-A +A

Hoe langer de tewerkstelling heeft geduurd hoe langer het niet-concurrentiebeding mag duren

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 23/10/2017
A.R.: 
2015/ AR/239

De geldigheid van een niet-concurrentiebeding vereist een voldoende omschrijving van de verboden activiteiten waarop het beding slaat. Hierbij dient rekening gehouden niet alleen met de libellering van de clausule, maar ook met het voorwerp van de overeenkomst.

Wanneer een persoon op wie de niet-concurrentieverplichting weegt reeds lang voor de schuldeiser van het beding werkzaam was moet de schuldeiser van het beding in staat zijn om het cliënteel aan zich te binden.

Korte tewerkstellingen kunnen aldus een kortere niet-concurrentieperiode legitimeren dan langere. Hoe langer de twerkstelling hoe langer een niet-concurrentietiebeding kan duren.

Een op een duur van drie jaar vastgesteld concurrentieverbod is in de regel een correcte beperking in tijd.

De mediaan van de gebruikelijke duur is immers drie jaar (zie B. BELLEN en F. WIJCKMANS, De nieuwe Belgische M&A-index, TRV 2013, (211-232), 228).

De vereiste van een geografische of ruimtelijke beperking van een niet-concurrentiebeding is gebaseerd op de onderliggende gedachte dat een niet- concurrentiebeding niet tot gevolg mag hebben dat aan een marktdeelnemer de vrijheid van handel wordt ontnomen en/of zijn mogelijkheid om in een behoorlijk levensonderhoud te voorzien ernstig in het gevaar wordt gebracht.

Anders geformuleerd stelt zich de vraag of de afwezigheid van een geografische beperking een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van handel en nijverheid inhoudt, en derhalve tot de nietigheid van het niet-concurrentiebeding kan leiden. Welnu wanneer er geen geografische beperking bestaat kan een niet-concurrentiebeding toch van aard zijn om een inkomen voor de marktdeelnemer mogelijk te maken wanneer de beperking louter geldt voor het cliënteel van de schuldeiser van het niet-concurrentiebeding. Zo kan de betrokken marktdeelnemer op de ganse markt zelfs actief blijven mits hij de klanten van de schuldeiser van het beding niet bedient of prospecteert en aldus een inkomen opbouwen op basis van zijn talenten en mogelijkheden.

De afwezigheid van een geografische beperking kan in dit geval de nietigverklaring van het niet- concurrentiebeding dan ook niet verantwoorden.

Publicatie
tijdschrift: 
DAOR
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018 1-2/125
Pagina: 
95
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(A Audit BVBA t. C.D., A Associatie BVBA en AA CVBA)

( ... )



Feiten en procedure in eerste aanleg

2. Wat de relevante feiten betreft, vermeldt het hof- samenvattend - dat de voorliggende betwisting hoofdzakelijk teruggaat op:

- een tussen appellante en de burgerlijke vennootschap onder de vorm van een BVBA Account op 12.08.2010 afgesloten overeenkomst betreffende de verkoop van cliënteel, welke overeenkomst door tweede geïntimeerde tevens werd ondertekend: 'voor kennisname en uitvoering van de overeenkomst de heer D. C. persoonlijk",

- een tussen appellante en tweede geïntimeerde op 29 maart 2012 afgesloten samenwerkingsovereenkomst, welke overeenkomst mede werd ondertekend door eerste geïntimeerde die zich uitdrukkelijk in persoonlijke naam verbond voor uitvoering van deze overeenkomst.

Beide voormelde overeenkomsten bevatten een niet-concurrentiebeding, waarbij niet alleen de BVBA ACCOUNT en de BVBA A. ASSOCIATIE (tweede geïntimeerde), maar tevens de heer D. (eerste geïntimeerde) zich verbonden.

Nadat eerste en tweede geïntimeerde de voormelde samenwerkingsovereenkomst met een schrijven van 16 november 2012 beëindigden, met in achtneming van de voorziene opzegtermijn, werd deze samenwerking in onderling overleg effectief beëindigd met ingang van 28 december 2012.

3. In de oorspronkelijke dagvaarding zette appellante uiteen dat zij na de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst met een belangrijk cliënteelverloop naar derde geïntimeerde geconfronteerd werd, hetgeen zij toeschreef aan een actieve benadering en afwerving door eerste geïntimeerde ten voordele van derde geïntimeerde, die appellante als derde medeplichtige aan deze afwerving aanwees.

Zij vorderde toepassing van het in de samenwerkingsovereenkomst voorziene niet-concurrentiebeding waarbij een forfaitaire schadevergoeding van 10 000,00 EUR per overtreding werd vastgesteld. Minstens achtte zij geïntimeerden ook aansprakelijk op basis van artikel 1382 B.W. wegens de naar haar oordeel vaststaande oneerlijk marktpraktijken waaraan geïntimeerden, alsook de BVBA ACCOUNT, zich hadden bezondigd.

Op basis van een voorgehouden verloop van 159 klanten vorderde appellante voor de eerste rechter dan ook om geïntimeerden, alsook de BVBA ACCOUNT, hoofdelijk, minstens in solidum, ondeelbaar en elk voor het geheel, te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 1 590 000,00 EUR in hoofdsom, meer de vergoedende intresten vanaf de dagvaarding, en meer de gedingkosten.

4. Geïntimeerden en de BVBA ACCOUNT betwistten vooreerst de rechtsmacht van de eerste rechter, op basis van het in de samenwerkingsovereenkomst opgenomen arbitragebeding.

Zij vorderden verder de afwijzing van de vordering van appellante, ondergeschikt de matiging van de gevorderde bedragen.

Bij tegeneis vorderde tweede geïntimeerde ook de veroordeling van appellante tot betaling van onbetaald gebleven ereloonstaten voor een bedrag van 8 503,82 EUR, meer de intresten en de invorderingskosten.

Tenslotte vorderden geïntimeerden en de BVBA ACCOUNT - deze laatste blijkens laatst neergelegde conclusies ontbonden en vereffend op 31 maart 2014 - de veroordeling van appellante tot betaling van de gedingkosten.

( ... )

6. Het bestreden vonnis oordeelde vooreerst wel degelijk over rechtsmacht te beschikken om kennis te nemen van de voorliggende betwisting en vorderingen.

Verder werd de hoofdvordering van appellante ontvankelijk maar niet gegrond verklaard,

De tegenvordering werd ontvankelijk en gegrond verklaard en appellante werd veroordeeld om aan geïntimeerden een bedrag te betalen van 8 503,82 EUR, meer de intresten en de invorderingskosten.

Tenslotte werd appellante tevens in de gedingkosten verwezen.

( ... )

Beoordeling

8. De overblijvende hoofdbetwisting tussen partijen betreft de vraag of de concurrentiebeperkende bedingen zoals opgenomen in de 12.08.2010 en 29.03.2012 tot stand gekomen overeenkomsten, de grenzen van het geoorloofde al dan niet overschrijden en of deze bedingen, voor zover deze nietig mochten worden bevonden, al dan niet voor matiging vatbaar zijn.

9. Het in artikel 8 van de overeenkomst van 12.08.2010 opgenomen niet-concurrentiebeding luidt als volgt:

"Artikel 8: NIET-CONCURRENTIEBEDING

Met deze overeenkomst verbinden de verkoopster, haar aangestelden, haar Vennoten, haar zaakvoerders, de heer D.C.,A. Associatie, familieleden in de eerste graad of via vennootschappen waarin ze een belang hebben of via tussenpersonen zowel natuurlijke als rechtspersonen, geen enkele rechtstreekse of onrechtstreekse, gelijke of soortgelijke handelingen te zullen uitoefenen m.b.t. de activiteiten zoals omschreven in deze overeenkomst gedurende een periode van 5 jaar vanaf de Overdrachtsdatum en binnen het Vlaamse gedeelte van België.

Bij niet naleving van voormeld artikel is de Verkoopster, A. Associatie en de heer D.C. solidair, de ene bij gebreke aan de andere, gehouden tot het betalen aan de Opdrachtgeefster van een forfaitaire schadevergoeding van 5.000 euro per overtreding, onverminderd de bewezen meerschade."

10. Het in artikel 10 van de samenwerkingsovereenkomst van 29 maart 2012 opgenomen niet-concurrentiebeding luidt als volgt:

"10. Niet-concurrentiebeding

Partij B verbindt er zich toe dat zijzelf, haar aangestelden, haar vennoten, haar zaakvoerders, hun echtgenoten, familieleden in de eerste graad of via vennootschappen waarin ze een belang hebben of via tussenpersonen zowel natuurlijke als rechtspersonen, geen enkele rechtstreekse of onrechtstreekse, gelijke of soortgelijke handelingen te zullen stellen die betrekking heeft op het cliënteel van A. of één van de tot de A. Group behorende vennootschappen gedurende een periode van drie jaar vanaf de stopzetting van deze overeenkomst.

Evenzeer zal partij B er zich toe onthouden dat zijzelf, haar aangestelden, haar vennoten, haar zaakvoerders, hun echtgenoten, familieleden in de eerste graad of via vennootschappen waarin ze een belang hebben of via tussenpersonen zowel natuurlijke als rechtspersonen, klanten, personeel of medewerkers van A. of één van de tot de A. Group behorende vennootschappen af te werven of ze ertoe aan te zetten om het contract te beëindigen of de voorwaarden van hun contracten te verzwaren, waardoor de belangen van A. of één van de tot de A. Group behorende vennootschappen worden geschaad.

Bij niet naleving van voormeld artikel is partij B, haar vennoten en zaakvoerders solidair, de ene bij gebreke van de andere, gehouden tot het betalen van een forfaitaire schadevergoeding 10.000 euro per overtreding, per klant en per overtredende partij, onverminderd de bewezen meerschade in hoofde van A. of één van de tot de A. Group behorende vennootschappen."

11. Elk van de voormelde overeenkomsten bevat ook de volgende bepaling:

"Eventuele nietigheid

Ingeval een clausule of een bepaling van deze overeenkomst nietig wordt verklaard, zal deze nietigheid geen invloed hebben op de andere clausules of bepalingen van deze overeenkomst."

12. Met haar in hoofd- en ondergeschikte orde geformuleerde vordering vordert appellante de toepassing van het in de overeenkomst van 29.03.2012 opgenomen niet-concurrentiebeding.

Het is pas met de nog in meer ondergeschikte orde geformuleerde vordering dat appellante toepassing vordert van het in de overeenkomst van 12.08.2010 niet-concurrentiebeding.

Het hof gaat dan ook eerst in op de in hoofd- en ondergeschikte geformuleerde vordering die op het voormelde in de overeenkomst van 29.03.2012 opgenomen niet- concurrentiebeding gebaseerd is.

13. Vooreerst bestaat tussen partijen in hoger beroep nog steeds betwisting over de al dan niet geldigheid van het hiervoor onder randnr. 10 vermelde niet-concurrentiebeding. Het kader waarbinnen deze betwisting dient te worden beoordeeld, werd door de eerste rechter als volgt omschreven:

"Het beginsel van vrijheid van handel dat volgt uit het Decreet d'Allarde dat in ons positief recht nog steeds van toepassing is, kan beperkt worden, doch deze beperkingen dienen redelijk te zijn en mogen niet tot gevolg hebben dat aan een marktdeelnemer de vrijheid van handel wordt ontnomen (Luik 13 december 2012, TAann. 2013, 324; Gent, 17 september 2008, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging 2008, 495). De voorwaarden voor de geldigheid van een concurrentiebeding worden getoetst aan een aantal criteria: beperking in de tijd, beperking tot de gebieden waarin de schuldenaar daadwerkelijk zijn activiteiten uitoefende en tot die activiteiten die voldoende nauwkeurig worden opgenomen in het contractueel beding (Luik 13 december 2012, TAann. 2013, 324).

Partijen kunnen in onderling overleg overeenkomen om de concurrentie te beperken. Een contractuele beperking van de vrijheid van handel en nijverheid mag echter de mogelijkheid van een contractant om in zijn behoorlijk levensonderhoud te voorzien, niet ernstig in gevaar brengen. Een niet-concurrentiebeding moet beperkt zijn wat de aard van de uitgesloten activiteiten (activiteiten die rechtstreeks verband houden met de vroegere activiteiten), in tijd (tijd die men nodig heeft om het cliënteel aan zich te binden) en in ruimte (gebied waarin de activiteiten redelijkerwijze werkelijk concurrerend zouden kunnen zijn).

In de mate waarin, zoals [geïntimeerden} voorhouden, de concurrentiebedingen in de beide overeenkomsten ongeldig en nietig zouden zijn, dienen zij aan de voormelde criteria te worden getoetst."

Het hof treedt de eerste rechter in voormelde overwegingen bij en stelt vast dat ook partijen het eens zijn over het voormelde kader waarbinnen hun betwisting dient te worden beslecht.

Het feit dat het principe van de vrijheid van handel en nijverheid uit het Decreet D'Allarde inmiddels werd opgenomen in artikel 11.3 van het WER en ook de tijdens de beroepsprocedure gewezen cassatiearresten van 23 januari en 25 juni 2015, doen geen afbreuk aan het hier geschetste beoordelingskader.

Immers dient eerst te worden geoordeeld over de nietigheid van het concurrentiebeding, vooraleer desgevallend, in toepassing van de voormelde cassatierechtspraak, tot een reductie van het nietig concurrentiebeding kan worden besloten.

13. 1. Geïntimeerden zijn vooreerst van oordeel dat het in de overeenkomst van 29 maart 2012 opgenomen niet-concurrentiebeding niet voorziet in enige beperking wat de aard van de uitgesloten activiteiten betreft, nu het enkel melding maakt van een niet nader omschreven of gespecificeerde 'rechtstreekse of onrechtstreekse handeling', en verder ook het cliënteel van A. of één van de tot de A. Group behorende vennootschappen op geen enkele manier wordt omschreven of gepreciseerd.

In een volledige lezing verbiedt het niet-concurrentiebeding elke rechtstreekse of onrechtstreekse handeling die betrekking heeft op het cliënteel van A. of één van de tot de A. Group behorende vennootschappen.

Aldus gelibelleerd, en tevens rekening houdend met de vaststelling dat de samenwerkingsovereenkomst waarin het is opgenomen betrekking heeft op de beroepsactiviteit van tweede geïntimeerde als zelfstandig accountant-belastingconsulent (zie artikel 2), is dit concurrentiebeding naar het oordeel van het hof wel degelijk beperkt tot de activiteiten die rechtstreeks verband houden met de voorheen uitgeoefende activiteiten, met name tot de diensten van boekhoudkundig en/of fiscaal advies dat aan het door appellante bediende cliënteel werd verstrekt.

De bewering van eerste en tweede geïntimeerde dat het clienteel op geen enkele manier wordt omschreven of gepreciseerd is correct, maar niet van aard om enige afbreuk te doen aan de voormelde vaststelling dat het ter discussie staand niet-concurrentiebeding wel degelijk verband houdt met en beperkt blijft tot de voorheen uitgeoefende activiteiten.

De bewering van eerste en tweede geïntimeerde dat zij niet in staat zijn/waren het cliënteel te kennen, mist daarenboven overtuigingskracht.

Zoals eerste en tweede geïntimeerde het in conclusies zelf aangeven, waren zij vààr het afsluiten van de samenwerkingsovereenkomst immers reeds 8 jaar op voltijdse basis werkzaam voor appellante.

Aldus voldoet het beding wel degelijk aan de vereiste beperking wat de uitgesloten activiteiten betreft.

13.2. Verder argumenteren geïntimeerden dat het in de overeenkomst van 29 maart 2012 opgenomen niet-concurrentiebeding niet voldoende beperkt is in de tijd nu de daarin voorziene termijn van drie jaar in ruime mate de tijd overtreft die nodig is om het cliënteel aan zich te binden en aldus als manifest overdreven voorkomt.

Waar eerste en tweede geïntimeerde op het ogenblik van het afsluiten van de samenwerkingsovereenkomst reeds 8 jaar voor appellante werkzaam was en bekend en vertrouwd was met het cliënteel van appellante, is evident een langere duurtijd vereist om, in het geval van een stopzetting van de samenwerkingsovereenkomst, appellante toe te laten het cliënteel aan zich te binden.

Eerste en tweede geïntimeerden verwijzen dan ook ten onrechte naar de beperkte tijd gedurende dewelke de samenwerkingsovereenkomst uitwerking had, om op grond daarvan de beweerdelijk manifest overdreven duur van het niet-concurrentieverbod in de verf te zetten en op basis van de hier niet toepasselijke wet op de arbeidsovereenkomsten een maximale duur van één jaar voorop te stellen.

Het hier op een duur van drie jaar vastgesteld concurrentieverbod is naar het oordeel van het hof dan ook voldoende beperkt in de tijd.

De mediaan van de gebruikelijke duur is overigens drie jaar (zie B. BELLEN en F. WIJCKMANS, De nieuwe Belgische M&A-index, TRV 2013, (211-232), 228).

Aldus voldoet het ter discussie staand niet-concurrentiebeding wel degelijk aan de vereiste beperking in de tijd.

13.3. Met geïntimeerden en de eerste rechter dient ook het hof vast te stellen dat het in de overeenkomst van 29 maart 2012 opgenomen niet-concurrentiebeding geen geografische omschrijving bevat waarbinnen het zou gelden.

Vraag blijft evenwel of de afwezigheid van deze geografische beperking hier van aard is om tot de nietigheid van het ter discussie staand niet-concurrentiebeding te besluiten.

Gelet op wat voorafgaat is de vereiste van een geografische of ruimtelijke beperking van een niet-concurrentiebeding immers gebaseerd op de onderliggende gedachte dat een niet- concurrentiebeding niet tot gevolg mag hebben dat aan een marktdeelnemer de vrijheid van handel wordt ontnomen en/of zijn mogelijkheid om in een behoorlijk levensonderhoud te voorzien ernstig in het gevaar wordt gebracht. Anders geformuleerd stelt zich de vraag of de afwezigheid van een geografische beperking hier een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van handel en nijverheid inhoudt, en derhalve tot de nietigheid van het niet-concurrentiebeding kan leiden.

Nalezing van het ter discussie staand niet-concurrentiebeding noopt tot de vaststelling dit beding eerste en tweede geïntimeerden geenszins verhindert om hun activiteiten als accountant-belastingconsulent te blijven uitoefenen en zich in een behoorlijk levensonderhoud te voorzien.

De enige beperking, namelijk dat zij gedurende een periode van drie jaar geen dergelijke diensten aan het door appellante bediende cliënteel mogen verstrekken, is niet van aard om aan voormelde vaststelling enige afbreuk te doen.

Zoals appellante terecht opmerkt, is de markt immers niet beperkt tot het door haar bediende cliënteel, maar zijn er tal van andere potentiële klanten die zich in het economisch verkeer bevinden of zich daarin begeven en die nood hebben aan bijstand/dienstverlening op boekhoudkundig en fiscaal vlak.

Samenvattend is het hof van oordeel dat de enkele vaststelling dat het ter discussie staand niet-concurrentiebeding geen geografische beperking bevat, hier niet toelaat om te besluiten dat deze afwezigheid van geografische beperking een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van handel en nijverheid van eerste en tweede geïntimeerden uitmaakt, noch hen verhindert om in een behoorlijk levensonderhoud te voorzien.

De afwezigheid van een geografische beperking kan hier de nietigverklaring van het niet- concurrentiebeding dan ook niet verantwoorden.

Zelfs zonder uitdrukkelijke geografische beperking is het normdoel van de vereiste beperkingen aan een niet-concurrentiebeding hier immers bereikt.

13.4. Gelet op wat voorafgaat is het hof, anders dan de eerste rechter, van oordeel dat er geen redenen zijn om het in de overeenkomst van 29 maart 2012 opgenomen niet-concurrentiebeding nietig te verklaren.

Waar aldus geen nietigheid wordt weerhouden, gaat het hof dan ook niet verder in op de door partijen nog ontwikkelde middelen en argumentatie met betrekking tot het al dan niet bestaan van de mogelijkheid tot reductie of matiging van een nietig niet-concurrentiebeding, waarbij wordt verwezen naar de in de loop van de beroepsprocedure door het Hof van Cassatie op 23 januari en 25 juni 2015 gewezen arresten.

14. Aan de hand van de voorliggende objectieve gegevens dringt zich de verdere vaststelling op dat eerste en tweede geïntimeerden het in de overeenkomst van 29 maart 2012 opgenomen niet-concurrentiebeding hebben geschonden.

( ... )

17. De eerste rechter heeft bij gebrek aan een in hoofde van eerste en tweede geïntimeerden weerhouden niet naleving van het niet-concurrentiebeding uiteraard ook geen derdemedeplichtigheid in hoofde van derde geïntimeerde weerhouden.

Anders dan de eerste rechter werd hiervoor wel een miskenning van het niet- concurrentiebeding in hoofde van eerste en tweede geïntimeerden weerhouden.

Anders dan de eerste rechter is het hof ook van oordeel dat de derdemedeplichtigheid van derde geïntimeerde aan de schending van het niet concurrentiebeding vaststaat.

Op 28.12.2012 werd de raadsman van derde geïntimeerde in kennis gesteld van (1) de door eerste en tweede geïntimeerde opgenomen contractuele verbintenissen en (2) haar derdemedeplichtigheid aan een mogelijke inbreuk op deze verbintenissen, waaronder meer in het bijzonder het niet-concurrentiebeding.

Evenwel heeft dit derde geïntimeerde niet belet om eerste geïntimeerde, die overigens 50 % van de aandelen van derde geïntimeerde bezat, al met ingang van 02.01.2013 zijn werkzaamheden als accountant-fiscaal raadgever bij haar te laten aanvatten.

Derde geïntimeerde die ontegensprekelijk op de hoogte was van de contractuele verbintenissen van eerste geïntimeerde, heeft wetens en willens haar medewerking verleend aan een inbreuk op deze verbintenissen.

Op die grond wordt derde geïntimeerde in solidum mee veroordeeld tot betaling van de hiervoor weerhouden schadevergoeding.

( ... )

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 27/06/2018 - 20:20
Laatst aangepast op: wo, 27/06/2018 - 20:20

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.