-A +A

Cconcubinaat op zich schept geen vermoeden van het bestaan van een onverdeeldheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Herzele
Datum van de uitspraak: 
woe, 30/03/2016

Een hond - een huisdier - is zakenrechtelijk een van nature roerend goed dat bijgevolg juridisch over geen persoonlijkheid beschikt (art. 528 BW) (J. KOKELENBERG, T. VAN SINAY en H. VUYE, "Zakenrecht, Overzicht van Rechtspraak", TPR. 2001/02, nr. 8, blz. 852).

Er is desaangaande in de juridische wereld wel enige beweging aan de gang (cfr. Rechtskundig Weekblad 2014- 15, nr. 29; Eric DIRIX, "Dieren zijn geen zaken", Actualiteit, blz. 1122).

Het concubinaat op zich schept geen vermoeden van het bestaan van een onverdeeldheid, zelfs zo er materiële vermenging is.

Elk der concubanten blijft aan het hoofd van zijn eigen vermogen en mag met alle middelen zijn persoonlijke eigendom bewijzen.

Eén der samenlevenden kan allerhande stukken voorleggen waaraan de bewijskracht van een feitelijk vermoeden wordt gehecht waarvan de rechter soeverein de overtuigingskracht beoordeelt (J. KOKELENBERG, "Enige verdeelde bedenkingen omtrent onverdeeldheid", TB.B.R. 97/4, nr. 3 blz. 239). Het patrimonium van elk der concubanten blijft niettegenstaande het gemeenschappelijk leven juridisch afgescheiden van dat van de andere; bij de scheiding kan elk van hen de goederen revindiceren waarvan hij het exclusieve eigendomsrecht heeft; de concubanten zijn onverdeelde medeeigenaars van deze goederen waarvan geen van hen zijn exclusief eigendomsrecht kan aantonen (Alain VAN ROYEN, "Roerende goederen van concubinerenden. Vermogenssamenstelling - beslag - rechten van de schuldeisers", T Not. 1993,387; Hof Antwerpen 9 februari 2005, NjW 14 juni 2006, nr. 144, blz. 508).

De persoonlijke goederen van de concubanten krijgen door het gemeenschappelijk gebruik ervan geen nieuwe rechtsaffectatie.

Een meerderheid in de rechtspraak houdt/hield voor dat de bewijsvoering door middel van op naam van de aanspraakmakende partner gestelde eigendomstitel(s) niet kan worden doorkruist door de vraag naar de herkomst van de financiële middelen die gediend hebben tot de aankoop. De partner die de goederen in eigen naam heeft gekocht wordt geacht er eigenaar van te zijn ongeacht de oorsprong van de geld en waarmede de prijs werd betaald (P. SENAEVE (ed.), Concubinaat, De buitenhuwelijkse tweerelatie, nr. 349, blz. 213). Zo werd beslist dat wanneer van een bepaald goed een eigendomstitel bestaat op naam van een van de feitelijke samenwoners de vraag naar de herkomst van het geld irrelevant is bij de bepaling van het eigendomsrecht (Hof Antwerpen 5 december 2006, NjW16 mei 2007, nr. 162, blz. 414).

Deze benadering houdt in dat de herkomst van de gelden geen zakenrechtelijke aanspraken kan teweegbrengen doch in voorkomend geval, enkel obligatoire gevolgen.

Een aangroeiende strekking in rechtspraak en rechtsleer waarbij ook dit ambt zich aansluit neemt daarentegen afstand van deze tweedeling tussen het zakenrechtelijk en obligatoir aspect en neemt aan dat ook de financierende partner in de concubinaatsverhouding, wiens naam niet op de aankoopfactuur en andere relevante documenten voorkomt, toch over een zakenrechtelijke vordering op het goed zelf beschikt in de plaats van een louter obligatoir recht ten opzichte van de partner.

Hierbij wordt ervan uitgegaan dat geen aanleiding bestaat om aan gelijk welk eigendomsaanwijzend element (en dus ook niet aan de oorsprong der gelden) een zakenrechtelijke werking te weigeren (Hof Gent 25 november 2004, NJW22 juni 2005, nr. 117, blz. 804).

De concubant die een goed met eigen penningen betaalde terwijl de eigendomstitel of het eigendomsrecht op naam van de andere concubant gevestigd is kan derhalve een zakenrechtelijke aanspraak op het goed laten gelden.

Het voormelde betekent echter niet dat het exclusief eigendomsrecht van de concubant die met eigen penningen betaalde, steeds moet worden erkend tegen alle voorgebrachte stukken in; het behoort nog steeds aan de feitenrechter om soeverein en op basis van de concrete gegevens der zaak te oordelen (cfr. in dezelfde zin Hof Gent 25 november 2004, terwijl de eigendomstitel of het eigendomsrecht op naam van de andere concubant gevestigd is kan derhalve een zakenrechtelijke aanspraak op het goed laten gelden.

Het voormelde betekent echter niet dat het exclusief eigendomsrecht van de concubant die met eigen penningen betaalde, steeds moet worden erkend tegen alle voorgebrachte stukken in; het behoort nog steeds aan de feitenrechter om soeverein en op basis van de concrete gegevens der zaak te oordelen (cfr. in dezelfde zin Hof Gent 25 november 2004, o.c. en Vred. Oudenaarde-Kruishoutem 7 juni 2007, T. Vred. 2009,163).

Het actuele bezit dat de verweerder op hoofdvordering van de hond heeft kan geen titel opleveren.

Feitelijk samenwonenden kunnen zich niet beroepen op het bezit van een goed om hun eigendomsaanspraken te bewijzen nu in een feitelijke samenlevingsrelatie het bezit van de goederen die gezamenlijk worden gebruikt (ook de hond), noodzakelijk ondeugdelijk vermits dubbelzinnig is (Gent 9 april 1990, RW 1991-92,1434.

Wanneer de rechtbank vaststelt dat een hond onverdeelde mede-eigendom is, kan de rechter de verdeling van de hond niet bevelen en dienen de partijen j-hun vordering aan te passen.

 

Publicatie
tijdschrift: 
TBBR
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017-6
Pagina: 
347
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

( ... )

1. Feiten, voorgaanden en vorderingen

Partijen hebben feitelijk samengewoond van september 2005 tot juli 2015 en dit op het adres van de eiseres op hoofdvordering.

In oktober 2012 werd een hond van het type Old English Bulldog met de naam Max aangekocht in Nederland.

Bij zijn vertrek na de relatiebreuk nam de verweerder deze hond op eigen gezag mee.

De eiseres stelt dat deze hond haar eigendom is en dagvaardde de verweerder in afgifte van deze hond onder verbeurte van een dwangsom.

Bij tegenvordering vordert de verweerder op hoofdvordering de afgifte door de eiseres op hoofdvordering van de in zijn syntheseconclusie opgenomen (roerende) goederen.

De zaak werd initieel ingeleid voor de familierechtbank; bij het voormelde vonnis verklaarde deze zich onbevoegd en verzond de zaak naar deze zetel.

Beide partijen houden voor exclusief eigenaar te zijn van de kwestige hond.

Deze hond - een huisdier - is zakenrechtelijk een van nature roerend goed dat bijgevolg juridisch over geen persoonlijkheid beschikt (art. 528 BW) (J. KOKELENBERG, T. VAN SINAY en H. VUYE, "Zakenrecht, Overzicht van Rechtspraak", TPR. 2001/02, nr. 8, blz. 852).

Er is desaangaande in de juridische wereld wel enige beweging aan de gang (cfr. Rechtskundig Weekblad 2014- 15, nr. 29; Eric DIRIX, "Dieren zijn geen zaken", Actualiteit, blz. 1122).

Nu de eiseres op hoofdvordering de hond terugvordert dient zij haar eigendomsrecht en eigendomstitel aan te tonen.

Het concubinaat op zich schept geen vermoeden van het bestaan van een onverdeeldheid, zelfs zo er materiële vermenging is.

Elk der concubanten blijft aan het hoofd van zijn eigen vermogen en mag met alle middelen zijn persoonlijke eigendom bewijzen.

Eén der samenlevenden kan allerhande stukken voorleggen waaraan de bewijskracht van een feitelijk vermoeden wordt gehecht waarvan de rechter soeverein de overtuigingskracht beoordeelt (J. KOKELENBERG, "Enige verdeelde bedenkingen omtrent onverdeeldheid", TB.B.R. 97/4, nr. 3 blz. 239). Het patrimonium van elk der concubanten blijft niettegenstaande het gemeenschappelijk leven juridisch afgescheiden van dat van de andere; bij de scheiding kan elk van hen de goederen revindiceren waarvan hij het exclusieve eigendomsrecht heeft; de concubanten zijn onverdeelde medeeigenaars van deze goederen waarvan geen van hen zijn exclusief eigendomsrecht kan aantonen (Alain VAN ROYEN, "Roerende goederen van concubinerenden. Vermogenssamenstelling - beslag - rechten van de schuldeisers", T Not. 1993,387; Hof Antwerpen 9 februari 2005, NjW 14 juni 2006, nr. 144, blz. 508).

De persoonlijke goederen van de concubanten krijgen door het gemeenschappelijk gebruik ervan geen nieuwe rechtsaffectatie.

Een meerderheid in de rechtspraak houdt/hield voor dat de bewijsvoering door middel van op naam van de aanspraakmakende partner gestelde eigendomstitel(s) niet kan worden doorkruist door de vraag naar de herkomst van de financiële middelen die gediend hebben tot de aankoop. De partner die de goederen in eigen naam heeft gekocht wordt geacht er eigenaar van te zijn ongeacht de oorsprong van de geld en waarmede de prijs werd betaald (P. SENAEVE (ed.), Concubinaat, De buitenhuwelijkse tweerelatie, nr. 349, blz. 213). Zo werd beslist dat wanneer van een bepaald goed een eigendomstitel bestaat op naam van een van de feitelijke samenwoners de vraag naar de herkomst van het geld irrelevant is bij de bepaling van het eigendomsrecht (Hof Antwerpen 5 december 2006, NjW16 mei 2007, nr. 162, blz. 414).

Deze benadering houdt in dat de herkomst van de gelden geen zakenrechtelijke aanspraken kan teweegbrengen doch in voorkomend geval, enkel obligatoire gevolgen.

Een aangroeiende strekking in rechtspraak en rechtsleer waarbij ook dit ambt zich aansluit neemt daarentegen afstand van deze tweedeling tussen het zakenrechtelijk en obligatoir aspect en neemt aan dat ook de financierende partner in de concubinaatsverhouding, wiens naam niet op de aankoopfactuur en andere relevante documenten voorkomt, toch over een zakenrechtelijke vordering op het goed zelf beschikt in de plaats van een louter obligatoir recht ten opzichte van de partner.

Hierbij wordt ervan uitgegaan dat geen aanleiding bestaat om aan gelijk welk eigendomsaanwijzend element (en dus ook niet aan de oorsprong der gelden) een zakenrechtelijke werking te weigeren (Hof Gent 25 november 2004, NJW22 juni 2005, nr. 117, blz. 804).

De concubant die een goed met eigen penningen betaalde terwijl de eigendomstitel of het eigendomsrecht op naam van de andere concubant gevestigd is kan derhalve een zakenrechtelijke aanspraak op het goed laten gelden.

Het voormelde betekent echter niet dat het exclusief eigendomsrecht van de concubant die met eigen penningen betaalde, steeds moet worden erkend tegen alle voorgebrachte stukken in; het behoort nog steeds aan de feitenrechter om soeverein en op basis van de concrete gegevens der zaak te oordelen (cfr. in dezelfde zin Hof Gent 25 november 2004, terwijl de eigendomstitel of het eigendomsrecht op naam van de andere concubant gevestigd is kan derhalve een zakenrechtelijke aanspraak op het goed laten gelden.

Het voormelde betekent echter niet dat het exclusief eigendomsrecht van de concubant die met eigen penningen betaalde, steeds moet worden erkend tegen alle voorgebrachte stukken in; het behoort nog steeds aan de feitenrechter om soeverein en op basis van de concrete gegevens der zaak te oordelen (cfr. in dezelfde zin Hof Gent 25 november 2004, o.c. en Vred. Oudenaarde-Kruishoutem 7 juni 2007, T. Vred. 2009,163).

Het actuele bezit dat de verweerder op hoofdvordering van de hond heeft kan geen titel opleveren.

Feitelijk samenwonenden kunnen zich niet beroepen op het bezit van een goed om hun eigendomsaanspraken te bewijzen nu in een feitelijke samenlevingsrelatie het bezit van de goederen die gezamenlijk worden gebruikt (ook de hond), noodzakelijk ondeugdelijk vermits dubbelzinnig is (Gent 9 april 1990, RW 1991-92,1434).

De verweerder heeft zich dit bezit overigens zelf toegeëigend door de hond bij zijn vertrek uit de woning van de eiseres mee te nemen.

Waar de eiseres het bij art. 2279 BW ingestelde vermoeden dat het bezit als titel geldt, ontkracht, ontslaat haar dit echter niet van de verplichting om haar eigendomsrecht of eigendomstitel te bewijzen.

De eiseres steunt haar eigendomsrecht op stukken op haar naam gesteld bij de aankoop; de verweerder steunt het door hem beweerde eigendomsrecht op de bewering dat de hond werd gekocht met van zijn rekening opgenomen gelden.

Uit de voorliggende gegevens der zaak volgt effectief dat bij de aankoop van de hond de eiseres op de door de verkoper opgestelde papieren werd aangeduid als eigenaar; het bij de aankoop afgeleverde garantiebewijs werd enkel door de eiseres ondertekend.

Op het voorlopige identificatiecertificaat werd daarentegen de naam van beide partijen vermeld als "verantwoordelijke"; de hond werd door de Belgische Vereniging voor Identificatie en Registratie van Honden, eveneens geïdentificeerd en geregistreerd op naam van beide partijen.

De verweerder toont aan dat hij het bedrag voor de aankoop van de hond (700,00 EUR) afhaalde van zijn rekening; bij de behandeling der zaak betwistte de eiseres ook niet dat met deze som de aankoop werd betaald doch dat de verweerder haar deze som had overhandigd in betaling van zaken welke hij aan haar nog verschuldigd was en derhalve in onderlinge verrekening van uitgaven verband houdende met het concubinaat.

Beide partijen hebben zich ook samen naar Nederland begeven met de bedoeling de hond aldaar samen uit te kiezen en aan te kopen en het staat onomstotelijk vast dat deze diende als gezelschapsdier voor beide concubanten binnen het concubinaat.

De facturen met betrekking tot dierengeneeskundige verstrekkingen aan en voor het dier werden eveneens gericht aan de beide concubanten.

Al deze concrete gegevens en stukken leiden tot de conclusie dat de hond in rechte dient aangezien te worden als onverdeelde mede-eigendom der beide gewezen concubanten. Nu een hond niet vatbaar is voor "verdeling" past het dat de partijen hun vordering aanpassen uitgaande van de voormelde juridische benadering van het eigendomsrecht over de hond.

Hiertoe worden de debatten ambtshalve heropend.

B. Tegenvordering

Zoals vermeld vordert de verweerder op hoofdvordering bij tegenvordering de afgifte door de eiseres van de in zijn syntheseconclusie nader omschreven goederen welke hij stelt zijn persoonlijke eigendom te zijn.

Bij de behandeling der zaak op 2 maart 2016 erkende de verweerster op tegenvordering dat er nog enkele persoonlijke zaken van de eiser bij haar zijn doch absoluut niet alle goederen welke in de syntheseconclusie zijn opgegeven; zij stelde zelfs vragende partij te zijn opdat de eiser deze goederen eindelijk bij haar zou afhalen en dat deze goederen klaar voor afhaling stonden.

Doordat het in de regel perfect mogelijk moest zijn deze kwestie op te lossen met bemiddeling van de beide raadslieden werd de zaak voor sluiting van debatten op 2 weken gesteld.

Wat in deze periode op dit vlak precies verder gebeurd is, is dit ambt onbekend behoudens dat op 11 maart 2016 een kopie van een mail van meester DANEELS aan meester LAGAET de griffie bereikte waaruit tot uiting moet komen dat partijen zelfs dergelijke in beginsel eenvoudige kwestie niet kunnen oplossen door gebrek aan coöperatie van de eiser op tegenvordering.

Waar het onmogelijk is exact te bepalen welke goederen van deze eiser zich nog bij de verweerster bevinden en aangezien deze klaarblijkelijk volkomen inert blijft om een vordering welke hij zelf heeft gesteld te benaarstigen door de goederen welke de verweerster vrijwillig wil afgeven, niet op te halen of desaangaande passende afspraken te maken, wordt de tegenvordering hic et nunc toelaatbaar doch ongegrond verklaard.

De beslissing aangaande de gerechtskosten wordt aangehouden.

Om deze redenen:

Rechtdoende op tegenspraak.

Verklaart de hoofd- en de tegenvordering toelaatbaar. Recht doende op de hoofdvordering

Zegt voor recht dat de kwestige hond een gemeenschappelijk goed is en nodigt de partijen uit hun verdere vorderingen te stellen vanuit deze vaststelling en beveelt hiertoe ambtshalve de heropening der debatten.

Verleent aan de eiseres tot en met 10 mei 2016 en aan de verweerder tot en met 31 mei 2016 om hun schriftelijke opmerkingen uit te wisselen en over te maken aan dit ambt. Zegt dat de zaak verder zal behandeld worden op de openbare terechtzitting van deze zetel van woensdag 8 juni 2016 om 9.00 uur.

Verklaart de tegenvordering ongegrond.

Houdt de beslissing aangaande de gerechtskosten aan.

( ... )

 

Noot: 

Note - Le chien de ma moitié ou la moitié de mon chien ? Réflexions sur Ie sort des animaux de compagnie dans Ie cadre de la séparation d'un couple

•. S. BRAT et A.-Ch. VAN GYSEL, « La copropriété et l'union libre. Les rapports des concubins entre parties et avec les tiers », in Les copropriétés, Bruxelles, Larcier, 1999, p. 334 ;

• Ph. DE PAGE, « Le patrimoine des cohabitants et les difficultés en résultant - la cohabitation de fait », in Cohabitation légale et cohabitation de fait. Aspects civils et fiscaux, Louvain-la-Neuve, Anthemis, 2008, p. 7 ;

• E. GROSJEAN, « La composition des patrimoines des cohabitants », in La séparation du couple non marié (sous la dir. de J. SOSSON), Bruxelles, Larcier, 2016, p. 78;

• Y.-H. LELEU, « Les biens et Ie logement du couple non marié », in Le couple non marié à la lumière de la cohabitation légale (sous la dir. de J.-L. RENCHON et F. TAINMONT), Louvain-la-Neuve, Bruylant-Academia, 2000, p. 156.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 13/06/2018 - 22:48
Laatst aangepast op: wo, 13/06/2018 - 22:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.