-A +A

Conclusies in strafzaken dienen ondertekend

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 14/11/2017
A.R.: 
P.17.0075N

Artikel 152, § 1, tweede lid, laatste zin, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat conclusies die krachtens die bepaling ter griffie worden neergelegd, worden opgesteld overeenkomstig de artikelen 743 en 744 Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 743, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat conclusies worden ondertekend door de partijen of door hun raadsman.

Uit die bepalingen volgt dat de rechter een ter griffie neergelegde conclusie slechts in aanmerking moet nemen indien de partij welke die conclusie heeft inge-diend, zich die heeft eigen gemaakt door ze ten laatste op de rechtszitting hetzij zelf te ondertekenen hetzij door haar raadsman te laten ondertekenen, of de rech-ter op grond van andere gegevens vaststelt dat de conclusie van die partij uitgaat.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.17.0075.N

I

R P R,

beklaagde,

eiser,



II

M M M,

beklaagde,

eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 15 december 2016.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest verklaart de strafvordering vervallen voor de feiten van de telast-legging A en spreekt de eisers vrij voor een aantal telastleggingen.

In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen van de ei-sers, voor elk wat hen betreft, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel van de eiser I in zijn geheel

2. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het ar-rest beantwoordt niet eisers verweer dat ook alle andere verhoren van de eiser I tot stand zijn gekomen in strijd met artikel 6 EVRM en artikel 47bis Wetboek van Strafvordering omdat hij niet het recht had zich te laten bijstaan door een advocaat zodat alle verhoren van de eiser I uit het debat moeten worden geweerd; het arrest beperkt zich in zijn antwoord immers tot één enkel verhoor, dat van 29 mei 2013.

Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers verweer betreffende de overschrijding van de redelijke termijn en de daarop gestelde sancties.

3. Artikel 152, § 1, tweede lid, laatste zin, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat conclusies die krachtens die bepaling ter griffie worden neergelegd, worden opgesteld overeenkomstig de artikelen 743 en 744 Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 743, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat conclusies worden ondertekend door de partijen of door hun raadsman.

4. Uit die bepalingen volgt dat de rechter een ter griffie neergelegde conclusie slechts in aanmerking moet nemen indien de partij welke die conclusie heeft inge-diend, zich die heeft eigen gemaakt door ze ten laatste op de rechtszitting hetzij zelf te ondertekenen hetzij door haar raadsman te laten ondertekenen, of de rech-ter op grond van andere gegevens vaststelt dat de conclusie van die partij uitgaat.

In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.

5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- op de inleidingszitting bij toepassing van artikel 152 Wetboek van Strafvordering op vraag van de eisers conclusietermijnen werden bepaald, beslissing die werd opgenomen in het proces-verbaal van de rechtszitting;

- op 15 november 2016 op de griffie van het hof van beroep niet-ondertekende conclusies werden ontvangen;

- de eisers of hun raadslieden op de rechtszitting van 17 november 2017 de con-clusies niet hebben ondertekend;

- de appelrechters niet vaststellen dat de eisers of hun raadsman zich die conclu-sies op enige andere manier hebben eigen gemaakt.

Hieruit volgt dat gelet op de niet-ondertekening van de conclusies de appelrech-ters die niet dienden in aanmerking te nemen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Eerste middel van de eiser II

6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede misken-ning van de motiveringsverplichting: het arrest beantwoordt niet eisers verweer betreffende de overschrijding van de redelijke termijn en de daarop gestelde sanc-ties.

7. Om de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel van de eiser I dient dit middel, dat dezelfde strekking heeft als het tweede onderdeel van het eerste middel van de eiser I, te worden verworpen.

Tweede middel van de eisers I en II

8. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten: het arrest miskent de bewijskracht van de brief aan de eiser van het Departement Werk en Sociale Economie, Cel Administratieve Geldboeten van 24 december 2013, door aan te nemen dat die beslissing alleen betrekking heeft op de feiten geviseerd door de te-lastlegging A; die brief vermeldt immers dat de beslissing betrekking heeft op "het ter beschikking stellen van arbeiders"; die akte dient in haar geheel te worden gelezen en uit haar eigen bewoordingen blijkt dat ook de feiten geviseerd onder de huidige telastleggingen B en C worden begrepen onder de inbreuken die door de administratieve sanctie worden beboet.

9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat met de in het middel bedoelde brief een administratieve geldboete werd opgelegd uitsluitend wegens het uitbaten van uitzendactiviteiten zonder in het bezit te zijn van een er-kenning als uitzendbureau.

10. Het middel dat ervan uitgaat dat de beslissing vermeld in de voormelde brief ook betrekking heeft op andere telastleggingen, berust op een onjuiste lezing van die brief.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek

11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 175,51 euro, waarvan op het cassatieberoep I 87,75 euro verschuldigd is en op het cassatieberoep II 87,76 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer en op de openbare rechtszitting van 14 november 2017 uitgesproken 

P.17.0075.N

Advocaat-generaal Decreus heeft in hoofdzaak gezegd over het eerste middel van de eiser I:

1. De eiser voert in de twee onderdelen van zijn eerste middel de schending van artikel 149 Grondwet aan omdat het bestreden arrest zijn verweer niet heeft beantwoord.

Bij toepassing van artikel 152 Wetboek van Strafvordering werden op vraag van de eisers op de inleidingszitting van het hof van beroep conclusietermijnen bepaald waarna zij hun conclusies tijdig en elektronisch overmaakten aan de griffie via het e-Deposit-systeem.

Vermits er op heden geen elektronische dossiers bestaan moeten de op die wijze neergelegde conclusies door de griffie worden omgezet in papieren documenten, door ze te printen, waarna ze manueel worden gevoegd in het papieren dossier.

Artikel 152, §1, lid 3 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de conclusies dienen te worden opgesteld overeenkomstig de artikelen 743 en 744 van het Gerechtelijk Wetboek waarbij artikel 743, lid 3 voorschrijft dat de conclusies door de partijen of hun raadsman worden ondertekend wat in casu niet gebeurde.

Cruciale vraag is welk gevolg moet worden gegeven aan de niet-ondertekende conclusie in deze omstandigheden?

2. Tot vóór de inwerkingtreding van de potpourri II-wet(1) was volgens de vaste rechtspraak van het Hof een conclusie in strafzaken doorgaans een geschrift, onder welke benaming ook, opgesteld en ondertekend door een partij of haar raadsman, dat aan de rechter wordt overhandigd tijdens de debatten, door een partij of haar advocaat, waarvan het vaststaat dat de rechter er kennis van genomen heeft en waarin de middelen worden aangehaald tot staving van een vraag, verweer of exceptie(2).

Zelfs een niet ondertekende nota, door de rechter geviseerd en een eis, verweer of exceptie bevattend, was een conclusie(3). Strikt genomen kon een strafrechtelijke conclusie mondeling worden genomen mits dit feit en de juiste inhoud ervan vastgesteld werden in het proces-verbaal van de terechtzitting of de rechterlijke beslissing(4). Een conclusie die niet tijdens het debat aan de rechter werd overgelegd maar aan de griffie toegezonden of daar neergelegd behoefde geen antwoord(5). De regels van het Gerechtelijk Wetboek (artikelen 741-749bis) waren voor de strafrechtbank niet van toepassing(6).

Conclusies in strafzaken werden dus neergelegd ter terechtzitting en de overhandiging aan de rechter werd vastgesteld met een melding in het proces-verbaal van de terechtzitting met identificatie van het stuk door korttekening van de voorzitter en de griffier(7). Hierdoor was het meteen duidelijk dat de conclusie uitging van de partij die ze neerlegde en zij zich deze eigen maakte, reden waarom ook een niet ondertekende conclusie diende te worden beantwoord.

3. Na de invoering door de potpourri II-wet van artikel 152 Wetboek van Strafvordering moet een conclusie blijven begrepen worden als elk geschrift, ondertekend door een partij of haar advocaat, waarin de middelen worden aangehaald tot ondersteuning van een vraag, verweer of exceptie(8). Zoals gezegd ontbreekt in deze zaak de volgens artikel 743, lid 3 Gerechtelijk Wetboek vereiste ondertekening van de uitgeprinte versie van de elektronisch ter griffie neergelegde conclusies.

De ondertekening speelt als juridische figuur een fundamentele rol in het Belgische recht: het is de handtekening die een geschrift tot een akte maakt die de belangrijkste documentatievorm is van rechtsfeiten en rechtshandelingen(9).

De handtekening is determinerend om de oprechtheid en de herkomst van de akte te waarborgen evenals het akkoord van de onderschrijver. De akte kan aldus aan de ondertekenaar worden toegerekend en impliceert zijn instemming met de inhoud. Een geschrift mét handtekening is een akte; zonder handtekening moet het instrumentum slechts als een eenvoudig geschrift beschouwd worden(10).

Hoewel het begrip "handtekening" door de wetgever nooit werd gedefinieerd, wordt het door de rechtspraak en de rechtsleer traditioneel begrepen als het met de hand plaatsen van zijn naam op een papier om zich te identificeren en zich met de inhoud van het ondertekende stuk akkoord te verklaren(11).

De wetgever bepaalde geen sanctie voor het geval een conclusie niet aan de vereisten van de artikelen 743 en 744 van het Gerechtelijk Wetboek zou beantwoorden wat niet met zich meebrengt dat het nalaten van de verplichting tot ondertekening geen enkele uitwerking zou hebben en de facto niet zou bestaan.

Deze vormvereiste is thans wettelijk uitdrukkelijk voorzien en formaliseert het feit dat de partij zich zijn conclusie heeft eigen gemaakt of geauthenticeerd.

Het niet naleven van het voorschrift van ondertekening brengt een onregelmatigheid van de conclusie mee waardoor het een gewoon, niet te beantwoorden stuk vormt indien blijkt dat het niet op een andere manier kan worden toegeschreven aan diegene die het stuk neerlegde door een vermelding van de conclusie in een processtuk zoals zittingsblad, vonnis of arrest.

4. Supra werd vermeld dat in deze zaak gebruik werd gemaakt van het e-Deposit-systeem waardoor conclusies en stukken elektronisch worden opgeladen op basis van een eID-authenticatie(12) en neergelegd ter griffie(13). Zodra een stuk correct wordt ingegeven in het e-Deposit-systeem krijgt dit de status ‘neergelegd' wat geldt als bewijs van neerlegging door de afzender(14).

Er dient evenwel benadrukt dat documenten die thans worden verzonden via e-Deposit geen gekwalificeerde elektronische handtekening vereisen: het beveiligd aanloggen in dit systeem waarborgt alzo alleen de identiteit van de aanmelder maar niet de integriteit van het document(15).

Die integriteit en de betrouwbaarheid van digitale documenten stond lange tijd ter discussie omdat ze, in tegenstelling tot papieren documenten, gemakkelijk kunnen worden aangepast zonder dat dit duidelijk en uiterlijk waarneembaar is. Het gebruik van de elektronische handtekening biedt voor deze hinderpaal de oplossing(16).

Er bestaan drie soorten elektronische handtekeningen: de gewone (bv. met pincode, wachtwoord of gescande handtekening), de geavanceerde (via asymmetrische encryptie) en de gekwalificeerde elektronische handtekening (met eID-kaart)(17).

Overeenkomstig artikel 25, 2 van de eIDAS-verordening(18) kan enkel de gekwalificeerde elektronische handtekening worden gelijkgesteld met een handgeschreven handtekening. De andere elektronische handtekeningen onthullen de identiteit van de afzender niet maar zijn slechts een code. De gekwalificeerde elektronische handtekening maakt deze identificatie wel mogelijk en bovendien kan worden gecontroleerd of het ondertekende elektronische document nadien nog werd gewijzigd. Zo wordt de identificatie-, integriteits- en verantwoordelijkheidsfunctie gecombineerd(19). Het is precies door die combinatie van de gecertificeerde identiteit van de elektronische ondertekenaar via de eID en de integriteit van de inhoud van het stuk dat de naam- en inhoudsauthenticiteit wordt verkregen(20).

Het verzenden van een document binnen de voormelde applicatie wordt door sommige auteurs beschouwd als een impliciete bevestiging van de wil van de gebruiker om het stuk te verzenden, waardoor deze handeling als regelmatig en als getekend moet worden beschouwd(21).

Daartegenover wordt in de rechtsleer terecht gesteld dat deze praktijk enkel een geavanceerde elektronische handtekening betreft(22) en dus geen gekwalificeerde elektronische handtekening is waarbij supra werd vermeld dat enkel de gekwalificeerde elektronische handtekening dezelfde rechtsgevolgen heeft als de handgeschreven handtekening.

5. Door het ontbreken van een geschreven of gekwalificeerde elektronische handtekening is de "conclusie" niet meer dan een geschrift.

De rechter moet met dit geschrift geen rekening houden, tenzij aan de onregelmatigheid werd geremedieerd door handtekening van de partij ter griffie of op de zitting, of de vaststelling van de rechter op grond van andere gegevens (vermelding van de conclusie in een processtuk zoals zittingsblad, vonnis of arrest) dat de conclusie van die partij uitgaat, wat hier niet het geval is.

Conclusie: het middel faalt naar recht in zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting.

______________________

(1) Wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, BS 22 oktober 2015.

(2) Zie R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, 773-783; M-A BEERNAERT, H. D. BOSLY, D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, la Charte, 2017, 1331-1334.

(3) Zie R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, 774, nr. 1829.

(4) Cass. 4 september 1990, AR 3903, AC 1990-91, nr. 3.

(5) Cass. 5 juni 2012, AR P.11.1097.N, NC 2012, 404.

(6) D. SCHEERS en P. THIRIAR, "De moeilijke weg naar een elektronisch dossier. Nieuwe procedureregels vanaf 1 januari 2013", RW 2013, 1237-1239.

(7) Zie R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, 775, nr. 1830.

(8) M-A BEERNAERT, H. D. BOSLY, D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, la Charte, 2017, 1331.

(9) P. VAN EECKE, "De elektronische handtekening in het recht", R.D.C. 2009/4, (322) 323, nr. 2.

(10) Ibid., 325, nr. 4.

(11) Ibid., 326, nr. 5.

(12) S. BIELEN en W. MARNAFFE, "Digitalisering van de rechtspleging: de perceptie van Vlaamse advocaten", RW 2015-16, 1370.

(13) R. BOONE, "College stelt overkoepelende website voor hoven en rechtbanken voor", Juristenkrant 2016, afl. 326, 4.

(14) D. SCHEERS en P. THIRIAR, Actualia gerechtelijk recht: Potpourri all the way, Antwerpen, Intersentia, 2016, 8.

(15) K. DE BACKER, "De elektronische procesvoering in burgerlijke zaken", CABG 2017, Larcier, 43.

(16) F. BOUDREZ, "Digitale handtekeningen en archiefdocumenten", Computerrecht 2006, afl. 40, 81.

(17) R. SCHOEFS en P. VAN EECKE, "De elektronische handtekening: bezint eer ge begint", Juristenkrant 2016, afl. 333, 7; K. DE BACKER, "De elektronische procesvoering in burgerlijke zaken", CABG 2017, Larcier, 42.

(18) Verordening 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt (gekend als de ‘eIDAS-verordening'), door de Belgische wetgever grotendeels omgezet in de wet van 21 juli 2016 tot uitvoering en aanvulling van de verordening nr. 910/2014; K. DE BACKER, "De elektronische procesvoering in burgerlijke zaken", CABG 2017, Larcier, 42.

(19) K. DE BACKER, "De elektronische procesvoering in burgerlijke zaken", CABG 2017, Larcier, 43.

(20) Ibid., 43.

(21) D. MOUGENOT en J. VANDERSCHUREN, "Procédure civile: 2017, année électronique?", JT 2017, afl. 6692, 423.

(22) K. DE BACKER, "De elektronische procesvoering in burgerlijke zaken", CABG 2017, Larcier, 43.

Noot: 

• Pieter Tersago, Conclusiekalender in strafzaken: waakzaamheid vereist!, De Juristenkrant 6 december pagina 7

• C. Van De Heyning? Over conclusietermijnen en de wering van laattijdige conclusies in strafzaken: de recente cassatierechtspraak? RABG 2018-6, 487

• R. Verstraeten, A. Bailleux, J. Huysmans en S. De Hert, «Stevige verbouwingen in het strafprocesrecht: de procedure met voorafgaande erkenning van schuld, de invoering van conclusietermijnen in strafzaken en een vernieuwd stelsel van rechtsmiddelen» in F. Verbruggen (ed.), Straf- en strafprocesrecht, Themis Vormingsonderdeel 97, Brugge, die Keure, 2016, (123), p. 157, nr. 59.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 20/06/2018 - 14:44
Laatst aangepast op: wo, 20/06/2018 - 14:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.