-A +A

Bij tegenopzeg eindigt huur door deze tegenopzeg van de huurder en niet door een verkorting van de opzeg van de verhuurder

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 22/06/1998
A.R.: 
C970355N

Wanneer de huurder een einde maakt aan de huurovereenkomst door een opzegging waarvan de termijn verstrijkt voor het verstrijken van de termijn van de opzegging door de verhuurder, eindigt de huurovereenkomst niet door een verkorting van de termijn van de opzegging van de verhuurder, maar door de opzegging door de huurder, waardoor deze laatste zijn recht op een vergoeding verliest.

De verwijzing naar een wetsbepaling zonder verdere vermeldingen, verwijst naar de wetsbepaling zoals zij is gewijzigd; wanneer de wetswijziging ondermeer daarin bestaat dat een nieuwe paragraaf aan een reeds bestaand artikel wordt toegevoegd en wanneer de toevoeging de oplossing van het geschil niet kan beïnvloeden, dient de nieuwe paragraaf niet in het middel te worden aangeduid.

Publicatie
tijdschrift: 
Juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

HET HOF,

Gelet op het bestreden vonnis, op 26 juni 1997 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen;

Gelet op de beschikking van de eerste voorzitter van 9 maart 1998 waarbij de zaak naar de derde kamer wordt verwezen;

Over het middel, gesteld als volgt : schending van artikel 3, § 2, eerste, derde en vierde lid, van afdeling 2, hoofdstuk II, titel VIII, boek III, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 2 van de Woninghuurwet van 20 februari 1991,
doordat de rechtbank van eerste aanleg eisers veroordeelt tot betaling aan verweerders van een schadevergoeding van 465.696 frank, o.m. op grond: " ... dat (eisers) een schadevergoeding van 18 maanden huur verschuldigd zijn aan verweerders; ... (...) dat (eisers) thans opwerpen dat door het geven van een tegenopzeg zij (verweerders) zelf een einde aan de huur stelden, zodat de sanctie bij toepassing van artikel 3, § 2, BW niet van toepassing kan zijn; dat deze redenering faalt; dat immers, gelet op de opzeg door (eisers), (verweerders) niet anders konden dan het gehuurde pand te verlaten; dat het niet meer dan normaal is dat zij onmiddellijk overgaan tot het zoeken van een andere woongelegenheid; dat het feit dat zij een geschikte woongelegenheid vinden, die evenwel vlugger vrijkomt dan het einde van hun huur, niet betekent dat zij zelf een einde stelden aan de huurovereenkomst, nu deze tegenopzeg bovendien enkel het gevolg is van de door (eisers) gegeven opzeg; dat het geven van een tegenopzeg enkel van invloed kan zijn op het beginpunt van de termijn van één jaar binnen dewelke de verhuurder het goed zelf dient te betrekken, vermits deze termijn begint te lopen vanaf het moment van teruggave van het gehuurde goed;"
terwijl krachtens voormeld artikel 3, § 2, vierde lid, de huurder slechts recht heeft op een vergoeding gelijk aan achttien maanden huur, indien het de verhuurder is die, overeenkomstig het eerste lid van die wetsbepaling, de huurovereenkomst heeft beëindigd en indien deze, zonder het bewijs te leveren van buitengewone omstandigheden, binnen de in het derde lid gestelde termijn en voorwaarden de betrekking van het goed niet verwezenlijkt; de huurovereenkomst door opzegging eindigt bij het verstrijken van de opzeggingstermijn; wanneer de huurder een einde maakt aan de huurovereenkomst door een opzegging waarvan de termijn verstrijkt vóór het verstrijken van de termijn van de opzegging door de verhuurder, de huurovereenkomst niet eindigt door de opzegging van de verhuurder of doordat de termijn van die opzegging verkort wordt, maar wel door de door de huurder gegeven opzegging bij het verstrijken van de door deze in acht genomen opzeggingstermijn en, derhalve, niet is voldaan aan de voor de toepassing van artikel 3, § 2 vereiste voorwaarden van beëindiging van de huurovereenkomst door de verhuurder,

zodat de rechtbank van eerste aanleg eisers veroordeling tot betaling aan verweerders van de in voornoemde wetsbepaling voorgeschreven vergoeding, op voormelde gronden, niet naar recht verantwoordt (schending van de in het middel aangeduide wetsbepaling) :

Over de door de verweerders tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel wijst artikel 3, § 3, eerste, derde en vierde lid, van de Woninghuurwet van 20 februari 1991 als geschonden aan, terwijl artikel 3 van die wet werd gewijzigd bij artikel 6 van de wet van 13 april 1997 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de huurovereenkomsten; onder meer werd in artikel 3, § 5, een nieuw lid toegevoegd dat de door het middel gestelde rechtsvraag gedeeltelijk oplost door te bepalen dat de huurder op zijn beurt en te allen tijde de huurovereenkomst kan beëindigen, dit met inachtneming van een opzegging van een maand en zonder dat de verhuurder een vergoeding dient te betalen; de verwijzing naar een wetsbepaling, zonder verdere vermelding, verwijst naar die wetsbepaling zoals zij is gewijzigd; wanneer die wijziging, zoals ter zake, de oplossing van het geschil kan beïnvloeden, is niet voldaan aan de vereisten van artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek :

Overwegende dat het middel de bepalingen van artikel 3, § 2, eerste, derde en vierde lid, van de Woninghuurwet van 20 februari 1991 als geschonden aanwijst;

Dat het voormelde eerste lid aangevuld werd bij artikel 6, 1°, van de wet van 13 april 1997; dat het derde lid vervangen werd bij artikel 6, 3°, van die wet;

Dat artikel 6, 7°, van de voormelde wet van 13 april 1997 aan § 5 van artikel 3 een lid toevoegt en niets wijzigt aan de door het middel als geschonden aangewezen bepalingen;

Overwegende dat de in het middel aangevoerde grief erin bestaat dat het bestreden vonnis aan de verweerders, huurders, de in voormeld artikel 3, § 2, vierde lid, bepaalde vergoeding toekent omdat de eisers, als verhuurders die aan de verweerders een opzegging hebben gegeven om het goed te betrekken, de betrekking van het goed binnen de gestelde termijn en voorwaarden niet hebben verwezenlijkt, terwijl de huurovereenkomst niet door de opzegging van de eisers, maar door de opzegging door de verweerders beëindigd werd;

Overwegende dat artikel 6 van de wet van 13 april 1997 de door het middel als geschonden aangewezen bepalingen niet wijzigt in zoverre die bepalingen voor het toekennen van een vergoeding aan de huurder, vereisen dat de huurovereenkomst door de verhuurder werd beëindigd;

Dat de door voormeld artikel 6 aangebrachte wetswijzigingen de oplossing van het geschil derhalve niet kunnen beïnvloeden;

Dat de grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen;

Over het middel zelf :

Overwegende dat, krachtens artikel 3, § 2, eerste lid, van de Woninghuurwet van 20 februari 1991, de verhuurder de huurovereenkomst altijd kan beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn indien hij voornemens is het verhuurde goed persoonlijk en werkelijk te betrekken;

Dat het vierde lid van die paragraaf bepaalt dat indien de verhuurder, zonder het bewijs te leveren van buitengewone omstandigheden, binnen de gestelde termijn en voorwaarden de betrekking van het goed niet verwezenlijkt, de huurder recht heeft op een vergoeding die gelijk is aan achttien maanden huur;

Overwegende dat de huurovereenkomst door opzegging eindigt bij het verstrijken van de opzeggingstermijn;

Overwegende dat wanneer de huurder een einde maakt aan de huurovereenkomst door een opzegging waarvan de termijn verstrijkt vóór het verstrijken van de termijn van de opzegging door de verhuurder, de huurovereenkomst niet eindigt door een verkorting van de termijn van de opzegging door de verhuurder, maar door de opzegging door de huurder;

Overwegende dat het bestreden vonnis dat anders oordeelt, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt;

Dat het middel gegrond is;

OM DIE REDENEN,

Vernietigt het bestreden vonnis;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis;

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, zitting houdende in hoger beroep.

Noot: 

Overige relevante rechtspraak

Rb. Brussel 30 juni 2006, JLMB 2007, 996.

Rechtsleer:

• Maarten Dambre: "De beeindiging van de woninghuur door tegenopzegging of in der minne na de opzegging gegeven door de verhuurder", TBO, 2016, 4.

• Maarten DAMBRE; De gevolgen van de tegenopzegging van de huurder. TBO. 2007,95-99

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 11/01/2018 - 15:55
Laatst aangepast op: do, 11/01/2018 - 15:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.