-A +A

Camerabewaking en belaging

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
zat, 25/03/2017
A.R.: 
2015/NT/185

De beklaagden worden beiden vervolgd voor het belagen van de burgerlijke partijen, het heimelijk gebruik van een bewakingscamera en het niet verstrekken van informatie aan betrokkene(n) aangaande de verwerking van persoonsgegevens.

De klacht met burgerlijke partijstelling kadert in een reeds geruime tijd aanslepend burenconflict. De oprit van de beklaagden die leidt naar de garage, is belast met een erfdienstbaarheid waardoor hun buren, de burgerlijke partijen, dezelfde oprit mogen gebruiken om naar hun garage te rijden en hun voordeur te bereiken. Voor alle partijen vormt deze oprit, eigendom van de beklaagden, de enige mogelijke toegangsweg. Op 4 november 2013 plaatsten de beklaagden drie camera's: een camera die filmt in de garage van de beklaagden, een camera die de grond van de beklaagden voor hun garage filmt en een camera die de gedeelde oprit filmt.

Bij arrest van 15 februari 2013 van het hof van beroep van Gent werd de eerste beklaagde veroordeeld voor belaging, het heimelijk gebruik van bewakingscamera's en het verzuimen informatie te verstrekken aan de betrokkenen op het moment dat persoonsgegevens bij hem werden verkregen. De camera's registreren enkel bij beweging.

De beklaagden voeren aan dat de nu vervolgde feiten niet strafbaar zouden zijn omdat ze deze maal voor het plaatsen van de camera's alle wettelijke voorschriften van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's hebben nageleefd.

Het misdrijf belaging veronderstelt in beginsel geen inbreuk op een andere wet. Het naleven van de wettelijke verplichtingen voor het plaatsen van bewakingscamera's sluit niet noodzakelijk uit dat de beklaagden zich door het plaatsen van een of meerdere camera's schuldig maken aan het belagen van de burgerlijke partijen.

Om als een ernstige verstoring van de rust te worden aangemerkt in de zin van artikel 442bis Strafwetboek dient de zonder redelijke verantwoording aan de klager(s) berokkende verstoring objectief als een ernstige verstoring te worden beschouwd.

Uit de vaststellingen van de politie volgt dat inzake de aangevoerde verstoring van rust doordat de camera's de eigendom van de burgerlijke partijen zouden filmen, alvast nooit beelden van hun voordeur genomen worden. Bovendien is de garage van de burgerlijke partijen op de beelden onzichtbaar gemaakt en wordt het beeld enkel geactiveerd bij beweging, zodat er niet permanent beelden genomen worden.

De burgerlijke partijen kaderen de verstoring van hun rust algemeen in de onmin tussen hen en de beklaagden als buren, doch concretiseren nergens op welke wijze en in welke mate hun rust ernstig verstoord werd door de camera's die, volgens hen, in november 2013 werden geplaatst. De door de burgerlijke partijen bij hun klachtbevestiging aangevoerde verstoring van hun rust steunt op elementen die wat betreft het zicht op de voordeur feitelijke grondslag missen. Het hof stelt vast dat de subjectieve ernstige verstoring van de rust door aangevoerde feiten verder, wat betreft het zicht op de garage en de oprit, niet eens is geconcretiseerd maar enkel gesitueerd wordt in de context van de burenruzie. Uit de verklaring van de burgerlijke partijen volgt dat het feit van de plaatsing op zich als storend wordt ervaren.

Het is niet aangetoond dat de aangevoerde feiten objectief de rust van de burgerlijke partijen ernstig verstoren: de ernst van de verstoring mag immers niet afgewogen worden tegen de subjectieve ervaring van de burgerlijke partijen, maar tegen de gevolgen die deze feiten, in de algemene opinie, kunnen hebben voor de bevolking of het betrokken sociaal milieu.

Dat er onmin of zelfs een vete bestaat tussen buren, brengt niet mee dat de ene of de andere buur het recht wordt ontzegd op wettelijke wijze een camera te plaatsen, noch brengt de plaatsing van een camera in die omstandigheden noodzakelijk mee dat er sprake is van ernstige verstoring van de rust van de andere buur.
 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest
...

 

In de zaak van het Openbaar Ministerie en van

1. nr. T

- eerste burgerlijke partij -

2. nr. B

- tweede burgerlijke partij -

tegen

1. nr. C

- eerste beklaagde -

2. nr. V

- tweede beklaagde -

verdacht van:

Te Poperinge in de periode van 4 november 2013 tot en met 5 december 2013:

De eerste en de tweede:

Om de misdaad of het wanbedrijf uitgevoerd te hebben of om aan de uitvoering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben,

- door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp verleend te hebben dat zonder zijn bijstand het misdrijf niet kon gepleegd worden,

- door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, dit misdrijf rechtstreeks uitgelokt te hebben,

- om, hetzij door woorden in openbare bijeenkomsten of plaatsen gesproken, hetzij door enigerlei geschrift, drukwerk, prent of -zinnebeeld, aangeplakt, rondgedeeld of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld, het feit rechtstreeks uitgelokt te hebben.

(art. 66 Sw.)

A. een persoon die klacht doet, met name T en B, te hebben belaagd, terwijl hij wist of had moeten weten dat hij door zijn gedrag de rust van die bewuste persoon ernstig zou verstoren.

(art. 442bis, lid 1 en 3 Sw.)

 

B. Bij inbreuk op art. 8 van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's, strafbaar gesteld door art. 13 van voormelde wet, heimelijk gebruik te hebben gemaakt van een bewakingscamera, ten nadele van: T en B.

 

C. Als verantwoordelijke voor de bewerking, zijn vertegenwoordiger in België, zijn aangestelde of gemachtigde, de verplichtingen bepaald in art. 9, § 2 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (B.S., 18 maart 1993) en strafbaar gesteld door art. 39, 4° van voormelde wet, niet te hebben nageleefd door indien persoonsgegevens betreffende de betrokkene niet bij hemzelf zijn verkregen, als verantwoordelijke voor de verwerking of diens vertegenwoordiger verzuimd te hebben uiterlijk op het moment van de registratie van de gegevens of wanneer de mededeling van de gegevens aan een derde wordt overwogen, uiterlijk op het moment van de eerste mededeling van de gegevens, aan de betrokkene ten minste de volgende informatie te verstrekken, behalve indien hij daarvan reeds op de hoogte is:

a) de naam en het adres van de verantwoordelijke voor de verwerking en, in voorkomend geval, van de vertegenwoordiger,

b) de doeleinden van de verwerking,

c) het bestaan van een recht om zich op verzoek en kosteloos tegen de voorgenomen verwerking van hem betreffende persoonsgegevens te verzetten, indien de verwerking verricht wordt met het oog op direct marketing; in dit geval dient de betrokkene in kennis te worden gesteld vooraleer de persoonsgegevens voor de eerste keer aan een derde worden verstrekt of voor rekening van derden worden gebruikt voor direct marketing,

d) andere bijkomende informatie, met name:

- de betrokken gegevens categorieën,

- de ontvangers of de categorieën ontvangers,

- het bestaan van een recht op toegang en op verbetering van de persoonsgegevens die op hem betrekking hebben, behalve indien verdere informatie, met inachtneming van de specifieke omstandigheden waaronder de gegevens verwerkt worden, niet nodig is om tegenover de betrokkene een eerlijke verwerking te waarborgen,

e) andere informatie afhankelijk van de specifieke aard van de verwerking, die wordt opgelegd door de Koning na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

* * * *

3.

De beklaagden worden onder de telastlegging A vervolgd voor feiten van belaging, dit is een inbreuk op artikel 442bis Strafwetboek. Opdat de strafvordering ontvankelijk zou zijn, moet er een klacht voorafgaan aan de strafvervolging waarbij de personen die beweren te worden belaagd aangeven deze strafvervolging te wensen.

Op 4 november 2013 hebben de burgerlijke partijen klacht ingediend bij de politie. In hun verhoor verklaarden zij dat ze gerechtelijke vervolging wensten. Op 5 december 2013 legden de burgerlijke partijen een klacht met burgerlijke partijstelling neer voor de onderzoeksrechter wegens onder meer belaging.

De strafvordering is ontvankelijk.

4.

De beklaagden worden beiden vervolgd voor het belagen van de burgerlijke partijen, het heimelijk gebruik van een bewakingscamera en het niet verstrekken van informatie aan betrokkene(n) aangaande de verwerking van persoonsgegevens.

5.

De klacht met burgerlijke partijstelling kadert in een reeds geruime tijd aanslepend burenconflict. De oprit van de beklaagden die leidt naar de garage, is belast met een erfdienstbaarheid waardoor hun buren, de burgerlijke partijen, dezelfde oprit mogen gebruiken om naar hun garage te rijden en hun voordeur te bereiken. Voor alle partijen vormt deze oprit, eigendom van de beklaagden, de enige mogelijke toegangsweg. Op 4 november 2013 plaatsten de beklaagden drie camera's: een camera die filmt in de garage van de beklaagden, een camera die de grond van de beklaagden voor hun garage filmt en een camera die de gedeelde oprit filmt.

Bij arrest van 15 februari 2013 van het hof van beroep van Gent werd de eerste beklaagde veroordeeld voor belaging, het heimelijk gebruik van bewakingscamera's en het verzuimen informatie te verstrekken aan de betrokkenen op het moment dat persoonsgegevens bij hem werden verkregen. De camera's registreren enkel bij beweging.

De beklaagden voeren aan dat de nu vervolgde feiten niet strafbaar zouden zijn omdat ze deze maal voor het plaatsen van de camera's alle wettelijke voorschriften van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's hebben nageleefd; het hof stelt vast dat de naleving van deze voorschriften ook is aangetoond door de dossiergegevens. Zo hebben ze de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ingelicht en het wettelijk voorgeschreven pictogram aan de ingang van de oprit aangebracht. Bovendien werd de woning en de garage van de buren met zwarte balken onzichtbaar gemaakt. De beelden werden opgeslagen op een harde schijf waarvan de bedieningskast zich in de garage bevond. De beelden konden via de laptop van de eerste beklaagde in real time bekeken worden en ze werden 30 dagen bewaard.

6.1.

Het misdrijf belaging veronderstelt in beginsel geen inbreuk op een andere wet. Het naleven van de wettelijke verplichtingen voor het plaatsen van bewakingscamera's sluit niet noodzakelijk uit dat de beklaagden zich door het plaatsen van een of meerdere camera's schuldig maken aan het belagen van de burgerlijke partijen.

De eerste beklaagde verklaarde op 18 maart 2014: "De camera's zijn in die mate ingesteld dat ik enkel en alleen kan zien wanneer zij met hun voertuig de oprijlaan oprijden of verlaten. De enige reden van het plaatsen van de camera's is om het onveiligheidsgevoel weg te nemen. De relatie met mijn buren is in die mate verzuurd dat ik de nodige maatregelen moet nemen voor de bescherming van mijn gezin." (kaft C, stuk 31) De politie wees de eerste beklaagde op zijn veroordeling, hiervoor aangehaald. De eerste beklaagde overhandigde aan de politie zelf een kopie van het arrest. Hij verklaarde hierop: "Het is dus zeker nooit de bedoeling geweest om het (privéleven) van de buren in het oog te houden. (...)"

De tweede beklaagde verklaarde op 18 maart 2014: "We hebben deze camera's daar aangebracht om bewijsmateriaal te kunnen aanbrengen in geval zich problemen voordoen. Het is namelijk zo dat wij in het verleden reeds een paar aanvaringen met de buren hebben gehad. Deze problemen deden zich vooral voor ter hoogte van de oprijstrook." (kaft C, stuk 35)

In de conclusie neergelegd voor het hof staat: "Concluant herhaalt dat zij de camera's enkel geplaatst hebben opdat de klachtdoende partijen hem en zijn gezin met rust zouden laten!"

De klachten van de burgerlijke partijen en de eerdere veroordeling van de eerste beklaagde, brengen niet noodzakelijk mee dat de beklaagden door het, opnieuw, plaatsen van (deze) camera's de rust van de burgerlijke partijen ernstig verstoorden.

Om als een ernstige verstoring van de rust te worden aangemerkt in de zin van artikel 442bis Strafwetboek dient de zonder redelijke verantwoording aan de klager(s) berokkende verstoring objectief als een ernstige verstoring te worden beschouwd.

De politie deed inzake de camera's de volgende vaststellingen (kaft C, stuk 10).

Achteraan de woning van de beklaagden bevinden zich aan de buitenkant van de garage twee camera's.

De eerste camera is gericht op het voorland van de garage. Dit stuk grond is eigendom van de beklaagden.

De tweede camera is gericht op de oprit naar de garage; het is hierop dat de door de burgerlijke partijen benutte erfdienstbaarheid is gevestigd. De inkomdeur van de burgerlijke partijen is op de beelden die deze camera's nemen niet zichtbaar. De garage van de burgerlijke partijen is op het beeld onzichtbaar gemaakt.

Een derde camera is geplaatst in de garage van de beklaagden en registreert enkel beelden van de binnenkant van deze garage; dus deze camera kan de burgerlijke partijen op geen enkele wijze verstoren.

In de gevel van de garage achteraan de woning is een oproepbel met camera geïnstalleerd. Binnen kan de oproep worden beantwoord. Bij het opnemen van de hoorn wordt de camera geactiveerd. Het beeld is van bedenkelijke kwaliteit en de eigendommen van de burgerlijke partijen zijn er niet op zichtbaar.

Bij het verhoor voor hun klachtbevestiging verwijzen de burgerlijke partijen naar de procedure tegen de beklaagden, die hun buren zijn, in verband met het recht van overgang op de vermelde oprit. Zij verklaarden verder: "Van in het begin deden de buren er alles aan om ons het leven zuur te maken. Onder andere uitten deze pesterijen zich door het hangen van bewakingscamera's die op onze woning gericht waren. (...) Vorig jaar, november 2013, stellen wij vast dat betrokkene(n) opnieuw twee camera's laten aanbrengen aan de gevel van hun garages. Deze staan opnieuw gericht op onze eigendom: de voordeur, de garage en op het stuk grond belast met de erfdienstbaarheid waarover wij ons naar onze woning en onze garage begeven. Ook in de deurbel die bevestigd is aan hun garage is een camera gemonteerd. Deze camera's werden gemonteerd door een gespecialiseerde firma." (stuk 5).

Uit de vaststellingen van de politie volgt dat inzake de aangevoerde verstoring van rust doordat de camera's de eigendom van de burgerlijke partijen zouden filmen, alvast nooit beelden van hun voordeur genomen worden. Bovendien is de garage van de burgerlijke partijen op de beelden onzichtbaar gemaakt en wordt het beeld enkel geactiveerd bij beweging, zodat er niet permanent beelden genomen worden.

De burgerlijke partijen kaderen de verstoring van hun rust algemeen in de onmin tussen hen en de beklaagden als buren, doch concretiseren nergens op welke wijze en in welke mate hun rust ernstig verstoord werd door de camera's die, volgens hen, in november 2013 werden geplaatst. De door de burgerlijke partijen bij hun klachtbevestiging aangevoerde verstoring van hun rust steunt op elementen die wat betreft het zicht op de voordeur feitelijke grondslag missen. Het hof stelt vast dat de subjectieve ernstige verstoring van de rust door aangevoerde feiten verder, wat betreft het zicht op de garage en de oprit, niet eens is geconcretiseerd maar enkel gesitueerd wordt in de context van de burenruzie. Uit de verklaring van de burgerlijke partijen volgt dat het feit van de plaatsing op zich als storend wordt ervaren.

Het is niet aangetoond dat de aangevoerde feiten objectief de rust van de burgerlijke partijen ernstig verstoren: de ernst van de verstoring mag immers niet afgewogen worden tegen de subjectieve ervaring van de burgerlijke partijen, maar tegen de gevolgen die deze feiten, in de algemene opinie, kunnen hebben voor de bevolking of het betrokken sociaal milieu. Dat er onmin of zelfs een vete bestaat tussen buren, brengt niet mee dat de ene of de andere buur het recht wordt ontzegd op wettelijke wijze een camera te plaatsen, noch brengt de plaatsing van een camera in die omstandigheden noodzakelijk mee dat er sprake is van ernstige verstoring van de rust van de andere buur.

Het hof spreekt de beklaagden bijgevolg vrij voor de telastlegging A.

 

6.2.

Onder de telastlegging B worden de beklaagden vervolgd voor het heimelijk gebruik van een bewakingscamera; dit is een inbreuk op artikel 8 van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's.

De beklaagden voeren aan dat deze wet niet van toepassing is omdat de plaats een "niet voor het publiek toegankelijke niet-besloten plaats is" die niet opgenomen is in het toepassingsgebied van de wet. Daarnaast voeren ze aan dat er geen sprake is van heimelijk gebruik omdat er een pictogram aanwezig is zodat het betreden van de plaats geldt als voorafgaandelijke toestemming.

De oprit aan de woningen van de beklaagden en de burgerlijke partijen betreft een "niet voor het publiek toegankelijke besloten plaats". Dat de oprit niet is afgesloten met een omsluiting, betekent niet dat het een niet-besloten plaats is. Dit wordt toegelicht in het verslag namens de Commissie bij de wet van 21 maart 2007: "-niet voor het publiek toegankelijke besloten plaatsen: Hiermee worden bedoeld de besloten gebouwen of ruimten die uitsluitend bestemd zijn voor aanwending door hun gebruikelijke bewoners. Het gaat hier alleszins om private eigendom of plaatsen die voor privaat gebruik bestemd zijn. Enkele concrete voorbeelden zijn: de woning en haar aanhorigheden, de individuele woongelegenheden in appartementsgebouwen, kantoorgebouwen, fabrieken, boerderijen, enz." De oprit is private eigendom die duidelijk uitsluitend bestemd is voor het gebruik door de gewoonlijke gebruikers, in casu de beklaagden en de burgerlijke partijen. De beklaagden waren ervan op de hoogte dat zij onder het toepassingsgebied van de wet vielen. Op 4 november 2013 ontving de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer overeenkomstig artikel 7, § 2 van de wet van 21 maart 2007 een aangifte van de beklaagden "Gebruik van bewakingscamera's in een besloten plaats".

Artikel 8 van de wet van 21 maart 2007 stelt dat als heimelijk gebruik wordt beschouwd, elk gebruik van bewakingscamera's zonder voorafgaande toestemming van de gefilmde persoon. Het betreden van een plaats waar een pictogram aangeeft dat er camerabewaking plaatsvindt, geldt als voorafgaande toestemming. Hoewel er bezwaarlijk kan worden gesteld dat de burgerlijke partijen toestemming gaven tot het filmen omdat zij niet anders kunnen dan de oprit gebruiken, is er geen sprake van heimelijk filmen. De burgerlijke partijen konden bij het betreden van de plaats door het pictogram vaststellen dat zij gefilmd werden.

De telastlegging B is voor het hof niet bewezen.

6.3.

Onder de telastlegging C worden de beklaagden vervolgd voor een inbreuk op artikel 9, § 2 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Dit artikel bepaalt onder meer: "Indien de persoonsgegevens niet bij de betrokkene zijn verkregen, moet de verantwoordelijke voor de verwerking of zijn vertegenwoordiger, op het moment van de registratie van de gegevens of wanneer mededeling van de gegevens aan een derde wordt overwogen, uiterlijk op het moment van de eerste mededeling van de gegevens, ten minste de volgende informatie verstrekken, tenzij de betrokkene daarvan reeds op de hoogte is:

a) de naam en het adres van de verantwoordelijke voor de verwerking en, in voorkomend geval, van diens vertegenwoordiger;

b) de doeleinden van de verwerking;

c) het bestaan van een recht om zich op verzoek en kosteloos tegen de voorgenomen verwerking van hem betreffende persoonsgegevens te verzetten, indien de verwerking verricht wordt met het oog op direct marketing; in dit geval dient de betrokkene in kennis te worden gesteld vooraleer de persoonsgegevens voor de eerste keer aan een derde worden verstrekt of voor rekening van derden worden gebruikt voor direct marketing;

d) andere bijkomende informatie, met name:

- de betrokken gegevenscategorieën;

- de ontvangers of de categorieën ontvangers;

- het bestaan van een recht op toegang en op verbetering van de persoonsgegevens die op hem betrekking hebben; behalve indien die verdere informatie, met inachtneming van de specifieke omstandigheden waaronder de gegevens verwerkt worden, niet nodig is om tegenover de betrokkene een eerlijke verwerking te waarborgen;

e) andere informatie afhankelijk van de specifieke aard van de verwerking, die wordt opgelegd door de Koning na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer."

De beklaagden voeren terecht aan dat zij met het pictogram en de daarop aanwezige informatie voldaan hebben aan hun informatieplicht in de concrete omstandigheden waarin zij de camera's plaatsten en gebruikten. Op het pictogram was vermeld dat de doeleinden van de verwerking camerabewaking betrof en ook de toepasselijke wet en de verantwoordelijke firma was vermeld, zodat degene die gefilmd werd, volgens de wet ‘de betrokkene', de mogelijkheid had zijn rechten in het kader van de camerawet desgewenst uit te oefenen.

De telastlegging C is voor het hof niet bewezen.

7.

De burgerlijke partijen hebben, eens het opsporingsonderzoek door hun klacht bij de politie was gestart, de strafvordering verder ingesteld door klacht met burgerlijke partijstelling. Zij kaderden hun klachten zelf in de vete met hun buren. Het hof veroordeelt de burgerlijke partijen op grond van artikel 162, tweede lid Wetboek van Strafvordering tot de kosten jegens de Staat, zoals hierna bepaald.

8.

Om gegrond te zijn, moeten de vorderingen van de burgerlijke partijen voor het hof als strafrechter noodzakelijk gesteund zijn op een bewezen misdrijf.

Gezien de beklaagden ontslagen worden van rechtsvervolging voor al de telastleggingen, stelt het hof vast dat de vorderingen van de burgerlijke partijen ongegrond zijn.

De burgerlijke partijen moeten zelf de kosten van hun burgerlijke partijstelling dragen.

 

...

(Tiende kamer, 2015/NT/185, 25/03/2016)

Noot: 

Filip Van Volsem, Nogmaals over het materieel bestanddeel van het misdrijf belaging, RABG, 2011/8, 596

Wetgeving:

• Parl.St. Kamer 1996-97, nr. 1046/4, 1 en nr. 1046/8, 8;
• Parl.St. Kamer 1996-97, nr. 1046/8,
• Parl.St. Kamer 1996-97, nr. 1046/1, 1;
• Parl.St. Kamer 1996-97, nr. 1046/1, 2.
• Parl.St. Kamer 1996-97, nr. 1046/3, 1
• Parl.St. Kamer 1996-97, nr nr. 1046/5, 1.
• Parl.St. Kamer 1996-97, nr. 1046/6, 2.
• Parl.St. Kamer 1996-97, nr. 1046/8, 2.
• Parl.St. Kamer 1996-97, nr. 1046/8, 3.
• Parl.St. Kamer 1996-97, nr. 1046/8, 5.
• Parl.St. Kamer 1996-97, nr. 1046/8, 6.
• Art. 114 § 8, 2° van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven bestrafte met een geldboete van 500 tot 50.000 EUR en of gevangenisstraf van één tot vier jaar het misbruik maken van een telecommunicatiemiddel met het oogmerk om overlast te veroorzaken aan een andere persoon. Die bepaling werd opgeheven door art. 155, 4° van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en belaging via telecommunicatie werd strafbaar gesteld met art. 145 § 3, 2° van deze wet en dit met behoud van deze straffen. Na het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 55/2007 van 28 maart 2007 heeft de wetgever art. 145 § 3, 2° van de wet van 13 juni 2005 opgeheven en werd de belaging via telecommunicatie strafbaar gesteld door art. 145 § 3bis van die wet met vergelijkbare straffen als die voorzien in art. 442bis Strafwetboek (P. DE HERT, J. MILLEN en A. GROENEN, “Het delict belaging in wetgeving en rechtspraak”, o.c., 7-8).
• Art. 119 van het Sociaal Strafwetboek bepaalt dat een inbreuk op het verbod van pesterijen op het werk wordt bestraft met een sanctie van de vierde categorie, nl. een gevangenisstraf van 6 maanden tot 3 jaar en of een geldboete van 600 tot 6.000 EUR.

Rechtsleer

• DE HERT, J. MILLEN en A. GROENEN, “Het delict belaging in wetgeving en rechtspraak”, o.c.). Bijna tot redelijke proporties gebracht”, T.Strafr. 2008, 4

• A. GROENEN, G. VERVAEKE en F. HUTSEBAUT, “Stalking: strafrechtelijke en criminologische aspecten”, Recht in beweging.  14 de  VRG-Alumnidag 2007, Antwerpen, Maklu 2007, 453

• ; F. DHONT, “Belaging”, Comm.Straf., p. 9, nr. 12;

• C. MEUNIER, “La répression du harcèlement”, RDPC 1999, 739 44.

• F. DHONT, “Belaging”, Comm.Straf., p. 5, nr. 7;

• L. STEVENS, “Stalking strafbaar. Commentaar bij • de wet van 30 oktober 1998 tot invoeging van een artikel 422bis in het Strafwetboek houdende de strafbaarstelling van belaging”, RW 1998-99, 1378, nr. 15

• Juristenkrant, 2007/147, 18 april 2007, 8 (hierna P. VAN  WALLEGHEM, “Cassatie verduidelijkt het begrip belaging”, o.c.).

• L. ARNOU, “Parkeren van auto kan ook stalking zijn”, Juristenkrant,2002/56, 23 oktober 2002, 1.

• VAN DER KELEN en S. DE DECKER, RW 2006-07, 1434; GwH nr. 76/2009, 5 mei 2009, B.6.1.

• A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Mechelen, Kluwer, 2010, nr. 340, p. 265

 E. BREWAEYS, “De wetgever belaagt de belagers”, AJT 1998-99, 849.

 A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, nr. 340, p. 265.

• A. MISONNE, “Harcèlement punissable? Consultez le dictionnaire!” (noot onder Cass. 21 februari 2007), JT 2007, 263

• A. MASSET, “Chronique de jurisprudence de droit pénal (avril 2005-avril 2008)”, Act.dr.fam. 2008, 115. 455 en 460.

• J. JACQMAIN, noot onder Corr. Marche-en-Famenne 18 april 2001, Soc.Kron. 2003, 104.

 E. Brewaeys (“De wetgever belaagt de belagers”, AJT 1998-99, 849

• L. HUYBRECHTS, noot onder Antwerpen 5 november 2008, NC 2010, 136.

• S. VANDROMME, “Rechtspersoon stalken hoeft niet strafbaar te zijn”, Juristenkrant, 2007/150, 30 mei 2007, 4.

 F. DHONT, “Belaging”, Comm.Straf., p. 12, nr. 22;

 E. BREWAEYS, “De wetgever belaagt de belagers”, AJT 1998-99, 849; F. DHONT, “Belaging”, Comm.Straf., p. 13, nr. 23.

 E. BREWAEYS, “De wetgever belaagt de belagers”, AJT 1998-99, 849.

 N. BANNEUX en L. KERZMANN, “Le mal nommé ‘harcèlement téléphonique’: chronique des tribulations législatives d’une infraction moderne”, RDTI 2009, 29-45;

• A. VANDEPLAS, “Misbruik van telecommunicatiemiddelen”, Comm.Straf. 104.

 C. MEUNIER, “Telefonische belaging”, Postal Memoralis.

 M. DE  RUE, “Le harcèlement”, o.c., 743-744; F. DHONT, “Belaging”, Comm.Straf., p. 16-17, nr. 34; K.

• ROSIER, “Le spamming politique: affaire de harcèlement, de prospection et de traitement de données à caractère personnel?” (noot onder Brussel 17 maart 2010), Dr.pén.entr. 2010, 324-325, nr. 7;

• M. VANDEVELDE, “Belaging via telecommunicatie te zwaar bestraft”, Juristenkrant, 2007/148, 2 mei 2007, 20.

 J. CORDIER, “La loi du 11 juin 20002 relative à la protection contre la violence et le harcèlement moral ou sexuel au travail”, JTT 2002, 381 e.v.;

 J. CORDIER, “La loi du 11 juin 20002 relative à la protection contre la violence et le harcèlement moral ou sexuel au travail” in J. CLESSE en M. DUMONT (eds.), Questions de droit social, CUP, 2002, Luik, Edition Formation Pemanente CUP, 2002, 355 e.v.;

• J. CORDIER en P. BRASSEUR, “La charge psychosociale au travail: le point sur la réforme de 2007”, Soc.Kron. 2008, 701 e.v.;

• J.CORDIER en P. BRASSEUR, Le bien-être psychosocial au travail: harcèlement moral, harcèlement sexuel, violence, stress, conflits…, Waterloo, Kluwer, 2009, 33 e.v.;

• EYSKENS, “De moeilijke positie van de pestwet in het administratief contentieux” (noot onder RvS 16 maart 2005, nr. 142.215), T.Gem. 2007, 217;

• I. VERHELST, “De nieuwe pestwet legt de nadruk op preventie”, Or. 2007, 204 e.v.

• DE HERT, J. MILLEN en A. GROENEN, “Het delict belaging in wetgeving en rechtspraak”, o.c.). Bijna tot redelijke proporties gebracht”, T.Strafr. 2008, 4

• A. GROENEN, G. VERVAEKE en F. HUTSEBAUT, “Stalking: strafrechtelijke en criminologische aspecten”, Recht in beweging.  14 de  VRG-Alumnidag 2007, Antwerpen, Maklu 2007, 453

• ; F. DHONT, “Belaging”, Comm.Straf., p. 9, nr. 12;

• C. MEUNIER, “La répression du harcèlement”, RDPC 1999, 739 44.

• F. DHONT, “Belaging”, Comm.Straf., p. 5, nr. 7;

• L. STEVENS, “Stalking strafbaar. Commentaar bij • de wet van 30 oktober 1998 tot invoeging van een artikel 422bis in het Strafwetboek houdende de strafbaarstelling van belaging”, RW 1998-99, 1378, nr. 15

• Juristenkrant, 2007/147, 18 april 2007, 8 (hierna P. VAN  WALLEGHEM, “Cassatie verduidelijkt het begrip belaging”, o.c.).

• L. ARNOU, “Parkeren van auto kan ook stalking zijn”, Juristenkrant,2002/56, 23 oktober 2002, 1.

• VAN DER KELEN en S. DE DECKER, RW 2006-07, 1434; GwH nr. 76/2009, 5 mei 2009, B.6.1.

• A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Mechelen, Kluwer, 2010, nr. 340, p. 265

 E. BREWAEYS, “De wetgever belaagt de belagers”, AJT 1998-99, 849.

 A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, nr. 340, p. 265.

• A. MISONNE, “Harcèlement punissable? Consultez le dictionnaire!” (noot onder Cass. 21 februari 2007), JT 2007, 263

• A. MASSET, “Chronique de jurisprudence de droit pénal (avril 2005-avril 2008)”, Act.dr.fam. 2008, 115. 455 en 460.

• J. JACQMAIN, noot onder Corr. Marche-en-Famenne 18 april 2001, Soc.Kron. 2003, 104.

 E. Brewaeys (“De wetgever belaagt de belagers”, AJT 1998-99, 849

• L. HUYBRECHTS, noot onder Antwerpen 5 november 2008, NC 2010, 136.

• S. VANDROMME, “Rechtspersoon stalken hoeft niet strafbaar te zijn”, Juristenkrant, 2007/150, 30 mei 2007, 4.

 F. DHONT, “Belaging”, Comm.Straf., p. 12, nr. 22;

 E. BREWAEYS, “De wetgever belaagt de belagers”, AJT 1998-99, 849; F. DHONT, “Belaging”, Comm.Straf., p. 13, nr. 23.

 E. BREWAEYS, “De wetgever belaagt de belagers”, AJT 1998-99, 849.

 N. BANNEUX en L. KERZMANN, “Le mal nommé ‘harcèlement téléphonique’: chronique des tribulations législatives d’une infraction moderne”, RDTI 2009, 29-45;

• A. VANDEPLAS, “Misbruik van telecommunicatiemiddelen”, Comm.Straf. 104.

 C. MEUNIER, “Telefonische belaging”, Postal Memoralis.

 M. DE  RUE, “Le harcèlement”, o.c., 743-744; F. DHONT, “Belaging”, Comm.Straf., p. 16-17, nr. 34; K.

• ROSIER, “Le spamming politique: affaire de harcèlement, de prospection et de traitement de données à caractère personnel?” (noot onder Brussel 17 maart 2010), Dr.pén.entr. 2010, 324-325, nr. 7;

• M. VANDEVELDE, “Belaging via telecommunicatie te zwaar bestraft”, Juristenkrant, 2007/148, 2 mei 2007, 20.

 J. CORDIER, “La loi du 11 juin 20002 relative à la protection contre la violence et le harcèlement moral ou sexuel au travail”, JTT 2002, 381 e.v.;

 J. CORDIER, “La loi du 11 juin 20002 relative à la protection contre la violence et le harcèlement moral ou sexuel au travail” in J. CLESSE en M. DUMONT (eds.), Questions de droit social, CUP, 2002, Luik, Edition Formation Pemanente CUP, 2002, 355 e.v.;

• J. CORDIER en P. BRASSEUR, “La charge psychosociale au travail: le point sur la réforme de 2007”, Soc.Kron. 2008, 701 e.v.;

• J.CORDIER en P. BRASSEUR, Le bien-être psychosocial au travail: harcèlement moral, harcèlement sexuel, violence, stress, conflits…, Waterloo, Kluwer, 2009, 33 e.v.;

• EYSKENS, “De moeilijke positie van de pestwet in het administratief contentieux” (noot onder RvS 16 maart 2005, nr. 142.215), T.Gem. 2007, 217;

• I. VERHELST, “De nieuwe pestwet legt de nadruk op preventie”, Or. 2007, 204 e.v.

Rechtspraak:

• Antwerpen 28 april 2004, RW 2005-06, 1020.
• Brussel 2 februari 2000, RDPC 2001, 347, noot X.
•. Gent 23 april 2002, NjW 2002, 212;
• Corr. Antwerpen 2 juni 2009, AM 2009, 573.
• Antwerpen 27 mei 2010, AM 2010, 380, noot.
• Corr. Gent 21 juni 2002, TGR 2003, 169.
• Corr. Brussel 20 januari 2004, Soc.Kron. 2005, 455, noot.
• Corr. Neufchâteau 9 februari 2004, Journ.proc., 2004/475, 26.
• Luik 22 juni 2004, JLMB 2004, 1781;
• Corr. Charleroi 29 november 2004, Soc.Kron. 2005, 458;
• Corr. Brussel 8 december 2004, Soc.Kron. 2005, 460, noot P. BRASSEUR.
• Brussel 17 maart 2010, Dr.pén.entr. 2010, 319, noot K. ROSIER.
• Arbitragehof nr. 71/2006, 10 mei 2006, B.6.1., RW 2008-09, 446, noot H. BUYSSENS, Soc.Kron. 2008, 730, T.S t r a f r. 2008, 32, noot;
• Arbitragehof nr. 98/2006, 14 juni 2006, B.6.1., RABG 2006, 1477, noot D.
• Corr. Gent 21 juni 2002, TGR 2003, 169; Corr. Antwerpen 2 juni 2009, AM 2009, 573.
• Cass. 21 februari 2007, P.06.1415.F, JT 2007, 262, noot A. MISONNE, RDPC 2001, 529, T.Strafr. 2008, 37.
• Corr. Neufchâteau 9 februari 2004, Journ.proc., 2004/475, 26;
• Corr. Brussel 8 december 2004, Soc.Kron. 2005, 460, noot P. BRASSEUR. 5.
• Cass. 24 november 2009, P.09.1060.N.
• Arbitragehof nr. 71/2006, 10 mei 2006, B.6.2.; Arbitragehof nr. 98/2006, 14 juni 2006, B.6.2.; GwH nr. 76/2009, 5 mei 2009, B.6.2.
• Antwerpen 27 mei 2010, AM 2010, 380, noot.
• Arbitragehof nr. 71/2006, 10 mei 2006, B.6.4.;
• Arbitragehof nr. 98/2006, 14 juni 2006, B.6.4.;
• GwH nr. 75/2007, 10 mei 2007, B.3.;
• Arbitragehof nr. 98/2006, 14 juni 2006, B.6.4.;
• Cass. 21 februari 2007, P.06.1415.F, JT 2007, 262, noot A. MISONNE, RDPC 2001, 529, T.Strafr. 2008, 37.
• Cass. 8 september 2011, P.10.0523.F.
• Cass. 21 februari 2007, P.06.1415.F, JT 2007, 262, noot A. MISONNE, RDPC 2001, 529, T.Strafr. 2008,37;
• Cass. 24 november 2009, P.09.1060.N;
• GwH nr. 75/2007, 10 mei 2007, RABG 2007, 799, Soc.Kron. 2008, 730, noot P. BRASSEUR, TRV 2007, 338, noot F. PARREIN, T.S t r a f r. 2008, 35, noot; B. AERTS, “Kan een burger een gemeente stalken?”, Juristenkrant 2009, 14 januari 2009, 6;
• Arbitragehof nr. 71/2006, 10 mei 2006, B.10.-B.13.4.;
• Arbitragehof nr. 98/2006, 14 juni 2006, B.10.-B.13.4.;
• Arbitragehof nr. 55/2007, 28 maart 2007, B.1.-B.6.;
• Arbitragehof nr. 64/2007, 18 april 2007, T.Strafr. 2007, 311, noot G. SCHOORENS; M. VANDEVELDE, “Belaging via telecommunicatie te zwaar bestraft”, Juristenkrant, 2007/148, 2 mei 2007, 20.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 09/01/2018 - 16:20
Laatst aangepast op: di, 09/01/2018 - 16:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.