-A +A

Bewijs van pachtcontract vereiste van betaling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Herzele
Datum van de uitspraak: 
woe, 27/02/2013

Essentiële voorwaarden voor het bestaan van een pachtcontract:

een tijdelijke terbeschikkingstelling van een landeigendom met het oog op een landbouwexploitatie en de betaling van een bepaalde prijs.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2012-2013
Pagina: 
1475
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

H. De N. t/ H.C.

I. Feiten en vorderingen

De verweerder gebruikt landbouwgronden van de eiser gelegen te Sint-Lievens-Houtem, Bavegem, “Moortel” gekend ten kadaster (...), met een oppervlakte van respectievelijk 1 ha 11 a en 80 a.

Volgens de eiser werden deze goederen louter in gebruik gegeven. Bij aangetekende brief van 9 juli 2012 maakte hij een einde aan dit gebruik en verzocht hij de verweerder de gronden uiterlijk op 10 augustus 2012 te zijner algehele en vrije beschikking te stellen.

De verweerder voert aan deze gronden te pachten.

Bij dagvaarding van 10 september 2012 vordert de eiser de algehele en vrije terbeschikkingstelling van deze gronden binnen acht dagen na de betekening van het te vellen vonnis, op straffe van uitdrijving op kosten van de verweerder en met veroordeling van de verweerder tot de betaling van een dwangsom van 100 euro per dag in gebreke blijven van ontruiming. Tevens vordert hij voorbehoud tot het vorderen van een bezettingsvergoeding met ingang van 10 augustus 2012 tot de datum van ontruiming.

In zijn conclusie vordert hij de verweerder te horen zeggen voor recht dat het louter gebruik dat hij heeft van de voormelde gronden wordt en is beëindigd.

...

II. Beoordeling

...

De verweerder argumenteert pachter te zijn en inzonderheid dat hij samen met zijn partner A.S. een landbouwbedrijf in eigen naam heeft met als activiteit het kweken van runderen, schapen, geiten en paarden. De betrokken gronden worden in het raam van dit landbouwbedrijf aangewend.

Het behoort aan de verweerder om het bewijs te leveren van de door hem beweerde pacht.

Indien een bezetter/gebruiker van een perceel grond beweert een pachtrecht te hebben, moet hij dit recht omschrijven en bewijzen; de loutere aanwezigheid op de grond, zelfs bij betaling van enige vergoeding, impliceert uit zichzelf geen pacht (Vred. Sint-Truiden 24 november 1998, Huur 2000, 225).

Het feitelijk gebruik van een landeigendom, zelfs ongeacht de lange duur, creëert geen vermoeden van huur (F. Logghe, “Bewijs in pachtzaken. Bruiklening en bezetting ter bede als alternatief voor pacht”, T.Not. 2001, 4).

Het bewijs van de pachtovereenkomst wordt geregeld in art. 3 Pachtwet, dat een overzicht geeft van de beschikbare bewijsmiddelen. Dit artikel bepaalt in het tweede lid dat bij ontstentenis van een geschrift in de zin van het eerste lid – wat zich te dezen voordoet – degene die een landeigendom exploiteert het bewijs kan leveren van het bestaan van een pacht en van de pachtvoorwaarden door alle middelen van recht, met inbegrip van getuigen en vermoedens.

Opdat de beweerde pachter aanspraak zou kunnen maken op deze bijzondere bewijsmogelijkheid dient hij vooraf het bewijs te leveren dat hij een landeigendom exploiteert (Cass. 29 oktober 2010, RW 2011-12, 1121, noot B. Van Den Bergh, “Het afwijkend bewijsrecht inzake pacht en het bewijs tegen de inhoud van de overeenkomst”); doordat deze exploitatie het bewijs van feiten uitmaakt, mag zij eveneens worden bewezen met getuigen en vermoedens.

Het bewijs van het feit van exploitatie is echter niet dienstig wanneer ab initio vaststaat dat geen pacht bestaan heeft of het bewijs van dit bestaan niet geleverd is (Vred. Kortrijk, (2e kanton) 22 juni 2004, TBBR 2012, 225).

Voor het bestaan van een pachtrecht dient aan twee essentiële voorwaarden voldaan te zijn: een tijdelijke terbeschikkingstelling van een landeigendom met het oog op een landbouwexploitatie en de betaling van een bepaalde prijs.

Overeenkomstig art. 1709 BW behoort het vastleggen van een pachtprijs tot de essentie van de pachtovereenkomst; de exploitant van een landeigendom die geen pacht betaalt of geen bewijs van betaling kan voorleggen, kan geen beroep doen op de wettelijke bescherming (G. Benoit, R. Gotzen en G. Rommel, De landpacht, Brugge, die Keure, 2010, p. 144, nrs. 7 en 8).

De verweerder concludeert dat de eiser niet betwist dat vergoedingen werden betaald.

Deze conclusie berust echter duidelijk op een verkeerde lezing van zowel de dagvaarding (“De betrokken goederen werden in louter gebruik gegeven aan hiernagedaagde”) als van de conclusie (p. 1.1 in fine) van de eiser: “De betrokken goederen werden in louter gebruik – kosteloos gebruik – gegeven aan verweerder”.

Daar de eiser de betaling door de verweerder van een pachtprijs betwist en de verweerder op geen enkele wijze bewijst of aanbiedt te bewijzen een vergoeding hetzij in geld hetzij in natura voor het gebruik van de gronden aan de eiser betaald te hebben, volstaat deze vaststelling op zich reeds om aan te nemen dat hij niet het bewijs levert van het bestaan van een pachtovereenkomst.

Bovendien zijn de door de verweerder voorgebrachte stukken volstrekt onvoldoende om gewag te kunnen maken van de exploitatie van de landeigendom in de zin van een landbouwbedrijf overeenkomstig art. 1, eerste lid, 1o Pachtwet, namelijk de bedrijfsmatige exploitatie van onroerende goederen met het oog op het voortbrengen van landbouwproducten die in hoofdzaak bestemd zijn voor de verkoop.

De verweerder vermag bijgevolg hoe dan ook niet het bewijs van de beweerde pacht te leveren overeenkomstig art. 3, tweede lid Pachtwet.

De stukken hebben betrekking op voormelde niet in zake zijnde A.S. en derhalve niet op de verweerder zelf.

De eiser voert aan geen rechtsverhouding met deze dame te hebben en haar zelfs niet te kennen. Indien dit van belang kon zijn ter ondersteuning van de aanspraak op pachtrechten van deze verweerder, dan stond niets A.S. in de weg om in de betwisting vrijwillig tussen te komen, quod echter non.

De stukken inzake het kweken van runderen waarop de verweerder als verantwoordelijke wordt aangeduid tonen evenmin de voormelde bedrijfsmatige exploitatie aan met het oog op het voortbrengen van landbouwproducten.

Voor zover de verweerder hiermee wil aantonen veekweker te zijn, beoogt hij door deze activiteit de verkoop van vee en brengt hij in de regel geen landbouwproducten voort.

De verweerder toont bovendien niet aan dat de beweerde veeteelt hoofdzakelijk kadert in een landbouwbedrijf zoals bedoeld door de Pachtwet. De klemtoon ligt niet op de veeteelt als hoofdzakelijke landbouwactiviteit maar op de handel. Een dergelijke ondergeschikte activiteit is geen landbouwactiviteit (zie ook: Vred. Zomergem 19 november 2010, T. Huur. 2012, 85).

De Pachtwet is ingevolge art. 1, 1o van toepassing op de pacht van onroerende goederen die hoofdzakelijk worden gebruikt in het landbouwbedrijf van de (beweerde) pachter. Aangezien een hoofdzakelijk gebruik vereist is, geldt de Pachtwet niet voor een gebruik van het landbouwgoed dat ondergeschikt is aan het bedrijf van de (beweerde) exploitant dat zelf geen landbouwuitbating uitmaakt. Bijgevolg is de Pachtwet niet van toepassing wanneer een veekoopman weiden huurt die hij gebruikt voor veeteelt maar waarbij deze veeteelt ondergeschikt is aan de veehandel (Cass. 22 april 2004, NJW 2004, 1385).

Te dezen levert de verweerder zelfs niet het bewijs van de exploitatie van een daadwerkelijke economisch gerichte veehandel.

De hoofdvordering is derhalve toelaatbaar en gegrond. De verweerder dient bijgevolg de litigieuze gronden te verlaten en ter vrije wil en volledige beschikking van de eiser te stellen binnen veertien kalenderdagen volgend op de betekening van dit vonnis. Bij gebreke hieraan vrijwillig te voldoen door de verweerder binnen deze termijn wordt hem een dwangsom opgelegd van 75 euro per dag ingaande op de vijftiende dag na deze betekening tot en met de datum waarop de gronden aan de eiser volledig zullen zijn gerestitueerd en met een maximum van 2.250 euro (dertig dagen).

De eiser wordt eveneens gemachtigd tot de uitdrijving van de verweerder te laten overgaan bij gebreke van vrijwillige verlating van de gronden door de verweerder binnen de voormelde termijn van veertien kalenderdagen. Voor zover de uitdrijving geschiedt binnen de termijn waarvoor de dwangsom werd verbeurd, is deze dwangsom slechts verschuldigd tot en met de datum van uitdrijving.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 05/05/2013 - 10:49
Laatst aangepast op: zo, 05/05/2013 - 10:49

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.