-A +A

Bewarend scheepsbeslag definitie zeevordering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 30/06/2016
A.R.: 
CC.16.0061.N

Krachtens artikel 1468 Gerechtelijk Wetboek kan het verzoek om beslag op een zeeschip slechts worden toegestaan om een zeevordering te waarborgen; volgens littera k) van deze bepaling worden als zeevordering onder meer beschouwd de vorderingen die voortvloeien uit de leveranties, waar ook, van waren of materiaal aan een schip voor het beheer of het onderhoud ervan; een zeevordering voor leveranties aan het schip moet steunen op een verbintenis aangegaan door de bevrachter of de scheepseigenaar of die hen kan worden toegerekend krachtens de vertrouwensleer.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/17-18
Pagina: 
1344
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(T.E. NV / PTR Gmbh en Deutsche Bank - Rolnr.: C.16.0061.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 26 oktober 2015.

Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. Cassatiemiddel
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. Beslissing van het Hof
Beoordeling
1. Volgens artikel 1467, eerste lid Gerechtelijk Wetboek, kan de rechter toestaan dat bewarend beslag wordt gelegd op zeeschepen en binnenschepen die zich in het rechtsgebied van de rechtbank bevinden.

2. Krachtens artikel 1468 Gerechtelijk Wetboek kan het verzoek om beslag op een zeeschip slechts worden toegestaan om een zeevordering te waarborgen. Volgens littera k) van deze bepaling worden als zeevordering onder meer beschouwd de vorderingen die voortvloeien uit de leveranties, waar ook, van waren of materiaal aan een schip voor het beheer of het onderhoud ervan.

Een zeevordering voor leveranties aan het schip moet steunen op een verbintenis aangegaan door de bevrachter of de scheepseigenaar of die hen kan worden toegerekend krachtens de vertrouwensleer.

3. De appelrechters stellen vast dat:

de verweerster de eigenaar is van het ms ANNETTE ESSBERGER;
de verweerster via haar scheepsagent bunkers bestelde voor haar schip bij de vennootschap OW B.G.;
tussen de verweerster en OW B.G. een koopovereenkomst tot stand kwam;
OW B.G., een Duitse vennootschap, het order heeft doorgegeven aan OW B. (Rotterdam), een Nederlandse vennootschap, die op haar beurt de bunkers heeft besteld bij de eiseres;
de eiseres een orderbevestiging stuurde aan OW B. (Rotterdam) en daarin de OW B. (Rotterdam) “uitdrukkelijk […] beschouwde als 'koper'”;
de bunkers werden geleverd aan boord van het schip op 9 oktober 2014 tegen aflevering van een ontvangstbewijs “bunker delivery receipt”;
OW B.G. een factuur zendt aan de verweerster die op 22 oktober 2014 wordt voldaan;
de eiseres op 10 oktober 2014 een factuur zendt naar OW B. (Rotterdam) die onbetaald blijft;
deze factuur als bestemmeling vermeldt: “mv. ANNETTE ESSBERGER and/or owners/charters/OW B. Rotterdam BV” (in vrije vertaling: “ms. ANNETTE ESSBERGER en/of eigenaar/bevrachters/OW B. Rotterdam BV”);
OW B. (Rotterdam) op 21 november 2014 failliet wordt verklaard;
de eiseres op 11 december 2014 een verzoekschrift neerlegt tot het leggen van bewarend beslag op het ms ANNETTE ESSBERGER;
de eiseres krachtens een beschikking van de Antwerpse beslagrechter van 11 december 2014 dezelfde dag bewarend beslag heeft gelegd op het ms ANNETTE ESSBERGER, eigendom van de verweerster.
4. De appelrechters die vervolgens oordelen dat uit de orderbevestiging en de facturatie blijkt dat de eiseres uitsluitend OW B. (Rotterdam) als haar medecontractant beschouwde en dat het loutere feit van de fysieke levering aan boord van het ms ANNETTE ESSBERGER onvoldoende is voor het aannemen van een zeevordering als bedoeld in artikel 1468, k) Gerechtelijk Wetboek en op die gronden de beschikking van 11 december 2014 tot het leggen van het bewarend beslag intrekken, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1.065,49 EUR.

 

Conclusie van advocaat-generaal André Van Ingelgem

1. Het derdenverzet van verweerster tegen de machtiging tot bewarend beslag op haar zeeschip door eiseres, wordt door het bestreden arrest gegrond verklaard, en de intrekking en opheffing ervan worden bevolen.

2. Bewarend beslag op een zeeschip is enkel mogelijk wanneer de schudeiser over een zeevordering beschikt.

3. Als dusdanig houdt artikel 1468 Ger.W. een specifiek - van artikel 1413 afwijkend - stelsel in waar het bepaalt welke de zeeschulden zijn die wettelijk tot bewarend beslag op een zeeschip aanleiding kunnen geven.

4. Wanneer het verzoek om beslag een zeeschip betreft, kan het volgens deze bepaling slechts worden toegestaan om een zeevordering te waarborgen. Deze vorderingen worden limitatief opgesomd in artikel 1468 Ger.W. en betreffen o.m. (cf. littera k) leveranties, waar ook, van waren of materiaal aan een schip voor het beheer of het onderhoud ervan.

5. In zoverre de schuldvordering moet steunen op een verbintenis die aan de bevrachter en/of de eigenaar is toe te rekenen, kan deze toerekening van de gebondenheid aan het schip, volgens de rechtsteer en rechtspraak (E. Dirix en K. Broeckx, Beslag, APR, 2010, nr. 489) ook gebeuren op grond van de vertrouwensleer, bv. wanneer deze leveringen werden besteld via tussenpersonen en de leverancier erop mocht vertrouwen dat deze bestelling voor rekening van het schip gebeurde.

6. De vraag is dus of de leverancier (in casu eiseres) - die niet altijd precies weet wie de opdrachtgever is, maar ervan uitgaat dat de bestelling met het fiat van de scheepsleiding gebeurt - erop mocht vertrouwen met “het schip” als dusdanig te doen te hebben, dan wel met een (onafhankelijk) tussenpersoon van wie het insolvabiliteitsrisico dient gedragen te worden.

7. Waar overeenkomstig de verschillende onderdelen van artikel 1469 Ger.W. (steeds en o.m.) beslag kan worden gelegd op het schip waarop de zeevordering betrekking heeft, onverschillig of de eigenaar of een andere persoon instaat voor de zeeschuld in de zin van artikel 1468 Ger.W. (cf. Cass. 1 oktober 1993, Arr.Cass. 1993, nr. 391), en het middel steunt op het principe dat het beslag mogelijk is “onverschillig of de eigenaar schuldeiser is”, is die regel inderdaad juist, maar neemt dit m.i. niet weg dat er in die context wel degelijk dient gekeken te worden naar iemand die “het schip” verbindt of de schijn wekt namens het schip op te treden.

8. In het bestreden arrest stellen de appelrechters vast dat verweerster, als scheepseigenaar, bewijst dat zij de bunkers betaald heeft aan hun medecontractant (O.W. B.G.), die haar voor de levering ervan ook onmiddellijk een factuur heeft verzonden, waaraan door verweerster werd voldaan. Zij stellen verder vast dat eiseres een orderbevestiging verzond om O.W. B. Rotterdam (die deze bunkers op haar beurt bij eiseres had doorbesteld) waarin uitdrukkelijk vermeld werd dat zij deze als koper beschouwde.

9. Daar het aan de beslagrechter toekomt om de oordelen of het bestaan van de zeevordering voldoende zeker en aannemelijk is en of de beslagrechter wel degelijk over een invordering lastens de eigenaar en/of de bevrachter van het zeeschip waarop de levering betrekking heeft, beschikt, komt het mij in deze voor dat - door op voormelde basis te oordelen dat eiseres O.W. B. Rotterdam uitsluitend als haar medecontractant beschouwde en het loutere feit van de fysieke levering aan boord daaraan geen afbreuk kon doen, zodat een en ander niet kon worden beschouwd als een onbeperkt, onverminderd en/of onaangetast recht op een zeevordering - de appelrechters hun beslissing naar recht verantwoorden, en dat het middel derhalve niet kan worden aangenomen.

10. Ik concludeer tot VERWERPING.

 

Noot: 

Van Schel, S., « Bewarend beslag op zeeschepen: naar een nuancering van de beruchte Omala-doctrine? », R.A.B.G., 2016/17-18, p. 1338-1344

E. Dirix en K. Broeckx, Algemene Praktische Rechtsverzameling, Beslag, 336, nr.489.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 14/07/2017 - 09:29
Laatst aangepast op: vr, 14/07/2017 - 09:29

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.