-A +A

Casinos arrest rechtsplegingsvergoeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
vri, 06/03/2009
Publicatie
Uitgever: 
JURIDAT

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL  
ARREST GEWEZEN IN OPENBARE TERECHTZITTING VAN 6 MAART 2009. 3de KAMER

Tegen :
CASINOS AUSTRIA INTERNATIONAL HOLDING GMBH, vennootschap naar Oostenrijks recht, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Duquesnoystraat, 14,

voor de grond van de zaak die de geldigheid van een proefbeding betrof, klik hier

2.2 De gerechtskosten.
2.2.1. Het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding.
Wat betreft de exceptie van illegaliteit t.a.v. het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding, stelt geïntimeerde dat de Koning dit K.B. heeft uitgevaardigd op een ogenblik dat de regering ontslagnemend was en dus enkel bevoegd kon zijn voor lopende zaken.
Wanneer men voorhoudt dat de Koning geen bevoegdheid heeft om een K.B. uit te vaardigen omwille van een periode van lopende zaken, dan bedoelt men met "lopende zaken" zowel de dringende als de lopende zaken (R.v.St. 18 december 2007, nr. 178.019); als lopende zaken worden beschouwd : zaken die de normale voortzetting zijn van een voor het ontslag van de regering regelmatig ingezette procedure, wat in concreto moet worden getoetst (R.v.St. 3 november 1997, nr. 69.331, overweging 3.1.3).
In deze zaak verwijst geïntimeerde enkel naar een aantal adviezen, die werden ingewonnen vóór het ontslag van de regering; aldus komt geïntimeerde te kort om in concreto aan te tonen dat de Koning buiten zijn bevoegdheid zou hebben gehandeld in een periode van lopende zaken door een regelmatig ingezette procedure abnormaal voort te zetten; de exceptie van illegaliteit is in de huidige stand niet in concreto bewezen.
De vraag of de machtiging door de wetgever aan de Koning om de basisbedragen, minima en maxima van de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen in strijd is met het wettigheidsbeginsel dat voortvloeit uit artikel 23 van de Grondwet, werd onderzocht in de overwegingen B.6 van het arrest 182/2008 van 18 december 2008 van het Grondwettelijk Hof. Deze vraag wordt daar negatief beantwoord omdat de wetgever het onderwerp van de maatregelen heeft aangegeven waarvan hij de tenuitvoerlegging aan de Koning heeft overgelaten en omdat het een materie betreft die mogelijk in de toekomst op vrij soepele manier moet kunnen worden aangepast (B.6.4).
In deze zaak werd de vordering van mevrouw P. niet vrijwillig ingewilligd voordat de zaak  op de rol werd ingeschreven en evenmin werd de zaak afgesloten met een beslissing bij verstek, zodat de toepassing van de artikelen 1 en 6 van het K.B. van 26 oktober 2007 hier niet aan de orde is.
2.2.2. De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat.
Geïntimeerde houdt voor dat de wet 21 april 2007 niet toepasbaar is en verwijst hiervoor naar vijf beroepen tot vernietiging die werden ingediend bij het Grondwettelijk Hof en die inmiddels hun beslag gekregen hebben in het arrest 182/2008 van 18 december 2008.
In dit arrest wordt op grond van de aangedragen argumenten geoordeeld dat het verschil bij de verhaalbaarheid van de gerechtskosten tussen een partij die door een advocaat wordt verdedigd en een partij die door een vakbondsafgevaardigde wordt verdedigd, berust op een objectief en pertinent criterium ( B.17.2 en B.17.3).
Hierbij  wordt de mogelijke (on)gelijkheid bezien vanuit de individuele betrokkenheid van de partijen.
Dit verschil in verhaalbaarheid van de gerechtskosten leidt ertoe dat de rechtsplegingsvergoeding wel tegemoetkomt in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijkgestelde partij, maar niet in deze van de vertegenwoordiger van de in het gelijkgestelde partij of van de kosten van de in het gelijkgestelde partij in persoon. Dergelijke ongelijkheid riskeert het systeem van de tenlastelegging van de gerechtskosten te ontwrichten.
Men dient immers te erkennen dat de diensten van advocaten soortgelijk zijn aan de diensten van vakbondsafgevaardigden die voor de arbeidsgerechten hun aangesloten vertegenwoordigen en voor hen pleiten (B.17.3 van arrest 182/08) en dat zij hiervoor gespecialiseerde juridische diensten hebben ontwikkeld (B.18.3). Aldus collectiviseren de vakorganisaties het risico op een efficiënte juridische procesbijstand rekening houdend met de onvoldoende individuele financiële draagkracht van hun leden. Ten aanzien van de diensten van advocaten wordt dit risico gebeurlijk op een vergelijkbare wijze gecollectiviseerd via een stelsel van rechtsbijstandverzekeringen.
De lasten van deze rechtsbijstandsystemen verhoogden reeds substantieel door de verhoging van de rechtsplegingsvergoedingen, maar het door de vakorganisaties ingerichte systeem wordt verder scheefgetrokken doordat ze
enerzijds tot betaling worden verplicht, wanneer hun aangeslotene in het ongelijk wordt gesteld, maar anderzijds niet tot recuperatie van hun kosten kunnen komen in het omgekeerde geval.
Het recht op juridische bijstand wordt in artikel 23 van de Grondwet gekaderd binnen de sociaal-economische grondrechten. Deze worden o.m. vormgegeven in het sociaal recht, waarin de ongelijkheid tussen individuen wordt gecorrigeerd door de erkenning van collectieve rechten die het verschil in machtspositie compenseren.
In de mate dat de wet verhaalbaarheid van 21 april 2007 enkel voorziet in de forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen ten voordele van een in het gelijkgestelde partij, die door een advocaat wordt vertegenwoordigd, heeft ze tot gevolg dat de collectivisering van het risico van rechtsbijstand van door vakbondsafgevaardigden vertegenwoordigde werknemers eerder wordt gehypothekeerd dan gecorrigeerd.
Soms wordt deze ongerijmdheid onderkend, doordat ten aanzien van een werknemer, vertegenwoordigd door een vakbondsafgevaardigde, genoegen genomen wordt met de minimumvergoeding. Dit gebeurt ook in deze zaak.
Geïntimeerde vraagt echter in het beschikkend gedeelte van haar beroepsbesluiten dat dit minimumbedrag zou worden onderschreden tot  euro 223,10, zijnde de rechtsplegingsvergoeding die van toepassing was bij de aanvang van de procedure op 9 maart 2007.
Het arbeidshof stelt vast dat het Grondwettelijk Hof in het aangehaalde arrest 182/2008 aanvaardt dat, ofschoon in de parlementaire voorbereiding van de wet is verklaard dat het niet de bedoeling is dat de rechtsplegingsvergoeding onder het minimum zou worden verlaagd (Parl. St., Kamer, 2006 -2007, DOC 51 - 2891/002, p. 14) artikel 1022, vierde lid  Ger.Wb. ingevolge de standstill- verplichting van artikel 23 van de Grondwet in die zin kan worden geïnterpreteerd dat de rechtsplegingsvergoeding in dat geval kan worden vastgesteld onder het door de Koning bepaalde minimum. (B.7.6.5 en B.7.6.6).
In het hierboven aangehaalde Kamercommissieverslag leest men dat een commissielid de Minister er uitdrukkelijk op wees dat de tekst van artikel 1022, vierde lid het mogelijk maakt om de rechtsplegingsvergoeding onder het minimum te verlagen in het geval van een kennelijk onredelijke situatie, waarop de minister van Justitie preciseerde dat dit niet de bedoeling was, alhoewel ze toegaf dat dergelijke letterlijke lezing mogelijk was, maar niet langer kon toegestaan zijn zodra de bepaling in haar geheel werd beschouwd.
Dit weerhield er het Grondwettelijk Hof niet van om de tekst in het licht van artikel 23 van de Grondwet te interpreteren in de zin zoals aangebracht door het commissielid.
Een zelfde moeilijkheid rijst bij het hier van toepassing zijnde artikel 1022, derde lid Ger. Wb. wat betreft het overschrijden  van het minimumbedrag; deze onduidelijkheid kan enkel opgelost worden door een gelijkaardige grondwetsconforme interpretatie.
Artikel 1022, derde lid Ger. Wb. bepaalt immers dat de rechter de rechtsplegingsvergoeding kan verminderen zonder de door de Koning bepaalde ... minimumbedragen te overschrijden.
Het woord overschrijden betekent volgens Van Dale verder gaan dan ( Van Dale, 12e druk, 2177) het tegendeel van overschrijden is onderschrijden( Van Dale, 12e druk, 2025).
Artikel 1022, derde lid Ger. Wb. voorziet niets in verband met het door geïntimeerde gevraagde onderschrijden van het minimumbedrag, zodat de rechter bij interpretatie van de wettekst in het licht van de standstill-inhoud van artikel 23 van de Grondwet hiertoe kan beslissen teneinde het syndicaal rechtsbijstandstelsel, dat zijn grondslag vindt in artikel 728 §3 Ger. Wb., in zijn eerdere vorm te zien standhouden.
De precisering van de minister van Justitie in de parlementaire voorbereiding dat de regering niet beoogt toe te staan dat een rechtsplegingsvergoeding  onder het minimum wordt vastgelegd (Parl. St., Kamer, 2006 -2007, DOC 51 - 2891/002, p. 14), doet hieraan geen afbreuk (vgl.  B.7.6.4 arrest 182/2008 Gr. H.).
In artikel 4 van het K.B. van 26 oktober 2007 werden, gelet op de precaire financiële situatie van de overheidsfinanciën, de rechtsplegingsvergoedingen in het sociaal contentieux verminderd tot de vroeger bestaande bedragen ten aanzien van gerechtigden versus de overheid of instellingen belast met de wetten op sociale zekerheid.
Rekening houdend met de financiële draagkracht van appellante, die onder druk staat door het scheeftrekken van haar syndicaal rechtsbijstandstelsel, kan in deze zaak een vergelijkbare rechtsplegingsvergoeding worden opgelegd, zijnde  euro  291,50.
OM DEZE REDENEN
HET ARBEIDSHOF
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,
Recht sprekend op tegenspraak,
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond,
Bevestigt het bestreden vonnis,
en veroordeelt appellante tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van geïntimeerde begroot op  euro  500 en door het hof herleid tot  euro  291,50.
 
Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :
Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 6 maart 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier.
 
Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 08/11/2009 - 18:48
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 17:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.