgende berusting, die aan geen enkele vormvereiste onderworpen wordt(24).

In dit kader kan het officieel schrijven van 25 februari 2010 van de raadsman van de eiseres (die niet de bijzondere volmacht had, vereist voor de toepassing van art. 1045, tweede lid, Ger.W.) wel als één van de overeenstemmende elementen worden beschouwd waaruit het vaste voornemen van de eiseres blijkt om in te stemmen met het bestreden arrest (art. 1045, derde lid, Ger.W.).

11. Uw Hof oordeelde weliswaar dat de spontane tenuitvoerlegging door de veroordeelde partij van een uitvoerbare beslissing niet noodzakelijk een berusting inhoudt in het beschikkend gedeelte van het arrest, indien niet blijkt dat deze partij de zekere en vaste wil had om te berusten in het bestreden arrest(25).
In de voorliggende zaak heeft de administratie het beschikkend gedeelte van de bestreden beslissing echter uitgevoerd ten gevolge van de brief van 25 januari 2010, waarin de raadsman van de eiseres aan de raadsman van de verweerder had laten weten dat de eiseres geen cassatieberoep wenste in te stellen tegen het bestreden arrest en de verweerder dit arrest niet moest laten betekenen.

Ten gevolge van deze uitvoering heeft de eiseres de teveel betaalde belastingen teruggekregen (bevestiging bij aangetekend schrijven van 8 maart 2010).

Door vervolgens vijf jaar stil te zitten, nadat de uitvoering van het bestreden arrest werd afgerond, heeft de eiseres m.i. impliciet maar zeker berust in het beschikkend gedeelte van dit arrest en in de uitvoering ervan.

De door verweerder opgeworpen grond van onontvankelijkheid van het cassatieberoep dient m.i. dan ook te worden aangenomen.

Besluit: VERWERPING.
_________________________
(1) Cass. 25 juni 1999, AR C.96.0282.N, AC 1999, nr. 396.
(2) AR F.09.0122.N, AC 2011, nr. 39, met concl. OM.
(3) AR F.12.0171.N, AC 2013, nr. 466.
(4) Zie S. MOSSELMANS, "Stilzwijgende berusting en openbare orde" (noot onder Cass. 25 april 2002), P&B 2002, 115; M. BAETENS-SPETSCHINSKY, "De nietigheid van een berusting in een beslissing gegrond op een bepaling van openbare orde" (noot onder Cass. 11 januari 2008), RABG 2008, 685.
(5) Arrest van 14 januari 2011: afwijzing van een vordering van de Staat tot heffing van BTW bij invoer; arrest van 19 september 2013: vernietiging van een door de stad Gent gevestigde aanslag op het in huur geven van kamers in logiesverstrekkende bedrijven, in uitvoering van een ongeldig belastingreglement.
(6) AR C.00.0373.N
(7) De bedoelde beperking is immers niet in het Ger.W. -evenmin voordien- terug te vinden (zie terzake: A. LE PAIGE, Rechtsmiddelen, in Handboek voor gerechtelijk recht, IV, Antwerpen, Standaard, 1973, p. 4, nr. 7; A. FETTWEIS, l.c., p. 474-475, nr. 702; E. GUTT en A.M. STRANART-THILLY, "Examen de jurisprudence (1965-1970) - Droit judiciaire privé", RCJB 1974, p. 573-574, nr. 97; RPDB, v° Appel en matière civile, sociale et commerciale, Complément VI, Brussel, Larcier, 1983, p. 35-36, nrs. 145-154; J. VAN COMPERNOLLE, "Examen de jurispudence (1971-1985) : Droit judiciaire privé - Les voies de recours", RCJB 1987, p. 118-119, nr. 4).
(8) Cass. 28 januari 1957, Arr. Verbr. 1957, 398; Cass. 11 december 1958, Arr. Verbr. 1959, 322; Cass. 12 juni 1959, Arr. Verbr. 1959, 836; Cass. 2 februari 1967, AC 1967, 678; Cass. 9 april 1975, AC. 1975, 861; Cass. 10 november 1977, AC 1978, 303 (afstand van rechtsvordering); Cass. 26 september 1980, AC. 1980-81, 94; Cass. 19 oktober 1987, AC 1987-88, 202; Cass. 17 oktober 1988, AC 1988-89, 183; Cass. 7 april 1994, AC 1994, 349 (afstand van rechtsvordering); Cass. 28 januari 1999, RW 1999-2000, 918.
(9) Cass. 9 december 1948, Arr. Verbr. 1948, 615; W. VAN GERVEN, Verbintenissenrecht, I, Leuven, Acco, 2000, 25-26 en 30.
(10) K. BROECKX, o.c., p. 326-327, nr. 727.
(11) B. VANLERBERGHE, "Berusting en afstand inzake echtscheiding op grond van bepaalde feiten", E.J. 1999, p. 78, nr. 18, die de berusting als afstand van een rechtsmiddel duidelijk onderscheidt van de afstand van een rechtsvordering, nu -i.g.v. berusting- de eerste rechter reeds over de rechtsvordering heeft beslist en men, door te berusten, enkel ten volle het gezag van gewijsde van de beslissing van de eerste rechter respecteert.
(12) Cass. 26 september 1980, AC 1980-81, 94.
(13) Cass. 12 januari 1956, Arr. Verbr. 1956, 361 (afstand van hoger beroep); contra: A. PIERARD, Divorce et séparation de corps, Brussel, Bruylant, 1928, 74-75.
(14) Cass. 17 juni 1946, Pas. 1946, I, 241; Cass. 25 juni 1999, Bull. 1999, 396; J. VAN HOUTTE, Beginselen van het Belgisch belastingrecht, Gent-Leuven, Story-Scientia, 1979, p. 38, nr. 39.
(15) Zie terzake: G. HORSMANS en J. VAN COMPERNOLLE, "L'acquiescement et le désistement en matière de divorce et de séparation de corps", J.T. 1964, 458, zoals beaamd door B. VANLERBERGHE, l.c., p. 78, nrs. 17-18, volgens wie het steeds mogelijk is te berusten in een vonnis inzake echtscheiding, ongeacht of de eis tot echtscheiding ongegrond, dan wel gegrond is verklaard, nu de echtscheiding, ook na berusting, niet de enkele wil der partijen is, doch "l'œuvre de justice".
(16) Cass. 19 juni 1989, AC 1988-89, 1254.
(17) Anders dan de afstand van het geding (in hoger beroep), die -zodra de gedaagde partij (in hoger beroep) ten gronde heeft geconcludeerd- (door de geïntimeerde) moet worden aanvaard, moet de berusting niet worden aanvaard.
(18) Wat het recht op hoger beroep betreft, zie K. BROECKX, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu, 1995, p. 324, nrs. 722-723; A. FETTWEIS, Manuel de procédure civile, Luik, Faculté de droit, d'economie et de sciences sociales de Liège, 1985, p. 473-474, nrs. 698-701.
(19) Art. 821, 2de lid Ger.W.; K. BROECKX, o.c., p. 329-330, nrs. 732-734.
(20) Cass. 15 april 1982, AC 1981-82, 993; Cass. 23 april 1982, AC 1981-82, 1024; Cass. 24 juni 1982, AC 1981-82, 1341; Cass. 26 januari 1984, AC 1983-84, 620; Cass. 19 juni 1989, AC 1988-89, 1254; Cass. 26 oktober 1989, AC 1989-90, 284; Cass. 2 juni 1994, AC 1994, 569.
(21) Cass. 19 juni 1989, AC 1988-89, 1254; Cass. 2 juni 1994, AC 1994, 569.
(22) Zie inzonderheid de rechtspraak geciteerd in voetnoot 9 van mijn gepubliceerde concl. bij Cass. 25 april 2002, AR C.00.0373.N, AC 2002, nr. 252.
(23) Cass. 5 september 1974, AC 1974, 19; Cass. 13 maart 1978, AC 1978, 824.
(24) A. FETTWEIS, Manuel de procédure civile, Luik, Faculté de droit, 1987, nr. 703; J. LAENENS e.a., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2008, nr. 1399.
(25) Cass. 20 juni 1974, AC 1974, 1162; Cass. 13 maart 1978, AC 1978, 824; Cass. 22 oktober 1982, AC 1982, 279; Cass. 26 maart 1984, AC 1984, 975.
 

Noot: 

Vanhove, J., « Kan in een fiscaalrechtelijke uitspraak rechtsgeldig worden berust? », R.A.B.G., 2016/19, p. 1383-1386

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 15/07/2017 - 09:41
Laatst aangepast op: za, 15/07/2017 - 09:41

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.