-A +A

Ereloon advocaat - matigingsbevoegdheid raad van de Orde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 24/03/2016
A.R.: 
C.15.0196.N

De raad van de Orde vervult een functie van algemeen belang en beoordeelt of het ereloon is vastgesteld met billijke gematigdheid, zodat hij geen rekening dient te houden noch met de eenzijdige beslissing van de advocaat, noch met eventuele afspraken of overeenkomsten tussen de advocaat en zijn cliënt, ongeacht het tijdstip waarop deze eenzijdige beslissing werd genomen, deze afspraken werden gemaakt of deze overeenkomsten werden gesloten en uitgevoerd, onverminderd het recht van de partij om zich tot het gerecht of een scheidsrechter te richten

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/10
Pagina: 
693
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(D.D. / Orde van advocaten Kortrijk - Rolnr.: C.15.0196.N)

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, van 18 december 2014.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft op 20 januari 2016 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste onderdeel
1. Krachtens artikel 446ter, eerste lid Gerechtelijk Wetboek begroten de advocaten hun ereloon met de bescheidenheid die van hun functie moet worden verwacht. Een beding daaromtrent dat uitsluitend verbonden is aan de uitslag van het geschil, is verboden.

Krachtens artikel 446ter, tweede lid Gerechtelijk Wetboek wordt het ereloon, indien het niet met billijke gematigdheid is vastgesteld, door de raad van de Orde verminderd, met inachtneming onder meer van de belangrijkheid van de zaak en van de aard van het werk, onder voorbehoud van de teruggave die hij beveelt, indien daartoe grond bestaat, dit alles onverminderd het recht van de partij om zich tot het gerecht te wenden indien de zaak niet aan een scheidsgerecht is onderworpen.

De raad van de Orde vervult een functie van algemeen belang en beoordeelt of het ereloon is vastgesteld met billijke gematigdheid, zodat hij geen rekening dient te houden noch met de eenzijdige beslissing van de advocaat, noch met eventuele afspraken of overeenkomsten tussen de advocaat en zijn cliënt, ongeacht het tijdstip waarop deze eenzijdige beslissing werd genomen, deze afspraken werden gemaakt of deze overeenkomsten werden gesloten en uitgevoerd, onverminderd het recht van de partij om zich tot het gerecht of een scheidsrechter te richten.

2. Het onderdeel dat aanvoert dat de bevoegdheid van de raad van de Orde om het ereloon te verminderen beperkt is tot de hypothese van een partijbeslissing en niet toepasselijk is indien de advocaat en de cliënt een ereloonovereenkomst afsloten, zodat de raad van de Orde niet bevoegd is om een controle uit te oefenen op grond van artikel 446ter, tweede lid Gerechtelijk Wetboek, gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting en faalt in zoverre mitsdien naar recht.

3. De appelrechters oordelen dat:

het bestaan van een ereloonovereenkomst niet belet dat, op klacht van de cliënte, niettegenstaande zij met de overeenkomst heeft ingestemd en deze werd uitgevoerd, de raad van de Orde kan onderzoeken of het aangerekend en betaald ereloon voldoet aan de vereiste dat het met een billijke gematigdheid werd vastgesteld;
de wetgever aan de raad van de Orde de wettelijke opdracht heeft gegeven te waken over de naleving van de deontologische verplichting inzake de begroting van het ereloon, en dit een taak is van algemeen belang waarvan de uitvoering niet mag en kan belet worden door het sluiten van ereloonovereenkomsten;
artikel 1134 Burgerlijk Wetboek niet belet dat de raad van de Orde een advies verleent over het in de ereloonovereenkomst aangerekende ereloon;
de advocaat, niettegenstaande het advies van de raad van de Orde, de mogelijkheid heeft om het geschil voor de rechter te brengen;
het uiteindelijk de burgerlijke rechter is die, op vordering van de cliënte dan wel op vordering van de advocaat, zal beslissen over het al dan niet bestaan van een ereloonovereenkomst en het al dan niet verschuldigd zijn van het aangerekend ereloon.
Door aldus te oordelen verantwoorden zij hun beslissing dat de raad van de Orde het ereloon kan verminderen ongeacht het bestaan van een overeenkomst naar recht.

Het onderdeel kan voor het overige niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel
4. Het onderdeel dat ervan uit gaat dat de matigingsbevoegdheid van de raad van de Orde op grond van artikel 446ter Gerechtelijk Wetboek niet wettelijk verantwoord is wanneer een ereloonovereenkomst na de tussenkomst van de advocaat wordt afgesloten, is volledig afgeleid uit het in het eerste onderdeel tevergeefs aangevoerde grief, kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1.058,60 EUR.

C.15.0196.N
Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. De betwisting kadert in een klacht van de cliënte(n) van eiseres bij verweerder wegens aanrekening van een overdreven ereloon.

In voormelde context richtte eiseres zich tot de burgerlijke rechter teneinde de bevoegdheid van verweerder ter zake te betwisten en hem te horen bevelen alle welkdanige handelingen op dat vlak op te schorten.

Het bestreden arrest bevestigt het vonnis a quo waarbij de vordering van eiseres werd afgewezen.

2. Tegen deze beslissing voert eiseres een enig middel tot cassatie aan, dat op twee onderdelen berust.

II. BESPREKING VAN HET MIDDEL

1. In het eerste onderdeel werpt eiseres op dat de raad van de orde van advocaten niet meer bevoegd is om een controle uit te oefenen op grond van artikel 446ter, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek wanneer een ereloonovereenkomst tussen de advocaat en zijn cliënt werd gesloten.

Waar volgens eiseres de matigingsbevoegdheid van de raad van de orde door de wetgever enkel als een tegengewicht werd voorzien in geval het ereloon op grond van een partijbeslissing werd bepaald, meent zij hieruit tevens een schending van artikel 1134, eerste en tweede lid, Burgerlijk Wetboek en een miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de bindende kracht der overeenkomsten te mogen afleiden, nu noch de burgerlijke rechter noch de raad van de orde de bevoegdheid heeft om de inhoud van een ereloonovereenkomst te wijzigen.

1.1. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 446ter, eerste en tweede lid, Ger. W. volgt dat de mogelijkheid om een beroep te doen op de raad van de orde bij de controle van de erelonen, niet belet dat elk van de partijen zich tot de burgerlijke rechter kan wenden om het geschil over het ereloon te beslechten(1).

1.2. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 459 Ger. W., waarvan de tekst spoorde met de huidige tekst van artikel 446ter, kan niet worden afgeleid (zoals door eiseres aangevoerd) dat de matigingsbevoegdheid van de raad van de orde uitsluitend van toepassing is op de partijbeslissingen.

Deze beperking was destijds een onrechtstreeks gevolg van het verbod op erelooncontracten, ingesteld bij artikel 36 van het keizerlijk decreet van 14 december 1810 tot regeling van de uitoefening van het beroep van advocaat en de tucht aan de balie.(2)

Waar in het Verslag Van Reepinghen werd gepreciseerd dat het artikel 43 van voormeld keizerlijk decreet werd overgenomen in artikel 459 van het Gerechtelijk Wetboek (thans artikel 446ter)(3), werd daarin verder verduidelijkt dat de gestrengheid van het verbod op het sluiten van overeenkomsten op erelonen niet meer kaderde in de gebruiken van de balies, en werd de regel voortaan beperkt tot het verbod van elke overeenkomst verbonden aan de uitslag van het geschil(4).

1.3. Er dient bovendien ook rekening te worden gehouden met het feit dat de matigingsbevoegdheid van de raad van de orde, toegekend bij artikel 446ter Ger. W., kadert in de algemene opdracht van de raad van de orde zoals omschreven in artikel 455 Ger. W. om de eer van de orde van advocaten op te houden en de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep van advocaat ten grondslag liggen en een behoorlijke beroepsuitoefening moeten waarborgen, te handhaven.

Aldus vervult de raad een functie van algemeen belang en beoordeelt hij de (ereloon)staten op objectieve basis, nl. of ze beantwoorden aan de deontologische regels. De raad dient dus geen rekening te houden met eventuele afspraken of overeenkomsten tussen de advocaat en zijn cliënt(5).

Het louter feit dat een overdreven ereloon het voorwerp uitmaakt van een overeenkomst tussen een advocaat en zijn cliënt, is derhalve niet van aard afbreuk te doen aan de wettelijke bevoegdheid van de raad van de orde (of van de tuchtraad), nu regels die behoren tot de deontologie van de advocaat immers niet onder de wilsautonomie van partijen ressorteren.

1.4. In zoverre de tussenkomst van de raad van de orde geen rechterlijke beslissing uitmaakt(6), en de appelrechters de taxatiebeslissing als een advies kwalificeerden(7) dat niet voor gedwongen uitvoering vatbaar is en waarbij zowel eiseres als haar cliënten de mogelijkheid behouden het geschil voor de rechter te brengen, staat het mij voor dat de appelrechters door aldus te beslissen artikel 1134 BW noch het algemeen rechtsbeginsel van de bindende kracht der overeenkomsten hebben geschonden, nu zij zich als dusdanig niet hebben gemengd in de contractuele verhouding tussen eiseres en haar cliënten (die overigens geen partij waren in het geding voor de appelrechters).

1.5. Op grond van voormelde benadering en zienswijze ben ik dan ook van mening dat het eerste onderdeel, wat de bevoegdheid van de raad van de orde betreft, uitgaat van een onjuiste juridische stelling en derhalve faalt naar recht, en dat het voor het overige (m.b.t. artikel 1134 BW) niet kan worden aangenomen, nu het bestreden arrest zijn beslissing ter zake naar recht verantwoordt.
(...)

III. CONCLUSIE: VERWERPING.
______________________
(1) Cass. 12 april 2013, AR C.13.0134.N, AC 2013, nr. 233, met concl. van procureur-generaal LECLERCQ.
(2) Décret contenant règlement sur l'exercice de la profession d'avocat et la discipline du barreau, Pasinomie, première série 1788-1814, Bruxelles, Tarlier, 1837, p. 236.
(3) Zie arrest nr. 82/2005 van 27 april 2005 van het Grondwettelijk Hof, (1017), B.3.2., 1024.
(4) Pasinomie 1967, Supplément, p. 384.
(5) J. STEVENS, Artikelsgewijze commentaar gerechtelijk recht - Ger. W. Art. 446ter - 11 (d.d. 25 februari 2010).
(6) Cass. 12 april 2013, AR C.13.0134.N, AC 2013, nr. 233, (914), 915, met concl. van procureur-generaal. LECLERCQ.
(7) Zie B. VAN DORPE, Het ereloon van de advocaat: een speciaal geval, P & B/RDJP 2009, Kluwer, 126-130.

Noot: 

• Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] MAES, Bruno; Noot 'De bevoedgheid van de raad van de Orde om het ereloon van een advocaat te verminderen' 2016, nr. 10, p. 693-698.
• Rechtskundig Weekblad [RW] STEVENS, Jo; Noot 'Het advies van de raad van de Orde betreffende honoraria van advocaten: Roma locuta' 2016-17, nr. 21, p. 816-822.
• Revue de Jurisprudence de Liège, Mons et Bruxelles [JLMB] RENETTE, André; Observations 'Il y a un futur pour l'entreprise éthique' 2016, n° 22, p. 1043-1048.
• De Juristenkrant LAMON, Hugo; Noot 'Erelonen advocaten: Cassatie katapulteert balie terug in de tijd' 2016, nr. 327, p. 1 & 7.
Gerechtelijk Wetboek / 1967-10-05 / Art. 446ter, eerste en tweede lid 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 12/07/2017 - 15:18
Laatst aangepast op: wo, 30/08/2017 - 14:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.