-A +A

Deskundigenonderzoek kan bevolen worden wanneer de feiten aannemelijk worden gemaakt

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 27/06/2017
A.R.: 
2017/KR/30 204

Een loutere bewering volstaat niet om een deskundige te horen aanstellen. Een bewijs is dan ook weer niet nodig. Wel dienen stukken of gegevens naar voor gebracht waardoor het beweerde aannemelijk is, mogelijk wordt geacht. Dit kan bijvoorbeeld door een eenzijdige vaststelling door een gerechtsdeurwaarder, een verslag van een technisch raadsman, een eigen architect, een eigen geraadpleegde geneesheer.

Om een onderzoeksmaatregel te horen bevelen (en dus ook een deskundige te hoeren aanstellen), moet een partij niet voorafgaandelijk de door haar aangevoerde feiten en de gegrondheid van haar vordering bewijzen, maar volstaat het dat zij, op aannemelijke wijze, feiten aanvoert waarvan, bij ontstentenis van een onmiddellijk op afdoende wijze bijgebracht bewijs van het tegendeel, aangenomen kan worden dat ze waarachtig en ter zake dienend kunnen zijn en waarvan het bewijs door de gevraagde onderzoeksmaatregel toegelaten en redelijkerwijze mogelijk is (vgl. Cass. 15 juni 2012, C.11.0682.F, www.juridat.be)

De beslissing over een vraag tot voorafgaand onderzoek van een vordering, vergt met andere woorden geen onderzoek naar en geen vaststelling van de gegrondheid van deze vordering, maar enkel, in voorkomend geval, het onderzoek naar en de eventuele onmiddellijke vaststelling van de ongegrondheid van deze vordering.

Concreet moet, om uitspraak te doen over de vraag van de opdrachtgevers om een gerechtelijk deskundigenonderzoek te horen bevelen naar de aangevoerde gebreken en tekortkomingen in de door de aannemer uitgevoerde werken, enkel onderzocht worden of en vastgesteld worden dat de aansprakelijkheid van de architect jegens de opdrachtgevers mogelijk betrokken kan zijn en hic et nunc niet volledig uitgesloten is.

 

Publicatie
tijdschrift: 
P&B
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/5-6
Pagina: 
1310
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

ll. Defeiten

1.- De heer en mevrouw M.G.-G.L., hierna aangeduid als "de opdrachtgevers", lieten hun woning te Sint-Joris-Weert, ( ... ) grondig verbouwen (afbraak van bestaande veranda, het maken of aanpassen van openingen op het gelijkvloers, het bouwen van een nieuwe tussenbouw voor uitbreiding van de leefruimte en de keuken). Met het oog op deze verbouwing consulteerden zij ingenieur-architect F.P., hierna aangeduid als "de architect", waarmee zij op 4 december 2015 een architectuurovereenkomst sloten inhoudende een volledige opdracht (ontwerp, opvolging en controle - dossier opdrachtgevers, stuk 1).

De werken werden toevertrouwd aan de bvba BOUWWERKEN CLAES K. bvba, hierna genoemd "de aannemer" (dossier opdrachtgevers, stuk 2).

De ruwbouwwerken namen een aanvang einde oktober 2016. De opdrachtgevers woonden op dat ogenblik reeds in het pand.

Zeer snel hadden de opdrachtgevers opmerkingen bij de wijze van metsen. Uit een e-mail van 22 februari 2017, verstuurd aan aannemer en architect, blijkt dat de opdrachtgevers een probleem bestond van waterinfiltratie (dossier opdrachtgevers, stuk 7). Op 13 maart 2017 volgde een gedetailleerde ingebrekestelling aan de aannemer en de architect, waarin een 15-tal punten aan de orde waren, waaronder een probleem van waterinsijpeling op diverse plaatsen (onder dorpels, tussen dorpels en muur en tussen de nieuwe muur en het bestaande gebouw) (dossier opdrachtgevers, stuk 8). Kennelijk vrij snel verloren de opdrachtgevers hun vertrouwen in de aannemer en de architect en op 11 april 2017 gingen zij over tot dagvaarding in kort geding (zie verder).

III. De vorderingen en de bestreden beslissing

a. Eerste aanleg

2.- Op 11 april 2017 dagvaardden de opdrachtgevers de aannemer en de architect voor de kortgedingrechter van de rechtbank van koophandel te Leuven tot aanstelling van een deskundige voor advies over de beweerde door hen geleden schade. De inleiding vond plaats op 18 april 2017. Na twee uitstellen op korte termijn (2 mei en 9 mei 2017) werd de zaak in beraad genomen en een bevelschrift volgde op 16 mei 2017.

De aannemer legde geen conclusie neer, maar verklaarde zich ter terechtzitting akkoord met de aanstelling van een deskundige.

De architect legde in totaal drie conclusies neer. Zij besloot tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering.

In zoverre de vordering gericht was tegen de aannemer verklaarde de kortgedingrechter de vordering urgent en gegrond (zie randnummer 3 van het bestreden vonnis).

In zoverre de vordering gericht was tegen de architect was de kortgedingrechter van oordeel dat er geen hoogdringendheid bewezen werd, en ook niet dat er enige schijn van aansprakelijkheid was bewezen in hoofde van de architect.

De kortgedingrechter stelde architect Peter Beckers aan voor advies over de beweerde bouwgebreken in de werken. Hij bepaalde het door de opdrachtgevers te consigneren provisie op 2.000 euro, met onmiddellijke vrijgave.

b. Hoger beroep

3.- De opdrachtgevers stellen hoger beroep in voor zoveel de architect buiten zake werd gesteld en niet moet deelnemen aan de expertise.

De aannemer werd louter mede opgeroepen in hoger beroep.

IV. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

De ontvankelijkheid van het hoger beroep

4.- De architect besluit in het petitum van haar conclusie tot de niet-ontvankelijkheid 'van het hoger beroep'.

Waarom het hoger beroep niet ontvankelijk zou zijn wordt evenwel nergens in de (nochtans omvangrijke) conclusie concreet gemaakt.

Hierboven onder randnummer 4 stelde het hof reeds vast dat het hoger beroep tijdig en regelmatig naar vorm werd ingesteld. Er hoger beroep is ontvankelijk.

De urgentie als bevoegdheidsvereiste

5.- De eerste rechter verklaarde zich terecht bevoegd om kennis te nemen van de zaak. Op dit punt is er geen hoger beroep.

De urgentie als gegrondheidsvereiste

6.- Er is urgentie in de zin van art. 584, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek telkens wanneer de vrees voor een schade van een bepaalde omvang of voor ernstige ongemakken het nemen van een onmiddellijke beslissing noodzakelijk maakt.

Indien er vrees bestaat voor schade van een bepaalde omvang of voor ernstige ongemakken, zoals de eerste rechter besliste in zoverre hij een deskundige aanstelde tussen de opdrachtgevers en de aannemer voor advies over de beweerde bouwgebreken in de werken, kan deze vrees niet anders zijn in zoverre moet worden beslist over de deelname van de controlerende architect aan de gerechtelijke expertise.

De werken, die blijkbaar nog helemaal niet afgewerkt zijn, dreigen stil te vallen door de aansprakelijkheidsbetwisting die is gerezen, en bovendien dreigt de niet-aanstelling van een deskundige ten aanzien van de architect de schade nog verder te laten oplopen, wat, van de weeromstuit, ook niet in het belang van de architect is. Het is bijgevolg urgent dat de werf zo spoedig als mogelijk wordt vrijgegeven, na advies door een deskundige over de oorzaken van de schade.

De exceptie van gebrek aan urgentie, ingeroepen door de architect is ongegrond.

De opportuniteit van de gevorderde onderzoeksmaatregel ten aanzien van de architect

7 .- In hoger beroep leggen de opdrachtgevers een rapport voor van architect Bernard Lefever van 17 juni 2017 ten einde aannemelijk te maken dat de aansprakelijkheid van de concipiërende én controlerende architect in deze fase van de betwisting niet uitgesloten kan worden.

De onder het vierde deel, boek Il, titel III, hoofdstuk VIII van het Gerechtelijk Wetboek omschreven onderzoeksmaatregelen hebben als doel om, alvorens uitspraak gedaan wordt over de gegrondheid van de vordering, de vordering voorafgaandelijk te onderzoeken en het leveren van het bewijs van door partijen aangevoerde en ter zake dienende feiten mogelijk te maken (artikelen 19, 877, 915 en 962 van het Gerechtelijk Wetboek).

Om een onderzoeksmaatregel te horen bevelen, moet een partij niet voorafgaandelijk de door haar aangevoerde feiten en de gegrondheid van haar vordering bewijzen, maar volstaat het dat zij, op aannemelijke wijze, feiten aanvoert waarvan, bij ontstentenis van een onmiddellijk op afdoende wijze bijgebracht bewijs van het tegendeel, aangenomen kan worden dat ze waarachtig en ter zake dienend kunnen zijn en waarvan het bewijs door de gevraagde onderzoeksmaatregel toegelaten en redelijkerwijze mogelijk is (vgl. Cass. 15 juni 2012, C.11.0682.F, www.juridat.be)

De beslissing over een vraag tot voorafgaand onderzoek van een vordering, vergt met andere woorden geen onderzoek naar en geen vaststelling van de gegrondheid van deze vordering, maar enkel, in voorkomend geval, het onderzoek naar en de eventuele onmiddellijke vaststelling van de ongegrondheid van deze vordering.

Concreet moet, om uitspraak te doen over de vraag van de opdrachtgevers om een gerechtelijk deskundigenonderzoek te horen bevelen naar de aangevoerde gebreken en tekortkomingen in de door de aannemer uitgevoerde werken, enkel onderzocht worden of en vastgesteld worden dat de aansprakelijkheid van de architect jegens de opdrachtgevers mogelijk betrokken kan zijn en hic et nunc niet volledig uitgesloten is.

In casu blijkt uit de voorgelegde stukken afdoende dat er gebreken in de uitgevoerde werken kunnen zijn, lijkt een deskundig onderzoek naar de aangeklaagde gebreken en hun oorzaken nog steeds mogelijk en kan vooralsnog niet uitgesloten worden dat deze gebreken aan een tekortkoming van de architect te wijten zouden kunnen zijn.

8.- Gelet op de aard van de beweerde gebreken/tekortkomingen en de noodzaak aan technische vaststellingen en technische onderzoek, komt de gevorderde maatregel nuttig en proportioneel voor, ook ten aanzien van de architect. Het is niet omdat de opdracht van de architect beperkt was en dat bepaalde aangebrachte gebreken niet onder zijn aansprakelijkheid lijken te kunnen of te zullen vallen, dat de aanwezigheid van de architect tijdens de expertise niet nuttig en opportuun zou kunnen zijn.

De opdrachtgevers vorderden terecht de aanwezigheid van de architect in de expertise.

De kosten van de kortgedingprocedure

9.- Het behoort de bodemrechter uitspraak te doen over de kosten van het kort geding.

De controle van het verloop van de expertise

10.- De kortgedingrechter in eerste aanleg heeft geen andere rechter aangewezen om, met toepassing van artikel 973, het verloop van de expertise te volgen. Deze taak komt hem bijgevolg toe en blijft hem toekomen, ook na de uitspraak van dit arrest.

Het beschikkende gedeelte

Op grond van de bovenstaande motivering komt het hof, na tegenspraak, tot de volgende beslissing:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;

Zegt dat er geen grond bestaat om de vordering tot aanstelling van een deskundige ten aanzien van architect F.P. af te wijzen;

Zegt dat deze aanstelling ook ten aanzien van architect F.P. gegrond voorkomt en dat zij behoort deel te nemen aan de door de eerste rechter bevolen deskundig onderzoek;

Zegt dat het de bodemrechter toekomt uitspraak te doen over de gerechtskosten in kort geding;

Zegt dat de controle van de in eerste aanleg bevolen expertise toekomt aan de kortgedingrechter van de rechtbank van koophandel te Leuven (C/17/00005) en dat het dossier, om die reden, moet worden teruggestuurd aan deze rechtbank;

( ... )

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 22/06/2018 - 14:13
Laatst aangepast op: zo, 24/06/2018 - 12:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.