De strafrechter houdt ingevolge art 4 Voorafgaande titel Wetboek Strafvordering ambtshalve de burgerlijke belangen aan doch zolang een schadelijder geen geding heeft ingesteld tegen de beklaagde kan deze ook geen rechtsmidddel aanwenden
Hof van Cassatie
2e Kamer – 2 december 2008
J.C. t/ A.T. en A.K.
I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 20 mei 2008.
...
II. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Eerste middel
...
Derde onderdeel
11. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de eiser tegen de tweede verweerder geen verzet kon doen op de grond dat er tegen hem geen burgerlijke rechtsvordering werd ingesteld.
12. Een burgerlijke partij kan tegen een tegenover haar bij verstek gewezen vonnis verzet aantekenen. Dit verzet kan evenwel enkel gericht zijn tegen de partijen tussen wie er voor de rechter die het vonnis bij verstek heeft uitgesproken, een geding aanhangig was. Het feit dat het vonnis bij verstek aan de burgerlijke partij niet is betekend, doet daaraan geen afbreuk.
13. Art. 4, tweede lid, Voorafgaande Titel Sv. bepaalt: «De rechter bij wie de strafvordering aanhangig is gemaakt, houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan, zelfs bij ontstentenis van burgerlijke partijstelling, wanneer de zaak wat die belangen betreft niet in staat is».
Deze regel houdt niet in dat er bij ontstentenis van het instellen van een burgerlijke rechtsvordering, een geding aanhangig is tussen de schadelijder en de beklaagde dat de eerstgenoemde in staat stelt verzet te doen tegen het vonnis waarbij deze laatste tot een straf is veroordeeld.
In zoverre faalt het middel naar recht.
14. Het arrest stelt vast dat:
– de eiser zich voor de onderzoeksrechter enkel tegen de eerste verweerster burgerlijke partij gesteld heeft;
– vóór het vonnis bij verstek van 15 december 2003 de eiser zich geen burgerlijke partij heeft gesteld tegen de tweede verweerder.
15. Op grond van die vaststellingen die het onderdeel niet aanvecht, oordeelt het arrest dat de eiser tot op het vonnis bij verstek geen burgerlijke rechtsvordering tegen de tweede verweerder had ingesteld, zodat er tussen die twee partijen geen geding aanhangig was. Aldus is de beslissing van het arrest dat oordeelt dat de eiser tegen de tweede verweerder geen verzet kan doen, naar recht verantwoord.
Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
...
Derde middel
20. Het middel voert schending aan van art. 63 Sv.: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser zich enkel tegen de eerste verweerster burgerlijke partij heeft gesteld; de stelling als burgerlijke partij voor de onderzoeksrechter maakt de zaak aanhangig tegen alle beklaagden; daarenboven houdt de rechter de burgerlijke belangen ambtshalve aan.
21. De burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter stelt de strafvordering en de ermee gepaard gaande burgerlijke rechtsvordering in. De aldus ingestelde burgerlijke rechtsvordering is evenwel enkel gericht tegen de verdachte die in de akte van burgerlijke partijstelling is vermeld. De burgerlijke partij kan haar burgerlijke rechtsvordering nadien eveneens richten tot andere verdachten. Dit moet zij doen door haar vordering uit te breiden tot die andere verdachten, hetzij voor de onderzoeksrechter, hetzij voor het onderzoeksgerecht bij de regeling van de rechtspleging, hetzij voor de vonnisrechter naar wie de verdachten verwezen zijn.
22. Het arrest stelt vast dat de eiser zich voor de onderzoeksrechter enkel burgerlijke partij heeft gesteld tegen de eerste verweerster en zich op geen enkel ogenblik gesteld heeft tegen de tweede verweerder, zodat de rechter, bij gebrek aan burgerlijke rechtsvordering tegen de tweede verweerder, daarover geen uitspraak kon doen en dit ook niet gedaan heeft. Op die grond oordeelt het arrest dat eisers verzet tegen het vonnis in zoverre dit ook ten aanzien van de tweede verweerder is uitgesproken, niet ontvankelijk is. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
23. Uit het antwoord op het derde onderdeel van het eerste middel blijkt dat het feit dat de rechter overeenkomstig art. 4 Voorafgaande Titel Sv. de burgerlijke belangen ambtshalve aanhoudt, niet voor gevolg heeft dat een burgerlijke partij een rechtsmiddel kan aanwenden tegen een vonnis gewezen ten aanzien van een beklaagde waarmee zij geen geding had.
In zoverre faalt het middel naar recht.
Rechtspraak
• Cass. 22 mei 2012, R.W. 2012-2013, 819 met memorie en noten:
4. Art. 4, tweede lid Voorafgaande Titel Sv. bepaalt: “De rechter bij wie de strafvordering aanhangig is gemaakt, houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan, zelfs bij ontstentenis van burgerlijke-partijstelling, wanneer de zaak wat die belangen betreft niet in staat van wijzen is”.
5. Uit deze bepaling volgt dat de rechter bij wie de strafvordering aanhangig is gemaakt, ambtshalve de zaak moet aanhouden wanneer deze niet in staat is, wat de rechtsvordering betreft tot herstel van de schade, door een misdrijf veroorzaakt.
Deze regel geldt ook ten aanzien van de reeds gestelde burgerlijke partij, wanneer de zaak, wat de afhandeling van haar belangen betreft, niet in staat van wijzen is. De gestelde burgerlijke partij kan, wat haar belangen betreft, het aanhouden van de zaak vorderen.
Rechtsleer
Over het mechanisme van art. 4 Voorafgaande Titel Sv. dat zowel van toepassing is ingeval burgerlijke belangen reeds aanhangig waren gemaakt bij de strafrechter als in het geval waarin burgerlijke belangen nog niet aanhangig waren gemaakt zie:
• E. Brewaeys, “De wet van 13 april 2005 tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen met betrekking tot het strafrecht en de strafvordering, teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken: een wet met verstrekkende gevolgen”, T.Strafr. 2006, (3), 4;
• A. Smetryns, “Het ambtshalve aanhouden van de burgerlijke belangen door de strafrechter en de procedure tot het regelen van conclusietermijnen en het bepalen van een rechtsdag”, NC 2006, (295), 297;
• S. Van Overbeke, “Het ambtshalve aanhouden van de burgerlijke belangen: een eigen-aardige beslissing van de strafrechter” (noot onder Pol. Gent 20 januari 2006), RW 2008-09, (422), 423;
• R. Verstraeten, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2006, nr. 2124).
• J. Decodt, “Le règlement des intérêts civils par la juridiction pénale après la loi du 13 avril 2005”, JT 2006, (349), 350: “En présence d’une partie civile constituée (...) le juge est saisi d’une demande; et s’il réserve à statuer quant à celle-ci, ce ne sera jamais, à proprement parler, d’office: la surséance ne se justifiera en règle que dans la mesure où la demande n’est pas en état d’être jugée, soit que la juridiction estime la preuve de l’étendue du dommage insuffisamment rapportée, soit que le demandeur ait sollicité lui-même la surséance en vue de compléter son dossier ou d’attendre le résultat d’une mesure d’instruction (...)).
• Steven Van Overbeke, Het ambtshalve aanhouden van de burgerlijke belangen door de strafrechter: geen gratuit gebeuren, noot onder Cass. 22 mei 2012, RW 2012-2013, 819
- Doelgroep:
- Instantie:
- Rechtstakken:
- Kernwoorden:
- Status homepage:
- Toepassingsgebied:
- Topics:
Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
- RSS feeds
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.
