-A +A

Google cache en onrechtmatige verwarring

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 07/06/2011

Het al dan niet bewezen karakter van de (niet)-uitvoering van een hoofdveroordeling beslagrechter en of dienvolgens de dwangsom al dan niet verbeurd is, behoort tot de bevoegdheid van de beslagrechter.

De vraag of de verplichting die onder dwangsom werd opgelegd al dan niet kon uitgevoerd worden dient beantwoord door dwangsomrechter.

Wanneer de verweer te goeder trouw meende dat door de verwijdering van de verwarringstichtende vermeldingen op een website, de verwarring zou eindigen en dit niet het geval bleek te zijn door een technische werking van de google-cache waarvan de verwarringstichtende onderneming niet op de hoogte was, is er geen aanleiding tot verbeurte van de dwangsom, wanneer de zoekresultaten zelf enkel nog verwijzen naar pagina’s waarop geen verwarringstichtende elementen of misbruik van naam nog te vinden zijn.

Loutere vermelding van namen van personen of firma namen die via zoekresultaten tot verwarring aanleiding kunnen geven, zijn verwarringstichtend en dienen vergoed met 1.000 euro per dag en per overtreding, behoudens andersluidende overeenkomst.

 

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2012
Pagina: 
261
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Gent 7 juni 2011, NjW 2012, 261.
 
[ ... ]
 
E-ION NV, [...]
appellante, [...]
 
tegen
 
1.V.O., [...]
 
geïntimeerde,
 
2.                  V.P., [ ... ]
3.                   
geïntimeerde,
 
4.                  Radiosonic BVBA, [...]
5.                   
geïntimeerde,
 
[ ... ]
 
I. Voorgaanden
 
1. Tussen partijen is een geschil gerezen naar aanleiding van de gedwongen tenuitvoerlegging door appellante van dwangsommen, die zouden verbeurd zijn ingevolge de niet-nakoming door geïntimeerden van het stakingsbevel lastens hen uitgesproken bij vonnis van de Voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Gent, zetelend op de wijze van het kort geding, van 15 april 2009.
 
Bij dit vonnis werd op stakingsvordering
 
van appellante lastens geïntimeerden beslist als volgt:
 
“Stellen inbreuk vast op artikel 94/3 WHPC doordat de verweerders gebruik maken van de bewoordingen ELEKTRION en E-ION en daardoor inbreuk plegen op de merkenrechten van appellante dan wel verwarring stichten met de onderneming van appellante en leggen verweerders verbod op onder verbeurte van een dwangsom van 1. 000 euro per dag dat dergelijk gebruik door één van de verweerders zou vastgesteld worden.
 
Stellen inbreuk vast op artikel 94/3 WHPC doordat de verweerders verwijzen naar een commerciële traditie of erfenis, en leggen mitsdien de verweerders verbod op om hun onderneming of hun producten voor te stellen als een “héritage familial”, “familiale erfenis verbonden aan de onderneming ELEKTRION of E-ION”, “elektrion oil works”, “héritage familial depuis 1907”, “familiale erfenis sedert 1907” of alle andere bewoordingen die zouden verwijzen naar de geschiedenis van de onderneming van eiseres, onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 euro per dag dat inbreuk op dit verbod zou gemaakt worden.
 
Verstaan dat de inbreuk door één der verweerders de hoofdelijke gehoudenheid van de andere met zich meebrengt, en dat één of meer inbreuken van één of meer verweerders slechts als één enkele inbreuk per dag kan aangezien worden; (...)”.
 
Het vonnis werd betekend aan geïntimeerden op 25 mei 2009.
 
[ ... ]
 
II. Beoordeling
 
Het Hof dient zich uit te spreken over het geschil naar aanleiding van de gedwongen tenuitvoerlegging door appellante van de dwangsommen ten belope van het bedrag van 140.000 EUR, die volgens haar verbeurd zouden zijn op grond van de beschikking van de beslagrechter van 15 april 2009.
 
A. Wat betreft de ontvankelijkheid van het hoger beroep en de bevoegdheid van de beslagrechter
 
Appellante handhaaft haar standpunt dat geïntimeerden zich in werkelijkheid beroepen op de onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen, namelijk doordat zij niet in de mogelijkheid waren om aan de Google-resultatenpagina de nodige wijzigingen aan te brengen.
 
Zij verwijst naar het verweer van geïntimeerden die in hun verzet tegen de gedwongen uitvoering aanvoeren dat zij alle mogelijke maatregelen hebben getroffen om de enige twee overtredingen die hen ten laste konden worden gelegd, waar nog nodig ongedaan te maken en dat zij niet de macht noch de middelen hebben om de overblijvende twee vermeldingen op het internet waarvoor zij zelf niet verantwoordelijk zijn, zomaar ongedaan te maken. Het feit dat geïntimeerden niet expressis verbis de opheffing of vermindering van de dwangsom hebben gevorderd, doet hieraan volgens appellante niets af.
 
Appellante stelt dat het hof niet bevoegd is om dit verzet van geïntimeerden te beoordelen en vraagt om die reden de zaak te verzenden naar de dwangsomrechter, d.i. de Voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Gent, zetelend zoals in kort geding.
 
Geïntimeerden werpen op dat het hoger beroep inzake de bevoegdheidsdiscussie onontvankelijk is omdat het verzoekschrift van appellante in strijd met het voorschrift van artikel 1056 Ger.W. terzake geen grief ontwikkelt en dat het hof in ieder geval wel bevoegd is om kennis te nemen van het geschil omdat hun vordering er enkel toe strekt te zeggen voor recht dat de inbreuken van het stakingsbevel niet bewezen zijn, zodat geen dwangsommen verbeurd zijn en dat zij niet vragen te oordelen over de al dan niet onmogelijke uitvoering van de stakingsbeslissing.
 
Overeenkomstig artikel 1057, 7° Ger.W. moet de akte van hoger beroep de uiteenzetting van de grieven bevatten. De sanctie bij niet naleving van deze vereiste is niet de onontvankelijkheid van het hoger beroep, maar de relatieve nietigheid van de akte, die door de geïntimeerde moet worden ingeroepen en door de appèlrechter slechts kan worden aangenomen als de geïntimeerde bewijst dat zijn belangen werden geschaad door het ontbreken van grieven.
 
Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van relatieve nietigheid.
 
Het hoger beroep van appellante is regelmatig ingesteld, omdat zij haar grieven tegen het bestreden vonnis in haar appelakte heeft ontwikkeld, ook al blijkt de grief m.b.t. de bevoegdheidsdiscussie beperkt tot het herhalen van haar standpunt voor de eerste rechter.
 
Het middel van onontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.
 
Het uitgangspunt bij de beoordeling van geschillen inzake dwangsommen, is de duidelijke taakverdeling die de Eenvormige Wet inzake de dwangsom heeft ingevoerd tussen de rechter die op verzoek van een partij aan de debiteur een dwangsom oplegt ingeval de hoofdveroordeling niet wordt voldaan, de dwangsomrechter, en de rechter die moet oordelen over de geschillen die rijzen bij de invordering van de verbeurde dwangsommen, hetzij de beslagrechter.
 
Enkel de rechter die een dwangsom heef opgelegd kan op vordering van de veroordeelde de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen (art.1385quinquies Ger.W.). Op basis van deze bepaling, zoals uitgelegd door het Benelux Gerechtshof in zijn arrest van 12 februari 1996 (R.W. 1995-96, 1298). wordt algemeen aangenomen dat de bevoegdheid om de dwangsom op te heffen in geval van onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen, exclusief is toegekend aan de rechter die de dwangsom oplegde.
 
Daarentegen komt het toe aan de beslagrechter om na te gaan of de hoofdveroordeling al dan niet is uitgevoerd. Op het terrein van de invordering heeft de dwangsomrechter geen rol te spelen. De vraag of de hoofdveroordeling al dan niet is uitgevoerd en of er bewijs voorligt van de beweerde inbreuken, behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de beslagrechter (zie Beneluxgerechtshof, 27 juni 2008, R.W. 2008-2009, 1183, concl.Adv. Gen. Dubrulle).
 
De strikte taakverdeling tussen de dwangsomrechter en de beslagrechter staat eraan in de weg dat een andere rechter dan de beslagrechter kennis neemt van de vraag of de dwangsom is verbeurd, maar belet ook dat de beslagrechter, aan wie een executiegeschil wordt voorgelegd naar aanleiding van de gedwongen invordering van verbeurde dwangsommen, kan oordelen over het bestaan en de gevolgen van de beweerde onmogelijkheid van de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Hij kan enkel oordelen over de vraag of de hoofdveroordeling al dan niet werd nagekomen en of de dwangsom bijgevolg al dan niet verbeurd is, niet over het verweer dat dit onmogelijk zou zijn.
 
Het hof stelt vast dat geïntimeerden niet de opheffing of vermindering vragen van de beweerdelijk verbeurde en door appellante ingevorderde dwangsommen wegens de onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen, maar dat zij vragen te zeggen voor recht dat appellante geen bewijs levert van inbreuken op het stakingsbevel van 15 april 2009, dat zij de bepalingen van dit bevel volledig hebben nageleefd en dat geen overtredingen werden begaan die de verbeurte van de dwangsom voor gevolg hebben.
 
Het geschil betreft de vraag naar het al dan niet verbeurd zijn van de dwangsommen en naar het bewijs van de beweerde overtredingen en of het hof bevoegd is om hiervan kennis te nemen. De omstandigheid dat over de nakoming van de hoofdveroordeling discussie mogelijk is, belet niet dat de vordering van geïntimeerden een executiegeschil betreft, waarvoor de beslagrechter en thans dit hof bevoegd zijn. Er is geen aanleiding om de zaak te verzenden naar de dwangsomrechter. Het hoger beroep op dit punt is ongegrond.
 
Het hof merkt op dat de bevoegdheidskwestie in elk geval niet dienend is, vermits het hof hoe dan ook bevoegd is, aangezien het hof de appèlrechter van de beslagrechter en van de dwangsomrechter is.
 
Wat betreft de verbeurte van de dwangsom
 
De betwisting tussen partijen betreft de vraag of er sprake is van een overtreding door geïntimeerden van het bij vonnis van 15 april 2009 opgelegde verbod, doordat de resultatenpagina van Google zoekresultaten vermeldde voor de websites www.theaerodrome.com en www.whois.domaintools. com met inbreukmakende vermeldingen, al stemden deze zoekresultaten niet langer overeen met de actuele webpagina’s.
 
Zoals blijkt uit het antwoord van Google van 26 mei 2008 (stuk 9 appellante) geven de zoekresultatenpagina’s “gecachte” kopieën weer van websites. Een gecachte kopie is een snapshot van de webpagina op het moment dat Google deze pagina het laatst bezocht. Nadat gecachte pagina’s zijn aangepast of verwijderd, zal de titel van de webpagina en de URL nog steeds afgebeeld worden voor dezelfde zoektermen en dit totdat de robot van Google de pagina’s nogmaals zal bezocht hebben.
 
Het hof moet zich uitspreken over de vraag of aan de voorwaarden voor de verbeurte van de dwangsom voldaan is. Het is de taak van het hof als executierechter om te onderzoeken of de dwangsomveroordeling al dan niet werd gerespecteerd. Daarbij moet worden onderzocht of appellante de niet-naleving van de hoofdveroordeling door geïntimeerden naar genoegen van recht bewijst en, in bevestigend geval, of geïntimeerden de verbeurte van de dwangsom op ernstige gronden betwisten.
 
Op de schuldeiser, in casu appellante, rust de bewijslast om aan te tonen dat alle voorwaarden voor de verbeurte van de dwangsom verenigd zijn en dat geïntimeerden in gebreke zijn gebleven om de hoofdveroordeling na te komen.
 
De dwangsom kan bovendien enkel verbeuren wanneer de gewraakte handelwijze klaarblijkelijk, d.w.z. zonder redelijke discussie, een inbreuk oplevert op de opgelegde verplichting. Enkel in dat geval is er sprake van een inbreuk en wordt de dwangsom verbeurd. De veroordeling tot betaling van een dwangsom dient eng te worden geïnterpreteerd en de dwangsom kan enkel worden verbeurd verklaard wanneer over de inbreuk op de rechterlijke uitspraak geen redelijke twijfel kan bestaan. Als maatstaf van deze toetsing van de ter uitvoering van het vonnis verrichte handelingen, dient men het doel en de strekking van de veroordeling als richtsnoer te nemen, met dien verstande dat de veroordeling geacht wordt niet verder te strekken dan tot het bereiken van het beoogde doel. Het rechterlijk verbod/bevel, waarop de dwangsom is gesteld, moet restrictief worden uitgelegd. De schuldenaar, in casu geïntimeerden moeten precies weten wat van hen wordt verlangd.
 
Uit de hiervoor aangehaalde bewoordingen van het stakingsbevel dd.15 april 2009 blijkt volgens het hof duidelijk en onbetwistbaar dat de Voorzitter van de rechtbank van Koophandel te Gent aan huidige geïntimeerden het verbod heeft opgelegd om hun onderneming of hun producten voor te stellen in bewoordingen die verwijzen naar de geschiedenis van de onderneming van huidige appellante.
 
Uit de overwegingen van het stakingsbevel en de bewoordingen van het bevel zelf blijkt niet dat het aan geïntimeerden opgelegde verbod een ander voorwerp heeft dan het doen ophouden van het gebruik door geïntimeerden van bepaalde verwarringstichtende bewoordingen ELEKTRION en E-ION en van de verwijzingen naar de geschiedenis van de onderneming van appellante. Het doel van het stakingsbevel is te vermijden dat geïntimeerden zich de reputatie van appellante zouden aanmeten of banden met haar of de familie van haar stichter zouden creëren of verwarring met haar zouden stichten.
 
Het stakingsbevel heeft niet aan geïntimeerden, onder verbeurte van een dwangsom, de verplichting opgelegd het resultaat te behalen dat inbreukmakende vermeldingen op geen enkele wijze nog kunnen aangetroffen worden in het cachegeheugen van Google, waarvan de verwijdering slechts kan geschieden na de nodige inspanningen.
 
Het blijkt uit de bewoordingen van het vonnis niet dat dit stakingsbevel zo moet/kan worden begrepen dat hieronder ook de verwijdering van gearchiveerde pagina’s zoals de caches van de internetzoekmachine Google moet worden begrepen.
 
Het bevel tot betalen werd gegeven voor dwangsommen die verbeurd zouden zijn in de periode van 26 mei 2009 tot en met 8 juni 2009.
 
Appellante stelt dat zij heeft moeten vaststellen dat geïntimeerden, niettegenstaande het hiervoor aangehaalde verbod, op verschillende websites op het internet nog steeds verwarring zaaien tussen de onderneming van appellante en die van hen.
 
Zij voert aan dat zij mits invoering van de woorden “elektrion” en “V.” in de zoekmotor van Google, als eerste resultaat bekwam een verwijzing naar de site whois.domaintools.com/lubiol.com. Daarbij kwamen de volgende woorden tevoorschijn: “ph. V. fax ( ... ) V. families in Ghent, successors offounders of the firm Elektrion and Voltol Oils” (vrije vertaling: V. families in Gent, erfgenamen van de stichters van de firma Elektrion en Voltol oliën).
 
Het tweede resultaat dat werd bekomen door Google, verwees naar de site “The aerodrome forum”, waar verwarring zou zijn gesticht tussen Elektrion en O.V. (“great-grandson of L.D.V., director of Elektrion”).
 
Daarnaast stelt appellante te hebben vastgesteld dat, op de website “Wikipedia/india. smashits.com”, voor de biopolymeren werd vermeld dat zij een proces van lubiolisatie gebruiken, voorgesteld als “current heritage of L.D.C. and sons, founder and director of Elektrion Oils in Belgium since 1928’ (vrije vertaling: “huidige erfenis van L.D.C. en zonen, stichter en directeur van Elektrion Oils in België sinds 1928”).
 
Op de website “addresses.com”, een gids van handelsondernemingen in de Verenigde Staten, zou Lubiol zijn voorgesteld als de erfgename van de vennootschap van appellante.
 
Niet alleen geeft de Google-resultatenpagina, door enkel het woord “elektrion” in te geven in de zoekmotor, volgens appellante verwijzingen weer naar sites van derden (whois.domaintools. com/lubiol en www. theaerodrome.com), maar bovendien worden eveneens verwijzingen weergegeven naar O.V. (voorstelling op Linked In) en naar de website Lubiol, dit zijn de eigen websites van geïntimeerden, die verschijnen vlak voor de verwijzing naar de website van appellante “electrion.be”.
 
Appellante voert aan dat geïntimeerden het stakingsvonnis niet te goeder trouw hebben uitgevoerd en niet het nodige hebben gedaan om het doel van het vonnis te bereiken, door niet de geijkte procedure te volgen om de Google-resultaten versneld te laten bijwerken, door niet de site www.theaerodrome.com te contacteren om de inbreukmakende vermeldingen te laten verwijderen en door niet gebruik te maken van de procedure die werd aanbevolen door whois. domaintools. com.
 
Zij gaat niet akkoord met het oordeel van de eerste rechter dat geïntimeerden zelf niet verantwoordelijk zouden zijn voor het feit dat men, bij het intikken van het woord “Elektrion” in de zoekmotor van Google, als resultaat het Linkedin-profiel van O.V. bekomt, alsook de internetsites Lubiol en Voltrion.
 
Dit zou volgens appellante het gevolg zijn van het bewust gebruik van zogenaamde “metatags” door geïntimeerden, zijnde informatie over de aard en de inhoud van een webpagina, die wordt toegevoegd in de hoofding van de pagina door middel van HTML-opmaak, om sneller via zoekrobotten te worden teruggevonden. Daarin zouden geïntimeerden sleutelwoorden als “electro ion” “electric ionisation” en “elektrische olie” en “ionisation” hebben gevoegd bij hun metatags; waardoor de Google-zoekmotor de internetsites van geïntimeerden in aanmerking gaat nemen wanneer een surfer het woord “electrion” intikt vermits de sites van appellante ook deze sleutelwoorden bevatten.
 
Volgens appellante kan de dwangsom worden gebruikt om iedere gedraging van geïntimeerden of het gevolg ervan te sanctioneren, zelfs indien deze voortvloeit uit een handeling van een derde, die deze verwarring in stand zou houden en dat de dwangsom ook kan worden aangewend om een onrechtmatige nalatigheid van geïntimeerden te sanctioneren in de mate dat zij niet alle nuttige maatregelen hebben genomen en zich niet tot het uiterste hebben ingespannen om de gewraakte verwijzingen onmiddellijk van de sites te verwijderen en om ervoor het zorgen dat Google het versnelde actualiseringproces zou toepassen.
 
Geïntimeerden betwisten dat de dwangsommen verbeurd zijn. Zij voeren onder andere aan dat de aangevoerde, inbreukmakende vermeldingen op het internet op hun aanvraag verwijderd werden. Zij stellen dat zij na de uitspraak van de stakingsrechter alles hebben gedaan en tijdig wat in hun mogelijkheden lag om de gewraakte passages te doen verdwijnen van de site www. theaerodrome.be en daar waar noch de webbeheerder, noch de webmaster van het forum, de aanpassingen doorvoerden, heeft eerste geintimeerde getracht de zaken via Google aan te pakken, zodat de zoekresultaten niet meer de foute pagina’s zouden weergeven. Er is volgens geïntimeerden geen sprake van vastgestelde inbreuken die aan hen toerekenbaar zouden zijn.
 
Zij hebben de verbeurte van de dwangsommen reeds voor de betekening van het exploot van bevel bij fax van 7 mei 2009 op omstandige wijze en gestaafd met stukken weerlegd. Zij stellen dat de beweerde inbreukmakende zoekresultaten, waar appellante zich op beroept, niet in overeenstemming zijn met wat werkelijk en actueel op de website kon geraadpleegd worden en dat de actuele pagina niet overeenstemt met de in het cache geheugen van Google opgenomen verwijzing/zoekresultaat.
 
Zij wijzen erop dat de informatie vervat op de website “http:india/smashits.com” de weergave is van een laatst op 27.12.2007 aangepaste webpagina en dat het een web-site betreft die een verouderde inhoud van de Wikipedia-website weergeeft, zonder dat zij daar enige vat op hebben. Met betrekking tot de vaststelling op de website www. addresses.com wijzen zij erop dat de informatie op deze site werd overgenomen uit bepaalde databestanden en dat het verouderde informatie betreft. Ten slotte tonen zij aan dat de zoekresultaten op Google de weergave zijn van wat Google in haar cachegeheugen behoudt.
 
Tot bewijs dat de dwangsom is verbeurd verwijst appellante in het bevel tot betaling van 29 juni 2009 naar de vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder in twee processen-verbaal. Uit het proces-verbaal van 8 juni 2009 blijkt dat op 2, 3, 4, 5, 7 en 7 juni 2009 (dus niet op 6 juni 2009), op de Google-resultatenpagina twee zoekresultaten werden verkregen die appellante beschouwt als inbreukmakend, namelijk: de verwijzing naar de webpagina www. whois.domaintools.com/lubiol.com met vermelding van de V.-familie als erfgenamen van de uitvinders van de “ELEKTRION”-olie; de verwijzing naar een pagina op de website www.theaerodrome.com met verwijzing naar de geschiedenis van het Belgische bedrijf “ELEKTRION” tijdens de eerste wereldoorlog en met vermelding van “V.” als achterkleinzoon van L.D.C.
 
Uit het tweede proces-verbaal van vaststelling van 18 juni 2009 blijkt dat dezelfde zoekresultaten ook werden verkregen op elke dag van de periode van 26 tot en met 29 mei 2009.
 
Beide processen-verbaal betreffen enkel een afdruk van de zoekresultaten bij een opzoeking in Google, niet een weergave van de inhoud van de actuele webpagina’s zelf.
 
Uit de twee voorgelegde processen-verbaal blijkt dat minstens tot 8 juni 2009 de inbreukmakende vermeldingen te vinden waren op de Google-resultatenpagina. Appellante meent dat deze vermeldingen op de zoekresultatenpagina van Google een overtreding inhouden van het aan geïntimeerden opgelegde verbod om bewoordingen te gebruiken die verwijzen naar de geschiedenis van de onderneming van appellante.
 
De in de processen-verbaal van 8 en 18 juni 2009 aangevoerde overtredingen van het stakingsbevel werden voor het eerst ter sprake gebracht in een faxbrief van 7 mei 2009 van de raadsman van appellante aan de raadslieden van geïntimeerden. In de brief werd medegedeeld dat uit twee websites en een opzoeking op Google met de zoektermen “V., electrion” bleek dat geïntimeerden het vonnis van 15 april 2009 niet respecteerden.
 
In een antwoordfax van diezelfde datum, waarvan hiervoor sprake, voerde de raadsman van eerste geintimeerde onder andere aan dat zijn cliënt diverse initiatieven had genomen om potentieel inbreukmakende vermeldingen te verwijderen waar mogelijk, dat de beschikking van de Voorzitter op een redelijke wijze moet worden geïnterpreteerd en toegepast, dat het internet op veel plaatsen werkt met recuperatie van informatie uit andere websites die vaak geen actuele informatie is maar in een cachegeheugen werd opgeslagen en dat die informatie niet op initiatief van de eerste geintimeerde kan worden verwijderd.
 
Het hof stelt vast dat uit de afdruk uit Google van de zoekresultaten onder de zoekterm “V. Elektrion” gevoegd bij de processen-verbaal van vaststelling van 8 en 18 juni 2009 de door appellante gewraakte vermeldingen te voorschijn komen bij de links naar de webpagina “whois.domaintools.com/lubiol.com” en de website www. theaerodrome.com.
 
Eerste geintimeerde toont echter aan dat hij tussen 16 en 29 april 2009 verschillende berichten heeft overgemaakt aan de forumbeheerder van “theaerodrome” om de woorden “ELEKTRION” en “D.C. & R.” die hij gebruikt had in berichten op het forum van “theareodrome” te veranderen door respectievelijk de termen “a Belgian oil company” en “DVR”. Hij stelt dat alle wijzigingen werden doorgevoerd op 28 april 2009.
 
Eerste geintimeerde toont eveneens aan dat de webpagina “whois.domaintools.com/lubiol.com” op 7 mei 2009 geen inbreukmakende vermeldingen meer bevatte.
 
Meer nog, eerste geintimeerde bewijst dat hij na de betekening van het vonnis getracht heeft om de inbreukmakende vermeldingen in de zoekresultaten op de resultatenpagina van Google zelf te laten verwijderen. Hij deed een aanvraag hiertoe met betrekking tot voornoemde websites van “domaintools” en “theaerodrome” op 26 mei 2009, onmiddellijk na de betekening van het vonnis. Hij stelt dat de verwijzing naar de website www.theaerodrome.com op de zoekresultatenpagina effectief werd verwijderd op 8 juni 2009.
 
Uit latere vaststellingen is echter gebleken dat dezelfde inhoud onder een andere URL van dezelfde website nog zichtbaar was.
 
Eerste geintimeerde bewijst ook dat hij inspanningen leverde voor de verwijdering van de archiefversie in “domaintools” zelf. Hij stuurde hiervoor op 7 mei 2009 naar domaintool de vraag of de vroegere archiefversie kon worden verwijderd. Hij ontving hierop een eerste negatief antwoord op 22 mei 2009. Daarin werd hem medegedeeld dat historische of opgeslagen informatie nooit wordt verwijderd van het internet (“historical/cached information is never deleted from the “world wide web”. Er werd voor de aanpassing van de “whois”record verwezen naar de ICANN-registrar, echter niet voor de verwijdering van gearchiveerde informatie. Ten slotte werd aan eerste geintimeerde gemeld dat hij tegen betaling de gearchiveerde informatie kon laten blokkeren, doch niet verwijderen. Op een nieuwe aanvraag van eerste geintimeerde om de gewraakte gearchiveerde informatie te laten verwijderen, werd geantwoord dat de vraag in beraad werd gehouden. Uiteindelijk werd de archiefversie verwijderd na 9 juni 2009.
 
Zoals de eerste rechter meent ook het hof dat uit de stukken, voorgelegd door partijen, en de informatie medegedeeld door Google, meer bepaald in verband met “Google webmasterhulpprogramma’s” blijkt dat na wijziging van een pagina van een website de oude en aangepaste webpagina nog enige tijd opgeslagen blijft in het cachegeheugen van Google, van waaruit de zoekresultaten worden weergegeven. De aangepaste en gewijzigde inhoud zal pas geindexeerd en weergegeven worden in de zoekresultaten wanneer Google de website opnieuw heeft doorzocht (‘crawlt’), hetgeen gebeurt op geregelde maar niet nader bepaalde tijdstippen.
 
Tevens blijkt dat het mogelijk is om na de bijwerking/aanpassing van een webpagina via het hulpprogramma voor het verwijderen van URL’s in de “Google webmasterhulpprogramma’s” te vragen om de zoekresultaten versneld te laten bijwerken.
 
Het antwoord van Google Belgium op vragen van appellante en van eerste geintimeerde geeft duidelijk aan dat er redenen kunnen zijn waarom de zoekterm ‘elektrion’ nog verwijst naar de website van geïntimeerden en waarom ook na het verwijderen van de cached pagina, de titel van de verwijderde pagina en de URL nog op de lijst van de zoekresultaten kan worden vermeld tot wanneer Google de website opnieuw heeft doorzocht.
 
Bovendien wordt uitdrukkelijk door Google bevestigd dat er een onderscheid is tussen de informatie zoals gearchiveerd weergegeven op de zoekresultatenlijst van Google en de actuele inhoud van een webpagina, dit is datgene wat de internetbezoeker te zien krijgt wanneer hij de webpagina in reële tijd bekijkt, wat gebeurt door het zoekresultaat zelf van Google aan te klikken. Geïntimeerden tonen aan dat, wanneer de beweerde inbreukmakende zoekresultaten werden aangeklikt, een andere tekst werd weergegeven en niet meer de tekst die als beweerd inbreukmakend zoekresultaat werd opgegeven.
 
Op grond van de voorliggende gegevens is het hof van oordeel dat geïntimeerden na het stakingsbevel alle nodige en mogelijke maatregelen hebben getroffen om de inbreukmakende verwijzingen ongedaan te maken en dat appellante voor de periode waarop het bevel tot betalen betrekking heeft, geen internetpagina’s voorlegt waaruit nog het bestaan van inbreukmakende verwijzingen blijkt. Geïntimeerden konden er, bij gebrek aan bijzondere beschikking in die zin in het stakingsbevel, ook van uitgaan dat het volstond de gewraakte webpagina’s zelf aan te passen, hetgeen zij bewijzen te hebben gedaan, waarna de weergave van deze webpagina’s op de Google-zoekresultatenpagina’s automatisch zou gebeuren nadat de Google-zoekmachine de bijgewerkte pagina’s opnieuw zou hebben doorzocht en geïndexeerd.
 
Dat de vermeldingen nog te vinden warenin het cachegeheugen van Google, terwijl de link naar de betrokken oude pagina werd
 
onderbroken, kan niet worden beschouwd als een aan geintimeerden toe te rekenen inbreuk op het stakingsbevel.
 
Geintimeerden tonen aan hun websites spontaan te hebben aangepast, ook wat betreft de sleutelwoorden in de html-taak van hun websites. Appellante bewijst niet dat de geïntimeerden door een inbreukmakende handeling in de betrokken periode erin geslaagd waren om nog vermeld te staan op de zoekresultaten met de zoekterm “elektrion”. De bewering van appellanten dat de zoekmachine van Google de metatag (zoals bv. “electro ion”) zou samenvoegen tot één zoekwoord “electrion”, waardoor de websites van geintimeerden alsnog op de resultatenpagina voor de zoekterm “elektrion” vermeld zouden staan, wordt door niets gestaafd.
 
Er wordt door appellante geen enkele daad van actief gebruik van de bewoordingen ELEKTRION, E-ION of ook ELECTRION bewezen voor de periode van 26.04.2009 tot en met 08.06.2009.
 
Het geschil is beperkt tot de aanwezigheid van gearchiveerde informatie op het internet en tot de vraag of de aanwezigheid van die informatie een inbreuk is op de stakingsbeslissing.
 
Het hof is van oordeel dat een loutere vermelding op een zoekresultatenprogramma van Google van oude inbreukmakende webpagina’s, waarbij de link naar deze oude pagina’s werd onderbroken, niet kan worden beschouwd als een inbreukmakende voorstelling door geïntimeerden van hun onderneming of hun producten in bewoordingen die verwijzen naar de geschiedenis van de onderneming van appellante, zoals bedoeld in het stakingsbevel, of dat minstens een ernstige en redelijke discussie hierover mogelijk is, zodat de dwangsom niet geacht kan worden verbeurd te zijn.
 
Het hoger beroep is ongegrond. C. Wat betreft de betekeningskosten
 
Geïntimeerden betwisten de kosten van betekening van het vonnis verschuldigd te zijn en stellen op dit punt incidenteel beroep in tegen het bestreden vonnis, dat deze kosten te hunnen laste legde.
 
Volgens artikel 1024 Ger.W. komen de kosten van tenuitvoerlegging ten laste van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd. Deze regel is een toepassing van de algemene regel dat proceskosten ten laste vallen van degene die deze kosten veroorzaakt.
 
Wanneer een partij vrijwillig overgaat tot uitvoering van de veroordeling, kunnen de kosten van een latere nutteloze betekening evenwel niet van haar worden teruggevorderd. Nu geïntimeerden afdoende hebben aangetoond dat zij reeds voor de betekening op 25 mei 2009 alle nodige inspanningen hebben geleverd om vrijwillig uitvoering te geven aan de hoofdveroordeling en deze hebben uitgevoerd – zonder dat hiertoe nog een bijkomende betekening nodig was – dienen de kosten van betekening ten laste te blijven van appellante.
 
Het incidenteel hoger beroep van geïntimeerden op dit punt is gegrond.
 
De kosten van de processen-verbaal van vaststelling zijn het gevolg van de verplichting van appellante om als executerende schuldeiser het bewijs te leveren van de niet-nakoming van de hoofdveroordeling en blijven ten laste van appellante zelf, zodat het eerste vonnis op dit punt bevestigd wordt.
 
D. Wat betreft de rechtsplegingsvergoeding
 
20. Appellante merkt op dat geïntimeerden worden vertegenwoordigd door dezelfde raadsman, identieke belangen hebben en identiek dezelfde conclusies hebben neergelegd. Zij meent dat er geen afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding kan worden toegekend voor elk van de geïntimeerden.
 
Geïntimeerden vragen de veroordeling van appellante tot een rechtsplegingsvergoeding van 5.000 EUR, gelet op de kennelijk onredelijke situatie die de N.V. E-ION heeft gecreëerd door ondanks tijdige en omstandige weerlegging van de beweerde inbreuken, alsnog tot betekening en verbeuring van een dwangsom over te gaan en gelet op het kennelijk onredelijk hoger beroep.
 
Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van een kennelijk onredelijke situatie, gelet op de ernst en de gecompliceerdheid van de betwisting tussen partijen, waardoor de inschatting door appellante van de draagwijdte van haar executierechten niet als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd.
 
De omstandigheid dat geïntimeerden dezelfde belangen hebben en samen werden vertegenwoordigd door één enkele raadsman, rechtvaardigt de toekenning van een enkele rechtsplegingsvergoeding voor hen samen.
 
De rechtsplegingsvergoeding wordt begroot op het basisbedrag van 1.320,00 EUR, gelet op het niet in geld waardeerbaar karakter van de vordering en wordt ten laste gelegd van appellante.
 
OM DEZE REDENEN, HET HOF,
 
[ ... ]
 
Verklaart het principaal hoger beroep toelaatbaar, doch ongegrond en het incidenteel beroep toelaatbaar en gegrond;
 
Doet de bestreden beschikking teniet inzoverre het de kosten van betekening ten laste legt van geïntimeerden en zegt voor recht dat deze kosten ten laste blijven van appellante;
 
Bevestigt de bestreden beschikking voor het overige in al zijn onderdelen;
 
Veroordeelt appellante tot de kosten van het geding in hoger beroep, aan haar zijde niet nader te begroten en aan de zijde van geïntimeerden begroot op 1.320,00 EUR rechtsplegingsvergoeding;
 
[ ... ]
 
Noot R.S. Dwangsom: inbreuk via zoekresultatenlijst Google, NJW 2012, 265

  

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 12/06/2012 - 18:17
Laatst aangepast op: vr, 15/06/2012 - 14:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.