-A +A

burenhinder (mazouttank) en verjaring toepassing overgangsrecht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 27/10/2010

Een lek in de mazouttank vervuilt de grond en de woning van de nabuur. De vordering van de nabuur is gesteund op 544 BW en 1382 BW. Deze vorderingen verjaren vogens het Hof van Beroep te Antwerpen volgens de dubbele verjaringstermijn van 2262bis §1 lid 2 BW, zijnde 5 jaar.

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Referentie: 
241
Jaargang: 
2011
Pagina: 
304
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

[ ... ]
V.L., [ ... ] appellante, [...]
tegen
1. B.L., [...]
2. V.G., [...]
geïntimeerden,
[ ... ]

1. Wat voorafgaat.

1.1. Op 3 januari 2008 hebben B.L. en mevrouw V.G. dagvaarding laten betekenen aan mevrouw V.L. om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren.
Zij voeren in de inleidende dagvaarding aan dat zij naar aanleiding van graafwerken op hun eigendom dienden vast te stellen dat de ondergrond doordrenkt was met stookolie en dat na druktesten te hebben uitgevoerd, is komen vast te staan dat de mazouttank van mevrouw V.L. reeds geruime tijd
lekte met ernstige mazoutvervuiling tot gevolg.
[ ... ]
Zij voeren aan dat gerechtsdeskundige Aerts diverse onderzoeken heeft laten uitvoeren en dat gelet op het deskundig eindverslag niet ernstig kan betwist worden dat mevrouw V.L. aansprakelijk is voor de verontreiniging en dit op grond van artikel 1382 burgerlijk wetboek, minstens op grond van artikel 544 burgerlijk wetboek.

Zij vorderen de veroordeling tot betaling van het bedrag van € 7.026,73, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de neerlegging van het definitief verslag, zijnde 10 maart 2000. Zij vorderen de veroordeling tot betaling van een provisionele schadevergoeding van € 1,00 op de schadepost van de kosten van de sanering.

Zij vorderen voorbehoud te verlenen voor hun eis betreffende de minwaarde van hun onroerend goed.

1.2. Mevrouw V.L. vroeg om de eisen niet toelaatbaar, onontvankelijk en ongegrond te verklaren op grond van verjaring.

1.3. In het beroepen vonnis van 13 januari 2009 besliste de eerste rechter dat de eis in zoverre gesteund op artikel 544 burgerlijk wetboek niet verjaard is en alvorens ten gronde te statueren stelde de eerste rechter de zaak in voortzetting op de zitting van 23 juni 2009 teneinde mevrouw V.L. toe te laten haar verzekeraar in het geding te betrekken.

De eerste rechter hield de beslissing over de kosten aan.

2. Met een verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 19 juni 2009 heeft mevrouw V.L. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 13 januari 2009.
3. De eisen in hoger beroep.

3.1. Mevrouw V.L. vraagt om bij hervorming van het beroepen vonnis de oorspronkelijke eis van de heer B.L. en mevrouw V.G. op grond van artikel 544 burgerlijk wetboek niet toelaatbaar en onontvankelijk te verklaren en minstens de eis op grond van verjaring af te wijzen.

[ ... ]

Beoordeling.

[ ... ]

6. Over de exceptie van verjaring in zoverre de eis is gesteund op artikel 544 burgerlijk wetboek.

6.1. De eerste rechter heeft geoordeeld dat
de eis in zoverre gesteund op artikel 544
burgerlijk wetboek niet verjaard was op 3 januari 2008.

6.2. Mevrouw V.L. is daardoor gegriefd.

6.3. Het Hof oordeelt over dit geschilpunt als volgt.

Het is niet betwist dat de aangevoerde bovenmatige hinder bestond op 7 augustus 1996.

Het vorderingsrecht is dus ontstaan op 7 augustus 1996.

Het aanvangspunt van de toenmalige verjaringstermijn is 7 augustus 1996.

De toenmalige verjaringstermijn was krachtens het toenmalige artikel 2262 burgerlijk wetboek 30 jaar.

De wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring is op 27 juli 1998 in werking getreden. Partijen twisten over de vraag of onder de wet van 10 juni 1998 op de eis gesteund op artikel 544 burgerlijk wetboek artikel 2262bis §1 eerste lid burgerlijk wetboek van toepassing is, dan wel artikel 2262 bis §1 tweede lid burgerlijk wetboek van toepassing is.

Volgens de heer B.L. en mevrouw V.G. is onder de wet van 10 juni 1998 artikel 2262bis §1 eerste lid burgerlijk wetboek van toepassing, terwijl volgens mevrouw V.L. artikel 2262 bis §1 tweede lid burgerlijk wetboek van toepassing is.

Partijen zijn het eens dat de eis gesteund op artikel 544 burgerlijk wetboek een persoonlijke rechtsvordering betreft.

Onder de bepalingen van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring is krachtens artikel 2262 bis §1 eerste lid burgerlijk wetboek op persoonlijke rechtsvorderingen de verjaringstermijn van 10 jaar van toepassing.

Artikel 2262 bis §1 tweede lid burgerlijk wetboek van toepassing sedert 27 juli 1998 bepaalt wat volgt:

“in afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.”

Volgens de bedoeling van de wetgever van 10 juni 1998 slaat het tweede lid van artikel 2262 bis §1 op elke vorm van sanctionering van buitencontractuele aansprakelijkheid. In die hypothese dat de toepassingsvoorwaarden van buitencontractuele aansprakelijkheid vervuld zijn ontstaan herstelverbintenissen buiten overeenkomst, die steeds strekken tot vergoeding van schade. Die herstelverbintenissen kunnen nagekomen worden, hetzij door herstel in natura om de schade te doen ophouden, hetzij door een geldsom als equivalent voor het doen ophouden van schade, hetzij door een geldsom als equivalent voor het herstel van het evenwicht in geval van burenhinder.

Zowel de eis met als voorwerp herstel in natura, als de eis met als voorwerp een geldsom als equivalent van herstelling in natura om de schade te doen ophouden, als de eis met als voorwerp het betalen van een geldsom als equivalent voor het herstel van het evenwicht tussen de naburige erven hebben als voorwerp vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid. De foutloze aansprakelijkheid op grond van artikel 544 burgerlijk wetboek is een aansprakelijkheid buiten overeenkomst, een buitencontractuele aansprakelijkheid.

Onder de wet van 10 juni 1998 is de verjaringstermijn van de eis gesteund op artikel 544 burgerlijk wetboek 5 jaar.

In casu is het vorderingsrecht ontstaan voor de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 zodat krachtens artikel 10 van de wet van 10 juni 1998 de nieuwe verjaringstermijnen waarin deze wet voorziet slechts beginnen te lopen vanaf haar inwerkingtreding.

De wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring is in werking getreden op 27 juli 1998.

Op 27 juli 1998 hadden de heer B.L. en mevrouw V.G. kennis van de schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

De nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar is in werking getreden op 27 juli 1998 en is verstreken op 27 juli 2003.

Het vorderingsrecht op grond van artikel 544 burgerlijk wetboek is in casu verstreken op 27 juli 2003.

Hetzelfde geldt voor het vorderingsrecht op grond van artikel 1382 burgerlijk wetboek. Het betreft inderdaad een autonoom vorderingsrecht, maar het valt eveneens onder de verjaringstermijn van artikel 2262 bis §1 tweede lid burgerlijk wetboek.
[ ... ]
Het Hof komt tot de conclusie dat het vorderingsrecht op het tijdstip van de dagvaarding, te weten 3 januari 2008, gesteund op artikel 1382 en volgende burgerlijk wetboek en gesteund op artikel 544 burgerlijk wetboek verjaard is, omdat artikel 2262 bis §1 tweede lid burgerlijk wetboek van toepassing is op beide eisen en de verjaringstermijn van vijf jaar verstreken is op 27 juli 2003.

Het Hof komt tot de conclusie dat het hoger beroep van mevrouw V.L. in zoverre gesteund op de verjaring van de eis van B.L. en V.G. gegrond is.
[ ... ]
OM DEZE REDENEN, HET HOF,
[ ... ]
Verklaart het hoger beroep van mevrouw V.L. toelaatbaar en als volgt gegrond:
Het beroepen vonnis wijzigend:
verklaart het vorderingsrecht van B.L. en V.G. verjaard op 3 januari 2008, tijdstip waarop van het vorderingsrecht gebruik werd gemaakt.
[ ... ]
 

Noot: 

X. Verjaring en burenhinder, NJW 241,305

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 16/07/2011 - 11:09
Laatst aangepast op: za, 16/07/2011 - 11:16

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.