-A +A

Fiscus kan slechts onder strikte voorwaarden inzage bekomen in gerechtsdossier

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 28/04/2009
Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2010/09
Pagina: 
584
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Antwerpen 28 april 2009
Samenvatting:
De inzage in een gerechtsdossier (strafdossier) kan enkel  geschieden door ambtenaren belast met de vestiging of invordering van de belastingen in  toepassing van artikel 327 WIB 1992 inzage nemen van een gerechtsdossier mits  toelating van de procureur-generaal, en na voorlegging van het document waarin hij of zij aangeduid wordt deze onderzoeksdaad te stellen. De Staat moet het bewijs leveren dat de aangeduide ambtenaar belast was met de vestiging of de invordering van de belastingen.
Uittreksel uit het arrest:
BELGISCHE STAAT/X
[…]
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1. De betwisting heeft betrekking op de volgende aanslagen gevestigd in hoofde van geïntimeerde in de personenbelasting: – artikel nr[…]…[…]
Geïntimeerde diende telkens tijdige aangiften in.
1.2. Bij brief van 28 september 1999 verzonden in toepassing van artikel 333 WIB 1992 deelde appellant aan geïntimeerde mee dat de onderzoekstermijn overeenkomstig deze bepaling met twee jaar zou worden uitgebreid en dit op grond van de volgende motivering:
“Uit inlichtingen in mijn bezit blijkt dat U houder bent van buitenlandse bankrekeningen. Deze inlichting, afkomstig van de raadpleging van het gerechtsdossier geopend bij het Parket van Brussel onder de kenmerken 78.97.2825/96 wijzen op het bestaan van die rekeningen in 1994.
Derhalve mag de administratie redelijkerwijze aannemen dat U roerende inkomsten van buitenlandse oorsprong heeft ontvangen terwijl uw fiscale aangiften in de personenbelasting voor de aanslagjaren 1995 en 1996 (inkomstenjaren 1994 en 1995) geen melding maken van dergelijke roerende inkomsten.”
1.3. Bij berichten van wijziging van 9 september 1999 (aanslagjaar 1995) en 10 november 1999 (overige aanslagjaren) wijzigde appellant de aangiftes voor geïntimeerde voor de verschillende respectievelijke aanslagjaren.
Daarbij werd, voor aanslagjaar 1995, een indiciair tekort in aanmerking genomen van 12.424.396 BEF (308.068,33 EUR) op grond van een beweerde rekeningstand van een rekening van geïntimeerde bij de KB-Lux, een Luxemburgse bank, van 13.258.486 BEF (328.749,96 EUR) op 31 januari 1994, volgens een rekeningoverzicht in bezit van appellant na raadpleging van voormeld gerechtsdossier bij het Parket te Brussel.
 Voor de overige aanslagjaren werd middels toepassing van het bewijsmiddel van artikel 340 WIB 1992 voorgehouden dat geïntimeerde roerende inkomsten zou hebben behaald, die in de bestreden aanslagen werden belast.
1.4. Geïntimeerde betuigde telkens zijn niet-akkoord met de wijziging. Niettemin werden de bestreden aanslagen ingekohierd.
1.5. De bezwaarschriften van geïntimeerde tegen de bestreden aanslagen werden verworpen bij directoriale beslissing van 5 januari 2001.
1.6. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt op 19 januari 2001 leidde geïntimeerde de procedure in voor de eerste rechter. Hij vorderde de vernietiging van de bestreden aanleggen.
1.7. In het bestreden vonnis verklaart de eerste rechter de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond. Hij vernietigt bijgevolg de bestreden aanslagen en veroordeelt appellant tot de kosten.
De eerste rechter besluit tot de vernietiging van de aanslagen voor de aanslagjaren 1995 en 1996 op grond van de motivering dat appellant artikel 333, 1ste lid WIB 1992 schond doordat hij geïntimeerde niet op nauwkeurige wijze kennis gaf van de ten laste van hem bestaande aanwijzingen van belastingontduiking.
De eerste rechter besluit tot de vernietiging van de aanslagen voor de overige belastingjaren op grond van de motivering dat appellant niet het bewijs leverde dat hij de gegevens waarop de betwiste aanslagen waren gesteund op rechtmatige wijze bekwam. In het bijzonder oordeelde de eerste rechter dat niet werd aangetoond dat de inzage in het strafdossier gebeurde door een daartoe bevoegde persoon en dat hiertoe de wettelijke procedure werd gevolgd.
1.8. Appellant legde op 12 maart 2007 een verzoekschrift tot hoger beroep neer. De vordering in graad van beroep van appellant in zijn beroepsconclusies luidt meer bepaald als volgt: “Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het eerste vonnis te niet te doen en opnieuw recht doende de oorspronkelijke vordering af te wijzen en gedaagde te veroordelen tot de kosten van beide instanties...”
1.9.Geïntimeerde vordert het hoger beroep van appellant ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, en appellant ervan af te wijzen, het eerste vonnis integraal te bevestigen en te veroordelen tot de kosten van het geding.
2. Bespreking
2.1. Aanslagjaren 1995 en 1996
2.1.1. Voor voormelde aanslagjaren maakte de administratie toepassing van de bijzondere aanslagtermijn van artikel 354, 2de lid WIB 1992. In uitvoering van artikel 333, 3de lid WIB 1992 verzond de administratie op 28 september 1999 een voorafgaande kennisgeving.
2.1.2. Overeenkomstig artikel 333, 3de lid WIB 1992 mogen onderzoekingen worden verricht gedurende de in artikel 354, 2de lid WIB 1992 bedoelde aanvullende termijn van twee jaar, op voorwaarde dat de administratie aantoont dat er aanwijzingen van fraude bestaan in hoofde van de belastingplichtige en op voorwarde dat ze de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoelde tijdperk.
Die voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag. Niet betwist is dat artikel 333, 3de lid WIB 1992 niet vereist dat het bewijs van de belastingontduiking wordt geleverd, maar dat het volstaat dat er aanwijzingen van fraude bestaan, met andere woorden dat er aanwijzingen zijn dat er overtredingen werden begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.
 Vereist is derhalve dat er aanwijzingen zijn dat de belastingplichtige handelde met de bedoeling om zichzelf of een derde een onrechtmatig voordeel te verschaffen of met de wil om nadeel te berokkenen. Volgens geïntimeerde zijn ‘aanwijzingen van fraude’ in de voorafgaande kennisgeving van de administratie van 28 september 1999, hierin bijgetreden door de eerste rechter, evenwel allerminst nauwkeurig.
2.1.3. In die kennisgeving vermeldt de administratie het volgende: “Uit inlichtingen in mijn bezit blijkt dat U houder bent van buitenlandse bankrekeningen. Deze inlichting, afkomstig van de raadpleging van het gerechtsdossier geopend bij het parket van Brussel onder de kenmerken 78.97.2825/96 wijzen op het bestaan van die rekeningen in 1994.
Derhalve mag de administratie redelijkerwijze aannemen dat u roerende inkomsten van buitenlandse oorsprong heeft ontvangen terwijl u fiscale aangiften in de personenbelasting voor de aanslagjaren 1995 en 1996 (inkomstenjaren 1994 en 1995) geen melding maken van dergelijke roerende inkomsten.” De aanwijzingen van fraude die in hoofde van geïntimeerde bestaan betreffen dus het bestaan van buitenlandse bankrekeningen in 1994, waaruit de administratie afleidt dat er roerende inkomsten zijn die door geïntimeerde niet werden aangegeven.
Er wordt geen nadere specificatie gegeven over het land waarin de bankrekening zou gevestigd zijn, noch over de bank waar de bankrekening werd gehouden, noch over de saldi van de rekeningen. Appellant kan dan ook niet gevolgd worden wanneer ze voorhoudt dat deze kennisgeving op een nauwkeurige wijze de aanwijzingen van fraude bevat waarop ze haar vermoeden van belastingontduiking steunt.
2.1.4. Uit het voorgaande volgt dat de administratie voor die aanslagjaren niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 333, 3de lid WIB 1992. Dit gegeven volstaat om de sanctie van de nietigheid van de aanslag voor de aanslagjaren 1995 en 1996 te verantwoorden. Het vonnis van de eerste rechter dient wat dit onderdeel betreft te worden bevestigd.
2.2. De aanslagjaren 1997 tot 1999
2.2.1. Volgens de belastingplichtige is het niet aangetoond dat overeenkomstig artikel 327 WIB 1992 inzage en kopie genomen werd door een ambtenaar die daarvoor de vereiste bevoegdheid heeft. Niet betwist is dat de administratie op regelmatige wijze toelating heeft bekomen tot inzage en kopiename van het strafdossier.
2.2.2. Artikel 327 § 1 WIB 1992 luidt als volgt: “(…) de parketten (…) zijn gehouden, wanneer zij daartoe worden aangezocht door een ambtenaar belast met de vestiging of de invordering van de belastingen, hem alle in hun bezit zijnde akten (…) inzage te verlenen, en hem alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen, welke de bedoelde ambtenaar voor de vestiging of de invordering van de door de Staat geheven belastingen nodig acht; Van de akten, stukken, registers, bescheiden of inlichtingen in verband met de rechtspleging mag evenwel geen inzage worden verleend zonder uitdrukkelijk verlof van de procureur-generaal of de auditeur-generaal.”
2.2.3. Wat onder “ambtenaar belast met de vestiging of invordering van de belastingen” wordt verstaan, wordt verduidelijkt in Com.IB 1992, nr. 327/20: “Zij mogen dus slechts worden uitgeoefend door de ontv., hfd. crs, insp., adj. dir. en dir. titularissen of naar behoren gedelegeerde plaatsvervangers of waarnemers, met uitsluiting van de andere personeelsleden van de administratie.”
2.2.4. In huidige zaak verleende de procureur-generaal van het hof van beroep te Brussel de machtiging op de volgende wijze: “Me référant à votre lettre du 11 juin 1999, j’ai l’honneur d’accorder aux fonctionnaires des administrations fiscales du ministère des Finances qui seront désignés a cette fin, l’autorisation de consulter le dossier de la procédure n° 78.97.2825/96 du parquet et 35/96 de l’instruction en cause de KREDIETBANK NV, affaire instruite par M. Leys, juge d’instruction au tribunal de première instance à Bruxelles. Les fonctionnaires désignés sont également autorisés à prendre copie de pièces de cette procédure qu’ils estimeront nécessaires pour assurer l’établissement ou la perception des impôts établis par l’Etat.”
De inhoud van de brief wordt vrij vertaald door geïntimeerde in haar conclusies. Die vertaling wordt door appellant niet betwist. Ze luidt als volgt: “Onder verwijzing naar uw brief van 11 juni 1999, heb ik de eer om aan de ambtenaren van de fiscale administratie die daartoe zullen worden aangeduid, de toelating te verlenen om het dossier in te zien betreffende de procedure nr. 78.97.2825/96 van het parket en 35/96 van het onderzoek inzake KREDIETBANK NV, zaak onderzocht door dhr. M. Leys, onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. De aangeduide ambtenaren zijn tevens gemachtigd tot kopiename van de stukken van deze procedure die zij nodig achten voor het vestigen of het innen van de belastingen gevestigd door de Staat.”
2.2.5. Uit die brief volgt dat de toelating wordt verleend aan de ambtenaren van de fiscale administratie die daartoe door haar zullen worden aangeduid.
Het personeel van de griffies zal bijgevolg inzage verlenen aan de ambtenaren van de administratie die in het bezit zijn van de toelating van de procureur-generaal en van een document waarin ze worden aangeduid om de inzage te nemen en dit ongeacht of het gaat om een ambtenaar al dan niet belast met de vestiging of de invordering van de belastingen.
Het hof oordeelt dat de vraag van de belastingplichtige aan de administratie om te bewijzen dat de ambtenaar die ze aanduidde voor de inzage van het strafdossier een ambtenaar is belast met de invordering of de vestiging van de belastingen, dan ook legitiem is.
Het antwoord op die vraag laat de belastingplichtige toe na te gaan of op regelmatige wijze inzage en kopie werd genomen van het strafdossier. Appellante biedt als bewijs in ondergeschikte orde aan het orderregister van de betrokken ambtenaar voor te leggen. Het hof acht het aangewezen op dit aanbod in te gaan. (…)
Om deze redenen, Het hof,
(…) Waar aanwezig waren: D. Wouters, raadsheer wnd. voorzitter; M. Ghyselen en R. Lyen, raadsheren.
Noot: N. Couder, De bevoegde ambtenaar in artikel 327 WIB: Antwerpse hof houdt (soms) dapper stand, RABG 2010/9, 581
Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 23/09/2010 - 11:52
Laatst aangepast op: ma, 18/04/2011 - 18:15

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.