-A +A

Echtscheiding voor personen onder voorlopig bewind

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 03/11/2016
A.R.: 
2015/ AR/0107

Een niet wilsongeschikte beschermde persoon die onder voorlopig bewind staat kan scheiden zonder vertegenwoordiging van de voorlopige bewindvoerder die de wilsgeschikte pupil zelfs niet kan vertegenwoordigen in de echtscheidingsprocedure.

De voorlopige bewindvoerder dient wel betrokken worden voor de vereffening-verdeling van een vermogensrechtelijk handelingsonbekwame echtgenoot.

Het voorlopig bewind  neemt niet weg dat de beschermde persoon zonder vertegenwoordiging door de voorlopige bewindvoerder een hoogst persoonlijke vordering tot echtscheiding kan instellen op voorwaarde dat hij daartoe wilsgeschikt is

De toevoeging van een voorlopige bewindvoerder ontneemt aan de beschermde persoon niet de bekwaamheid inzake (hoogst)persoonlijke handelingen en vorderingen, zoals de procedure tot echtscheiding. Op dat vlak bestaan er geen bezwaren tegen zijn optreden als eiser of als verweerder. ( ... ) Eiser en verweerder moeten daarnaast ook 'wilsgeschikt' zijn. Zij moeten een geldige toestemming in hun proceshandelingen kunnen geven. Daarnaast moeten zij gedurende de gehele procedure hun oordeel kunnen vormen over de aanpak van hun (tegen)eis en (tegen)verweer.

Bestaat de wilsongeschiktheid bij de aanvang van de procedure, dan kan die niet rechtsgeldig worden ingesteld. Ontstaat ze tijdens de procedure, dan dient die te worden geschorst voor de duur ervan.

De wilsgeschikte beschermde persoon kan derhalve zelfstandig optreden in rechte met het oog op echtscheiding.

 

Publicatie
tijdschrift: 
P&B
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/2
Pagina: 
87
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

( ... )

1. Relevante feitelijke en procedurele elementen

1. F.V. ( ... ) en M.-L.S. ( ... ) zijn gehuwd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Beveren/Kieldrecht op 15 november 1974.

Zij zijn gehuwd onder een gemeenschapsstelsel.

Zij hebben samen één thans meerderjarige zoon: W.V.

2. F.V. kampt sinds jaar en dag (ook vóór het huwelijk) met een zwaar alcoholprobleem, met tal van medische gevolgen van dien.

Aldus heeft het overmatige alcoholgebruik/systematische alcoholmisbruik meegebracht dat F.V. lijdt aan het zogeheten syndroom van KORSAKOV, wat gepaard gaat met verwarring en desoriëntatie. F.V. heeft ernstige geheugenstoornissen en kan zich moeilijk oriënteren in tijd en ruimte.

3. Na het overlijden van zijn moeder op 19 juli 1996 zou het met de gezondheidstoestand van F.V. alsmaar verder bergaf zijn gegaan. Hij zou de erfenisgelden bijkomend hebben kunnen aanwenden met het oog op alcoholmisbruik.

In het najaar van 2000 dient F.V. bijgevolg te worden opgenomen in het ziekenhuis/psychiatrisch centrum S. Na zijn ontslag uit het ziekenhuis/psychiatrisch centrum wordt hij opgenomen in het woonzorgcentrum D., waar hij tot op heden verblijf houdt. Sinds 11 juni 2007 wordt hij ook ingeschreven op het bedoelde adres te S.

4. Bij vonnis van 31 oktober 2002 stelt de vrederechter van het eerste kanton te Sint-Niklaas F.V. onder voorlopig bewind in de zin van het oude artikel 488bis BW, met aanwijzing van mr. A. als voorlopige bewindvoerder.

De onderbewindstelling komt tussen op verzoek van M.-L.S. M.V., de zus van F.V., komt daarbij vrijwillig tussen.

5. Een en ander zorgt voor tal van huwelijksproblemen, derwijze dat bijvoorbeeld in het najaar van 2001 door toedoen van M.-L.S. een oproeping plaatsvindt voor de vrederechter van het kanton Beveren met het oog op een minnelijke schikking omtrent een aantal voorlopige maatregelen (art. 732 Ger.W.). De poging tot minnelijke schikking mislukt.

Een en ander gaat ogenschijnlijk gepaard met een jarenlang aangehouden bitsige strijd tussen enerzijds M.-L.S. (en zoon W.V.) en anderzijds M.V.

Volgens deze laatste zou M.-L.S. zich nauwelijks om haar man bekommeren. Zij zou hem noch gedurende de ziekenhuisperiode(s) noch in het woonzorgcentrum regelmatig bezoeken, tenzij om ruzie te maken en hem lastig te vallen met vermogensrechtelijke perikelen. M.-L.S. zou van de situatie profiteren om zich bepaalde huwelijksgoederen (onrechtmatig) toe te eigenen, reden waarom zij zich verzet tegen bemoeiing door M.V.

In die context komt op 20 januari 2003 een 'akkoordverklaring' tussen in die zin dat M.V. haar broer de eerste en de derde zondagnamiddag van de maand mee naar haar thuis neemt.

Volgens M.-1.S. worden de huwelijksproblemen stelselmatig gevoed/gestuurd door M.V., die zou uit zijn op gelden van haar broer. Daar waar M.-1.S. het steeds goed met haar man zou hebben voorgehad, zou M.V. stokken in de wielen steken.

6. Bij vonnis van 8 juni 2010 stelt de vrederechter van het tweede kanton te Sint-Niklaas, op verzoek van F.V., zijn zus aan als vertrouwenspersoon in de zin van het oude artikel 488bis, b, § 4 BW.

Tijdens de prealabele verhoren stelt de vrederechter vast dat F.V. nauwelijks nog contact heeft met zijn echtgenote, terwijl M.V. hem wel regelmatig komt bezoeken.

7. Bij dagvaarding van 26 oktober 2011 initieert F.V. voor de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde een procedure tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting met toepassing van artikel 229, § 3 BW. Krachtens deze bepaling bestaat de onherstelbare ontwrichting (ook) wanneer de aanvraag wordt gedaan door één enkele echtgenoot na meer dan een jaar feitelijke scheiding (dan wel na een reflectieperiode in de zin van art. 1255, § 2, tweede lid Ger.W.).

F.V. beroept zich, niettegenstaande zijn onderbewindstelling, op zijn wilsgeschiktheid, mede gelet op een medisch attest van zijn huisarts M. van 14 oktober 2011.

Hij richt zich in de eerste plaats tegen M.-L.S., zij het dat hij ook zijn voorlopige bewindvoerder betrekt.

8. M.-L.S. neemt conclusie tot afwijzing van de vordering tot echtscheiding dan wel doorhaling, gelet op een schriftelijke verklaring van F.V. dat hij de procedure wil stopzetten. M.-L.S. stelt centraal dat F.V. wilsongeschikt is om zelfstandig te scheiden en hoe dan ook geenszins (nog) wil scheiden. De echtscheiding zou de facto uitgaan van M.V.

In ondergeschikte orde, voor zover twijfel zou bestaan omtrent de wils(on)geschiktheid van F.V., beoogt zij de persoonlijke verschijning van F.V., dan wel nader getuigenbewijs en/of een deskundigenonderzoek.

9. F.V. van zijn kant handhaaft bij conclusie zijn vordering tot echtscheiding. Hij beklemtoont dat zijn wilsgeschiktheid blijkt uit voorgaanden en het medische attest van 14 oktober 2011.

10. De voorlopige bewindvoerder van F.V. voert aan dat hij buiten de zaak moet worden gesteld wat betreft de echtscheiding, terwijl hij hooguit kan worden betrokken met het oog op en (in voorkomend geval) in het raam van een gerechtelijke vereffening-verdeling van het gewezen huwelijksvermogen F.V.-M.-1.S.

11. Bij tussenvonnis van 7 november 2013 in de zaak met AR nummer 2011/2885/ A overweegt de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde dat de onderbewindstelling van F.V. niet wegneemt dat hij een hoogst persoonlijke vordering tot echtscheiding kan instellen op voorwaarde dat hij daartoe wilsgeschikt is. Vertegenwoordiging door de voorlopige bewindvoerder van F.V. is hier uitgesloten.

Vertegenwoordiging door de voorlopige bewindvoerder is daarentegen wel nodig met het oog op en (in voorkomend geval) in het raam van een gerechtelijke vereffening-verdeling van het gewezen huwelijksvermogen F.V.-M.-1.S. Initiatief op dat stuk vanwege de voorlopige bewindvoerder onderstelt een prealabele vrederechterlijke machtiging met toepassing van het oude artikel 488bis, f, § 3, sub a BW. De vraag rijst of, zoals in casu, een vordering van de beschermde persoon tegen de voorlopige bewindvoerder met het oog op gerechtelijke vereffening-verdeling wel ontvankelijk is. De vraag rijst meer precies of de voorlopige bewindvoerder hier al dan niet zelf initiatief moet nemen (na vrederechterlijke machtiging).

Teneinde de wils(on)geschiktheid van F.V. (als initiatiefnemer van de vordering tot echtscheiding) na te gaan beveelt de rechtbank diens persoonlijke verschijning.

12. Blijkens het proces-verbaal van persoonlijke verschijning van 12 december 2013 verklaart F.V. dat hij de echtscheidingsprocedure niet heeft geïnitieerd maar ze anderzijds niet wil stopzetten. Hij volhardt derhalve in de hangende echtscheidingsprocedure.

F.V. geeft aan dat hij naar de rechtbank is gekomen met zijn zus, die hem ook regelmatig komt bezoeken in het woonzorgcentrum. Zijn echtgenote (en zijn zoon) zou(den) hem daarentegen slechts sporadisch bezoeken, terwijl die bezoeken weinig hartelijk overkomen. Hij preciseert nog dat zijn zus niet graag heeft dat zijn echtgenote en zijn zoon op bezoek komen.

13. Bij tussenvonnis van 17 april 2014 nog steeds in de zaak met AR nummer 2011/2885/ A stelt de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, vast dat F.V. zijn vordering tot echtscheiding handhaaft, terwijl M.-1.S. de afwijzing (of doorhaling) ervan blijft nastreven, temeer omdat zij niet van F.V. zelf uitgaat (en hij de procedure wil stopzetten). Verder stelt de rechtbank vast dat M.-1.S. in ondergeschikte orde, voor zover nog steeds twijfel blijft bestaan omtrent de wils(on)geschiktheid van F.V., nader getuigenbewijs en/of een deskundigenonderzoek blijft beogen.

De rechtbank heropent het debat teneinde nader standpunt/antwoord te krijgen omtrent de vragen (1) of M.-1.S. het mandaat van de advocaat van F.V. in twijfel trekt en zodoende een procedure tot ontkentenis van proceshandeling in de zin van de artikelen 848-850 Ger.W. beoogt en (2) of de voorlopige bewindvoerder van F.V. (na vrederechterlijke machtiging) al dan niet zelf initiatief moet nemen op het stuk van de gebeurlijke gerechtelijke vereffening-verdeling.

ll. Beroepen vonnis

1. Bij eindvonnis van 23 oktober 2014 nog steeds in de zaak met AR nummer 2011/2885/ A stelt de nso= familiekamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, eens te meer vast dat F.V. zijn vordering tot echtscheiding handhaaft, terwijl M.-1.S. de afwijzing (of doorhaling) ervan blijft nastreven, temeer omdat zij niet van F.V. zelf uitgaat (en hij de procedure wil stopzetten). Verder stelt de rechtbank vast dat M.-1.S. in ondergeschikte orde, voor zover nog steeds twijfel blijft bestaan omtrent de wils(on)geschiktheid van F.V., nader getuigenbewijs en/of een deskundigenonderzoek blijft beogen.

De rechtbank overweegt eens te meer dat de onderbewindstelling van F.V. niet wegneemt dat hij (zonder vertegenwoordiging door de voorlopige bewindvoerder) een hoogst persoonlijke vordering tot echtscheiding kan instellen op voorwaarde dat hij daartoe wilsgeschikt is.

De rechtbank besluit tot de wilsgeschiktheid van F.V. om zelfstandig te scheiden, zo ook tot zijn gehandhaafde wil tot scheiding.

De rechtbank besluit daartoe gelet op de door F.V. in de verschillende fasen van de lopende procedure gehandhaafde wil tot scheiding, terwijl de schriftelijke verklaring van F.V. dat hij de procedure wil stopzetten, is achterhaald door latere schriftelijke en mondelinge verklaringen. Daar waar M.L.S. blijft stellen dat het initiatief tot echtscheiding niet van F.V. zelf uitgaat, trekt zij niettemin het mandaat van de advocaat van F.V. niet langer in twijfel en beoogt zij zodoende geen procedure tot ontkentenis van proceshandeling in de zin van de artikelen 848-850 Ger.W.

De rechtbank verwijst ook naar (1) het vonnis van 8 juni 2010 van de vrederechter van het tweede kanton te SintNiklaas, waarbij, op verzoek van F.V., zijn zus wordt aangesteld als vertrouwenspersoon in de zin van het oude artikel 488bis, b, § 4 BW, (2) het medische attest van huisarts M. van 14 oktober 2011, (3) de beschikking van 25 maart 2013 tot voorlopige maatregelen in het raam van (het oude) artikel 1280 Ger.W. en (4) het proces-verbaal van persoonlijke verschijning van 12 december 2013.

De door M.-L.S. bedoelde getuigenverklaringen dienen volgens de rechtbank met de nodige omzichtigheid te worden benaderd, nu zij blijkbaar (inz.) door toedoen van M.-L.S. en haar zoon zijn afgenomen in het woonzorgcentrum, terwijl zij weinig of geen duiding bieden omtrent de litigieuze wils(on)geschiktheid van F.V. De door M.-L.S. beweerde wilsongeschiktheid van F.V. blijft hoe dan ook onbewezen, evenals de beweerde wilsgebreken/manipulatie door M.V. De rechtbank gaat bijgevolg in op de vordering tot echtscheiding met toepassing van artikel 229, § 3 BW, gelet op de objectieve en intentionele feitelijke scheiding minstens sinds de dagvaarding tot echtscheiding van 26 oktober 2011.

De rechtbank beveelt verder de gerechtelijke vereffeningverdeling (in de zin van de art. 1207 e.v. Ger.W.) van het gewezen huwelijksvermogen F.V.-M.-L.S., met aanwijzing van notaris S. ( ... ) als notaris-vereffenaar in de zin van artikel 1210, § 1 Ger.W.

De rechtbank verstaat dat F.V. in dat raam wordt vertegenwoordigd door de voorlopige bewindvoerder (gelet op de tussengekomen vrederechterlijke machtiging).

De rechtbank veroordeelt tot slot F.V. en M.-L.S. elk tot de helft van de niet nader begrote gedingkosten.

( ... )

III. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 14 januari 2015 stelt M.-L.S. hoger beroep in tegen het vonnis van 23 oktober 2014.

Met haar hoger beroep beoogt M.-L.S., met hervorming van het beroepen vonnis, de afwijzing van de oorspronkelijke vordering tot echtscheiding van F.V.

M.-L.S. blijft centraal stellen dat F.V. wilsongeschikt is om zelfstandig te scheiden en hoe dan ook geenszins (nog) wil scheiden. De echtscheiding zou de facto uitgaan van M.V. In ondergeschikte orde, voor zover twijfel zou bestaan omtrent de wils(on)geschiktheid van F.V., beoogt zij de persoonlijke verschijning van F.V., dan wel nader getuigenbewijs en/of een deskundigenonderzoek.

M.-L.S. richt haar hoger beroep in de eerste plaats tegen F.V., zij het dat zij ook zijn voorlopige bewindvoerder betrekt. M.-L.S. wil tot slot F.V. doen veroordelen tot de nader begrote gedingkosten van beide aanleggen.

2. F.V. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep als ontvankelijk doch ongegrond en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis, met veroordeling van M.-L.S. tot de nader begrote gedingkosten in hoger beroep.

3. De voorlopige bewindvoerder van F.V. kan zich vinden in het beroepen vonnis en de daarin beoogde vertegenwoordiging van F.V. in het raam van de gerechtelijke vereffeningverdeling van het gewezen huwelijksvermogen F.V.-M.-L.S. De voorlopige bewindvoerder gedraagt zich voor het overige naar de wijsheid van het hof.

( ... )

IV. Beoordeling

( ... )

2. Zoals aangegeven, richt M.-L.S. haar hoger beroep in de eerste plaats tegen F.V., zij het dat zij ook zijn voorlopige bewindvoerder betrekt.

Ter terechtzitting van 27 oktober 2016 beamen de partijen dat de procesverhouding tussen M.-L.S. en F.V. betrekking heeft op de (door F.V. gehandhaafde vordering tot) echtscheiding met toepassing van artikel 229, § 3 BW.

De partijen beamen verder dat, daar waar de voorlopige bewindvoerder van F.V. mee is/blijft betrokken, dit (enkel) verband houdt met de in voorkomend geval van echtscheiding bijkomend te bevelen gerechtelijke vereffening-verdeling van het gewezen huwelijksvermogen F.V.-M.-L.S.

Bij tussenvonnis van 7 november 2013 stelt de eerste rechter vast dat vertegenwoordiging van F.V. door de voorlopige bewindvoerder is uitgesloten inzake de echtscheiding. Vertegenwoordiging door de voorlopige bewindvoerder is daarentegen wel nodig met het oog op en (in voorkomend geval) in het raam van een gerechtelijke vereffening-verdeling van het gewezen huwelijksvermogen F.V.-M.-L.S. De eerste rechter overweegt dat initiatief op dat stuk vanwege de voorlopige bewindvoerder een prealabele vrederechterlijke machtiging onderstelt met toepassing van het oude artikel 488bis, f, § 3, sub a BW. In die optiek stelt de eerste rechter de vraag rijst of de voorlopige bewindvoerder hier al dan niet zelf initiatief moet nemen (na vrederechterlijke machtiging). Bij tussenvonnis van 17 april 2014 herhaalt de eerste rechter die vraag.

In het beroepen eindvonnis van 23 oktober 2014 beveelt de eerste rechter, in de lijn met de echtscheidingsuitspraak, de gerechtelijke vereffening-verdeling (in de zin van de art. 1207 e.v. Ger.W.) van het gewezen huwelijksvermogen F.V.-M.-L.S., met aanwijzing van notaris S. ( ... ) als notarisvereffenaar in de zin van artikel 1210, § 1 Ger.W. De eerste rechter verstaat daarbij dat F.V. in dat raam wordt vertegenwoordigd door de voorlopige bewindvoerder, gelet op de tussengekomen vrederechterlijke machtiging.

Ter terechtzitting van 27 oktober 2016 beamen de partijen dat, indien de eerstelijns-echtscheidingsuitspraak wordt bevestigd (in de procesverhouding tussen M.-L.S. en F.V.), bijkomend de gerechtelijke vereffening- verdeling van het gewezen huwelijksvermogen F.V.-M.-L.S. bevolen mag blijven. De partijen beamen verder dat de voorlopige bewindvoerder van F.V. in voorkomend geval betrokken mag blijven tot vertegenwoordiging van F.V., gelet op de tussengekomen vrederechterlijke machtiging (zie dienaangaande o.m. M. Govaerts, "De vertegenwoordiging van de beschermde persoon in het kader van het echtscheidingsgeding en de vereffening en verdeling van het huwelijksvermogensstelsel", noot onder Gent 8 januari 2009, RABG 2010, 768-770-772, nrs. 7-10).

3. Centraal staat derhalve de procesverhouding tussen M.L.S. en F.V. met betrekking tot de door F.V. geïnitieerde/gehandhaafde vordering tot echtscheiding met toepassing van artikel 229, § 3 BW.

Zoals aangegeven, is de eerste rechter ingegaan op de door F.V. geïnitieerde/gehandhaafde vordering tot echtscheiding met toepassing van artikel 229, § 3 BW, gelet op de objectieve en intentionele feitelijke scheiding minstens sinds de dagvaarding tot echtscheiding van 26 oktober 2011.

Zoals eveneens aangegeven, strekt het hoger beroep van M.L.S., met hervorming van het beroepen vonnis, tot afwijzing van de oorspronkelijke vordering tot echtscheiding van F.V. M.-L.S. blijft centraal stellen dat F.V. wilsongeschikt is om zelfstandig te scheiden en hoe dan ook geenszins (nog) wil scheiden. De echtscheiding zou de facto uitgaan van M.V. In ondergeschikte orde, voor zover twijfel zou bestaan omtrent de wils(on)geschiktheid van F.V., beoogt zij de persoonlijke verschijning van F.V., dan wel nader getuigenbewijs en/of een deskundigenonderzoek.

4. Met de eerste rechter, die zich mede in het licht van voormelde twee tussenvonnissen van 7 november 2013 en 17 april 2014 alle moeite heeft getroost om de litigieuze wils(on)geschiktheid van F.V. te evalueren/beoordelen, is ook het hof van oordeel dat kan worden besloten tot de wilsgeschiktheid van F.V. om zelfstandig te scheiden, zo ook tot zijn gehandhaafde wil tot scheiding.

5. De onderbewindstelling van F.V. neemt niet weg dat hij (zonder vertegenwoordiging door de voorlopige bewindvoerder) een hoogst persoonlijke vordering tot echtscheiding kan instellen op voorwaarde dat hij daartoe wilsgeschikt is (zie o.m. F. Swennen, "Voorlopig bewind, (dringende en) voorlopige maatregelen en echtscheiding", noot onder Brussel 13 maart 2003, Ef 2003, 114-115, nr. 16: "Zoals vermeld, ontneemt de toevoeging van een voorlopige bewindvoerder aan de beschermde persoon niet de bekwaamheid inzake (hoogst)persoonlijke handelingen en vorderingen, zoals de procedure tot echtscheiding. Op dat vlak bestaan er geen bezwaren tegen zijn optreden als eiser of als verweerder. ( ... ) Eiser en verweerder moeten daarnaast ook 'wilsgeschikt' zijn. Zij moeten een geldige toestemming in hun proceshandelingen kunnen geven. Daarnaast moeten zij gedurende de gehele procedure hun oordeel kunnen vormen over de aanpak van hun (tegen)eis en (tegen)verweer. Bestaat de wilsongeschiktheid bij de aanvang van de procedure, dan kan die niet rechtsgeldig worden ingesteld. Ontstaat ze tijdens de procedure, dan dient die te worden geschorst voor de duur ervan."; zie ook F. Swennen, Geestesgestoorden in het burgerlijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2000, 699-701, nrs. 898-902).

De wilsgeschikte beschermde persoon kan derhalve zelfstandig optreden in rechte met het oog op echtscheiding (T. Delahaye en C. Castelein, Het voorlopig bewind, Gent, Larcier, 2007, 93, nr. 141; T. Delahaye, "L'administration provisoire en dix-sept leçons" in Y.-H. Leleu (ed.), Administration provisoire, questions et pratiques: gestion des avoirs financiers et conclusion de contrats, Luik, CUP-Anthemis, 2010, 73, nr. 110; M. Govaerts, "De vertegenwoordiging van de beschermde persoon in het kader van het echtscheidingsgeding en de vereffening en verdeling van het huwelijksvermogensstelsel", noot onder Gent 8 januari 2009, RABG 2010, 768- 769, nr. 3; vgl. thans, in het licht van de wet van 17 maart 2013 'tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid': G. Verscheiden, "Onbekwaamheid- de persoon", in P. Senaeve, F. Swennen en G. Verscheiden, Meerderjarige beschermde personen, Brugge, die Keure, 2014, 58-59, nrs. 109-110 en 60, nr. 114).

6. Het omstandige dossier doet besluiten tot de wilsgeschiktheid van F.V. om zelfstandig te scheiden, zo ook tot zijn gehandhaafde wil tot scheiding.

7. Evenals de eerste rechter besluit het hof daartoe gelet op de door F.V. in de verschillende fasen van de lopende procedure gehandhaafde wil tot scheiding, terwijl de schriftelijke verklaring van F.V. dat hij de procedure wil stopzetten, is achterhaald door latere schriftelijke en mondelinge verklaringen. Daar waar M.-L.S. blijft stellen dat het initiatief tot echtscheiding niet van F.V. zelf uitgaat, blijkt (reeds) voor de eerste rechter dat zij niettemin het mandaat van de advocaat van F.V. niet langer in twijfel trekt en zij zodoende geen procedure tot ontkentenis van proceshandeling in de zin van de artikelen 848-850 Ger.W. beoogt.

8. Bijkomend kan worden verwezen naar (1) het vonnis van 8 juni 2010 van de vrederechter van het tweede kanton te Sint-Niklaas, waarbij, op verzoek van F.V., zijn zus wordt aangesteld als vertrouwenspersoon in de zin van het oude artikel 488bis, b, § 4 BW, (2) het medische attest van huisarts M. van 14 oktober 2011, (3) de beschikking van 25 maart 2013 tot voorlopige maatregelen in het raam van (het oude) artikel 1280 Ger.W. en (4) het proces-verbaal van persoonlijke verschijning van 12 december 2013.

In voormeld vonnis van 8 juni 2010 geeft de vrederechter van het tweede kanton te Sint-Niklaas aan dat "het aldus duidelijk is dat F.V. weet heeft van zijn vraag tot aanwijzing van M.V. als vertrouwenspersoon" en dat "is gebleken dat hij nog steeds achter dit verzoek staat" en dat "hij geen contact meer heeft met zijn echtgenote van wie hij al geruime tijd afzonderlijk woont".

Op 14 oktober 2011, een 12-tal dagen vóór het uitbrengen van de dagvaarding tot echtscheiding (op 26 oktober 2011), attesteert huisarts M. de bedoelde wilsgeschiktheid aan de zijde van F.V.

In voormelde beschikking van 25 maart 2013 wordt, na de persoonlijke verschijning van F.V., vermeld dat "waar F.V. enigszins aarzelend en weinig vastberaden vragen heeft beantwoord, kan hieruit niet zonder meer worden afgeleid dat hij niet bekwaam is om beslissingen te nemen nopens het al dan niet voeren van een echtscheidingsprocedure" en dat "zijn ziektebeeld hier eerder aan de basis zal liggen". Blijkens het proces-verbaal van persoonlijke verschijning van 12 december 2013 ontkent F.V. weliswaar herhaaldelijk dat hij de echtscheidingsprocedure heeft geïnitieerd. Anderzijds blijkt hij zich bewust te zijn van zijn familiale situatie, zijn opname in het woonzorgcentrum D. en van het feit dat hij gelet op de echtscheidingsprocedure persoonlijk dient te verschijnen. F.V. is zich derhalve bewust van de echtscheidingsprocedure die hij niet wil stopzetten. Hij volhardt in de hangende echtscheidingsprocedure.



F.V. geeft aan dat hij naar de rechtbank is gekomen met zijn zus, die hem ook regelmatig komt bezoeken in het woonzorgcentrum. Zijn echtgenote (en zijn zoon) zou(den) hem daarentegen slechts sporadisch bezoeken, terwijl die bezoeken weinig hartelijk overkomen en ze uit elkaar zijn gegroeid. Hij preciseert nog dat zijn zus niet graag heeft dat zijn echtgenote en zijn zoon op bezoek komen.

9. Daar waar F.V. geheugenstoornissen vertoont (zoals m.b.t. het initiëren van de echtscheidingsprocedure en m.b.t. bepaalde bezoeken van zijn echtgenote/zoon), kunnen zij verband houden met zijn ziektebeeld. Wilsongeschiktheid om te scheiden en/of om de scheiding door te zetten/drukken, blijkt daarom niet.

10. M.-L.S. blijft vergeefs aanvoeren dat F.V. wilsongeschikt is om zelfstandig te scheiden en hoe dan ook geenszins (nog) wil scheiden. M.-1.S. blijft even vergeefs aanvoeren dat de echtscheiding de facto zou uitgaan van M.V.

Het hof is in de gegeven omstandigheden overtuigd van de wilsgeschiktheid van F.V. om zelfstandig te scheiden, zo ook tot zijn gehandhaafde wil tot scheiding.

De door M.-1.S. (in ondergeschikte orde) gesuggereerde onderzoeksmaatregelen, inzonderheid de persoonlijke verschijning van F.V. dan wel nader getuigenbewijs en/of een deskundigenonderzoek, acht het hof, dat voldoende is voorgelicht, inopportuun.

11. De reeds door M.-1.S. overgelegde resem (schriftelijke) getuigenverklaringen dienen met de nodige omzichtigheid te worden benaderd, nu zij blijkbaar (inz.) door toedoen van M.-L.S. en haar zoon zijn afgenomen in het woonzorgcentrum of naar aanleiding van een bezoek aldaar, terwijl zij weinig of geen duiding bieden omtrent de litigieuze wils(on) geschiktheid van F.V.

De door M.-L.S. beweerde wilsongeschiktheid van F.V. blijft hoe dan ook onbewezen, evenals de beweerde wilsgebreken/manipulatie van M.V.

12. Het hof bevestigt derhalve de door de eerste rechter uitgesproken echtscheiding met toepassing van artikel 229, § 3 BW, gelet op de objectieve en intentionele feitelijke scheiding minstens sinds de dagvaarding tot echtscheiding van 26 oktober 2011 (F. Swennen en F. Aps, "De Echtscheidingswet 2007", RW 2007-08, 560, nrs. 26 en 28).

Het hoger beroep faalt.

( .. ,)

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 25/06/2018 - 18:22
Laatst aangepast op: ma, 25/06/2018 - 18:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.