-A +A

Hoofddoek en pasfoto op identiteitskaart

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 22/12/2000

Nr. C.99.0164.N
  STAD BERINGEN, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, met kantoren te 3580 Beringen, Mijnschoolstraat 88,
  eiseres tot cassatie van een arrest, op 14 september 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen,
  vertegenwoordigd door mr. René Bützler, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1083 Ganshoren, de Villegaslaan 33-34, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  tegen
  E. F.,
  verweerster in cassatie.
  HET HOF,
  Gehoord het verslag van raadsheer Bourgeois en op de conclusie van advocaat-generaal De Raeve;
  Gelet op het bestreden arrest, op 14 september 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen;
  Over het eerste middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 144 en 145 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde bepalingen van de Grondwet,
  doordat de appèlrechters in de bestreden beslissing, door de bevestiging van het beroepen vonnis, eiseres veroordelen tot verlenging van de identiteitskaart van (verweerster) voor een periode van vijf jaar, op overlegging van een pasfoto met hoofddoek, en onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 BEF per dag vertraging, en eiseres voorts veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding aan verweerster, op grond van o.m. de volgende overwegingen :
  "(...) dat (verweerster) de veroordeling van (eiseres) vordert tot verlenging voor vijf jaar overeenkomstig artikel 18 Vreemdelingenwet van haar identiteitskaart, waarvan de geldigheidsduur verstreek op 10 maart 1995 en waarop zij door middel van een pasfoto is afgebeeld met een hoofddoek, alsook tot de betaling van een schadevergoeding op grond van aquiliaanse aansprakelijkheid;
  (...) dat (eiseres) aanvoert dat het geschil betrekking heeft op een recht waarvan het bestaan en de toekenning louter afhangt van een beslissing die zij als administratieve overheid met gebruik van haar discretionair appreciatierecht heeft genomen en derhalve niet als een subjectief recht kan gelden zodat het enkel de administratieve rechtbanken, inzonderheid de Raad van State, zou behoren hierover recht te doen;
  Dat (verweerster) de rechtsmacht van de justitiële rechter voorhoudt;
  Dat de eerste rechter het artikel 6, §1, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten heeft aangenomen als een objectieve rechtsregel die aan verweerster een subjectief recht zou verlenen tot het verkrijgen van de identiteitskaart in kwestie; dat deze tevens heeft vastgesteld dat in dit verband geen wet bestaat die de administratieve rechter de bevoegdheid terzake heeft toegewezen; dat in het beroepen vonnis werd beslist dat de justitiële rechter de rechtsmacht bezit om te dezen te oordelen; dat het hof de oordeelkundige redengeving van de eerste rechter en zijn beslissing bijtreedt; dat ten aanzien van de desbetreffende grieven van (eiseres) het volgende wordt geantwoord;
  (...) dat de geschillen over subjectieve rechten krachtens de artikelen 144 en 145 GW. in de regel behoren tot de bevoegdheidssfeer van de justitiële rechter; dat de administratieve rechtscolleges wat betreft sommige subjectieve rechten, met name beperkt tot geschillen met een politiek recht tot voorwerp, slechts een toegewezen bevoegdheid hebben;
  Dat een subjectief recht terzake van de rechtsbetrekking tussen de burger en de overheid bestaat wanneer de burger, steunend op een persoonlijk belang, gerechtigd is op grond van een rechtsregel rechtstreeks van de overheid een welbepaald gedrag te eisen;
  Dat een dergelijke juridische verplichting wat de overheid betreft bestaat wanneer deze optreedt met een gebonden bevoegdheid; dat er dan immers geen ruimte voor beleid is gelaten en de overheid, van zodra de gestelde voorwaarden vervuld zijn, die beslissing moet nemen die de objectieve rechtsregel oplegt; dat hieraan niet in de weg wordt gestaan door de eventuele interpretatie die de overheid nog moet doen om de rechtsregel toe te passen; dat immers maar één juiste, d.i. wettelijke, uitlegging van de betrokken rechtsregel mogelijk is en de overheid niet anders kan (mag) dan te handelen conform de juiste uitlegging van de rechtsregel;
  (...) dat artikel 6, §1, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten de juridische verplichting wat de gemeente betreft heeft doen ontstaan om aan de Belgen en de vreemdelingen, die toegelaten of gemachtigd zijn om zich in het Rijk te vestigen een identiteitskaart te geven die geldt als bewijs van inschrijving in de bevolkingsregisters; dat de gemeente hierdoor gehouden is aan het rechtsubject, dat zich in de gestelde voorwaarden bevindt, een identiteitskaart uit te reiken; dat de bevoegdheid van de gemeente terzake gebonden is; dat zij mogelijkerwijze bij de toepassing van deze objectieve rechtsregel aan uitlegging moet doen o.m. wat betreft de pasfoto's die in aanmerking kunnen genomen worden voor het aanmaken van de identiteitskaart; dat dergelijke uitlegging evenwel geen appreciatie inhoudt, zoals (eiseres) ten onrechte inroept, omdat er slechts één uitlegging, met name deze conform de wet, bestaat, die dwingend moet worden toegepast;
  Dat (verweerster) waarvan niet is betwist dat zij een vreemdelinge is zoals bedoeld door voormeld artikel 6, §1 van de wet van 19 juli 1991, derhalve ten laste van (eiseres) aanspraak kan maken op de verlenging van haar identiteitskaart, conform de wet;
  Dat (verweerster) aanvoert dat (eiseres) deze juridische verplichting wat haar betreft niet wil nakomen en zodoende de schending van een subjectief recht laat gelden;
  Dat (verweerster) bovendien aantoont een eigen, persoonlijk belang te hebben bij het gevorderde; dat de identiteitskaart strekt tot het bewijs van inschrijving in de bevolkingsregister en tot identificatie van de titularis o.m. tegenover de openbare macht; dat (verweerster) zijnde een persoon van vreemde nationaliteit, vanzelfsprekend belang heeft te allen tijde dergelijk bewijs te kunnen leveren en zich te kunnen identificeren tegenover de openbare macht; dat zij overigens verplicht is een identiteitskaart te bezitten en bij zich te hebben (artikel 6, §3, wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten);
  Dat door de wet ten aanzien van de betwiste materie geen bevoegdheidstoewijzing aan de administratieve rechter is gedaan;
  Dat de verwijzing door (eiseres) naar de bevoegdheid van de administratieve rechter terzake van het administratief kort geding niet afdoet aan de rechtsmacht van de justitiële rechter wat betreft geschillen over subjectieve rechten;
  Dat deze rechtsmacht overigens niet is betwist wat betreft de eis van (verweerster) tot schadevergoeding wegens onrechtmatig optreden van (eiseres);
  Dat het hoger beroep van (eiseres) in dit onderdeel dan ook ongegrond voorkomt" (pp. 3-5 van het aangevochten arrest),
  terwijl geschillen over burgerlijke rechten, alsook, in beginsel, geschillen over politieke rechten, overeenkomstig de artikelen 144 en 145 van de Grondwet tot de bevoegdheid van de rechtbanken behoren;
  De justitiële rechter bij toepassing van deze bepalingen "bij uitsluiting" bevoegd is wanneer een subjectief recht in het geding is, d.w.z. telkens wanneer op de desbetreffende partij een daadwerkelijke juridische verplichting rust, die door de betrokkene, die in dit verband een eigen belang kan aantonen, kan worden afgedwongen; een geschil tussen een burger en een gemeente m.b.t. een door deze laatste te stellen rechtshandeling aldus slechts betrekking heeft op een subjectief recht wanneer de gemeente volstrekt gebonden is om deze handeling te stellen en hierbij over geen enkele discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt;
  De appèlrechters te dezen oordelen dat eiseres, als gemeentelijke overheid, gehouden is om een identiteitskaart af te leveren aan diegenen die hierom verzoeken en die voldoen aan de voorwaarden die worden vereist voor de afgifte van een identiteitskaart; het hof van beroep hieruit afleidt dat verweerster aanspraak kan maken op de verlenging van haar identiteitskaart en hieraan toevoegt dat zij hierbij een eigen en persoonlijk belang heeft;
  Evenwel geen subjectief recht tot afgifte van een identiteitskaart bestaat wanneer, zoals te dezen, een betwisting rijst omtrent de vraag of de betrokkene wel voldoet aan de voorwaarden tot afgifte ervan; in het onderhavige geval immers niet werd betwist dat, enerzijds, verweerster zich aanbood met een pasfoto waarop zij was afgebeeld met een hoofddoek, en deze foto wenste te gebruiken voor haar identiteitskaart, en, anderzijds, dat eiseres op grond hiervan weigerde een identiteitskaart aan verweerster af te leveren, nu zij van mening was dat een dergelijke foto niet voldeed aan de wettelijke en reglementaire vereisten;
  Eiseres aldus over een discretionaire appreciatiemarge beschikt bij de beoordeling van de vraag of deze of gene wel aan de gestelde voorwaarden voldoet; de voor eiseres bestaande mogelijkheid om met het oog op de afgifte van een identiteitskaart bepaalde pasfoto's te aanvaarden waarop de betrokkene wordt afgebeeld met een hoofddoek, niet impliceert dat eiseres verplicht zou zijn om in alle gevallen waarin haar een dergelijke pasfoto wordt aangeboden, een identiteitskaart te verlenen of deze te verlengen;
  De appèlrechters dan ook niet wettig vaststellen dat verweerster zich op de schending van een subjectief recht beroept,
  zodat de beslissing van het hof van beroep volgens welke te dezen de justitiële rechter bevoegd is, niet naar recht verantwoord is (schending van de artikelen 144 en 145 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde bepalingen van de Grondwet) :
  Overwegende dat, krachtens artikel 144 van de Grondwet, geschillen over burgerlijke subjectieve rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken behoren; dat krachtens artikel 145 van de Grondwet, geschillen over politieke subjectieve rechten in beginsel tot de bevoegdheid van de rechtbanken behoren; dat die bevoegdheid bepaald wordt door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het geschil;
  Dat de hoven en rechtbanken aldus kennisnemen van de door een partij ingestelde vordering die gegrond is op een welbepaalde juridische verplichting die door een regel van het objectief recht rechtstreeks aan een derde wordt opgelegd en bij wier uitvoering de eiser belang heeft;
  Overwegende dat blijkens de vaststellingen van het beroepen vonnis waarnaar het arrest verwijst, de vordering van verweerster strekte tot verlenging en aflevering door eiseres van een identiteitskaart met pasfoto van verweerster die een hoofddoek draagt;
  Overwegende dat het arrest oordeelt dat :
  1. artikel 6, §1, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten een juridische verplichting voor eiseres inhoudt;
  2. de bevoegdheid van eiseres gebonden is en zij gehouden is aan het rechtssubject, dat zich in de vereiste voorwaarden bevindt, een identiteitskaart uit te reiken;
  3. eiseres mogelijkerwijze bij de toepassing van die objectieve regel aan uitlegging moet doen o.m. betreffende de pasfoto's die in aanmerking kunnen genomen worden voor het aanmaken van een identiteitskaart; die uitlegging geen appreciatie inhoudt omdat slechts één uitlegging bestaat, deze conform aan de wet, die dwingend moet worden toegepast;
  4. verweerster een persoonlijk belang heeft bij het gevorderde en zij met toepassing van artikel 6, §3, van dezelfde wet overigens verplicht is een identiteitskaart te bezitten en bij zich te houden;
  Overwegende dat het arrest dat beslist dat de justitiële rechter bevoegd is om over dit geschil te oordelen, zijn beslissing naar recht verantwoordt;
  Dat het middel niet kan worden aangenomen;
  Over het tweede middel, gesteld als volgt : schending van artikelen 6, §1, eerste lid, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, zoals van toepassing sinds de wijziging bij de wet van 24 mei 1994, en 15 sub a) en sub d) van deel III van de in het Belgisch Staatsblad van 15 oktober 1992 bekendgemaakte ministeriële omzendbrief van 7 oktober 1992 betreffende het houden van de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister, zoals van toepassing vóór de wijziging bij de in het Belgisch Staatsblad van 28 september 1996 bekendgemaakte ministeriële omzendbrief van 20 september 1996,
  doordat de appèlrechters in de bestreden beslissing, door de bevestiging van het beroepen vonnis, eiseres veroordelen tot verlenging van de identiteitskaart van tegenpartij voor een periode van vijf jaar, op overlegging van een pasfoto met hoofddoek, en onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 BEF per dag vertraging, en eiseres voorts veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding aan verweerster, op grond van o.m. de volgende overwegingen :
  "(...) dat (men leze : 'verweerster') haar eis, zoals voormeld, laat steunen op artikel 6, §1, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten; dat zij aanvoert te voldoen aan alle vereisten gesteld in de ministeriële omzendbrief van 7 oktober 1992 betreffende het houden van de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister; dat zij meer bepaald voorhoudt een ernstige rechtvaardiging voor te leggen om wegens een ontegenzeggelijk godsdienstige reden, met name de islamitische geloofsovertuiging, de verlenging van haar identiteitskaart te verkrijgen met een pasfoto waarop zij is afgebeeld met een hoofddoek;
  (...) dat partijen niet hebben betwist dat de foto's, dienstig voor een identiteitskaart, in de regel 'van voren genomen (worden) zonder hoofddeksel' en dat zij 'schoon, recent en gelijkend (moeten) zijn' (ministeriële omzendbrief van 7 oktober 1992, 15, a); dat evenmin is aangevochten dat uitzondering wordt gemaakt 'als het hoofddeksel gedragen wordt om godsdienstige of medische redenen', dat de voormelde ministeriële omzendbrief sub 15 d) desbetreffend voorschrijft :
  'Om een ontegenzeglijke godsdienstige of medische reden kan een foto met hoofddeksel toegestaan worden op voorwaarde dat het gezicht volledig vrij is, d.w.z. het voorhoofd, de wangen, de ogen, de neus en de kin moeten volledig vrij zijn. Het is wenselijk maar niet vereist dat het haar en de oren eveneens vrij zijn. Deze oplossing kan slechts aanvaard worden als de betrokken burger een ernstige rechtvaardiging voorlegt';
  Dat (eiseres) uit de tekst van deze omzendbrief en meer bepaald uit het gebruik van de bewoordingen '... kan een foto met hoofddeksel toegestaan worden ...' ten onrechte afleidt dat zij dit evengoed niet kan toestaan;
  Dat naar luid van artikel 6, §1 en §3, van de wet van 19 juli 1991, voormeld, de gemeente de identiteitskaart aflevert doch de Koning de vorm, de inhoud, de geldigheidsduur en de modaliteiten van de aanmaak, afgifte en gebruik ervan bepaalt; dat de gemeente in deze kwestie, die als zaak van algemene bestuurlijke politie noopt tot een uniforme toepassing in het gehele land, een gedelegeerde opdracht uitvoert die haar slechts toelaat het voordeel van de uitzondering wat betreft de foto met een hoofddeksel te verlenen aan de burgers die aan de omschreven vereisten voldoen; dat de gemeente niet vermag autonoom te appreciëren dit voordeel niet toe te kennen;
  (...) dat (verweerster) door de op verwijzing naar de koran steunende verklaring van het hoofd van het Islamitisch en Cultureel Centrum van België, met name imam Abdellah Kouki, van 27 april 1994 afdoende aantoont dat het dragen in het openbaar van een hoofddoek door gelovige vrouwen bij de islam niet alleen gebruikelijk is, zoals (eiseres) wel toegeeft, maar steunt op een religieus voorschrift;
  Dat de vraag van (verweerster) om op haar identiteitskaart afgebeeld te worden met een hoofddoek derhalve niet steunt op een strikt individuele wens doch overeenstemt met de voorschriften van de islam, zoals deze wereldwijd door een groot deel van de gelovigen wordt nagekomen; dat zij derhalve een ontegenzeglijke godsdienstige reden inroept;
  Dat de bewering van (eiseres) dat meerdere Turkse vrouwen een identiteitskaart en/of paspoort hebben aanvaard met een foto waarop zij afgebeeld staan zonder hoofddoek, de voormelde ontegenzeglijke godsdienstige reden niet weerlegt noch ontkracht; dat de bewering van (eiseres) overigens tegenstrijdig is met het door haarzelf aangevoerde feit dat zij 'overspoeld' werd door aanvragen van islamitische vrouwen nadat bekend geworden was dat de kortgedingrechter in een gelijkaardige zaak een voor de aanvraagster gunstige beslissing had genomen;
  Dat (verweerster) door haar eigen verklaring, aangevuld door deze van imam Subhandagi Sait van de moskee te Beringen, aannemelijk maakt dat zij een islamitische gelovige is; dat (verweerster) tevens aannemelijk maakt dat zij gebruikelijk in het openbaar een hoofddoek draagt en ook op die wijze meent haar godsdienstige overtuiging te moeten veruiterlijken; dat (eiseres) wel aanvoert dat de vraag van (verweerster) niet zozeer zou ingegeven zijn door ernstige godsdienstige motieven maar door politieke agitatie, meer bepaald de actie van sommige fundamentalistische, islamitische verenigingen te Beringen die integratie zouden afwijzen en zouden pogen een "islamitisch eiland" in de stad tot stand te brengen; dat (eiseres) echter in gebreke blijft enige band aan te tonen tussen de beweerde politieke groeperingen en (verweerster) die het beweerde overigens uitdrukkelijk betwist;
  Dat (verweerster) aldus een ernstige rechtvaardiging voorlegt om wegens ontegenzeglijke godsdienstige redenen een identiteitskaart afgeleverd te krijgen met een foto waarop zij is afgebeeld met een hoofddoek;
  (...) dat de pasfoto die (verweerster) aan de diensten van (eiseres) heeft aangeboden blijkt te beantwoorden aan alle vereisten van de voormelde ministeriële omzendbrieven, meer in het bijzonder dat de afbeelding zodanig is dat het gezicht volledig vrij is; dat de aanvraag van (verweerster) niet in de weg staat dat de identiteitskaart, zoals aangevraagd, overeenstemt met het door de wet beoogde doel, met name te dienen als bewijs van inschrijving in de bevolkingsregister en het mogelijk te maken de betrokkene onbetwistbaar te identificeren in haar dagelijks voorkomen;
  (...) dat (eiseres) overigens reeds op 8 maart 1990 een identiteitskaart aan (verweerster) uitreikte waarop deze met een hoofddoek was afgebeeld;
  Dat (eiseres) destijds handelde overeenkomstig de ministeriële omzendbrief van 6 juli 1988;
  dat zij aldus de 'onweerlegbare religieuze reden' wat (verweerster) betreft heeft erkend;
  Dat (eiseres) niet heeft betwist dat de ministeriële omzendbrief van 7 oktober 1992 geen substantiële wijzigingen heeft aangebracht aan de bestaande regeling terzake van de pasfoto's met hoofddeksel; dat de bij de verlenging van haar identiteitskaart in maart 1995 door (verweerster) gesteld vraag derhalve binnen eenzelfde wettelijk kader diende te worden beantwoord; dat (eiseres) evenwel een oplossing voorstaat die volkomen tegenstrijdig is met haar eerder optreden;
  Dat (eiseres) deze ommekeer niet naar recht verantwoordt; dat zij haar optreden verklaart door uiteen te zetten dat zij het '... ingevolge de fanatieke houding door een deel van de islamitische bevolking van haar gemeente recentelijk ingenomen, nuttig geoordeeld (heeft) een strikt beleid terzake te voeren' dat zij hierdoor evenwel het bij de burger, zoals (verweerster) gewekte vertrouwen miskent en bovendien uit het oog verliest dat zij de uitvoering van een gedelegeerde opdracht en het subjectief recht van (verweerster) laat afhangen van de doelstellingen van haar eigen lokaal beleid;
  Dat het te dezen niet relevant is na te gaan of de weigering van (eiseres) al dan niet in strijd is met artikel 9 EVRM en of er omstandigheden bestaan waarin het dragen van een hoofddoek eventueel naar recht zou kunnen verboden worden (bv. in sommige instellingen van het vrij onderwijs); dat (verweerster) haar aanvraag immers laat steunen op voormelde regels van Belgisch positief recht, waarvan alleszins niet is beweerd dat deze strijdig zouden zijn met artikel 9 EVRM;
  Dat de uitspraak te dezen bovendien slechts de feiten betreft die thans ter beoordeling zijn gesteld;
  Dat (eiseres) nog voorhoudt dat de Belgische Staat in onderhavig geding zou moeten tussenkomen; dat echter slechts kan vastgesteld worden dat (eiseres) verzuimd heeft met toepassing van artikel 16, tweede alinea, GerW. het nodige te doen voor een eventuele gedwongen tussenkomst, niettegenstaande zij hiervoor ruimschoots de tijd heeft gehad;
  Dat het hoger beroep van (eiseres) ongegrond voorkomt" (pp. 5-9 van het aangevochten arrest);
  terwijl eiseres, als gemeentelijke overheid, krachtens artikel 6, §1, eerste lid, van de wet van 19 juli 1991, slechts gehouden is tot het afleveren van een identiteitskaart aan de natuurlijke personen in zoverre dezen aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden voldoen die worden gesteld voor de afgifte van een identiteitskaart;
  De gemeente dienaangaande ertoe gehouden is om in feite te oordelen of een persoon al dan niet aan de voorwaarden voldoet die de gemeente tot de afgifte van een identiteitskaart verplicht;
  Een identiteitskaart slechts mag worden verleend aan een persoon die zich aanbiedt met een pasfoto waarop hij staat afgebeeld zonder hoofddeksel, behalve wanneer dit hoofddeksel bij toepassing van artikel 15 sub a) en sub d) van deel III van de in het Belgisch Staatsblad van 15 oktober 1992 bekendgemaakte ministeriële omzendbrief van 7 oktober 1992 betreffende het houden van de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister - wordt gedragen om een "ontegenzeglijk godsdienstige of medische reden"; de desbetreffende bepalingen van deze omzendbrief een algemene en abstracte draagwijdte hebben en dienvolgens als een "wet" in de zin van de artikelen 608 en 1080 van het Gerechtelijk Wetboek moeten worden beschouwd;
  Het dragen van een hoofddoek louter op grond van de omstandigheid dat men de islamitische godsdienst aanhangt, niet wettig kan worden beschouwd als een "godsdienstige reden" die zou impliceren dat een gemeente ertoe verplicht is een identiteitskaart af te leveren aan een persoon die een pasfoto aanbiedt waarop hij met een hoofddoek wordt afgebeeld;
  De gemeente dienaangaande over een onaantastbare appreciatiebevoegdheid beschikt die voortvloeit uit haar bevoegdheid - en plicht - om krachtens artikel 6, §1, eerste lid, van de wet van 19 juli 1991 identiteitskaarten af te leveren aan diegenen die zich hiertoe in de voorwaarden bevinden;
  Eiseres te dezen dan ook gerechtigd was om de afgifte van een identiteitskaart te weigeren aan verweerster, nu deze zich aanbood met een pasfoto waarop zij werd afgebeeld met een hoofddoek;
  De appèlrechters bijgevolg ten onrechte oordelen dat eiseres een identiteitskaart dient af te geven aan verweerster op grond van de overweging dat deze laatste zich op een "ontegenzeglijk godsdienstige reden" kan beroepen,
  zodat de appèlrechters eiseres niet wettig veroordelen tot de afgifte van een identiteitskaart aan verweerster waarop deze laatste met een hoofddoek wordt afgebeeld (schending van de artikelen 6, §1, eerste lid, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, zoals van toepassing sinds de wijziging bij de wet van 24 mei 1994, en 15 sub a) en sub d) van deel III van de in het Belgisch Staatsblad van 15 oktober 1992 bekendgemaakte ministeriële omzendbrief van 7 oktober 1992 betreffende het houden van de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister, zoals van toepassing vóór de wijziging bij de in het Belgisch Staatsblad van 28 september 1996 bekendgemaakte ministeriële omzendbrief van 20 september 1996) :
  Overwegende dat, krachtens artikel 6, §1, eerste lid, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, de gemeente aan de Belgen en de vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn om zich in het Rijk te vestigen een identiteitskaart afgeeft die als bewijs van inschrijving in de bevolkingsregisters geldt;
  Overwegende dat de te dezen toepasselijke in het Staatsblad bekendgemaakte omzendbrief van 7 oktober 1992 betreffende het houden van de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister, abstracte regels bevat die het karakter van algemeenheid vertonen dat kenmerkend is van een wet;
  Overwegende dat artikel 15, d) van afdeling III van die omzendbrief bepaalt :
  "Om een ontegenzeglijk godsdienstige of medische reden, kan een foto met hoofddeksel toegestaan worden, op voorwaarde dat het gezicht volledig vrij is, d.w.z. het voorhoofd, de wangen, de ogen, de neus en de kin moeten volledig vrij zijn. Het is wenselijk maar niet vereist dat het haar en de oren eveneens vrij zijn. Deze oplossing kan slechts aanvaard worden als de betrokken burger een ernstige rechtvaardiging voorlegt";
  Overwegende dat het arrest oordeelt dat :
  1. het dragen in het openbaar van een hoofddoek overeenstemt met de voorschriften van de Islam;
  2. verweerster ontegenzeglijk een godsdienstige reden inroept en zij het aannemelijk maakt dat zij een Islamitische gelovige is en doorgaans in het openbaar een hoofddoek draagt; dat zij ook op die wijze meent haar godsdienstige overtuiging te moeten veruiterlijken;
  Overwegende dat het arrest beslist dat verweerster een ernstige rechtvaardiging voorlegt om op grond van ontegenzeglijke godsdienstige redenen een identiteitskaart afgeleverd te krijgen met een foto waarop zij met een hoofddoek is afgebeeld;
  Dat het arrest zodoende geen van de aangewezen wettelijke bepalingen schendt;
  Dat het middel niet kan worden aangenomen;
  OM DIE REDENEN,
  Verwerpt de voorziening;
  Veroordeelt eiseres in de kosten.
  De kosten begroot op de som van negentienduizend vierennegentig frank jegens de eisende partij.
  Aldus door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig december tweeduizend uitgesproken, alwaar aanwezig zijn voorzitter Verougstraete, de raadsheren Bourgeois, Londers, Stassijns, Velu, advocaat-generaal De Raeve, griffier Van Geem.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 02/11/2009 - 22:44
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 17:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.