-A +A

Geen woonstvergoeding wanneer ex-echtgenoot gemeenschappelijke pand betrekt na de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel van de gemeenschap van goederen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 24/11/2016
A.R.: 
C.16.0026.F

Door de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel ontstaat tussen de partijen een postcommunautaire onverdeeldheid, die de goederen bevat die aanwezig waren op het ogenblik waarop de ontbinding van het huwelijk tussen de echtgenoten terugwerkt, evenals de vruchten die deze goederen nadien hebben opgebracht.

De onverdeelde eigenaar die beschikte over het exclusief genot van een onverdeeld goed moet de overige onverdeelde eigenaars voor dat genot vergoeden.

Wanneer een van de ex-echtgenoten het gemeenschappelijke pand betrekt na de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel van de gemeenschap van goederen, moet hij aan de andere ex-echtgenoot, ongeacht de omstandigheden van de zaak, geen woonstvergoeding betalen die gelijk is aan de helft van de huurwaarde van het pand.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.16.0026.F

H. A.,

tegen

A. A.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep Brussel van 12 december 2014.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 1278, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek werkt het vonnis of ar-rest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, terug tot op de dag waarop de vordering is ingesteld en, wanneer er meer dan één vordering is, tot op de dag waarop de eerste is ingesteld, ongeacht of zij werd toegewezen of niet.

Door de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel ontstaat tussen de partijen een postcommunautaire onverdeeldheid, die de goederen bevat die aanwezig waren op het ogenblik waarop de ontbinding van het huwelijk tussen de echtgenoten terugwerkt, evenals de vruchten die deze goederen nadien hebben opgebracht.

Luidens artikel 577-2, § 2, Burgerlijk Wetboek worden de onverdeelde aandelen vermoed gelijk te zijn.

Volgens artikel 577-2, § 3, van dat wetboek heeft de mede-eigenaar deel in de rechten en draagt hij bij in de lasten van de eigendom naar verhouding van zijn aandeel.

Hieruit volgt dat de onverdeelde eigenaar aan wie het exclusieve genot van een onverdeeld goed werd toebedeeld, de overige onverdeelde eigenaars voor dat ge-not moet vergoeden.

Hieruit volgt niet dat, wanneer een van de ex-echtgenoten het gemeenschappelijke pand betrekt na de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel van de gemeenschap van goederen, hij aan de andere ex-echtgenoot, ongeacht de omstandighe-den van de zaak, een woonstvergoeding moet betalen die gelijk is aan de helft van de huurwaarde van het pand.

In zoverre het onderdeel het tegengestelde aanvoert, faalt het naar recht.

Het bestreden arrest stelt vast dat de eiser "een woonstvergoeding vordert vanaf 12 februari 2003, zijnde de datum van de dagvaarding tot echtscheiding en van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel zich hiervoor steunende op de door deskundige D. in aanmerking genomen huurwaarde" en dat de verweerster "van oordeel is dat zij geen enkele woonstvergoeding verschuldigd is".

Het overweegt dat de eiser, met toepassing van artikel 577-2, § 3, Burgerlijk Wet-boek, aanspraak kan maken "op de helft van de huurwaarde van het pand, sinds de dagvaarding tot echtscheiding van 12 februari 2003, te meer daar hij kosten heeft moeten maken om elders onderdak te vinden".

Het vermeldt "dat [de verweerster] terecht vraagt dat ermee rekening wordt ge-houden dat zij permanent huisvesting verleent aan de twee gemeenschappelijke kinderen van de partijen, B., geboren op x, en M. geboren op x, wat niet wordt be-twist door [de eiser]" en dat "laatstgenoemde [...] nooit, in natura, heeft bijge-dragen tot de kosten voor de huisvesting van de gemeenschappelijke kinderen".

Het behoorde aan de eiser aan te tonen dat hij financieel had bijgedragen tot de kosten voor de huisvesting van de kinderen in het gemeenschappelijke pand.

Het bestreden arrest dat overweegt "dat niet wordt [...] aangetoond dat de onder-houdsbijdragen waartoe [de eiser] veroordeeld werd bij beschikking in kort geding van 26 februari 2003 [...], bij vonnis van 16 oktober 2009 van de jeugdrechtbank [...] en bij arrest van 14 september 2010 van de jeugdkamer van het hof van beroep [...] toereikend waren om ook zijn aandeel in de kosten voor de huisvesting van de kinderen te dekken", keert de bewijslast niet om.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, en in openbare terechtzitting van 24 november 2016 uitgesproken

Noot: 

zie ook:Hof van Cassatie, 3e Kamer – 19 september 2011, RW 2012-2013, 1300

AR nr. C.10.0278.N

H.S. t/ U.S.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, in hoger beroep, van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 22 december 2009.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Tweede onderdeel

3. Art. 577-2, § 3 BW bepaalt dat de mede-eigenaar deel heeft in de rechten en bijdraagt in de lasten van eigendom naar verhouding van zijn aandeel.

Art. 577-2, § 5, eerste lid BW bepaalt dat de mede-eigenaar recht heeft op het gebruik en het genot van de gemeenschappelijke zaak, overeenkomstig haar bestemming en in zover dit met het recht van zijn deelgenoten verenigbaar is.

4. Hieruit volgt dat in beginsel de deelgenoot die alleen het onverdeelde goed heeft gebruikt en het exclusief genot ervan heeft gehad, een vergoeding verschuldigd is aan de andere deelgenoten in verhouding tot hun aandeel in de opbrengstwaarde van dit goed.

5. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat zelfs als de eiser alleen het genot en het gebruik van de mede-eigendom heeft, aan de verweerder niet het genot van de mede-eigendom kan worden toegekend in de vorm van een vergoeding als de eiser geen schuld heeft aan de omstandigheid dat de verweerder zijn recht op genot en gebruik niet in natura heeft uitgeoefend, faalt naar recht.

...



NOOT D. Michiels onder deze publicatie in het RW – Tontine en exclusief genot

I. De tontine

II. Mede-eigendom en onverdeeldheid

III. Exclusief genot

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 28/06/2018 - 14:15
Laatst aangepast op: do, 28/06/2018 - 14:17

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.