Gelijkheid van de Burgers voor de openbare lasten, wel fundamenteel, (nog) niet absoluut, RW 2010-2011, 1223, S. Lierman
PARKET
VAN HET
HOF VAN CASSATIE
_____
C.06.0415.N
Conclusie van advocaat-generaal Chr. Vandewal
Feitelijke gegevens en procedurevoorgaanden
Blijkens het feitenrelaas in het beroepen vonnis en het bestreden arrest is verweerster eigenares van een pand gelegen te Borgerhout, Turnhoutsebaan 34, waarin een aantal appartementen worden verhuurd aan diverse huurders.
In het raam van een strafrechtelijk onderzoek wegens drugsinbreuken werd op 4 december 2000 door onderzoeksrechter VAN CAUWENBERGHE te Antwerpen een bevel tot huiszoeking afgeleverd dat, bij verhindering van de onderzoeksrechter, diezelfde dag door de politie van Antwerpen, zone City, werd uitgevoerd. In het kader van dit strafdossier hadden meerdere verdachten immers verklaard dat vanuit verschillende van die appartementen en studio's drugs werden verhandeld.
Eiser was niet een verdachte in het strafdossier waarin de huiszoeking werd bevolen.
Blijkens het proces-verbaal van huiszoeking werden naar aanleiding van deze huiszoeking 10 voordeuren geforceerd en alle deuren, ook de deurstijlen en/of het houtwerk werden beschadigd om uiteindelijk in één appartement drugs te vinden.
De schade werd tussen verweerster en de verzekeraar van de stad Antwerpen op 15 december 2000 op tegenspraak vastgesteld op een bedrag van 7.442,38 euro, exclusief BTW.
Verweerster vorderde vergoeding van de door haar geleden schade en de veroordeling van eiser en de stad Antwerpen, in solidum, elk voor hun deel, minstens de ene bij gebreke van de andere, tot betaling van een som van 9.005,28 euro, meer de vergoedende intresten vanaf 4 december 2000, meer de gerechtelijke intresten en de kosten, en stelde tijdens de procedure tevens een vordering in waarbij zij tevens veroordeling eiste van eiser tot betaling van een schadevergoeding van 7.500 euro, wegens tergend en roekeloos verweer.
De stad Antwerpen vorderde dat eiser zou worden veroordeeld haar te vrijwaren voor alle bedragen waartoe zij in hoofdsom, intresten en kosten zou veroordeeld worden.
De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen verklaarde in het beroepen vonnis van 30 januari 2003 de vordering van verweerster ten laste van eiser toelaatbaar, behoudens in zoverre gesteund op een fout van de politie van Antwerpen, doch ongegrond, de vordering van verweerster ten laste van de stad Antwerpen toelaatbaar doch ongegrond en de vordering tot vrijwaring van de stad Antwerpen tegen eiser zonder voorwerp.
Verweerster stelde hoger beroep in. Het hof van beroep te Antwerpen verklaarde in zijn arrest van 19 april 2004 dit hoger beroep gegrond, hervormde het beroepen vonnis, verklaarde o.m. de vordering van verweerster ten aanzien van eiser met betrekking tot het tergend en roekeloos verweer ongegrond, en voor het overige gegrond in volgende mate, en veroordeelde eiser tot betaling aan verweerster van het bedrag van 7.442,38 euro, meer de vergoedende intresten vanaf 4 december 2000 en de gerechtelijke intresten, verleende verweerster voorbehoud voor de BTW en veroordeelde eiser in de kosten.
Eiser tekende cassatieberoep aan tegen dit arrest, welk cassatieberoep het voorwerp uitmaakt van de huidige procedure.
Het cassatiemiddel
Eiser voert in zijn enig cassatiemiddel schending aan van het algemeen rechtsbeginsel houdende de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten, zoals onder meer neergelegd in artikel 16 van de Gecoördineerde Grondwet, van dit artikel 16 van de Gecoördineerde Grondwet en van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek.
Eiser verwijt aan het hof van beroep te hebben beslist dat eiser de schade van verweerster moet vergoeden om reden dat de geleden schade gelijkelijk over de gemeenschap moet worden verdeeld bij toepassing van het beginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten terwijl enerzijds, de uitgedrukte wil van de wetgever er niet op gericht is in dergelijk geval een vergoeding te voorzien en, anderzijds, de appelrechters nalaten vast te stellen dat de vermoede wil van de wetgever met het algemeen rechtsbeginsel overeenstemt en de concrete toepassing ervan in de bepaalde zin niet uitdrukkelijk geschreven werd omdat het zo zeker is dat dit niet hoefde.
Eiser stelt dat het voor het nuttig uitvoeren van een strafrechtelijk onderzoek noodzakelijk is dat huiszoekingen in de wettelijk bepaalde voorwaarden moeten kunnen worden uitgevoerd, waarbij de particulieren in wiens eigendom deze verrichtingen geschieden deze openbare last in het algemeen belang dienen te dragen. Ditzelfde algemeen belang rechtvaardigt ook het toebrengen van schade, die geen aanleiding geeft tot schadevergoeding wanneer de huiszoeking op foutloze wijze wordt bevolen en uitgevoerd en er voor de huiszoeking, gelet op de concrete omstandigheden, geen alternatieven voor een even doelmatige uitvoering van de huiszoeking voorhanden waren. De wet of het decreet bepalen niet anders, zodat volgens eiser de wil van de wetgever niet blijkt om in dergelijk geval een vergoeding toe te kennen en het niet aan de rechter staat om zelf te bepalen dat het beginsel van de gelijkheid van de openbare lasten rechtvaardigt dat de schadelijder niet met de geleden schade blijft zitten, maar dat deze schade gelijkelijk over de gemeenschap moet worden verdeeld en dit tegen de wil van de wetgever.
In dat geval vermag de rechter volgens eiser slechts het voormeld algemeen rechtsbeginsel toe te passen mits hij in staat is de vermoedelijke wil van de wetgever in die zin te bepalen, hetgeen hij slechts kan doen indien hij de gegronde overtuiging is toegedaan dat die beginselen met die bewuste wil overeenstemmen en dat zij niet geschreven werden om reden dat hun bestaan zo zeker is dat het niet nodig is het op materiële wijze in een tekst vast te leggen.
Bespreking van het middel
Voorafgaand dienen volgende door de appelrechters vastgestelde casuele concrete omstandigheden in herinnering te worden gebracht:
- Het bevel tot huiszoeking werd terecht gegeven en de onderzoeksrechter is opgetreden zoals elk normaal onderzoeksrechter in dezelfde omstandigheden zou hebben gedaan;
- Het optreden van de politieambtenaren van de stad Antwerpen was in de gegeven omstandigheden niet foutief;
- De actie was legitiem en er zijn geen aanwijzingen dat de tussenkomst op minder schadelijke wijze had kunnen gebeuren; er waren integendeel geen alternatieven voor een even doelmatige uitvoering van de huiszoeking;
- Verweerster werd niet als verdachte aangemerkt en had niets te maken met de verdenking die tegen de verdachten bestond.
In deze zaak is aldus de problematiek van de foutloze overheidsaansprakelijkheid en de vergoedbaarheid van schade veroorzaakt door een op zich rechtmatig en foutloos overheidsoptreden aan de orde.
Het cassatiemiddel nodigt uw Hof uit tot een onderzoek naar de draagwijdte en het juridisch karakter van het algemeen rechtsbeginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten.
Procureur-generaal DUMON omschreef de algemene rechtsbeginselen als "formele bronnen van het recht die rechtsregels vormen welke niet in geschreven teksten of in bijzondere teksten zijn neergelegd". Het voornaamste nut van de algemene rechtsbeginselen is dat ze toelaten het stilzwijgen, de duisterheid en de onvolledigheid van de wet aan te vullen(1). Procureur-generaal GANSHOF VAN DER MEERSCH wees er reeds in zijn mercuriale van 1 september 1970 op dat algemene rechtsbeginselen "toepasselijk zijn zelfs in afwezigheid van een tekst"(2).
Er dient op te worden gewezen dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen de algemene rechtsbeginselen met grondwettelijke waarde en deze met wettelijke waarde. "Bij algemene rechtsbeginselen met grondwettelijke waarde gaat het om beginselen die de waarden van een democratie handhaven; het zijn de beginselen die het moreel en institutioneel geraamte vormen waarop de maatschappelijke organisatie berust. De rechtsbeginselen met wettelijke waarde kunnen de leemtes in de wet opvullen"(3). Dit onderscheid heeft in de in deze zaak aan de orde zijnde problematiek zijn belang en er wordt hieronder dan ook verder ingegaan op de gevolgen van dit onderscheid.
Het algemeen rechtsbeginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten, dat o.m. is neergelegd in artikel 16 van de Grondwet, houdt in dat de overheid niet zonder vergoeding lasten kan opleggen, die groter zijn dan die welke een particulier in het gemeenschappelijk belang moet dragen(4).
Het criterium van de "lasten die een particulier in het gemeenschappelijk belang moet dragen" werd in de rechtspraak van Uw Hof voornamelijk gehanteerd in het kader van de burenhinder (art. 544 van het Burgerlijk Wetboek).
Bekend zijn vooral de zogeheten kanaal- en schoorsteenarresten van 6 april 1960, die reeds de theorie van het verstoorde evenwicht hadden ontwikkeld; het kanaalarrest had specifiek betrekking op hinder veroorzaakt door openbare werken, terwijl het schoorsteenarrest betrekking had op burenhinder tussen particulieren(5). Volgens deze arresten verplicht artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek de eigenaar van een onroerend goed die door een niet-foutieve handeling het evenwicht verbreekt dat tot stand is gekomen tussen naburige eigendommen, door aan een naburige eigenaar een stoornis op te leggen die de maat van de gewone buurschapsnadelen overschrijdt, tot een rechtmatige en passende compensatie waardoor het verbroken evenwicht wordt hersteld, en dit overeenkomstig de traditie en het algemeen beginsel dat vastgelegd is in o.m. (het toenmalige) artikel 11 van de Grondwet (het huidige artikel 16). Het bewijs van een fout in de hoofde van de eigenaar is daarbij niet vereist.
"De theorie van het verstoorde evenwicht is ook op de openbare besturen toegepast, met dien verstande dat bij door de overheid veroorzaakte hinder veelal wordt gesproken van de verstoring in het evenwicht der openbare lasten die op ieder burger moeten rusten en waarmee de rechter dient rekening te houden bij het beoordelen van zowel de omvang van de hinder als de vergoeding die wordt toegekend als gevolg van het verstoorde evenwicht"(6).
Uw Hof besliste in zijn arrest van 23 november 2000 "dat de veroorzaker van hinder die de normale ongemakken van nabuurschap overschrijdt, krachtens artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek vergoeding verschuldigd is voor het daardoor verbroken evenwicht; dat in dit laatste geval de rechter, bij de beoordeling van de omvang van die hinder, dient rekening te houden met de lasten die een particulier in het gemeenschappelijk belang moet dragen"(7).
De wetgever voorziet in verscheidene gevallen een vergoeding voor schade te wijten aan een op zichzelf rechtmatig overheidsoptreden; er kan in dit verband gedacht worden aan onwerkdadige hechtenis, vergoeding van zelfstandigen wegens hinder door werken aan het openbaar domein, planschade enz.
In andere gevallen behoudt de wetgever het stilzwijgen. De vraag is dan ook of de rechter in die gevallen, ondanks het ontbreken van een wettelijke basis, toch vergoeding kan toekennen op grond van dit algemeen rechtsbeginsel.
In een arrest van 28 januari 1991 maakte Uw Hof een toepassing van voormeld algemeen rechtsbeginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten in de context van burenhinder ten gevolge van openbare werken. In de zaak die aanleiding gaf tot dit arrest werd aangevoerd dat de in aanmerking te nemen schade moet worden beoordeeld volgens de lasten, veroorzaakt door het verrichten van openbare werken, die de stad Brussel kon opleggen en die de eigenaars moesten ondergaan in het gemeenschappelijk belang en niet op grond van de toestand van eisers in vergelijking met de andere naburen. Het Hof oordeelde dat de rechter, bij toepassing van het beginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten, het recht van de eisers niet kan beperken tot de vergoeding van die lasten die andere omwonenden van de door de overheid begonnen werken niet ondergaan(8).
Een arrest van 23 mei 1991 bevestigde dat, hoewel artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek degene die hinder veroorzaakt welke de normale ongemakken van nabuurschap overschrijdt, zelfs al gaat het om een openbare macht, verplicht tot vergoeding van het door die hinder verbroken evenwicht, de rechter toch bij zijn beoordeling van de omvang van de hinder, wanneer degene die de hinder veroorzaakt een openbare dienst is, rekening moet houden met de lasten die een particulier persoon in het algemeen belang moet dulden. Het algemeen rechtsbeginsel van de gelijkheid van de burgers moet overigens klaarblijkelijk niet worden afgewogen tegen een ander (niet-bestaand) rechtsbeginsel dat de voorrang van het algemeen op het particulier belang zou vastleggen, vermits Uw Hof in dit arrest immers het bestaan van dergelijk rechtsbeginsel uitdrukkelijk heeft ontkend(9).
Hoewel Uw Hof vooralsnog enkel in de context van openbare werken toepassing maakte van het algemeen rechtsbeginsel van de gelijkheid van de burger voor de openbare lasten, lijkt een uitbreiding van het toepassingsgebied naar de rechtmatige dwangmaatregelen op goederen in het raam van een strafrechtelijk onderzoek mij gerechtvaardigd te zijn.
Een interessante vergelijkbare toepassing van deze casus is terug te vinden in het arrest dat de Hoge Raad der Nederlanden op 30 maart 2001 heeft geveld(10).
De Hoge Raad stelde in randnummer 3.8: "Een van de verschijningsvormen van het gelijkheidsbeginsel is de regel dat de onevenredig nadelige - dat wil zeggen: buiten het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico vallende, en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende - gevolgen van een overheidshandeling of overheidsbesluit niet ten laste van die beperkte groep behoren te komen, maar gelijkelijk over de gemeenschap dienen te worden verdeeld. Uit deze regel vloeit voort dat het toebrengen van zodanige onevenredige schade bij een op zich zelf rechtmatige overheidshandeling als de onderhavige huiszoeking jegens de getroffene onrechtmatig is. In zoverre levert een door de rechtbank verleend verlof tot het doen van huiszoeking dus geen rechtvaardigingsgrond op voor het toebrengen van schade."
De Hoge Raad overwoog dat de rechtmatigheid van een huiszoeking niet beslissend is voor het antwoord op de in het geding aan de orde zijnde vraag "of het bij een op zichzelf rechtmatige huiszoeking toebrengen van schade (...) rechtmatig is; het enkele feit dat een huiszoeking overeenkomstig de regels van strafvordering is geschied, staat niet in de weg dat het daarbij aanbrengen van zodanige schade onrechtmatig kan zijn" (randnummer 3.6).
Hieruit blijkt weliswaar dat in Nederland de problematiek ook in geval van rechtmatige en foutloze huiszoeking wordt benaderd vanuit het leersstuk van de onrechtmatige daad, nu het onrechtmatigheidsbegrip er breder is dan in België. Er wordt dan ook beroep gedaan op de constructie dat de overheid aansprakelijk is wegens het veronachtzamen van de belangen van bepaalde personen(11). In België lijkt die problematiek echter onder het leerstuk van de foutloze aansprakelijkheid benaderd te moeten worden.
Anders dan het middel aanvoert, meen ik niet dat gesteld kan worden dat het toekennen van vergoeding in geval van schade bij een rechtmatige huiszoeking tegen de wil van de wetgever zou ingaan. Integendeel, de wetgever heeft later zelf deze problematiek geregeld in de zin van het toekennen van een recht op vergoeding, meer bepaald in het K.B. van 27 april 2007 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken.
Artikel 55, eerste lid, van dit K.B. bepaalde immers:
"De tijdens een huiszoeking veroorzaakte schade valt ten laste van de FOD Justitie ingeval zij onontbeerlijk is gebleken voor een correcte tenuitvoerlegging van de opdracht. Zij wordt betaald volgens de marktprijs."
Dit K.B. werd weliswaar door de Raad van State vernietigd wegens schending van substantiële vormvereisten(12), doch de erin vervatte regeling toont in elk geval aan dat de wetgever het toekennen van schadevergoeding wegens tijdens een (rechtmatige) huiszoeking veroorzaakte schade niet heeft willen uitsluiten, maar integendeel als regel heeft willen aannemen.
Eiser gaat er ten onrechte van uit dat de toepassing van het algemeen rechtsbeginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten enkel mogelijk is indien de uitgedrukte wil van de wetgever erop is gericht in dergelijk geval een vergoeding toe te kennen.
Weliswaar kunnen de algemene rechtsbeginselen niet tegen de wet gelden, omdat de wettekst primeert wanneer de wetgever expliciet afbreuk heeft gedaan aan de toepassing van een rechtsbeginsel; Uw Hof stelde expliciet dat de algemene rechtsbeginselen door de rechter in een welbepaalde zaak niet mogen worden toegepast, wanneer die toepassing onverenigbaar zou zijn met de vaste wil van de wetgever(13). Uw Hof besliste tevens in zijn arrest van 20 februari 1991 dat de algemene rechtsbeginselen door de rechter in een welbepaalde zaak niet mogen worden toegepast wanneer die toepassing onverenigbaar zou zijn met de ondubbelzinnige wil van de wetgever(14).
In geval van huiszoeking heeft de wetgever echter niet expliciet afbreuk gedaan aan de toepassing van het beginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten.
Daarenboven meen ik dat, nu het algemeen rechtsbeginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten is neergelegd in artikel 16 van de Grondwet(15), het ter zake gaat om een algemeen rechtsbeginsel met grondwettelijke waarde. Nu de bovenstaande regel verwoord in 's Hofs arresten van 20 december 1990 en 20 februari 1991 mij alleen betrekking lijkt te hebben op algemene rechtsbeginselen met wettelijke waarde, lijkt hij mij in casu niet toepasselijk te zijn.
A. BOSSUYT specifieert met betrekking tot de algemene rechtsbeginselen met grondwettelijke waarde het volgende:
"Zij vullen de Grondwet aan, zijn onderliggend aan de Grondwet en zijn in de Grondwet vermeld en staan hiërarchisch boven de wet. Procureur-generaal bij het Hof van Cassatie F. DUMON stelt dat algemene rechtsmiddelen, wanneer ze grondwettelijke waarde hebben, dienen te worden nageleefd door de verordenende en door de bestuurlijke overheid, door de rechter en ook door de wetgevende macht. Deze algemene rechtsbeginselen worden ook wel eens de algemene rechtsbeginselen sensu lato genoemd of beschouwd als materiële bron van recht.
De algemene rechtsbeginselen 'met een grondwettelijke waarde' verwoorden de idee van de rechtsstaat. Het zijn fundamentele gedragsregels die wezenlijk zijn voor het bestaan en de handhaving van de rechtsorde en per definitie deel uitmaken van de Grondwet, die immers de fundamentele regels omvat die de inrichting en de werking van de staat, evenals zijn relatie met de onder hem ressorterende groepen en personen beheersen. Bij schijnbare strijdigheid van de wet met een dergelijk algemeen rechtsbeginsel moet worden nagegaan of de wet niet kan worden geïnterpreteerd in overeenstemming met het beginsel, waarvan zogezegd is afgeweken: de wetgever moet vermoed worden geen afbreuk te hebben gedaan aan voor de samenleving wezenlijke regels. In dergelijk geval geldt het algemeen rechtsbeginsel als aanvullende of interpretatieve rechtsbron. De wet kan derhalve aan deze fundamentele rechtsbeginselen worden getoetst"(16).
De rechter mag er dan ook van uitgaan dat de wil van de wetgever in overeenstemming is met het algemeen rechtsbeginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten, dat immers grondwettelijke waarde heeft. Artikel 16 van de Grondwet benadert precies het eigendomrecht in de relatie tussen burger en overheid. Ook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet kunnen onbetwistbaar met dit beginsel in verband worden gebracht.
Het grondwettelijk recht bestaat overigens niet alleen uit de artikelen van de geschreven Grondwet, maar ook uit onderling samenhangende algemene grondslagen en hoofdgedachten waarvan de grondwetgever is uitgegaan, maar die hij niet in een specifieke grondwetsbepaling heeft opgenomen(17). Het beginsel van gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten vindt zijn grondslag in de rechtsstaat zodat aan dit beginsel naar mijn oordeel de waarde van een grondwettelijke regel moet worden toegekend.
Dit algemeen rechtsbeginsel beheerst de relatie van de Staat met de onder hem ressorterende groepen en personen. De democratie is mede gestoeld op dit beginsel en het is wezenlijk voor het bestaan en de handhaving van de rechtsorde.
Indien de interpretatie van een wettekst ertoe zou leiden dat bepaalde personen in het algemeen belang lasten moeten dragen die groter zijn dan de lasten die een particulier in het algemeen belang moet dragen, lijkt het redelijk dat de rechter nagaat of de wet niet kan worden geïnterpreteerd in overeenstemming met het algemeen rechtsbeginsel van de gelijkheid van de burger voor de openbare lasten. De rechter gaat er dan van uit dat deze toepassing, gelet op het fundamenteel karakter van dit algemeen rechtsbeginsel, overeenstemt met de vermoede wil van de wetgever.
In zijn conclusie bij het voornoemde arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 30 maart 2001 beklemtoonde advocaat-generaal F.F. LANGEMEIJER overigens dat de toepassing van het rechtsbeginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten mogelijkheden tot nuanceren biedt. Hij wees er vooreerst op dat niet alle schade dient te worden vergoed, maar slechts het onevenredig nadeel, om vervolgens te stellen dat de vraag of de toepassing van een dwangmiddel een onevenredig nadeel oplevert, afhankelijk is van de strafprocessuele status die de betrokkene op dit ogenblik heeft. Een verdachte dient immers verdergaande dwangmiddelen te dulden dan een gewone burger. Indien het strafvorderlijk optreden jegens een verdachte zijn rechtvaardigingsgrond vindt in de verdenking van een strafbaar feit waarvoor dat strafvorderlijk dwangmiddel is toegelaten, is de vergelijkingsmaat niet of de betrokkene onevenredig is getroffen in vergelijking met een doorsnee burger, maar of de betrokkene onevenredig is getroffen in vergelijking met andere verdachten. Gaat het echter om strafvorderlijk optreden tegen iemand die niet verdacht is geweest, dan is de vergelijkingsmaatstaf of de betrokkene door de rechtmatige toepassing van het dwangmiddel onevenredig is benadeeld in vergelijking met een gewone burger. Zo ja, dan dient dat onevenredige nadeel te worden vergoed.
LANGEMEIJER stelt dat dezelfde maatstaf overigens kan worden gebruikt in de situatie, dat bij een op zichzelf rechtmatige achtervolging van een verdachte een slippende politieauto enige geparkeerd staande auto's van derden beschadigt. Aangenomen dat het om inherente schade gaat en niet om onnodig veroorzaakte schade, die sowieso dient te worden vergoed, ondervinden de willekeurig getroffen eigenaars van de geparkeerde auto's in vergelijking met andere gewone burgers onevenredig nadeel van de wijze waarop de politie bij de achtervolging het algemeen belang behartigt(18).
Op grond van dit algemeen rechtsbeginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten is het dan naar mijn mening dan ook precies mogelijk om de Staat in voorliggende omstandigheden, met name waarin het optreden van de politie betrekking heeft op een niet-verdacht persoon, te veroordelen tot schadevergoeding wegens het berokkenen van schade tijdens een rechtmatige en foutloos uitgevoerde huiszoeking.
De grief van eiser dat de toepassing van het beginsel enkel mogelijk is indien de uitgedrukte wil van de wetgever erop gericht was in dergelijk geval een vergoeding toe te kennen lijkt mij niet aangenomen te kunnen worden.
Nu het algemeen rechtsbeginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten een grondwettelijke waarde heeft, meen ik dat ook de grief van eiser dat de appelrechters bij het stilzwijgen van de wetgever hadden moeten vaststellen dat de vermoede wil van de wetgever met het algemeen rechtsbeginsel overeenstemt niet aangenomen kan worden. Zoals hoger gesteld mag de rechter wegens deze grondwettelijke waarde ervan uitgaan dat de wil van de wetgever in overeenstemming is met het algemeen rechtsbeginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten, gezien het fundamenteel karakter ervan.
De appelrechters die de grenzen van het recht van vergoeding hebben bepaald op grond van het genoemde rechtsbeginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten lijken mij aldus hun beslissing naar recht te hebben verantwoord.
Het middel, dat ervan uitgaat dat de eigenaar van het aangetaste goed op grond van dit algemeen rechtsbeginsel geen recht heeft op vergoeding voor de aantasting van de eigendom door de op rechtmatige en foutloze wijze toegebrachte schade, tenzij de wet of het decreet anders bepaalt of tenzij de rechter kon vaststellen dat de vermoede wil van de wetgever met het algemeen rechtsbeginsel overeenstemt en de wetgever dit niet uitdrukkelijk gezegd heeft omdat dit zeker was dat het niet hoefde, lijkt mij niet aangenomen te kunnen worden.
Conclusie: Verwerping
_____________
(1) A. BOSSUYT, "Algemene beginselen in de rechtspraak van het Hof van Cassatie", T.P.R., 2004, (1589) 1593, nr. 3.
(2) W. GANSHOF VAN DER MEERSCH, "Propos sur le texte de la loi et les principes généraux du droit", rede uitgesproken op de plechtige openingszitting van het Hof van Cassatie op 1 september 1970, A.C., 1970, 43.
(3) A. BOSSUYT, o.c., 1594, nr. 4; voor een rechtshistorische benadering van dit algemeen rechtsbeginsel zie S. STIJNS en H. VUYE, "Burenhinder, openbare werken, overheden, het 'beginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten' en de verplichting tot compensatie: meanders in de rechtspraak van het Hof van Cassatie", T.B.B.R., 2001, (329) 341.
(4) A. BOSSUYT, o.c,. 1599, nr. 10.
(5) Cass. 6 april 1960 (2 arresten), Bull. en Pas., 1960, I, 915, met concl. van advocaat-generaal MAHAUX.
(6) A. MAST, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Mechelen, Kluwer, 2006, 858.
(7) Cass. 23 nov. 2000, A.R. C.99.0104.F, A.C., 2000, nr. 639.
(8) Cass. 28 jan. 1991, A.R. 8807, A.C., 1990-91, nr. 281.
(9) Cass. 23 mei 1991, A.R. 8918, A.C., 1990-91, nr. 488, met concl. van procureur-generaal LIEKENDAEL in Pas., 1991, nr. 488.
(10) HR, 30 maart 2001, nr. C00/083HR, met concl. van advocaat-generaal LANGEMEIJER, http://zoeken.rechtspraak.nl
(11) T. HARTLIEF, "Aansprakelijkheid bij (on)rechtmatige overheidsdaad. Enkele opmerkingen naar aanleiding van HR 3 april 1998, RvdW 1998, 82", A&V, 1998/4, 79; A. VAN OEVELEN, Preadvies Schadevergoeding bij rechtmatige overheidsdaad in België, Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, 1984, p. 25, nr. 18.
(12) RvS 17 dec. 2008, nr. 188.928, B.S., 2 feb. 2009, www.raadvst-consetat.be
(13) Cass. 20 dec. 1990, A.R. 8840, A.C., 1990-91, nr. 215.
(14) Cass. 20 feb. 1991, A.R. 8738, A.C., 1990-91, nr. 335.
(15) Zie Cass. 28 jan. 1991, A.R. 8807, A.C., 1990-91, nr. 281.
(16) A. BOSSUYT, o.c., 1644, nr. 62.
(17) L.P. SUETENS, "Algemene beginselen van behoorlijk bestuur: begrip en plaats in de hiërarche der normen. Inleidende verkenning", in I. OPDEBEEK (ed.), Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1993, nr. 28.
(18) Concl. van advocaat-generaal LANGEMEIJER bij HR, 30 maart 2001, nr. C00/083HR, http://zoeken.rechtspraak.nl