-A +A

Foutieve vermelding ondernemingsnummer gevolgen procedure en termijnen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 24/05/2016

Dat een appellant zich enkel vanuit “vormelijk” oogpunt en niet vanuit “inhoudelijk” oogpunt zou hebben vergist en in werkelijkheid de bedoeling hadden hoger beroep aan te tekenen tegen de in eerste aanleg in het gelijk gestelde partij, is niet ter zake dienend. Het is niet voldoende de bedoeling te hebben om hoger beroep aan te tekenen tegen een partij om deze als geïntimeerde te beschouwen. De bedoeling van een appellant om de in het vonnis in het gelijk gestelde partij te dagen in hoger beroep, neemt een vergissing van een appellant niet weg aan het feit de verkeerde persoon hebben gedaagd in hoger beroep.

De vermelding van het foutieve KBO-nummer in een bestreden vonnis en het betekeningsexploot kan evenmin verantwoorden dat het hoger beroep gericht is tegen een verkeerde persoon. De sanctie van niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep gericht tegen een andere persoon dan diegene die geïntimeerde had moeten zijn, dient te worden opgelegd, ongeacht de oorzaak van de vergissing en bijgevolg ook indien appellanten niet zelf aansprakelijk zouden zijn voor de vergissing.

Een materiële verschrijving in een vonnis en in de erop volgende betekeningsakte bestaande uit een verkeerd KBO nummer betreft een onregelmatigheid die dient getoetst aan atikel 861 Gerechtelijk Wetboek (belangenschade). Dit vereist dat de partij die de exceptie opwerpt, door het verzuim of de onregelmatigheid haar rechten in het geding redelijkerwijze niet of niet volledig heeft kunnen laten gelden binnen de normale procesgang (zie ook Cass. 8 september 2008, www.juridat.be).

Er moet worden nagegaan of het verzuim of de nalatigheid de partij heeft gehinderd in de uitoefening van haar rechten binnen de procedure waarin de fout werd begaan. Daarbij dient er ook rekening te worden gehouden met de context waarbinnen deze uitoefening plaatsvond. De nietigheid kan enkel worden uitgesproken in zoverre de begane onregelmatigheid redelijkerwijze de partij die ze inroept, heeft belet zijn rechten in het geding te laten gelden binnen de normale procesgang. Dit is niet aan de orde wanneer de schade geleden door de partij die de nietigheid inroept, het gevolg is van haar eigen foutief handelen.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2016/17-18
Pagina: 
1131
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(U.B. BVBA e.a. / C.D.P. NV, T.R.B. NV e.a. - Rolnr.: 2015/AR/2024 - 2015/AR/2228)

I. Procedurevoorgaanden
1. De naamloze vennootschap T.R.B., met maatschappelijke zetel te (…), en met KBO-nummer (…), is op 5 maart 2014 overgegaan tot dagvaarding van U.B. BVBA voor de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel, zetelend als stakingsrechter.

Bij verstekvonnis van 31 maart 2014 werd de stakingsvordering van deze naamloze vennootschap T.R.B. ontvankelijk en gegrond verklaard.

U.B. BVBA heeft verzet aangetekend tegen dit vonnis bij dagvaarding betekend op 24 april 2014.

Op 23 mei 2014 werden U. BV, U.I. BV en R.O. BV (hierna te samen ook U. BV et al.) gedagvaard in gedwongen tussenkomst door deze naamloze vennootschap T.R.B.

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de heer P.S., De Belgische Federatie van Taxis en G.T.L VZW kwamen vrijwillig tussen in de procedure.

2. In de loop van de procedure heeft deze naamloze vennootschap T.R.B. haar volledig handelsfonds overgedragen aan de naamloze vennootschap B. (KBO-nr. (…)).

De overdragende vennootschap T.R.B. heeft haar maatschappelijke benaming veranderd in C. en haar maatschappelijk doel gewijzigd (beslissing van de buitengewone algemene vergadering van 28 januari 2015).

De verkrijgende vennootschap B. heeft haar maatschappelijke benaming veranderd in T.R.B. en haar maatschappelijke zetel verplaatst naar (…), Brussel (beslissing van de buitengewone algemene vergadering van 28 januari 2015).

Op 13 april 2015 heeft de naamloze vennootschap T.R.B. (voorheen B.) een akte van gedinghervatting neergelegd op de griffie van de Nederlandstalige rechtbank van koophandel te Brussel teneinde het geding ingeleid door de naamloze vennootschap C. (voorheen T.R.B.) te hervatten. Deze akte werd bij gerechtsbrief van 16 april 2015 door de griffie ter kennis gebracht van de andere partijen in het geding.

Ten bewarende titel (de partijen U. betwistten de geldigheid van de akte van gedinghervatting) heeft de naamloze vennootschap T.R.B. (voorheen B.) een verzoekschrift in vrijwillige tussenkomst neergelegd op de griffie van de Nederlandstalige rechtbank van koophandel te Brussel op 15 juni 2015 met het oog op haar vrijwillige tussenkomst in de procedure hangende tussen de naamloze vennootschap C. (voorheen T.R.B.) en de partijen U.

3. Bij beslissing van de buitengewone algemene vergadering van 10 september 2015 werd de maatschappelijke benaming van de naamloze vennootschap C. gewijzigd in C.D.P. en werd de maatschappelijke zetel verplaatst naar (…), Waregem.

4. In het bestreden vonnis van 23 september 2015 werd de gedinghervatting door T.R.B. aanvaard en werd bijgevolg het verzoek tot vrijwillige tussenkomst van T.R.B. ongegrond verklaard.

In het bestreden vonnis van 23 september 2015 werd verder als volgt beslist (samengevat):

er wordt akte verleend van de vrijwillige tussenkomsten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Belgische Federatie van Taxis en G.T.L. VZW;
het verzet van de BVBA U.B. wordt gegrond verklaard en de vordering van de NV T.R.B. tegen de BVBA U.B. wordt ontvankelijk doch ongegrond verklaard; de NV T.R.B. wordt veroordeeld in de kosten in hoofde van BVBA U.B. begroot op 1.320 EUR en 346,25 EUR (dagvaarding in verzet);
de vordering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ten aanzien van de BVBA U.B. en U. BV et al. wordt onontvankelijk verklaard;
de vordering van de NV T.R.B. tegen U. BV et al. wordt reeds gedeeltelijk gegrond verklaard; met betrekking tot de bezoldigde ritten wordt er een stakingsbevel onder verbeurte van een dwangsom opgelegd; met betrekking tot de onbezoldigde ritten wordt er een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie gesteld en wordt de zaak in afwachting van een antwoord hierop naar de bijzondere rol verzonden;
voor de tegenvordering van U. BV et al. tegen de NV T.R.B. wordt het debat heropend.
5. In de aanhef van het bestreden vonnis wordt als oorspronkelijk eisende partij vermeld: “de NV T.R.B., KBO (…), waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te (…), die het geding heeft hervat”.

Het vermelde KBO-nummer is het KBO-nummer van de NV C.D.P.

6. In toepassing van artikel 40 Ger.W. werd het bestreden vonnis op 28 september 2015 betekend aan U. BV, respectievelijk U.I. BV en R.O. BV, op verzoek van “De naamloze vennootschap T.R.B., ingeschreven in het register van de btw onder nr. (…), KBO-nr. (…), met maatschappelijke zetel te (…).”

Op 12 oktober 2015 volgde een betekening aan U. BV, respectievelijk U.I. BV en R.O. BV, in toepassing van artikel 7 van verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (“de betekening en de kennisgeving van stukken”) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad (hierna de betekeningsverordening).

II. De hoger beroepen
7. Bij verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van dit hof op 26 oktober 2015 hebben de BVBA U.B. en U. BV et al. hun hoger beroep gericht tegen de volgende vennootschap als geïntimeerde: “De NV C.D.P., voorheen de NV C. en daarvoor de NV T.R.B., met KBO-nr. (…), waarvan de maatschappelijke zetel volgens gerechtsdeurwaardersexploot d.d. 28 september 2015 gevestigd zou zijn te (…), Brussel, doch waarvan de maatschappelijke zetel volgens de in het KBO beschikbare gegevens sedert 10 september 2015 gevestigd zou zijn te (…), Waregem.”

De zaak (2015/AR/2024) werd op 30 november 2015 ingeleid voor de 8ste kamer van dit hof.

De NV C.D.P. betoogt dat het hoger beroep onontvankelijk is omdat zij vreemd is aan het geschil. Zij vordert appellanten te veroordelen tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 1.320 EUR.

Appellanten menen daarentegen dat het hoger beroep ontvankelijk is.

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest sluit zich aan bij de argumentatie van de NV C.D.P. en betoogt bijgevolg dat het hoger beroep onontvankelijk moet worden verklaard en appellanten moeten worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 1.320 EUR.

Op de terechtzitting van 25 april 2016 werd de behandeling beperkt tot de vraag inzake de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

De raadsman van de Belgische Federatie van Taxis en van G.T.L. VZW heeft ter zitting verklaard zich aan te sluiten bij het standpunt van de NV C.D.P.

(…)

III. Voeging
(…)

IV. Beoordeling
A. Ontvankelijkheid van het hoger beroep gericht tegen de NV C.D.P. d.d. 26 oktober 2015 (2015/AR/2024)
10. De NV C.D.P. roept in dat het hoger beroep dat tegen haar werd ingesteld onontvankelijk is omdat het gericht is tegen de verkeerde persoon. Hoewel zij de oorspronkelijke vordering heeft ingesteld, is zij thans volledig vreemd aan het geschil dat de NV T.R.B. en de partijen U. tegenstelt, en dit sedert de gedinghervatting door de NV T.R.B. Het hoger beroep is gericht tegen een andere persoon (de NV C.D.P.) dan diegene die geïntimeerde had moeten zijn (de NV T.R.B.). De nietigheidsregeling waarin de artikelen 860 et seq. Ger.W. voorzien, is niet van toepassing. Zij verwijst naar het arrest van het Hof van Cassatie van 29 juni 2006, C.04.0290.N - C.04.0359.N, www.juridat.be.

11. Appellanten menen daarentegen dat deze nietigheidsregeling wel van toepassing is. Overeenkomstig artikel 1057, eerste lid, 3° Ger.W, dient de akte van hoger beroep op straffe van nietigheid de naam, de voornaam en de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de gedaagde in hoger beroep te vermelden. Op de onregelmatigheid van een akte van hoger beroep ten gevolge van een foutieve vermelding in de identiteit van de gedaagde in hoger beroep, zonder dwaling omtrent zijn persoon, is de nietigheidsregeling van de artikelen 860 et seq. Ger.W. van toepassing. Zij verwijzen in dit verband naar het arrest van het Hof van Cassatie van 27 september 2013, C.12.0627.F - C.12.0629.F, www.juridat.be.

12. Het hof overweegt als volgt.

De gedaagde in de akte van hoger beroep neergelegd op 26 oktober 2015 wordt als volgt omschreven: “De NV C.D.P., voorheen de NV C. en daarvoor de NV T.R.B., met KBO-nr. (…) waarvan de maatschappelijke zetel volgens gerechtsdeurwaardersexploot d.d. 28 september 2015 gevestigd zou zijn te 1190 Brussel, (…), doch waarvan de maatschappelijke zetel volgens de in het KBO beschikbare gegevens sedert 10 september 2015 gevestigd zou zijn te 8790 Waregem, (…).”

Dit is een volledige en correcte identificatie van de NV C.D.P. Er is derhalve geen sprake van een foutieve vermelding in de identiteit van de gedaagde, zoals appellanten voorhouden. De gedaagde in hoger beroep is correct geïdentificeerd. Het is echter de verkeerde gedaagde. Het verzoekschrift vermeldt een andere persoon dan diegene die gedaagde in hoger beroep had moeten zijn zodat de fout betrekking heeft op de persoon zelf van de geïntimeerde. In dat geval dient het hoger beroep onontvankelijk te worden verklaard zonder dat er toepassing kan worden gemaakt van de nietigheidsregeling van artikel 860 et seq. Ger.W.

Appellanten hebben zich vergist omtrent de persoon zelf die geïntimeerde had moeten zijn.

Dat appellanten zich enkel vanuit “vormelijk” oogpunt en niet vanuit “inhoudelijk” oogpunt zouden hebben vergist en in werkelijkheid de bedoeling hadden hoger beroep aan te tekenen tegen de in eerste aanleg in het gelijk gestelde partij, is niet ter zake dienend. Het is niet voldoende de bedoeling te hebben om hoger beroep aan te tekenen tegen een partij om deze als geïntimeerde te beschouwen. De bedoeling van appellanten om de in het vonnis in het gelijk gestelde partij te dagen in hoger beroep, neemt de vergissing van appellanten niet weg en doet geen afbreuk aan het feit dat appellanten de verkeerde persoon hebben gedaagd in hoger beroep.

De vermelding van het foutieve KBO-nummer in het bestreden vonnis en het betekeningsexploot kan evenmin verantwoorden dat het hoger beroep gericht is tegen de NV C.D.P. De sanctie van niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep gericht tegen een andere persoon dan diegene die geïntimeerde had moeten zijn, dient te worden opgelegd, ongeacht de oorzaak van de vergissing en bijgevolg ook indien appellanten niet zelf aansprakelijk zouden zijn voor de vergissing.

13. Het hoger beroep gericht tegen de NV C.D.P. is onontvankelijk.

Appellanten dienen in de gerechtskosten van dit hoger beroep te worden veroordeeld.

Bovendien moeten zij een rechtsplegingsvergoeding van 1.320 EUR betalen aan de NV C.D.P.

Appellanten dienen ook een rechtsplegingsvergoeding van 1.320 EUR te betalen aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

De Belgische Federatie van Taxis en G.T.L. VZW vorderen geen veroordeling van appellanten tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding.

B. Ontvankelijkheid van het hoger beroep gericht tegen de NV T.R.B. d.d. 4 december 2015 (2015/AR/2228)
14. De NV T.R.B. roept in dat het hoger beroep dat tegen haar werd ingesteld, onontvankelijk is wegens laattijdigheid. Het bestreden vonnis werd tweemaal betekend, een eerste maal op 28 september 2015 overeenkomstig artikel 40 Ger.W. en een tweede maal op 12 oktober 2015 overeenkomstig artikel 7 van de betekeningsverordening.

Het hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 4 december 2015 is derhalve laattijdig.

(…)

17. Het hof overweegt als volgt.

Krachtens artikel 861 Ger.W. kan de rechter een proceshandeling alleen dan nietig verklaren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt. Dit vereist dat de partij die de exceptie opwerpt, door het verzuim of de onregelmatigheid haar rechten in het geding redelijkerwijze niet of niet volledig heeft kunnen laten gelden binnen de normale procesgang (zie ook Cass. 8 september 2008, www.juridat.be).

Er moet worden nagegaan of het verzuim of de nalatigheid de partij heeft gehinderd in de uitoefening van haar rechten binnen de procedure waarin de fout werd begaan. Daarbij dient er ook rekening te worden gehouden met de context waarbinnen deze uitoefening plaatsvond. De nietigheid kan enkel worden uitgesproken in zoverre de begane onregelmatigheid redelijkerwijze de partij die ze inroept, heeft belet zijn rechten in het geding te laten gelden binnen de normale procesgang. Dit is niet aan de orde wanneer de schade geleden door de partij die de nietigheid inroept, het gevolg is van haar eigen foutief handelen.

In het bestreden vonnis worden de maatschappelijke benaming, de rechtsvorm en de maatschappelijke zetel van de NV T.R.B. juist vermeld. Het vermelde KBO-nummer is het verkeerde. Zowel in de aanhef van het bestreden vonnis bij de identificatie van de partijen als in de overwegingen in het vonnis wordt melding gemaakt van de gedinghervatting door de NV T.R.B. Hieruit blijkt dat de vermelding van het foutieve KBO-nummer een materiële verschrijving is van de eerste rechter.

In het betekeningsexploot wordt de identificatie van de NV T.R.B. overgenomen uit het vonnis. De maatschappelijke benaming, de rechtsvorm en de maatschappelijke zetel worden correct vermeld. Het KBO-nummer is het verkeerde. Dit betreft dezelfde materiële verschrijving als in het vonnis.

Tijdens de procedure in eerste aanleg zijn er een akte van gedinghervatting en een verzoekschrift in vrijwillige tussenkomst neergelegd waarin in detail de overdracht van het handelsfonds tussen de beide vennootschappen alsook de gevolgen hiervan op procedureel vlak worden uiteengezet. De identificatie van beide vennootschappen wordt volledig weergegeven, met inbegrip van de juiste ondernemingsnummers.

Rekening houdend met deze omstandigheden blijkt dat de verschrijving in het betekeningsexploot van 28 september 2015 redelijkerwijs de partijen U. niet heeft kunnen beletten om binnen de termijn hoger beroep aan te tekenen tegen de NV T.R.B. Na te hebben vastgesteld dat het ondernemingsnummer vermeld in het vonnis en in de betekening betrekking had op een andere vennootschap (de NV C.D.P.) dan deze die in het gelijk werd gesteld in het bestreden vonnis, hadden de partijen U. redelijkerwijze deze vergissing moeten vaststellen en het verzoekschrift moeten richten tegen de in het gelijk gestelde partij (de NV T.R.B.). Door haar verzoekschrift tot hoger beroep te richten tegen een partij die vreemd is aan het geschil, waarvan de maatschappelijke zetel gelegen is te Waregem en waarvan de activiteit geen verband houdt met de sector van de taxi's, hoewel het geschil betrekking heeft op het verlenen van taxidiensten in Brussel, hebben partijen U. zich niet als een zorgvuldige partij gedragen.

Het nadeel dat partijen U. aanvoeren te hebben geleden, is het gevolg van hun eigen nalatigheid. Als partijen betrokken in de procedure in eerste aanleg konden appellanten niet onwetend zijn van het feit dat het geding werd hervat door de NV T.R.B., dat de eerste rechter deze hervatting van het geding had ingewilligd en dat het hoger beroep diende te worden gericht tegen de NV T.R.B. en niet tegen de NV C.D.P., die vreemd is aan huidig geschil, en dit minstens sinds de hervatting van het geding.

Het betekeningsexploot van 28 september 2015 kan bijgevolg niet nietig worden verklaard.

Deze betekening heeft de termijn om hoger beroep in te stellen tegen de NV T.R.B. doen lopen. Het hoger beroep ingesteld door de vennootschappen U.I. BV, U. BV en R.O. BV op 4 december 2015 tegen de NV T.R.B. is onontvankelijk wegens laattijdigheid.

18. Ten overvloede wordt ook het volgende overwogen.

Er werd een tweede betekening uitgevoerd overeenkomstig artikel 7 van de betekeningsverordening op 12 oktober 2015.

Appellanten betogen dat het gaat om een betekening van hetzelfde betekeningsexploot.

Deze betekening is volgens hen bijgevolg behept met dezelfde onregelmatigheid als de betekening d.d. 28 september 2015. De betekening betreft hetzelfde nietige Belgische betekeningsexploot zodat deze betekening evenmin de termijn voor het hoger beroep heeft doen lopen.

Aangezien het hof oordeelt dat het Belgische betekeningsexploot niet nietig is, faalt dit middel van appellanten.

19. Bovendien betreft het een betekening als bedoeld in artikel 7, 1. van de betekeningsverordening: de ontvangende instantie zorgt voor de betekening of kennisgeving van het stuk overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat.

In de drie betekeningsakten opgesteld door de Nederlandse gerechtsdeurwaarder wordt vermeld dat hij “Op verzoek van de vennootschap naar buitenlands recht T.R.B., gevestigd te Vorst (België), die voor deze zaak woonplaats kiest” op het adres van de gerechtsdeurwaarders, aan de BV U.I. (respectievelijk U. BV en R.O. BV, gevestigd (…), “aldaar aan dat adres mijn exploot doende en afschrift dezes alsmede van de na te melden stukken latende aan”, heeft betekend een exploot van betekening opgesteld op 28 september 2015 door gerechtsdeurwaarder G.W., een vonnis (AR A/14/52.859) op tegenspraak uitgesproken door de Nederlandstalige rechtbank van koophandel d.d. 23 september 2015 en bijlage II bij de verordening nr. 1393/2007.

Hieruit volgt dat het in de drie gevallen een exploot van betekening betreft, dat de Nederlandse gerechtsdeurwaarder het bestreden vonnis heeft betekend en dat deze betekening geschiedde op verzoek van de NV T.R.B. Appellanten kunnen niet gevolgd worden in hun stelling dat de betekening in Nederland van 12 oktober 2015 enkel de betekening is van het betekeningsexploot van 28 september 2015 en niet van het vonnis van 23 september 2015.

Het bestreden vonnis werd bijgevolg tweemaal betekend. De tweede betekening is rechtsgeldig gebeurd. Zelfs indien de eerste betekening nietig was geweest - hetgeen door het hof niet wordt beslist - dan nog was het hoger beroep van appellanten U.I. BV, U. BV en R.O. BV onontvankelijk wegens laattijdigheid. De tweede betekening had de termijn doen lopen op 12 oktober 2015 zodat de neerlegging van het verzoekschrift tot hoger beroep op 4 december 2015 sowieso laattijdig was.

20. Het hoger beroep ingesteld door de BVBA U.B. is eveneens onontvankelijk.

De BVBA U.B. heeft niet het vereiste belang om hoger beroep in te stellen. Alle vorderingen die door de NV T.R.B. tegen de BVBA U.B. werden ingesteld, worden in het bestreden vonnis ongegrond verklaard.

21. Appellanten dienen te worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, hetzij 840 EUR. Zij dienen tevens te worden veroordeeld tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding van 1.320 EUR aan de NV T.R.B. voor de procedure in graad van hoger beroep.

Aangezien het hoger beroep onontvankelijk is kan het hof zich niet uitspreken over de gedingkosten van eerste aanleg, zoals gevorderd door de NV T.R.B.

Appellanten dienen ook een rechtsplegingsvergoeding van 1.320 EUR te betalen aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

De Belgische Federatie van Taxis en G.T.L. VZW vorderen geen veroordeling van appellanten tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding.

OM DEZE REDENEN:

HET HOF, rechtdoende na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Voegt de zaken gekend onder algemeen rolnr. 2015/AR/2024 en algemeen rolnr. 2015/AR/2228,

Verklaart het hoger beroep ingesteld door appellanten tegen de NV C.D.P. (2015/AR/2024) onontvankelijk,

Veroordeelt appellanten in de kosten van dit hoger beroep, vastgesteld in hoofde van appellanten op 840 EUR,

Veroordeelt appellanten tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 1.320 EUR aan de NV C.D.P.,

Veroordeelt appellanten tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 1.320 EUR aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest,

Verklaart het hoger beroep ingesteld door appellanten tegen de NV T.R.B. (2015/AR/2228) onontvankelijk,

Veroordeelt appellanten in de kosten van dit hoger beroep, vastgesteld in hoofde van appellanten op 840 EUR,

Veroordeelt appellanten tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 1.320 EUR aan de NV T.R.B.,

Veroordeelt appellanten tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 1.320 EUR aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 14/07/2017 - 10:05
Laatst aangepast op: vr, 14/07/2017 - 10:05

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.