-A +A

Dwangsommen bij omgangsregelingen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Ieper
Datum van de uitspraak: 
din, 21/12/2010

Art. 387ter, § 3 BW geeft de voorzitter van de burgerlijke rechtbank bevoegdheid om in gevallen die hij spoedeisend acht een dwangsom op te leggen ten laste van de ouder die de verblijfsregeling niet naleeft.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
1654
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

T.L. t/ M.R.

I. Antecedenten

De partijen waren eertijds gehuwd te Langemark-Poelkapelle en hebben samen één kind, nl. de thans achtjarige M.L., en zijn reeds sinds begin 2006 door onderlinge toestemming uit de echt gescheiden, waarbij het desbetreffende echtscheidingsvonnis van deze rechtbank van 11 januari 2006 op 14 februari 2006 in de registers van de burgerlijke stand werd overgeschreven.

De verweerster blijkt ook nog een dochter te hebben uit een eerder huwelijk, nl. J.S. De eiser is inmiddels opnieuw gehuwd, nl. met mevrouw I.B., die ook een zoon heeft (A.G.), en woont in Sint-Katelijne-Waver.

In de regelingsakte voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming – waarvan evenwel door geen van de partijen een afschrift wordt voorgelegd – was er blijkbaar overeengekomen dat het hoofdverblijf van M.L. bij zijn moeder (verweerster) zou worden gevestigd, met een secundair verblijf bij zijn vader (eiser) ieder eerste, derde en eventueel vijfde weekend van de maand vanaf vrijdagavond 18 uur tot zondagavond om 18 uur, alsook tijdens de helft van de schoolvakanties, waarbij voorts werd overeengekomen dat de moeder M.L. tot bij de vader zou brengen en deze laatste M.L. na afloop van het secundaire verblijf opnieuw bij de moeder zou brengen. Tevens werd overeengekomen dat de vader een onderhoudsbijdrage voor M.L. zou betalen ten bedrage van 125 euro per maand, gekoppeld aan de index, en dat de ouders elk voor de helft zouden instaan voor de buitengewone kosten voor M.L.

Deze regeling blijkt aanvankelijk te zijn uitgevoerd, met dien verstande dat de vader blijkbaar instaat voor zowel het ophalen als het terugbrengen van M.L. Wel betoogt de eiser dat de regeling “rond oktober 2009 werd aangepast naar een bezoekrecht voor (eiser) om de veertien dagen”. Het is niet onmiddellijk duidelijk wat hiermee precies wordt bedoeld.

De eiser voert aan – zonder op dit punt door de verweerster te worden tegengesproken – dat hij M.L. sinds april 2010 niet meer te zien krijgt. Volgens de eiser weigert de verweerster hem totaal wederrechtelijk om het secundaire verblijf van M.L. uit te oefenen.

Naar aanleiding hiervan diende de eiser meermaals klacht in bij de politie, waarbij hij op 27 september 2010 uiteindelijk overging tot dagvaarding van de verweerster in kort geding.

II. De vordering

De eiser (in de voorliggende beschikking ook “de vader”) vordert primair dat de bestaande regeling betreffende het verblijf van M.L., zoals bepaald in de regelingsakte die bij vonnis van deze rechtbank van 11 januari 2006 werd gehomologeerd, zou worden “omgekeerd”, in die zin dat hij vordert dat er zou worden gezegd voor recht dat het hoofdverblijf van M.L. voortaan bij hem zou worden gevestigd, met een secundair verblijf bij de verweerster (in de voorliggende beschikking ook “de moeder”), waarbij voortaan de moeder hem een onderhoudsbijdrage van 125 euro per maand zou betalen, evenals de helft van de buitengewone kosten.

Subsidiair vordert de eiser dat een dwangsom van 750 euro zou worden opgelegd per dag dat de verweerster het secundaire verblijf van de eiser niet naleeft.

III. De procedure

1. In de gedinginleidende dagvaarding wordt uitdrukkelijk aangevoerd dat de zaak spoedeisend is (art. 9 en 584 Ger.W.), zodat de voorzitter in kort geding bevoegd is (vgl. Cass. 11 mei 1990, RW 1990-91, 987, noot J. Laenens; Cass. 10 april 2003, Arr.Cass. 2003, p. 956, nr. 244; P. Taelman in P&B 1997, (257), p. 261, nr. 10). Hierna zal worden nagegaan of de aangevoerde spoedeisendheid wel effectief bestaat.

...

IV. Beoordeling

A. De urgentie en het voorlopig karakter van het gevorderde

De verweerster betwist dat de zaak spoedeisend is en wijst op de tijdspanne die is verstreken tussen het ontstaan van de moeilijkheden betreffende de verblijfsregeling en de dagvaarding in kort geding. Ook het openbaar ministerie stelde in zijn mondelinge advies ter terechtzitting de spoedeisendheid van de vordering in kort geding in vraag.

In zoverre de eiser thans in kort geding een fundamentele wijziging van de verblijfsregeling (en de eraan gekoppelde onderhoudsregeling) van M.L. nastreeft, kan zijn vordering in elk geval niet als spoedeisend worden beschouwd, daar niet valt in te zien waarom een dergelijke wijziging “dringend” zou zijn. Het beoordelen van een dergelijke vordering vereist immers een doorgedreven beoordeling van de grond van de zaak, wat in beginsel toekomt aan de bevoegde rechtsmacht in deze zaak, nl. de jeugdrechtbank.

Opmerkelijk in dit verband is dat n.a.v. de behandeling van de zaak in kort geding ter terechtzitting van 25 november 2010 niet eens gebleken is of er thans effectief reeds een procedure voor de jeugdrechtbank werd ingeleid, en dit niettegenstaande de eiser zelf aanvoert dat de problemen met de verblijfsregeling reeds dateren van april 2010, d.w.z. reeds van ruim vijf maanden vóór de betekening van de dagvaarding in de voorliggende procedure in kort geding.

Er kan echter worden aangenomen dat de eiser niet onmiddellijk na het eerste probleem met de verblijfsregeling een gerechtelijke procedure is begonnen, temeer daar die regeling blijkbaar gedurende jaren geen aanleiding heeft gegeven tot noemenswaardige problemen, en pas vanaf ongeveer april 2010, op het eerste gezicht zonder duidelijk aanwijsbare oorzaak, plots werd stopgezet door de verweerster. De eiser legde dienaangaande in mei, juni, juli, augustus en september 2010 herhaaldelijk klachten neer bij de politie, waarna hij de verweerster uiteindelijk einde september 2010 liet dagvaarden in kort geding.

Te dezen blijkt de eiser reeds sinds april 2010 te zijn verstoken van enig contact met zijn zoon M.L., wat als zodanig een essentieel problematisch gegeven inhoudt, niet alleen in het licht van de rechten van de eiser als vader, maar ook wat de belangen van M.L. betreft, die op heden aldus reeds acht maanden geen normaal contact heeft gehad met zijn vader.

In dit verband kan er worden aangenomen dat een gewone behandeling voor de jeugdrechtbank (art. 387bis BW) niet binnen een korte termijn tot een regeling zal leiden, zodat het gevaar bestaat dat M.L. de eerstvolgende weken of zelfs maanden verstoken zou blijven van contact met zijn vader, wat de spoedeisendheid aantoont (vgl. F. Swennen en T. Toremans, “Kort geding en personen- en familierecht” in Vlaamse Conferentie van de Balie te Antwerpen (ed.) Kort geding, Brussel, Larcier, 2009, (83) p. 126, nr. 116).

Op dit punt – en slechts op dit punt – wordt de zaak dan ook spoedeisend geacht, nl. in zoverre er thans geen contact meer is tussen M.L. en zijn vader.

De maatregel die strekt tot het remediëren van de voormelde problematische situatie, heeft voorts slechts een voorlopig karakter.

De voorzitter, recht sprekend in kort geding, heeft dan ook de rechtsmacht om de gegrondheid van dit aspect van de vordering inhoudelijk te beoordelen (vgl. Cass. 11 mei 1990, RW 1990-91, 987, noot J. Laenens; Cass. 10 april 2003, Arr.Cass. 2003, p. 956, nr. 244; S. Beernaert in RW 2001-02, (1341) p. 1342, nrs. 7-8).

Voor het overige, nl. in zoverre er een fundamentele wijziging van de verblijfsregeling en de eraan gekoppelde onderhoudsbijdrage wordt nagestreefd, moet de vordering bij gebrek aan gebleken spoedeisendheid ongegrond worden verklaard.

B. De gevorderde maatregel

Noch uit de door de partijen voorgelegde stukken en de door hun respectieve raadslieden meegedeelde gegevens, noch uit de verklaringen die de partijen in persoon aflegden ter terechtzitting van 25 november 2010, valt er een objectieve reden af te leiden waarom het secundaire verblijf van de thans achtjarige M.L. bij zijn vader plots, vanaf ongeveer april 2010, niet meer zou kunnen plaatsvinden.

De in dit verband door de moeder geuite bezwaren, zoals deze blijken uit de verklaringen die zij aan de verbalisanten aflegde, kunnen prima facie geenszins overtuigen. De moeder haalt immers een reeks vage bezwaren aan en maakt melding van bijzonder diffuse klachten bij M.L., die volgens haar “bang” zou zijn om naar zijn vader te gaan. Voorts blijkt zij bij een psycholoog te zijn langsgeweest, en heeft zij M.L. zelfs op de wachtlijst van het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg Largo te Ieper geplaatst.

In zoverre er daadwerkelijk sprake is van ernstige psychische klachten en angsten bij M.L., blijkt in elk geval nergens uit dat deze specifiek te wijten zouden zijn aan de omgang met zijn vader, zodat niet valt in te zien waarom de moeder aanstuurt op de tussenkomst van een neutrale persoon, waarvoor zij zich blijkbaar ook reeds tot het CAW De Papaver in Ieper heeft gewend (zie de verklaring van de moeder aan de lokale politie te Ieper van 23 juli 2010).

Het bovenstaande klemt te meer daar de verblijfsregeling in het verleden blijkbaar geen noemenswaardige problemen opleverde, waarbij niet valt in te zien waarom die problemen er thans plots wel zouden zijn.

Uit de door de vader voorgelegde klachtbrieven blijkt voorts dat de moeder er blijkbaar alles aan doet om het secundaire verblijf van M.L. bij de vader te fnuiken. Stuitend is voorts te moeten vaststellen dat de moeder, met flagrante miskenning van het beginsel van de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag, M.L. in een andere school heeft ingeschreven, zonder de vader hierin ook maar in het minst te kennen.

In de lijn van het advies van het openbaar ministerie, dat op inhoudelijk vlak betoogde het standpunt van de vader te onderschrijven, moet de vordering van de eiser principieel gegrond worden verklaard in zoverre wordt gevorderd om bij wijze van voorlopige maatregel een dwangmaatregel, nl. een dwangsom, te koppelen aan de secundaire verblijfsregeling, zoals bepaald in de regelingsakte, voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming.

Bijgevolg wordt met toepassing van art. 387ter BW beslist zoals hierna bepaald, waarbij deze maatregel wordt beperkt tot het veertiendaagse verblijf van M.L. bij zijn vader, dat duidelijkheidshalve in de voorliggende beslissing wordt heromschreven. Het lijkt daarentegen niet opportuun om bij wijze van voorlopige maatregel ook aan een bijzondere vakantieregeling een dwangsom te koppelen.

De aldus opgelegde maatregel is essentieel voorlopig en zal van rechtswege vervallen in zoverre er uiteindelijk binnen zeven dagen na de betekening van de voorliggende beschikking geen procedure bij de jeugdrechtbank aanhangig zou zijn gemaakt.

Om deze redenen,

...

Verklaart de vordering ontvankelijk en in de volgende mate gegrond:

Zegt bij wijze van voorlopige maatregel voor recht – zonder afbreuk te doen aan de wederzijdse rechten en plichten van de partijen zoals bepaald in de regelingsakte, voorafgaand aan hun echtscheiding door onderlinge toestemming – dat M.L. behoudens andersluidend akkoord tussen de partijen, secundair bij zijn vader (eiser) zal verblijven in de volgende zin, waarbij de vader M.L. zal afhalen bij de moeder (verweerster) en hem na afloop van het secundair verblijf ook zal terugbrengen naar de moeder: alternerend één op de twee weekends zal M.L. verblijven bij zijn vader, waarbij het weekend zal aanvangen de vrijdagavond om 18 uur en eindigen op zondagavond om 18 uur;

Zegt voor recht dat het eerstvolgende weekend dat M.L. bij zijn vader (eiser) zal doorbrengen, het eerste weekend is dat volgt op de betekening van de voorlopige beschikking, en zegt voorts voor recht dat deze voorlopige regeling zal doorlopen tijdens de vakantieperiodes;

Zegt voor recht dat vanaf de betekening van de onderhavige beschikking aan de moeder (verweerster), er door de moeder (verweerster) ten voordele van de vader (eiser) een dwangsom zal worden verbeurd van 350 euro voor elke overtreding die van het voormelde secundaire verblijf zou worden gemaakt, waarbij onder “één overtreding” wordt verstaan het niet naleven van een weekendverblijf, overeenkomstig de modaliteiten zoals hierboven nader omschreven;

Zegt voor recht dat er boven het bedrag van 7.000 euro in elk geval geen dwangsom meer verbeurd zal worden;

Zegt voor recht dat de voormelde voorlopige regeling van rechtswege vervalt in zoverre er uiteindelijk binnen zeven dagen na de betekening van de voorliggende beschikking geen procedure bij de jeugdrechtbank aanhangig zou zijn gemaakt.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 07/05/2012 - 23:30
Laatst aangepast op: ma, 07/05/2012 - 23:30

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.