-A +A

Hoger beroep zonder vermelding KBO nummer geïntmeerde geen nietigheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 30/03/2009

In geen enkele wettelijke bepaling is voorzien dat de beroepsakte het inschrijvingsnummer in de K.B.O. van de gedaagde in hoger beroep dient te vermelden, laat staan dat dit op straffe van nietigheid zou vereist zijn.

Publicatie
tijdschrift: 
P&B
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/5-6
Pagina: 
218
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Uittreksel uit het arrest:

De geïntimeerde stelt in haar syntheseconclusies voorop dat de beroepsakte nietig is en dit op grond van 2 redenen:

1. de vermelding van een verkeerd K.B.O.- nummer in het verzoekschrift tot hoger beroep:

2. de schending van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Naar het oordeel van het hof zijn er evenwel geen redenen om het verzoekschrift tot hoger beroep nietig te verklaren. Het hof laat dienaangaande het volgende gelden.

De geïntimeerde laat gelden: “Men stelt vast dat in de beroepsakte appellante voor geïntimeerde een verkeerd KBO-nummer gebruikt. In de beroepsakte wordt als KBO-nummer voor concluante vermeld “0473.939.063” terwijl het correcte KBO nr. van concluante is: “0437.393.063”. Dit leidt tot nietigheid van de beroepsakte. Men stelt vast dat de appellante niet ontkent dat zij voor geïntimeerde een verkeerd KBO-nr. heeft gebruikt.

Zoals eerder gesteld leidt dit tot de nietigheid van de beroepsakte, wat appellante ook moge beweren. Het lijkt wel alsof appellante voor zichzelf een vrijgeleide opeist om in de beroepsakte om het even welke vergissing te plaatsen en dan achteraf te stellen dat dit geen invloed heeft op de geldigheid van de beroepsakte.” Naar het oordeel van het hof betreft dit een louter dilatoire exceptie die door de geïntimeerde niet in het minst wordt onderbouwd. Er kan immers geen sprake zijn van een nietige appelakte.

Artikel 860 Ger.W. bepaalt: “Wat de verzuimde of onregelmatig verrichte vorm ook zij, geen proceshandeling kan nietig worden verklaard, indien de wet de nietigheid ervan niet uitdrukkelijk heeft bevolen”; Artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt: “Met uitzondering van het geval waarin het hoger beroep conclusie wordt ingesteld, vermeldt de akte van hoger beroep, op straffe van nietigheid; 1° de dag, de maand en het jaar; 2° de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de eiser in hoger beroep; 3° de naam, de voornaam en de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de gedaagde in hoger beroep; 4° de beslissing waartegen in hoger beroep wordt gekomen; 5° de rechter in hoger beroep; 6° de plaats waar de gedaagde in hoger beroep akte moet laten nemen van zijn verklaring van verschijning; 7° de uiteenzetting van de grieven; 8° de plaats, de dag en het uur van verschijning; tenzij hoger beroep is ingesteld bij aangetekend schrijven, in welk geval de griffier de partijen oproept om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. De akte vermeldt eventueel ook de naam van de advocaat van de eiser in hoger beroep.”

"In geen enkele wettelijke bepaling is voorzien dat de beroepsakte het inschrijvingsnummer in de K.B.O. van de gedaagde in hoger beroep dient te vermelden, laat staan dat dit op straffe van nietigheid zou vereist zijn.

De niet-vermelding van een inschrijvingsnummer in de K.B.O. vindt overigens alleen een sanctie in artikel III.26 Wetboek van economisch recht (afgekort W.E.R.) (de wet van 16.01.2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen werd ingevoegd in het W.E.R. krachtens de wet houdende invoeging van Boek III “Vrijheid van vestiging, dienstverlening en algemene verplichtingen van de ondernemingen”, in het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek III en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan boek III, in boeken I en XV van het Wetboek van economisch recht, B.S. 14.08.2013 die – gelet op het bepaalde in artikel 1 K.B. van 26.03.2014 tot bepaling van de inwerkingtreding van de wet van 17.07.2013 houdende invoeging van Boek III “Vrijheid van vestiging, dienstverlening en algemene verplichtingen van de ondernemingen”, in het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek III en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan boek III, in boeken I en XV van het Wetboek van economisch recht – in werking is getreden op 09.05.2014). Artikel III.26 W.E.R. (voorheen artikel 14 K.B.O.-wet) bepaalt: “Elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot vermeldt steeds het ondernemingsnummer.

Bij gebreke aan vermelding van het ondernemingsnummer op het deurwaardersexploot, verleent de rechtbank uitstel aan de handels- of ambachtsonderneming om haar inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van de vordering te bewijzen. Indien de handels- of ambachtsondememing haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst binnen de door de rechtbank gestelde termijn of indien blijkt dat de onderneming niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen, verklaart de rechtbank de vordering van ambtswege onontvankelijk. Indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die onderneming eveneens onontvankelijk.

De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien de onontvankelijkheid niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.”

De niet naleving van het bepaalde in dit artikel kan aldus gebeurlijk leiden tot de onontvankelijkheid van de vordering van de eisende partij doch niet tot de nietigheid ervan. De hypothese bedoel in artikel III.26 W.E.R. is evenwel in deze niet aan de orde.

Noot: 

Relatiiviteit van het hoger beroep en van beroepsgriven, RABG, 2011, 722, Noot onder Antwerpen 20 maart 201, RABG, 2011, 719, ook gepubliveerd middels een link op www.clijmansadvocaten.be

Rechtspraak 

• Antwerpen 20 maart 201, RABG, 2011, 719, met noot N. Clijmans ook gepubliveerd middels een link op www.clijmansadvocaten.be

Samenvatting

Overeenkomstig het beschikkingsbeginsel behoort het aan de appellant om zelf de perken te bepalen binnen dewelke de appelrechter zijn bevoegdheid zal kunnen uitoefenen. Hij beschikt aldus eerst en vooral over de mogelijkheid om het voorwerp van zijn verhaal te beperken door enkel beroep in te stellen tegen bepaalde beschikkingen van de bestreden beslissing.

Artikel 1057, 7° van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de akte van hoger beroep, op straffe van nietigheid, de uiteenzetting van de grieven vermeldt.

Deze nietigheid is niet van openbare orde en kan dan ook enkel door de geïntimeerde in limine litis worden opgeworpen.

De motivering van de akte van hoger beroep valt niet onder de voorschriften van artikel 862 van het Gerechtelijk Wetboek, met als gevolg dat de nietigheid enkel zal mogen worden uitgesproken in zoverre overeenkomstig artikel 861 Ger.W. een belangenschade wordt aangetoond in hoofde van de partij die de nietigheid inroept.

De vermelding in een beroepsakte dat hoger beroep wordt ingesteld tegen alle beschikkingen van het bestreden vonnis, die enkel inhoudelijk de beoordeling in eerste aanleg van de hoofdvordering bekritiseert, verhindert niet dat in navolgende beroepsconclusies de appellant voor het eerst uitdrukkelijk kritiek uit op de beoordeling door de eerste rechter van de tegenvordering voor zover de belangen van de wederpartij daardoor niet werden geschaad.

 

(N.C./K.)

( ... )

2. Beoordeling

2.1. Over de oorspronkelijke hoofdvordering

2.1.1. De door geïntimeerde ingestelde vordering strekt tot terugbetaling van aan appellante onverschuldigd betaalde wedde en onverschuldigd uitbetaald vakantiegeld.

( ... )

Uit de samenhang van het eerste en van het 2de lid van artikel 7 § 2 van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën volgt dat de terugvordering van het verschuldigde pas kan worden ingesteld nadat een vraag tot terugbetaling bij een ter post aangetekend schrijven ter kennis van de schuldenaar werd gebracht overeenkomstig de bepalingen van artikel 7 § 2, 1 ste lid van voormelde wet.

De wet van 6 februari 1970 is van openbare orde, zodat dient te worden aangenomen dat bij gebrek aan een geldige vraag tot terugbetaling, ter kennis gebracht binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van 1 januari van het jaar van de betaling, de terugvordering niet alleen maar niet rechtsgeldig kan worden ingesteld maar bovendien ook dat zij verjaard is.

In casu ligt er geen geldige vraag tot terugbetaling, noch van de teruggevorderde onverschuldigd uitbetaalde wedde, noch van het teruggevorderde onverschuldigd uitbetaald vakantiegeld, ter kennis gebracht binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar van de betaling.

De oorspronkelijke hoofdvordering dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.2. Over de oorspronkelijke tegenvordering

2.2.1. Overeenkomstig het beschikkingsbeginsel behoort het aan de appellant om zelf de perken te bepalen binnen dewelke de appelrechter zijn bevoegdheid zal kunnen uitoefenen. Hij beschikt aldus eerst en vooral over de mogelijkheid om het voorwerp van zijn verhaal te beperken door enkel beroep in te stellen tegen bepaalde beschikkingen van de bestreden beslissing (G. CLOSSET-MARCHAL, J.-Fr. VAN DROOGHENBROECK, S. UHLLG en A. DECROËS, "Examen de jurisprudence. Droit judiciaire privé. Les voies de recours (1993 à 2005)", RCJB 2006, nr. 253, p. 286).

Uit de vermeldingen in het verzoekschrift tot hoger beroep blijkt dat appellante hoger beroep heeft ingesteld tegen alle beschikkingen van het bestreden vonnis, doch weliswaar geen grieven heeft aangevoerd ten aanzien van de afwijzing door de eerste rechter van de door haar in eerste aanleg ingestelde tegenvordering.

Uit het gebrek aan grieven in dit verband kan evenwel niet worden afgeleid dat appellante haar hoger beroep heeft willen beperken tot de beschikkingen van het bestreden vonnis met betrekking tot de oorspronkelijke hoofdvordering, gezien de uitdrukkelijke vermelding van het instellen van het hoger beroep tegen alle beschikkingen van het bestreden vonnis.

Artikel 1057, 7° van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt echter dat de akte van hoger beroep, op straffe van nietigheid, de uiteenzetting van de grieven vermeldt.

Deze nietigheid is niet van openbare orde en kan dan ook enkel door de geïntimeerde in limine litis worden opgeworpen. Door het Hof dient te worden vastgesteld dat geïntimeerde deze nietigheid van de akte van hoger beroep niet heeft opgeworpen in haar conclusie neergelegd op 7 april 2009, zodat de nietigheid reeds om deze reden gedekt is (G. CLOSSET-MARCHAL, J.-Fr. VAN DROOGHENBROECK, S. UHLLG en A. DECROËS, "Examen de jurisprudence. Droit judiciaire privé. Les voies de recours (1993 à 2005)", RCJB 2006, nr. 204, p. 218).

Ten overvloede dient te worden opgemerkt dat de motivering van de akte van hoger beroep niet valt onder de voorschriften van artikel 862 van het Gerechtelijk Wetboek, met als gevolg dat de nietigheid enkel zal mogen worden uitgesproken in zoverre overeenkomstig artikel 861 Ger.W. een belangenschade wordt aangetoond in hoofde van de partij die de nietigheid inroept (G. CLOSSET-MARCHAL, J.-Fr. VAN DROOGHENBROECK, S. UHLLG en A. DECROËS, "Examen de jurisprudence. Droit judiciaire privé. Les voies de recours (1993 à 2005)", RCJB 2006, nr. 204, p. 218).

Geïntimeerde voert geen belangenschade aan noch bewijst zulks.

Het hoger beroep is derhalve evenzeer ontvankelijk in zoverre het tegen de afwijzing van de oorspronkelijke tegenvordering gericht is.

2.2.2. Door appellante wordt niet ernstig betwist dat zij onverschuldigde wedden en vakantiegeld van geïntimeerde mocht ontvangen, ingevolge door haar organen in strijd met de wetten en reglementen ter zake genomen beslissingen.

Zelfs al zou uit de daaropvolgende beslissingen, die uiteindelijk tot de terugvordering van de onverschuldigde betalingen hebben geleid, enige schending van beginselen van behoorlijk bestuur kunnen worden afgeleid, dan nog dient door het Hof te worden vastgesteld dat appellante als gevolg hiervan geen enkele schade, materieel noch moreel, kan hebben geleden, nu zij steeds het genot van onverschuldigde betalingen is blijven genieten, die zij derhalve in strijd met wettelijke bepalingen heeft ontvangen. Ten overvloede ontbreekt dan ook eveneens enig rechtmatig belang om schadevergoeding te vorderen.

Appellante bewijst bovendien op generlei wijze de materialiteit noch de hoegrootheid van de door haar beweerde schade.

De tegenvordering faalt derhalve eveneens zo in feite als in rechte.

2.3. Over de kosten

Naar luid van artikel 1017, 4, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen de kosten worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, hetzij wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, hetzij over echtgenoten, bloedverwanten in de opgaande lijn, broeders en zusters of aanverwanten in dezelfde graad.

Nu zo de oorspronkelijke hoofdvordering van geïntimeerde als de oorspronkelijke tegenvordering van appellante dienen te worden afgewezen, komt het het Hof gepast voor om de kosten zo in eerste aanleg als in hoger beroep tussen partijen om te slaan.

OM DEZE REDENEN, HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep tegen alle beschikkingen van het bestreden vonnis ontvankelijk, en deels gegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre het de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond verklaart;

Doet het bestreden vonnis voor het overige teniet, en opnieuw rechtdoende; Verklaart de hoofdvordering van geïntimeerde niet-ontvankelijk;

Wijst partijen van hun wederzijdse vorderingen dienvolgens af en veroordeelt hen ieder tot hun eigen kosten van beide aanleggen;

Slaat de rechtsplegingsvergoedingen zo in eerste aanleg als in hoger beroep om. Waar aanwezig was: S. Berneman, alleenzetelend raadsheer.



Overige Rechtsleer:

• K.BROECKX, “De grieven in de beroepsakte. Het arrest van het Hof van Cassatie van 16 december 1994”, R.Cass. 1995, 182; M. CASTERMANS, Gerechtelijk privaatrecht, Gent, Story Publishers, 2009, 648-649;



• G.DE LEVAL, Eléments de procédure civile, Brussel, Larcier, 2005, 317.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 22/06/2018 - 21:06
Laatst aangepast op: vr, 22/06/2018 - 21:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.