-A +A

Herstelvordering en kennelijke onredelijkheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
vri, 14/06/2013

De herstelvordering dient getoest aan de redelijkheid en aan de mate waarbij het herstel bijdraagt aan een goede ruimtelijke ordening

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2014/306
Pagina: 
605
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur bij het ministerie van de Vlaamse gemeenschap van de afdeling Ruimtelijke Ordening voor de provincie West-Vlaanderen, appellant

tegen

S.P., [ ... ] geïntimeerde,

[ ... ]

3. Nopens de vergunningsplicht:

Het hof volgt appellant dat geen enkele van de hier aan de orde zijnde bouwwerken (garage, houten tuinhuis, inkomhekken en twee pananten) ressorteert onder art. 2 van het KB van 16 december 1971 tot bepaling van de werken en handelingen die vrijgesteld zijn ofwel van de bemoeiing van de architect, ofwel van de bouwvergunning ofwel van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar en welk art. 2 enkel als vrijgesteld omschrijft:

1 °) kleine serres die niet voor handels-of beroepsdoeleinden worden gebouwd,

2°) afsluitingen van lichte constructie, zoals die welke bestaan uit betonpalen en draad, uit betonplaten met een maximumhoogte van 30 cm en draad of draaggaas,

3°) tijdelijke constructies voor de installatie van bouwplaatsen, zoals slaapketen voor arbeiders, directieketen)

[ ... ]

5. Appellant heeft gepoogd om meer duidelijkheid te verschaffen aangaande de concrete situering van de bouwsels in kwestie en hun gebeurlijke afwijkingen van de verleende vergunningen en gevoegde schetsen.

Echter een en ander komt het hof toch niet echt nauwkeurig voor (wat ook de eerste rechter reeds van oordeel was) maar naar voor komt in alle geval dat de afwijkingen eerder gering te noemen zijn.

6. Nopens het kennelijk onredelijk karakter van de gevorderde herstelmaatregel:

Geïntimeerde kan naar het oordeel van het hof niet zondermeer op dezelfde voet gesteld worden als diegenen die wetens en willens, bewust en te kwader trouw de regelgeving inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening overtreden, zoals de recidivisten of degenen die een bevel tot staking negeren.

Appellant betwist eigenlijk de goede trouw van geïntimeerde niet, bewijst alvast zijn kwade trouw niet. Geïntimeerde heeft vergunningen gevraagd en bekomen, vroeg waar dit werd aangeraden tevens regularisatie.

Dat er niettemin bouwovertredingen bleven bestaan heeft geïntimeerde niet betracht.

Art. 149 § 1 DORO moet worden gelezen samen met en in de context van art. 159 G.W., krachtens hetwelk de hoven en rechtbanken geen gevolg geven aan de bestuurshandelingen die niet met de wetten overeenstemmen. Krachtens deze laatste bepaling hoort het tot de bevoegdheid van de rechter om de (herstel) vordering bedoeld in voormeld art. 149 DORO op haar externe en interne wettigheid te toetsen en te onderzoeken of ze strookt met de wet dan wel ze op machtsoverschrijding of machtsafwending berust.

De externe wettigheid betreft de vraag of degene van wie de bestuurshandeling uitgaat, daartoe wel bevoegd is en of de procedure- en vormvereisten die voor de bestuurshandeling gelden, wel in acht zijn genomen, hetgeen waaraan in deze is voldaan en betreffende hetwelk eigenlijk geen betwisting of in vraagstelling wordt opgeworpen.

De interne wettigheid betreft de motieven, de inhoud en het doel van de bestuurshandeling.

In het huidig kader moet de rechter nagaan of in essentie de beslissing van het bevoegd bestuur om een bepaalde herstelmaatregel te vorderen uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijke ordening is genomen.

Mocht blijken dat de herstelvordering steunt op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of op een opvatting van de goede ruimtelijke ordening

die kennelijk onredelijk is, dan moet de rechter deze vordering zonder gevolg laten.

De discretionaire bestuurshandeling die de gevorderde herstelmaatregel toch is, kan wegens haar inhoud slechts door de rechter onrechtmatig worden bevonden indien zij kennelijk onredelijk is.

Het komt het hof echter niet toe om de opportuniteit van de herstelmaatregel te beoordelen, noch om een andere herstelmaatregel op te leggen, noch om de appellant, die zijn vordering steeds formeel heeft gehandhaafd, op te leggen zijn vordering te herzien.

De beoordeling van de kennelijke onredelijkheid van de herstelvordering wordt gemaakt rekening gehouden met:

enerzijds de aard van de overtreding, de omvang en de aantasting van de goede ruimtelijke ordening; anderzijds door het voordeel dat voor de ruimtelijke ordening ontstaat door het beoogde herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand te plaatsen tegenover de last die daaruit voor de overtreder voortvloeit.

De daadwerkelijke noodzaak om het herstel te bevelen moet steeds in concreto aangetoond en als dusdanig gemotiveerd worden.

Het gaat te dezen om vrij geringe bouwsels en voorgehouden stedenbouwkundige overtredingen/misdrijven die (zoals appellant het zelf omschrijft) horen bij een residentiële woning aan de rand van het woongebied van het dorp ADINKERKE, doch nog deel uitmakend van een gebouwencluster.

[ ... ]

Het hof motiveert zijn beoordeling van het kennelijk onredelijk karakter van de gevorderde herstelmaatregel, waartoe het besluit, nader als volgt:

afgezien dat het hof geïntimeerde niet nader volgt in het aspect 'redelijke' termijn vermits het door geintimeerde aangehaalde advies van de HRH, in een geval waar 18 jaar de tijd genomen werd voor de herstelmaatregel, hier niet echt opgaat. Immers, terwijl ondertussen ook twee regularisaties zijn gevraagd door geïntimeerde, die deels werden ingewilligd, werd in casu de herstelmaatregel in kwestie gevorderd en de gedinginleidende dagvaarding betekend maximaal 7 jaar na de laatste stedenbouwkundige overtredingen (dat is nog niet de helft van de termijn van het door geïntimeerde aangehaalde advies van de HRH);

het blijft een feit dat de motivering van de herstelvordering van appellant (die onmiddellijk hiervoor werd weergegeven) niet veel meer zegt dan dat er nog overtredingen blijven bestaan, waarvoor regularisatie is geweigerd, hetgeen dit niet kan getolereerd binnen een voor het duinengebied belangrijk landbouwgebied, zoals bedoeld in art. 52 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud en het krachtens dit artikel genomen uitvoeringsbesluit van de Vlaamse Regering van 15 september 1993 betreffende de aanduiding van de beschermde duingebieden en voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, waarbij voor dergelijk ruimtelijk kwetsbaar gebied ruime beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen;

daartegenover staat echter naar het oordeel van het hof dat: geïntimeerde het goed reeds verwierf geruime tijd voor het uitvoeringsbesluit van 15 september 1993 waarbij de aanduiding van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden gebeurde en dat er bij zijn verwerving reeds bebouwing op het goed aanwezig was, met name een klein bestaand woonhuis waarvoor hij op 18 december 1988 van het CBS reeds een bouwvergunning bekwam voor de verbouwing en de uitbreiding ervan en voor het bouwen van een garage, welke vergunning hij echter niet uitvoerde, waarna hij zich op 27 maart 1992 (nog voor het uitvoeringsbesluit voormeld van 15 september 1993) opnieuw tot het CBS diende te wenden om vooralsnog de verbouwingen uitbreidingswerken te mogen uitvoeren, wat door het CBS werd goedgekeurd op 30 maart 1992, doch enigszins anders werd uitgevoerd. De anders uitgevoerde verbouwing aan het kleine woonhuis werd uiteindelijk geregulariseerd (april 2000 en betaling van de transactiesom werd uitgevoerd begin mei 2000);

het goed is omgeven door verschillende andere woningen en gelegen eerder dicht bij de woonkern (ADINKERKE) en onmiddellijk nabij de autosnelweg. Uit stuk 2 van geïntimeerde blijkt dat het CBS op 5 november 2000 in verband met de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening aangaf: "De plaatselijke ordening wordt niet verstoord: enerzijds betreft de omgeving geen homogeen agrarisch gebied gelet op de aanwezigheid van de AJB; anderzijds zijn er een aantal gebouwen in de directe omgeving (aan de andere zijde van de straat) aanwezig. De aanvraag houdt ook geen inname in van bijkomende landbouwgrond (enkel het voormalige erf). Door de beperkte hoogte en volume van de woning en de aangepaste landelijke materialen verstoort de aanvraag de plaatselijke landschappelijke waarden niet."

Gelet op het voren staande, het feit dat de nog in discussie zijnde overtredingen (met name inzake het van de woning los staand tuinhuis en garage en de aanwezigheid van een 2,5 m hoog ijzeren hekken met bijhorende penanten) eerder gering van aard zijn en er daar geen opzet of kwade trouw van geïntimeerde bij betrokken is, valt er in niet te zien, wordt alvast niet afdoende en sluitend aangetoond en gemotiveerd door appellant waarom deze geringe overtredingen de ruimtelijke ordening en/of het milieu derwijze zouden bezwaren dat dit tot een herstel in de oorspronkelijke toestand en derhalve afbraak zou

dienen aanleiding te geven. Wie in een kleine woning te lande woont heeft ook nood aan bergruimte en wanneer hij hout stookt dient dit hout beschut te kunnen drogen en kan het niet blootgesteld blijven aan regen en wind en eveneens heeft hij nood aan stallingruimte voor zijn wagen en afsluitingsmogelijkheid van zijn erf ter bescherming tegen ongevraagd en ongewenst betreden daarvan. De zienswijze van appellant rechtvaardigt noch motiveert op een voldoening gevende wijze dat geïntimeerde op de voormelde minimale uitrusting geen aanspraak zou vermogen te maken of dat hij dit gemakkelijk en met aanzienlijk minder schade aan de ruimtelijke ordening en/of het milieu op een andere wijze had kunnen en moeten bewerkstelligen.

Het hof besluit dan ook uit het voren staande en in het bijzonder gelet op de daar geschetste geringe aard van de overtreding, van de omvang en de aantasting van de goede ruimtelijke ordening en het niet bewust te kwader trouw handelen van geïntimeerde, dat in alle geval het voordeel dat voor de ruimtelijke ordening zou ontstaan door het beoogde herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand, geplaatst tegenover de last die daaruit voor de overtreder voortvloeit, buiten elke proportie staat en dat de door appellant betrachte herstelmaatregel van herstel in de oorspronkelijke toestand met medegaanden in deze als kennelijk onredelijk dient te worden afgewezen.

[ ... ]

OM DEZE REDENEN, HET HOF,

[ ... ]

Wijst het hoger beroep [ ... ] af als ongegrond. Bevestigt aldus, maar om andere redenen, het bestreden vonnis [ ... ]

Noot,

J. Toury Herstelvordering: kennelijk onredelijk of niet, NJW 2014/306, 607

Rechtspraak

• Arbitragehof 1 maart 2005, nr. 2005/46; Cass. 3 juni 2005, C.04.0029.N;

• Cass. 4 november 2008, P.08.0081.N).

• Cass. 13 november 2013

• Hof van Cassatie 2e Kamer – 18 maart 2008

samenvatting:

De feitenrechter gaat na of de beslissing van de stedenbouwkundig inspecteur om een bepaalde herstelmaatregel te vorderen, uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijke ordening is genomen. Wanneer de wettigheid van de vordering tot herstel van de plaats in de oorspronkelijke staat wordt aangevochten, gaat de rechter bovendien na of de vordering niet kennelijk onredelijk is. De feitenrechter mag evenwel op grond van de enkele vaststelling dat de gevorderde maatregel leidt tot een onevenredige last voor de overtreder in vergelijking met het voordeel voor de ruimtelijke ordening, niet oordelen dat geen herstel van de aantasting van de goede ruimtelijke ordening noodzakelijk is. Om het gevorderde herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand te kunnen afwijzen, moet de rechter vaststellen dat ook met een minder ingrijpende maatregel de goede ruimtelijke ordening kan worden hersteld.

tekst van het arrest:

Gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur van Oost- Vlaanderen t/ S.G.R.B. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van 21 september 2007 van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 99, § 1, 145, § 1, eerste lid, en 4o, 146 en 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, art. 1 van de planologische voorschriften van het bij K.B. van 14 september 1997 definitief vastgesteld gewestplan Gentse en Kanaalzone, en art. 159 van de Grondwet.

2. Het onderdeel voert aan dat de appelrechters op grond van hun vaststellingen en de overige vaststaande gegevens zoals die blijken uit het definitief vonnis van de Correctionele Rechtbank te Gent van 17 januari 2003 niet vermochten te oordelen dat de vordering van de eiser tot het herstel in de oorspronkelijke staat, met toekenning van een dwangsom, gebaseerd was op een opvatting van de ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is.

3. Sinds het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 14/ 2005 van 19 januari 2005 bepaalt art. 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999: «Naast de straf kan de rechtbank bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Dit gebeurt op de vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen, bedoeld in artikel 146, werden uitgevoerd. Indien deze inbreuken dateren van (...) is voorafgaand een eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid vereist».

4. De rechter gaat na of de beslissing van de stedenbouwkundig inspecteur om een bepaalde herstelmaatregel te vorderen, uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijke ordening is genomen. Hij moet de vordering die gebaseerd is op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of op een opvatting van een goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is, zonder gevolg laten.

Wanneer de wettigheid van de vordering tot herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand wordt aangevochten, gaat de rechter bovendien in het bijzonder na of deze vordering niet kennelijk onredelijk is. Hij moet afwegen of geen andere herstelmaatregel noodzakelijk is, dit onder meer op grond van de aard van de overtreding, de omvang en de aantasting van de goede ruimtelijke ordening en het voordeel dat voor de ruimtelijke ordening ontstaat door het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand tegenover de last die daaruit voor de overtreder voortvloeit.

5. Art. 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999 laat evenwel niet toe dat de rechter op grond van de enkele vaststelling dat de gevorderde maatregel leidt tot een onevenredige last voor de overtreder in vergelijking met het voordeel voor de ruimtelijke ordening, zou oordelen dat geen herstel van de aantasting van de goede ruimtelijke ordening noodzakelijk is. Om het gevorderde herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand te kunnen afwijzen, moet de rechter vast stellen dat ook met een minder ingrijpende maatregel de goede ruimtelijke ordening kan worden hersteld.

6. Te dezen oordelen de appelrechters op grond van een aantal gegevens dat de herstelvordering tot verwijdering van het zwembad gebaseerd is op een opvatting van de goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is, namelijk:

– de gunstige adviezen van het schepencollege van de gemeente Destelbergen en van de afdelingen land van de administratie milieu-, natuur-, land- en waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, naar aanleiding van een aanvraag tot het regulariseren van de uitbreiding van het zwembad;

– de feitelijke vaststellingen die door de eerste rechter werden verricht naar aanleiding van een plaatsbezoek;

– de door de verweerders bezorgde fotoreportage van de inplanting van het zwembad en de omgeving, en luchtfoto‘s.

Naar het oordeel van de appelrechters brengen deze gegevens, samen beschouwd, mee «dat zo de uitvoering van het gevorderd herstel al enig voordeel voor de goede ordening van de ruimte zou meebrengen, dit voordeel duidelijk niet zou opwegen tegen de last die er voor de (verweerders) ongetwijfeld uit zou voortvloeien».

Afgezien van de vaststaande overtreding van de toepasselijke stedenbouwkundige en planologische voorschriften waarvoor de verweerders werden veroordeeld, sluiten de appelrechters aldus een mogelijke aantasting van de goede ruimtelijke ordening door het niet verwijderen van het zwembad niet uit. Zij stellen evenwel de mogelijkheid van een minder ingrijpende en wettelijk toegelaten maatregel dan het gevorderde herstel in de oorspronkelijke toestand, voor het herstel van deze aantasting niet vast. Zij verantwoorden aldus hun beslissing dat deze vordering kennelijk onredelijk is, niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

...

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 13/09/2014 - 19:28
Laatst aangepast op: za, 13/09/2014 - 19:31

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.