-A +A

Conclusies die een advocaat voor zichzelf als partij neerlegt mogen niet uit debatten worden geweerd

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 23/06/2017
A.R.: 
C.15.0351.N
De appelrechters die op eigen gronden de beslissingen van het beroepen vonnis bevestigen, nemen hierdoor de eventuele nietigheid van het beroepen vonnis niet over.
 
De omstandigheid dat een baliereglement bepaalt dat een advocaat zich in beginsel ervan moet onthouden zijn zaak persoonlijk te bepleiten, houdt niet in dat conclusies die in strijd met dit reglement door de advocaat zelf zijn neergelegd, uit het debat dienen te worden geweerd.
Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.15.0351.N

1. J. V. M.,

2. A. burgerlijke vennootschap, onder de vorm van een bvba, met zetel te 9000 Gent, Groot-Brittaniëlaan 12,

eisers,

tegen

1. S. L.,

2. ADVOCATENKANTOOR S.L. burgerlijke vennootschap, onder de vorm van een bvba, met zetel te 9810 Nazareth, Isidoor Van Kerrebroeckstraat 36,

verweersters,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 11 mei 2015.

Sectievoorzitter Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

I. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens artikel 6.1 EVRM heeft eenieder bij het vaststellen van zijn bur-gerlijke rechten en verplichtingen recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging vereist eveneens dat de appelrechter aan wie een volledige toetsingsmogelijkheid wordt geboden en die de zaak zelf kan berechten, de regelmatigheid van de procedure gevolgd in eerste aanleg zou onderzoeken wanneer een partij hem dit vraagt.

De vraag of het proces eerlijk is verlopen wordt beoordeeld na onderzoek van de procedure in haar geheel.

2. Krachtens artikel 1068, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek maakt hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig bij de rechter in hoger beroep.

De appelrechters die op eigen gronden de beslissingen van het beroepen vonnis bevestigen, nemen hierdoor de eventuele nietigheid van het beroepen vonnis niet over.

3. De appelrechters oordelen dat:

- zij de eerste rechter niet volgen waar deze de conclusies van de eisers van 1 april 2011 en 29 augustus 2011 uit het debat weert;

- deze conclusies tijdig werden neergelegd;

- de omstandigheid dat het baliereglement van Gent bepaalt dat een advocaat zich in beginsel ervan moet onthouden zijn zaak persoonlijk te bepleiten, niet inhoudt dat conclusies die in strijd met dit reglement door de advocaat zelf zijn neergelegd, uit het debat dienen te worden geweerd;

- de beslissing tot wering van de conclusies wordt hervormd;

- dit niet inhoudt dat de beslissingen ten gronde van de eerste rechter dienen te worden vernietigd.

Zij motiveren vervolgens, met inachtname van de conclusie van de eisers, om-standig waarom en in welke mate zij de beslissingen ten gronde van de eerste rechter bijtreden.

4. De appelrechters die aldus de regelmatigheid van de procedure in eerste aanleg onderzoeken, zoals de eisers hadden gevorderd, en, na vaststelling van de door de eerste rechter begane onregelmatigheid, in het kader van een nieuw on-derzoek van de zaak, met inachtname van de conclusie van de eisers, de beslissin-gen van de eerste rechter op grond van eigen motieven deels bevestigen, misken-nen, om de enkele reden dat zij het vonnis van de eerste rechter niet formeel ver-nietigen, noch het recht op een eerlijk proces, noch het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

5. In zoverre het middel nalaat te preciseren hoe en waardoor het arrest artikel 780, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek schendt, is het onnauwkeurig en mitsdien niet ontvankelijk.

Tweede middel

6. Krachtens artikel 780bis, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek kan de partij die de rechtspleging aanwendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doelein-den worden veroordeeld tot een geldboete van 15 euro tot 2.500 euro, onvermin-derd de schadevergoeding die gevorderd zou worden.

De eventuele vordering tot schadevergoeding vindt haar grondslag in de buiten-contractuele aansprakelijkheid.

7. In zoverre het middel de schending aanvoert van artikel 780bis Gerechtelijk Wetboek, kan het niet tot cassatie leiden en is het mitsdien, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

8. Een geding kan een tergend of roekeloos karakter hebben wanneer een partij de bedoeling heeft nadeel te berokkenen aan de andere partij of haar recht om in rechte op te treden uitoefent op een wijze die kennelijk de grenzen overschrijdt van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en zorgzaam per-soon.

9. De omstandigheid dat door de eerste rechter een onregelmatigheid werd be-gaan zoals de appellant aanvoert, sluit niet uit dat de appelrechter op grond van de omstandigheden van de zaak kan oordelen dat de appellant, die ten gronde in het ongelijk wordt gesteld, misbruik van de procedure heeft gemaakt.

In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eisers op 1149,49 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, en in openbare rechtszitting van 23 juni 2017

VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: 1. De heer V. D. M. J.,

2. De bvba A., met maatschappelijke zetel te 9000 Gent, Groot-Brittanniëlaan 12, met ondernemingsnummer 0475.285.152,

eisers tot cassatie,

TEGEN: 1. Mevrouw L. S.,

2. De bvba ADVOCATENKANTOOR S.L., met maatschappelijke zetel te 9810 Nazareth, Isidoor Van Kerrebroek-straat 36, met ondernemingsnummer 0896.054.821

verweersters in cassatie.

 

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter van het Hof van Cassatie,

Aan de Dames en Heren Raadsheren bij het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

 

Eisers hebben de eer een arrest aan uw beoordeling voor te leggen dat op tegenspraak tussen de partijen op 11 mei 2015 werd uitgesproken door de zevende kamer van het hof van beroep te Gent (2011/AR/3420).

 

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

 

1. Eiser was meerderheidsaandeelhouder (177 van de 186 aandelen) en enige zaakvoerder van de bvba A., eiseres. Tweede verweerster was eigenares van 9 aandelen van eiseres.

Bij exploot van 11 juni 2010 lieten verweersters eisers dagvaarden voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent teneinde :

- de stukken die werden voorgelegd aan de algemene vergaderingen van de bvba Avdamo van 12 december 2009, 30 december 2009 en 11 december 2010 nietig te verklaren,

- de algemene vergaderingen van de bvba Avdamo van 12 december 2009, 30 december 2009 en 11 december 2010 nietig te verklaren met inbegrip van alle beslissingen die er werden genomen inzake en op grond van de vermeende jaarrekeningen per 30 juni 2009 en 30 juni 2010,

- eisers verbod op te leggen om vanaf de betekening van het te vellen vonnis nog op enigerlei wijze gebruik te maken van deze vermeende jaarrekeningen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van euro 50.000 per inbreuk vanaf deze betekening, met een maximum van euro 250.000,

- eisers solidair minstens in solidum te veroordelen om conform de dading van 25 september 2010 alle boekingen uit te voeren in de jaarrekeningen van eiseres vanaf deze per 30 juni 2009 en verder, met inbegrip van het wegboeken van alle vermeende vorderingen ten aanzien van elk van de eiseressen, en dit binnen 8 kalenderdagen vanaf de betekening van het te vellen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van euro 2500 per jaar rekening en per kalenderdag vertraging, vanaf het verstrijken van deze termijn,

- eisers solidair, minstens in solidum te veroordelen om een kopie over te maken van de aldus gecorrigeerde jaarrekeningen aan elk van de eiseressen en dit binnen 8 kalenderdagen vanaf de betekening van het te vellen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van euro 500 per jaar rekening en per kalenderdag vertraging, vanaf het verstrijken van deze termijn,

- eisers solidair, minstens in solidum te veroordelen om de aldus gecorrigeerde jaarrekeningen binnen de maand na de betekening van het te vellen vonnis neer te leggen op de Nationale Bank, onder verbeurte van een dwangsom van euro 2500 per jaar rekening en per kalenderdag vertraging, vanaf het verstrijken van deze termijn,

- akte te verlenen van het voorbehoud dat verweersters formuleren om een schadevergoeding te vorderen van eisers,

- eisers solidair, minstens in solidum te veroordelen tot alle kosten van het geding.

Bij vonnis van 31 oktober 2011 dat met toepassing van art. 747 Ger. W. op tegenspraak werd gewezen, werden de vorderingen van verweersters ontvankelijk en gegrond verklaard.

2. Bij verzoekschrift van 22 december 2011 stelden eisers hoger beroep in tegen dit vonnis.

In het bestreden arrest verklaart de zevende kamer van het hof van beroep te Gent het hoger beroep ontvankelijk en grotendeels ongegrond. Eisers worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van euro 6000 wegens tergend en roekeloos hoger beroep.

 

 

EERSTE MIDDEL TOT CASSATIE

 

Geschonden wetsbepalingen

• Artikel 6.1 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955,

• artikel 780, eerste lid, 3° van het Gerechtelijk Wetboek,

• het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbied voor het recht van verdediging.

 

Aangevochten beslissing

Na te hebben vastgesteld dat de eerste rechter ten onrechte de conclusies van eisers uit de debatten heeft geweerd en deze beslissing tot wering van de be-sluiten te hebben hervormd, beslissen de appelrechters dat er niettemin geen reden is om de beslissing van de eerste rechter te vernietigen en bevestigen de appel-rechters de beslissing van de eerste rechter, op grond van de volgende overwegin-gen :

"Het [hof van beroep] volgt de eerste rechter niet waar hij de besluiten voor de [eisers], neergelegd op 1 april 2011 en 29 augustus 2011, uit de debatten heeft geweerd.

Met beschikking van 3 januari 2011 is door de eerste rechter met toepassing van artikel 747 § 2 Ger.W. aan de [eisers] de mogelijkheid verleend om conclusies te nemen "tegen uiterlijk 1 april 2011" respectievelijk "tegen uiterlijk 1 september 2011" (zie gerechtsdossier procedure voor de eerste rechter, stuk nr. 11).

De kwestieuze conclusies voor de [eisers] zijn bijgevolg tijdig neergelegd.

Anderzijds volstaat het dat ze op die uiterlijke data verstuurd zijn geworden naar de tegenpartij. Dit blijkt ook het geval te zijn geweest.

Het is niet omdat er een baliereglement van Gent is / was dat een advocaat "in beginsel" zich moet onthouden zijn zaak persoonlijk te bepleiten zowel in burgerlijke als in strafzaken, dat de besluiten die zijn neergelegd door de advocaat zelf c.q. zijn professionele vennootschap, uit de debatten zouden moeten worden geweerd.

Daargelaten de vraag naar de interpretatie van dergelijke balieregel, ligt nergens voor dat besluiten die - bij hypothese - in strijd met het voormelde "beginsel" zijn neergelegd, door de rechter uit de debatten zouden moeten worden geweerd.

De beslissing tot wering van de besluiten, wordt hervormd.

Dit brengt evenwel niet met zich mee dat de beslissingen ten gronde van de eerste rechter ook zou moeten worden vernietigd.

Hierover wordt hieronder geoordeeld."

De appelrechters beoordelen vervolgens als volgt de tussen partijen gere-zen betwisting:

II.

De "dadingovereenkomst van 25 september 2010 (stuk nr. 10, dossier ver-weersters) staat bij de voorliggende betwistingen centraal,

A.

Voor de beoordeling van de vraag of de ""dadingovereenkomst" van 25 september 2010 een dading is en of deze als dading ook geldig is, hoeft geenszins te worden nagegaan of de overeenkomst al dan niet ontstaan is onder impuls, toezicht of wat dan ook vanwege de toenmalige Stafhouder van de balie te Gent.

B.

Zoals de eerste rechter terecht heeft besloten, is de "dadingsovereenkomst", gedateerd op 25 september 2010, wel degelijk een dading in de zin van artikel 2044 BW, met name een "contract, waarbij partijen een gerezen geschil beëindigen, of een toekomstig geschil voorkomen."

a.

Bij een en ander mag vooreerst niet uit het oog worden verloren dat de beide zijden advocaten zijn, waarvan moet verondersteld worden dat zij weten wat de juridische draagwijdte van een "dading" is, wat de draag-wijdte van een handtekening is, al dan niet voorafgegaan van een handge-schreven "akkoord", wat paraferen betekent op elk der bladzijden - zoals ook effectief is geschied, met inbegrip van de laatste bladzijde waarop de handtekeningen staan - en...wat het onverkort en ongewijzigd houden van de volgende zin betekent - die de handtekeningen voorafgaat, nl.:

"Opgemaakt te Eke in 4 exemplaren op 25 september 2010, waarvan elke Partij erkent er één ontvangen te hebben."

Wat [eiser] zelf aangaat, zij er vastgesteld dat er niet minder dan acht maal een handtekening van hem op de kwestieuze overeenkomst voorkomt, méér zes maal een paraaf onderaan elke bladzijde van die overeenkomst.

b.

Op de overeenkomst is er vooraf een voorafgaande uiteenzetting van feiten en vorderingen.

Deze voorafgaande uiteenzetting eindigt met;

"Partijen wensen met huidige overeenkomst door het doen van weder-zijdse toegevingen definitief een einde te stellen aan alle geschillen die er tussen hen bestaan of zouden kunnen ontstaan."

Dergelijke zin laat geen twijfel over de bedoeling van de personen die partij zijn bij een overeenkomst die deze zin bevat.

c.

Het past de overeenkomst voor het overige hieronder letterlijk over te ne-men wat onder artikel 2 "Voorwerp", staat:

"

Artikel 2 Voorwerp

Dat Partijen verkiezen bij wijze van wederzijdse toegevingen een einde te Stellen aan alle tussen hen gerezen betwistingen en geschillen en derhalve een dading wensen af te sluiten onder de voorwaarden en mo-daliteiten zoals hierna bepaald.

De wederzijdse toegevingen kunnen ais volgt worden samengevat:

2. A., JVDM en SL komen bij wege van dading overeen dat zij niets meer van elkaar te vorderen hebben noch in hoofdsom intrest of kosten, zowel uit hoofde van de samenwerking als uit welkdanige andere oorzaak. "Akkoord" [handgeschreven toegevoegd door [eiser]] [handtekening [eiser]]

2. A., JVDM en ADSL komen bij wege van dading overeen dat ADSL slechts een schuld heeft aan A. van 53.600EUR in plaats van de onder sub A vermelde bedragen en dat zij verder niets meer van elkaar te vorderen hebben, noch in hoofdsom, intrest of kosten, zowel uit hoofde van de samenwerking als uit welkdanige andere oorzaak. A. en ADSL komen uitdrukkelijk overeen dat ADSL deze schuld definitief onmiddellijk en volledig bevrijdend heeft betaald door de compensatie met de Prijs ingevolge de verkoop aan A. van 9 kapitaalsaandelen van A. voor de prijs van 53.600,- EUR. "Ak-koord" [handgeschreven toegevoegd door [eiser]] [handtekening [ei-ser]]

3. A. en JVDM verbinden er zich eveneens toe om in uitvoe-ring van huidige dading alle boekingen in hun Jaarrekening uit te voeren binnen de week na de ondertekening van huidige dading (dit laatste handmatig doorgehaald) en hiervan kopie over te maken aan SL en ADSL en deze jaarrekening te publiceren tegen uiterlijk 31.12.2010 en dit op verbeurte van een dwangsom van 2500 EUR per dag vertraging. [dit laatste handmatig doorgehaald] [handtekening [eiser]]

4. Partijen verbinden er zich toe om elk respectievelijk in hun ven-nootschap alle vennootschapsrechtelijke bepalingen na te leven die van toepassing zijn op deze transactie. Partijen komen uitdrukkelijk overeen dat SL en ADSL in geen enkel opzicht kunnen gehouden zijn tot enige gevolg of schadevergoeding voor de niet naleving door A. en JVDM van enige statutaire of vennootschapsrechtere bepaling, omge-keerd kunnen A. en JVDM niet gehouden zijn voor SL en ADSL. "Akkoord" [handgeschreven toegevoegd door [eiser]] [handtekening [eiser]]

5. Mocht om welkdanige reden de voormelde compensatie door wie dan ook worden aangevochten, dan komen Partijen uitdrukkelijk en on-herroepelijk overeen dat de erkenning van schuld van ADSL aan AD-VAMO van 53.600EUR vervalt en ADSL tot geen enkele betaling meer gehouden is, noch in hoofdsom intrest of kosten.

Alsdan zal de dading inhouden dat A. en SL niets meer van el-kaar te vorderen hebben, en A. en ADSL eveneens niets meer van elkaar te vorderen hebben.

6. Regeling met betrekking tot de 9 aandelen die ADSL bezit binnen A.:

-Naar aanleiding van deze dading draagt ADSL (Verkoper) in volle ei-gendom de aandelen van A. over aan A. (Koper] die aanvaardt;

-Deze koop/verkoop vindt plaats voor de totale prijs van 53.600 EUR, welke de Koper zal voldoen door de compensatie met de schuld die de Verkoper heeft aan de Koper, welke compensatie intreedt door de on-dertekening van huidige overeenkomst.

-De eigendom, het bezit en het genot van de aandelen, voorwerp van deze overeenkomst, gaan over van de Verkoper naar de Koper bij de ondertekening van huidige overeenkomst en bij de gelijktijdige inschrij-ving in het register van de aandelen van de Vennootschap, teneinde de overdracht tegenstelbaar te maken aan derden en aan de Vennootschap.

-Vanaf dat ogenblik zijn alle baten en lasten van deze aandelen voor re-kening van de Koper, daarbij inbegrepen het recht op dividend voor de vorige, het lopende en de toekomstige boekjaren.

-De Koper oefent vanaf deze datum alle aan deze aandelen verbonden rechten uit en staat in voor alle gevolgen en risico's daaraan verbonden.

"Mits dit fiscaal en boekhoudkundig voor beide partijen de beste oplos-sing is"[handgeschreven toegevoegd door [eiser]] [handtekening [ei-ser]]

"A. en JVDM nemen de verantwoordelijkheid op zich voor de da-den en handelingen die SL en ADSL gesteld hebben namens A.. Er wordt hen voorzover als nodig décharge gegeven voor de gestelde han-delingen en erkent dat zij geen bestuursmandaat waarnam" [handge-schreven toegevoegd door [eiser]) [handtekening [eiser]]

De Koper verklaart geen verdere informatie te wensen en ontslaat de Verkoper expliciet van iedere verdere voorlichtingsplicht

7. SL trekt al haar tuchtrechtelijke klachten met onmiddellijke ingang in."

Voormeld artikel 2 spreekt voor zich.

Wederzijds worden expliciete toegevingen gedaan en worden er uitvoe-ringsmodaliteiten vastgelegd.

d.

Om de partijen nogmaals erop te wijzen dat zij ten opzichte van mekaar niets meer te vorderen hebben - bijgevolg tot onderstreping van het dading-aspect, met name definitieve regeling van de tussen de partijen bestaande betwistingen staat onder artikel 3 "Dadingovereenkomst":

"De Overeenkomst wordt gesloten bij wijze van dading in de zin van ar-tikel 2044 van het Burgerlijk Wetboek ter definitieve regeling van de be-twistingen en geschillen gerezen tussen de Overnemers en de Overdra-ger,

Partijen verklaren derhalve dat hun wederzijdse geschillen en betwis-tingen hiermee als definitief geregeld gelden, dat zij wederzijds geen andere vorderingen meer kunnen instellen dan degene die het voorwerp uitmaken van huidige overeenkomst en dat na zij aldus na uitvoering van deze overeenkomst geen enkel tegoed, vordering noch aanspraak meer hebben op elkaar zodat de huidige overeenkomst geldt voor slot van alle rekeningen.

Partijen verzaken eraan enige dwaling omtrent de feiten of het recht of omtrent het bestaan en de omvang van hun rechten in te roepen en ver-klaren dat zij na uitvoering van huidige overeenkomst geen enkel tegoed, vordering, noch aanspraak meer hebben op elkaar."

Waar de [eisers] voorhouden dat niet alles zou zijn geregeld tussen de partijen, is dit bijgevolg onjuist en kan die opwerping hoogstens het voor-werp uitmaken van een interpretatiegeschil, zonder aantasting van de gel-digheid van de voorliggende overeenkomst op zich.

e.

Onder artikel 4 "Wanprestatie" staat:

"In geval van gehele of gedeeltelijke nalatigheid van één der partijen bij de uitvoering van zijn of haar verplichtingen opgenomen in het kader van de overeenkomst, zullen de andere belanghebbende partij(en) gerechtigd zijn de nalatige partij te horen veroordelen tot gedwongen uitvoering van de overeenkomst en in voorkomend geval tot het betalen van schadevergoeding."

In zoverre de [eisers] voorhouden dat de [verweersters] de vertrouwelijk-heid van de overeenkomst hebben geschonden door de betwistingen in rechte te brengen, is artikel 4 duidelijk en is de plicht van vertrouwelijkheid hoegenaamd niet geschonden doordat de [verweersters] de betwistingen in rechte hebben gebracht.

Overigens, artikel 6 dat de vertrouwelijkheid aan de orde stelt, vangt aan met "Tenzij waar anders bepaald (...)"

C.

De [eisers] kunnen hoegenaamd niet begrepen worden waar zij voorhou-den dat de overeenkomst niets anders zou zijn geweest dan de uiting van-wege de [eisers] van hun intentie om tot een dading te komen.

Dat de termijnen waarbinnen bepaalde verrichtingen zouden moeten wor-den uitgevoerd, zijn geschrapt, heeft enkel als gevolg dat het gemeenrecht van toepassing is: er moet onmiddellijk worden uitgevoerd en na een inge-brekestelling is er een in gebreke blijvende partij...

De schrapping van termijnen heeft niets te maken met het at dan niet koes-teren van de intentie om een dading af te sluiten.

De termen van de overeenkomst zijn dermate duidelijk dat de bewering van slechts een intentie in hoofde van de [eisers], nergens op stoelt.

Dat de overeenkomst pas achteraf door de [verweersters] zou zijn onder-tekend toont evenmin iets aan in verband met de kracht en duidelijkheid van de dading als dusdanig.

III.

A.

De overeenkomst eindigt met:

"Opgemaakt te Eke in 4 exemplaren op 25 september 2010, waarvan elke partij erkent er één ontvangen te hebben."

De vraag of er ook effectief vier exemplaren zijn opgesteld, Is het voorwerp geweest van een strafonderzoek na klacht met burgerlijke partijstelling vanwege de [eisers].

Een en ander is, mede na een Cassatieprocedure, geëindigd zonder verdere strafvervolging.

Het feit dat de overeenkomst eindigt met de expliciete én ondertekende vermelding dat er 4 exemplaren zijn opgemaakt en dat elke partij er één heeft ontvangen, brengt met zich mee dat de [eisers] de bewijslast hebben om aan te tonen dat die bevestiging niet overeenstemt met de werkelijkheid.

Een strafprocedure ten gronde is er desbetreffend alleszins niet geweest.

Anderzijds kan er in het strafonderzoek geen voldoende naar recht over-tuigend bewijs worden teruggevonden dat er ook daadwerkelijk geen vier exemplaren zijn opgemaakt.

Ten onrechte beroepen de [eisers] zich dan ook op artikel 1325 BW.

B.

Wat meer is.

De [verweersters] kunnen zich wel degelijk op artikel 1325 BW beroepen ten aanzien van de [eisers].

Immers er is reeds een begin van uitvoering van de dading door de [eisers].

Op datum van 27 augustus 2013 heeft er een kapitaalverhoging en statu-tenwijziging plaats gehad in de BVBA A. (zie stuk nr. 24, eerste on-derdeel dossier [verweersters]).

Hierin kan gelezen worden dat [eiser] zich voordoet als de enige aandeel-houder van de 186 aandelen van de vennootschap: "houder van 186 aan-delen".

Dat [eiser] "houder" van alle aandelen is geworden, kan uiteraard slechts wanneer hij de 9 aandelen van de BVBA Advocatenkantoor Stéphanie Laleeuw - rechtstreeks dan wel onrechtstreeks (via de BVBA A. die de aandelen inkoopt) - heeft bekomen als reeds uitgevoerd onderdeel van de dadingovereenkomst, waarvan hij anderzijds voorhoudt dat deze dading onbestaande zou zijn.

De (relatieve) nietigheid van de dadingovereenkomst wegens beweerd niet nakomen van artikel 1325 BW, kunnen de [eisers] niet inroepen, aangezien de [eisers] reeds (gedeeltelijk) hebben uitgevoerd (cf. B. Tilleman, I. Claeys, Chr. Coudron en K. Loontjens, Dading, APR, 2000, nrs. 812 e.v,, blz. 392 e.v., vnl, nr. 814).

IV.

De vorderingen zoals toegewezen door de eerste rechter sluiten volkomen aan bij wat is vervat in c.q. volgt uit de dadingovereenkomst die hierboven is bevestigd in zijn geldigheid,

Het incidenteel beroep tot het wegnemen van elk maximum bij het verbeu-ren van dwangsommen, is gedeeltelijk gegrond.

Waar de dadingovereenkomst op een voor het [hof van beroep] patente wijze geldig is, dienden de [eisers] deze uit te voeren.

Hieronder wordt daarenboven bevestigd dat het hoger beroep vanwege de [eisers] slechts ingegeven is om de [verweersters] te tergen en tevens roe-keloos is.

De niet-uitvoering van de dading zal blijvend moeten gesanctioneerd wor-den door dwangsommen.

Er wordt een maximum bepaald van telkens drie maal de door de eerste rechter bepaalde maxima.

Evenwel zullen de dwangsommen die bijkomend worden verbeurd bovenop het plafond dat door de eerste rechter is bepaald, slechts bijkomend worden verbeurd vanaf de eerste dag na betekening van onderhavig arrest, zo niet zou er sprake zijn van het retroactief toepassen van de dwangsommen.

V.

Zoals reeds vermeld, het hoger beroep vanwege de [eisers] is slechts inge-geven om de [verweersters] te tergen en het is tevens roekeloos.

Een schadevergoeding van 6.000,00 EUR is redelijk en billijk, te vermeer-deren met vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf heden.

DE GERECHTSKOSTEN

De [eisers] zijn de in het ongelijk gestelde partijen. Zij worden tot alle ge-rechtskosten veroordeeld.

De [verweersters] hebben gelijklopende belangen.

Aan hen samen wordt de verhoogde rechtsplegingsvergoeding van 5.500,00 EUR toegekend. De houding vanwege de [eisers] is immers voor het hof verregaand onredelijk.

Hun houding heeft de [verweersters] op kosten gejaagd die in een als re-delijk te ervaren context, nimmer hadden moeten zijn gemaakt.

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

Recht doende op tegenspraak;

Bevestigt dat toepassing is gemaakt van artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond, behalve waar het voor recht zegt dat de besluiten voor de [eisers] neergelegd op 1 april 2011 en op 29 augustus 2011 uit de debatten verwijderd worden;

Zegt desbetreffend voor recht dat de kwestieuze besluiten in de debatten hadden moeten zijn behouden;

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond in de zin die volgt:

Bevestigt het vonnis a quo, waar het de stukken die werden voorgelegd aan de algemene vergaderingen van de BVBA A. d.d. 12.12.2009, 30.12.2009 en 11.12.2010 nietig verklaart;

Bevestigt het vonnis a quo, waar het de algemene vergaderingen van de BVBA A. d.d. 12.12.2009, 30.12.2009 en 11.12.2010 nietig verklaart met inbegrip van alle beslissingen die er werden genomen inzake en op grond van de vermeende jaarrekeningen per 30 juni 2009 en 30 juni 2010;

Bevestigt het vonnis a quo, waar het de [eisers] verbod oplegt om vanaf de betekening van het gevelde bestreden vonnis nog op enigerlei wijze gebruik te maken van één of meerdere van deze vermeende jaarrekeningen per 30 juni 2009 en 30 juni 2010, op straffe van verbeurte van een dwangsom van 50 000,00 EUR per inbreuk vanaf deze betekening, met dien verstande evenwel dat er een maximum aan verbonden wordt van 750.000,00 EUR én dat dat de dwangsommen boven de 250.000,00 EUR pas verbeurd worden vanaf de eerste dag na de betekening van het onderhavige arrest;

Bevestigt het vonnis a quo waar het de [eisers] veroordeelt om conform de dading van 25.09.2010 alle boekingen uit te voeren in de jaarrekeningen van de tweede [eiseres], vanaf deze per 30.06.2009 en verder, met in begrip van het wegboeken van alle vermeende vorderingen ten aanzien van elk van de [verweersters] en met inbegrip van de inkoop van eigen aandelen door de tweede [eiseres], en dit binnen 8 kalenderdagen vanaf de betekening van het gevelde vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 2.500,00 EUR per jaarrekening en per kalenderdag vertraging vanaf het verstrijken van deze termijn, met dien verstande evenwel dat er een maximum aan verbonden wordt van 75.000,00 EUR én dat de dwangsommen boven de 25.000,00 EUR pas verbeurd worden vanaf de eerste dag na de betekening van het onderhavige arrest;

Bevestigt het vonnis a quo waar het de [eisers] veroordeelt om een kopie over te maken van de aldus gecorrigeerde jaarrekeningen aan elk van de [verweersters], en dit binnen 8 kalenderdagen vanaf de betekening van het gevelde vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 500,00 EUR per jaarrekening en per kalenderdag vertraging vanaf het verstrijken van deze termijn, met dien verstande evenwel dat er een maximum aan verbonden wordt van 15.000,00 EUR én dat de dwangsommen boven de 5.000,00 EUR pas verbeurd worden vanaf de eerste dag na de betekening van het onderhavige arrest;

Bevestigt het vonnis a quo waar het de [eisers] veroordeelt om de aldus gecorrigeerde jaarrekeningen binnen de maand na de betekening van het gevelde vonnis neer te leggen op de Nationale Bank, onder verbeurte van een dwangsom van 2.500,00 EUR per jaarrekening en per kalenderdag vertraging, vanaf het verstrijken van deze termijn, met dien verstande evenwel dat er een maximum aan verbonden wordt van 75.000,00 EUR én dat de dwangsommen boven de 25.000,00 EUR pas verbeurd worden vanaf de eerste dag na de betekening van het onderhavige arrest;

Bevestigt voor zoveel als betwist is geworden, het vonnis a quo waar het de [eisers] veroordeelt tot de gerechtskosten en waar het vonnis uitvoerbaar is verklaard bij voorraad.

Verklaart de tegenvordering wegens tergend en roekeloos geding ontvan-kelijk en gegrond in de zin die volgt:

Veroordeelt de [eisers] tot de betaling van 6.000,00 EUR meer vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf heden.

Veroordeelt de [eisers] tot de gerechtskosten verbonden aan onderhavige beroepsprocedure, die niet nader cijfermatig hoeven vastgesteld te worden aan hun zijde daar zij definitief te hunnen laste blijven, en vastgesteld aan de zijde van de [verweersters] samen op 5.500,00 EUR rechtsplegingsver-goeding.

Onverminderd de toepassing van art. 1024 Ger.W."

(Bestreden beslissing, blz. 5-15)

Grieven

Krachtens artikel 6.1 van het E.V.R.M. en het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbied voor het recht van verdediging heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Uit deze bepaling en voormeld algemeen rechtsbeginsel volgt dat aan elke partij de mogelijkheid moet worden geboden om haar verweermiddelen voor te dragen.

Zowel artikel 6.1 EVRM als het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbied voor het recht van verdediging vereisen voorts dat de appelrechter aan wie een volledige toetsingsmogelijkheid wordt geboden en die de zaak zelf kan be-rechten, de rechtmatigheid van de procedure gevolgd in eerste aanleg onderzoekt wanneer een partij hem dit vraagt.

Wanneer aldus voor een appelrechter wordt aangevoerd dat de beslissing van de eerste rechter werd genomen met miskenning van het recht van verdedi-ging, dan dient de rechter dit te onderzoeken en hierover uitspraak te doen en des-gevallend de beslissing van de eerste rechter nietig te verklaren.

Artikel 780, eerste lid, 3° van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt in dezelfde zin dat het vonnis, op straffe van nietigheid, behalve de gronden en het beschik-kende gedeelte eveneens het onderwerp van de vordering en het antwoord op de conclusies of middelen van de partijen bevat.

Ook uit deze bepaling volgt dat in geval de appelrechters beslissen dat de eerste rechter ten onrechte de conclusies van een partij uit de debatten heeft ge-weerd en aldus het recht van verdediging van die partij heeft miskend, de appel-rechters de beslissing van de eerste rechter nietig dienen te verklaren en de zaak op grond van de devolutieve werking zelf dienen te beoordelen.

Te dezen stellen de appelrechters vast dat de eerste rechter ten onrechte de conclusies van eisers uit de debatten heeft geweerd. De appelrechters beslissen echter dat dit niet met zich meebrengt dat de beslissingen ten gronde van de eerste rechter zouden moeten worden vernietigd.

Na hernieuwd onderzoek van de zaak, waarbij de appelrechters deels steu-nen op de beslissingen van de eerste rechter (blz. 6, B, waar de appelrechters overwegen dat de eerste rechter terecht heeft besloten dat de tussen partijen geslo-ten overeenkomst een dading is in de zin van artikel 2044 van het Burgerlijk Wet-boek; blz. 12, IV, eerste zin, waar de appelrechters overwegen dat de vorderingen zoals toegewezen door de eerste rechter volkomen aansluiten bij wat is vervat en volgt uit de dadingovereenkomst; blz. 12, IV, tweede tot zesde alinea's, waarbij de appelrechters de beslissing van de eerste rechter met betrekking tot de dwangsom bevestigen, met dien verstande dat er een maximum wordt bepaald van telkens drie maal de door de eerste rechter bepaalde maxima), bevestigen de appelrechters quasi integraal het vonnis van de eerste rechter, met inbegrip van de beslissing van de eerste rechter betreffende de gerechtskosten, dat genomen werd met miskenning van het recht van verdediging van eisers. Door aldus, na te hebben vastgesteld dat de conclusies van eisers door de eerste rechter ten onrechte uit debatten werden geweerd en (impliciet) dat het recht van verdediging van eisers derhalve werd miskend, na te laten het vonnis van de eerste rechter nietig te verklaren en integendeel de nietigheid van het vonnis van de eerste rechter over te nemen, miskennen de appelrechters alle in het middel genoemde bepalingen.

TWEEDE MIDDEL TOT CASSATIE

 

Geschonden wetsbepalingen

• artikel 6.1 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955,

• de artikelen 20 en 780bis van het Gerechtelijk Wetboek,

• de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek

• de algemene rechtsbeginselen houdende de eerbied voor het recht van verdediging in inzake het verbod van rechtsmisbruik.

 

Aangevochten beslissing

De appelrechters veroordelen eiser tot betaling van een schadevergoeding van euro 6000 wegens tergend en roekeloos hoger beroep, op grond van de overwe-ging dat het hoger beroep vanwege de eisers slechts is ingegeven om de verweer-sters te tergen en tevens roekeloos is (blz. 12, IV en V van het bestreden arrest).

 

Grieven

Krachtens artikel 6.1 van het E.V.R.M. en het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbied voor het recht van verdediging heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Uit deze bepaling en voormeld algemeen rechtsbeginsel volgt dat aan elke partij de mogelijkheid moet worden geboden om haar verweermiddelen voor te dragen.

Krachtens het algemeen rechtsbeginsel inzake het verbod van rechtsmis-bruik, artikel 780bis van het Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek kan de partij die tergend en roekeloos hoger beroep instelt en zich aldus schuldig maakt aan rechtsmisbruik worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding.

Het hoger beroep is tergend en roekeloos wanneer de appellant zijn recht van beroep uitoefent ofwel met het opzet om te schaden, ofwel op een wijze die kennelijk de grenzen van de normale uitoefening van dat recht door een bedacht-zaam en zorgvuldig persoon te buiten gaat.

Wanneer de appelrechters vaststellen dat het vonnis van de eerste rechter gewezen is met miskenning van het recht van verdediging omdat de conclusies van een partij ten onrechte uit de debatten werden geweerd, dan kan het instellen van hoger beroep niet tergend of roekeloos zijn. Uit artikel 20 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat de enige mogelijkheid waarover een procespartij beschikt om de nietigheid van het vonnis van de eerste rechter te laten vaststellen, het instellen van hoger beroep is.

De appelrechters beslissen dat het hoger beroep vanwege de eisers slechts is ingegeven om de verweerders te tergen en tevens roekeloos is en veroordelen eisers om die reden tot een schadevergoeding van euro 6000, te vermeerderen met in-teresten.

Door eisers, na te hebben vastgesteld dat de eerste rechter de conclusies van eisers ten onrechte uit de debatten heeft geweerd en het recht van verdediging van eisers voor de eerste rechter derhalve werd geschonden, te veroordelen tot be-taling van een schadevergoeding van euro 6000 wegens tergend en roekeloos hoger beroep, schenden de appelrechters het algemeen rechtsbeginsel houdende het ver-bod van rechtsmisbruik en de artikelen 780bis van het Gerechtelijk Wetboek en 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek evenals artikel 6.1 EVRM en het alge-meen rechtsbeginsel houdende de eerbied voor het recht van verdediging.

 

TOELICHTING BIJ HET EERSTE MIDDEL

 

Uw Hof besliste reeds herhaaldelijk dat het controle kan uitoefenen over de beslissing van de appelrechters over de regelmatigheid van de in eerste aanleg gevoerde procedure. Wanneer de rechter in hoger beroep nalaat de regelmatigheid van de procedure voor de eerste rechter te onderzoeken, wanneer hem dit wordt gevraagd, dan schendt de appelrechter artikel 6.1 EVRM (Cass. 22 december 2005, D.04.0021.N; Cass. 22 oktober 2009, D.09.0003.N; Cass. 5 september 2012, P.12.1528.F). Uit deze rechtspraak volgt dat, wanneer het gebrek in de pro-cedure voor de eerste rechter voor de appelrechters wordt aangevoerd, de appel-rechters deze grief in concreto dienen te onderzoeken. Wanneer de appelrechters vaststellen dat het vonnis van de eerste rechter niet voldoet aan de fundamentele vereisten van het eerlijk proces, dan dienen zij het vonnis van de eerste rechter te vernietigen en opnieuw over de zaak uitspraak te doen (cfr. Cass. van 20 maart 2015, D.13.022.N). Laten zij na dit te doen, dan schenden zij artikel 6.1 EVRM.

Krachtens artikel 780, eerste lid, 3° van het Gerechtelijk Wetboek is een vonnis voorts nietig wanneer het geen antwoord bevat op de conclusies of midde-len van de partijen.

Te dezen stellen de appelrechters vast dat eisers voor de eerste rechter tijdig en regelmatig conclusies hebben ingediend en dat deze conclusies ten onrechte door de eerste rechter werden geweerd op grond van de enkele reden dat eiser ad-vocaat is en er zich toe had dienen te onthouden om zijn zaak persoonlijk te be-pleiten.

De appelrechters beslissen evenwel dat dit niet met zich meebrengt dat de beslissingen ten gronde van de eerste rechter ook zouden moeten worden vernie-tigd. De appelrechters beoordelen vervolgens de betwisting, maar verwijzen hierbij een aantal keer naar de beslissingen van de eerste rechter en bevestigen deze beslissingen, met dien verstande echter dat het maximum van de dwangsommen wordt verhoogd.

De beslissing van de eerste rechter wordt dan ook geenszins, ook niet im-pliciet, tenietgedaan, zoals nochtans was vereist gelet op het feit dat de conclusies van eisers door de eerste rechter ten onrechte uit de debatten waren geweerd en het recht van verdediging van eisers hierdoor onmiskenbaar was miskend.

Door na te laten de beslissing van de eerste rechter die met miskenning van het recht van verdediging van eisers werd genomen te vernietigen, schenden de appelrechters alle in het middel genoemde bepalingen.

 

TOELICHTING BIJ HET TWEEDE MIDDEL

 

Een procespartij bezondigt zich aan procesrechtsmisbruik wanneer zij een recht uitoefent op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de norma-le uitoefening van dit recht door een voorzichtige en bezorgde persoon (Cass. 16 maart 2015, C.15.0114.F; Cass. 2 maart 2015, C.14.0337.F; Cass. 28 juni 2013, C.12.0502.N; Cass. 28 september 2011, P.11.0711.F; Cass. 17 oktober 2008, C.07.0214.N; Cass. 31 oktober 2003, C.02.0602.F).

Een hoger beroep is tergend of roekeloos, en maakt derhalve misbruik uit, wanneer de appellant zijn recht van beroep uitoefent ofwel met het opzet om te schaden, ofwel op een wijze die kennelijk de grenzen van de normale uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en zorgvuldig persoon te buiten gaat (Cass. 12 mei 2005, C.04.0275.F; Cass. 22 mei 2006, S.05.0091.F). Hoewel de beoorde-ling of de appellant heeft gehandeld met het opzet om te schaden of op een wijze die kennelijk de grenzen van de normale uitoefening van het recht door een be-dachtzaam en zorgvuldig persoon te buiten gaat in beginsel een feitelijke beoorde-ling uitmaakt, kan uw Hof niettemin nagaan of de rechter op grond van zijn vast-stellingen tot het bestaan van rechtsmisbruik kon besluiten (Cass. 2 maart 2015, C.14.0337.F).

Het enkele feit dat een procespartij opkomt tegen een goed gemotiveerd vonnis en hiertegen geen nieuwe middelen aanvoert die niet reeds in eerste aanleg waren aangevoerd, is op zich niet foutief en maakt geen rechtsmisbruik uit (Cass. 2 maart 2015, C.14.0337.F; Cass. 22 mei 2006, S.05.0091.F).

A fortiori kan het niet foutief zijn hoger beroep in te stellen tegen een von-nis waarin de fundamentele rechten van een procespartij werden miskend en met name in het geval waarin een procespartij niet in de gelegenheid werd gesteld om haar verweermiddelen uiteen te zetten, of waarin haar conclusies ten onrechte werden geweerd.

Het recht van verdediging is inderdaad fundamenteel in een rechtsstaat. Wanneer dit recht van verdediging wordt miskend, dan moet een partij de moge-lijkheid hebben om hiertegen op te komen. De enige mogelijkheid waarover een procespartij beschikt om de nietigheid van een vonnis te laten vaststellen, is het instellen van een rechtsmiddel (artikel 20 van het Gerechtelijk Wetboek). Oordelen dat het instellen van hoger beroep tegen een vonnis waarin de fundamentele rechten van een procespartij werden miskend, tergend en roekeloos is, zou het vertrouwen in justitie ernstig schaden.

Er moet dan ook een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen het voeren van een tergend en roekeloos verweer enerzijds en het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep anderzijds. Het instellen van hoger beroep kan niet tergend en roekeloos zijn wanneer het gesteund is op een miskenning van de fundamentele rechten van die procespartij door de eerste rechter en deze schen-ding door de appelrechters wordt vastgesteld.

Door, na te hebben vastgesteld dat de conclusies van eisers door de eerste rechter ten onrechte uit de debatten zijn geweerd en dat het hoger beroep van ei-sers op dit punt derhalve gegrond is, niettemin te beslissen dat het hoger beroep van eisers tergend en roekeloos is en hen te veroordelen tot een schadevergoeding van euro 6000, schenden de appelrechters alle in het middel aangevoerde bepalingen.

Op deze gronden en overwegingen besluiten ondergetekende advocaten bij het Hof van Cassatie voor eisers dat het U, Hooggeachte Dames en Heren, moge behagen het bestreden arrest te vernietigen, te bevelen dat hiervan melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing, de zaak en de partij-en te verwijzen naar een ander hof van beroep en uitspraak te doen over de kosten als naar recht.

 

Bij de indiening ter griffie wordt bij deze voorziening gevoegd:

1. pro-fisco verklaring;

2. het exploot van betekening van deze voorziening aan de verwerende par-tijen.

Noot: 

De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of bewijselementen rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeien uit een onregelmatig verklaard bewijselement en dus net als dat onregelmatig verklaard bewijs uit het debat moeten worden geweerd; geen enkele wetsbepaling of algemeen rechtsbeginsel verplicht de rechter indien hij vaststelt dat een bewijsgegeven onregelmatig is verkregen en een partij aanvoert dat die onregelmatigheid alle overige bewijsgegevens heeft aangetast, voor elk stuk van het strafdossier uitdrukkelijk aan te geven of het al dan niet voortvloeit uit het onregelmatig verklaard bewijsgegeven en dus al dan niet uit het strafdossier moet worden geweerd; de rechter kan die beoordeling op algemene wijze verrichten, voor zover hij dit doet op een manier die geen onduidelijkheid laat bestaan over het al dan niet geweerd zijn van stukken.

zie Cass. 13/12/2016, juridat

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 10/01/2018 - 17:58
Laatst aangepast op: do, 11/01/2018 - 10:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.