-A +A

Hoofdelijke veroordeling voor de strafrechter kan voor de burgerlijke rechter gebracht ter verdeling schadevergoeding volgens aandeel

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 24/01/2008

Een veroordeling door de strafrechter die meerdere personen hoofdelijk veroordeeld heeft tot betaling van schadevergoeding aan de burgerlijke partijen, zonder te bepalen hoe in hun onderlinge verhouding de schadevergoeding moet worden verdeeld en zonder gebruik te maken van de door art. 50, laatste lid, Sw. geboden mogelijkheid om een veroordeelde vrij te stellen van hoofdelijkheid, kan nog steeds het voorwerp uitmaken van een burgerlijke vordering tot verdeling van de schadevergoeding.

In een afzonderlijke procedure kan dan aan de burgerlijke rechter uitspraak gevraagd over de verdeling van de schadevergoeding in de onderlinge verhouding tussen de aansprakelijken, zonder dat zulks afbreuk doet aan het gezag van gewijsde van het strafvonnis.

Art. 1213 BW stelt dat de verbintenis die hoofdelijk is aangegaan jegens de schuldeiser, van rechtswege deelbaar is tussen de schuldenaars, die onder elkaar ieder slechts voor hun aandeel verbonden zijn, welk aandeel vermoed wordt gelijk te zijn. Deze bepaling geldt evenwel enkel voor de contractueel bedongen hoofdelijkheid en is niet toepasselijk op de wettelijk bepaalde hoofdelijke verbintenissen, zoals die op grond van art. 50 Sw.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2010-2011
Pagina: 
1694
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

V. t/ NV F.V.

Antecedenten

1. NV F.V., huidige geïntimeerde, is de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid van de eigenaars van het woonhuis gelegen te (...), eigendom van V.A.-D.R., wonende te (...).

Het echtpaar V.-D. had de woning verhuurd aan Roland V.

Op 10 februari 2001 is Roland V. overleden ten gevolge van een CO2-intoxicatie, veroorzaakt door de gasboiler geplaatst in de badkamer door appellant, die loodgieter is.

Naar aanleiding van het overlijden werd een strafonderzoek geopend door het parket te Kortrijk, in het raam waarvan een deskundige werd aangesteld die tot het besluit kwam dat de boiler een ouder en slecht onderhouden toestel is, dat gebrekkig werd geplaatst.

2. Zowel de verzekerden van geïntimeerde, het echtpaar V.-D., als appellant werden vervolgd door de Correctionele Rechtbank te Kortrijk wegens onopzettelijke doding: de eigenaars in hun hoedanigheid van verhuurders van het gebouw waar zich de gasvergiftiging had voorgedaan, wegens het in stand houden, appellant wegens het installeren van een gebrekkige boiler, die oorzaak is van het overlijden van de huurder.

Op strafrechtelijk gebied werden de verzekerden van geïntimeerde en appellant bij een definitief geworden vonnis van de Correctionele Rechtbank te Kortrijk van 30 april 2004 verantwoordelijk verklaard voor de dood van Roland V.

Op burgerrechtelijk gebied oordeelde de strafrechter dat het slachtoffer zelf voor de helft verantwoordelijk was. De strafrechter overwoog dat de huurders V.-V. op de hoogte waren van de mogelijk inherente gevaren van de boiler, omdat zij bij het sluiten van de overeenkomst de eigenaars van de woning gewezen hebben op het feit dat zij het eigenaardig vonden dat de afvoerbuis van de gasboiler niet door het dak stak, maar nadien als huurders zijn blijven stilzitten en zelf geen stappen hebben ondernomen om de afvoerbuis tot in de open lucht te laten doortrekken. De strafrechter was van oordeel dat de huurders hierdoor een bepaald risico hebben aanvaard en aldus zelf een fout hebben begaan die in oorzakelijk verband staat met de door hen opgelopen schade, zodat de burgerlijke partijen in die omstandigheden zelf dienen in te staan voor de helft van de door hen geleden schade.

De verzekerden van geïntimeerde en appellant werden hoofdelijk veroordeeld tot het betalen van de schadevergoedingen aan de burgerlijke partijen. Deze schadevergoedingen, vermeerderd met bijkomende medische kosten en de daarop verschuldigde registratierechten bedroegen 102.021,16 euro, waarvan appellant 32.485,23 euro betaalde en de rest, 68.105,97 euro, werd betaald door geïntimeerde.

De correctionele rechtbank bepaalde niet uitdrukkelijk hoe in de onderlinge verhouding tussen de verzekerden van geïntimeerde enerzijds en de appellant anderzijds de vergoeding verschuldigd aan de erven van het slachtoffer, waartoe zij werden veroordeeld, dient te worden verdeeld.

3. Nadat het vonnis definitief was geworden, was de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid uitbating van appellant van oordeel dat hij voor rekening van zijn verzekerde 1/3 van de helft van de schade, waartoe de drie verdachten hoofdelijk waren veroordeeld, ten laste diende te nemen, en betaalde hij op de totale afrekening van de erven van het slachtoffer een bedrag van 32.485,23 euro.

Op 9 juli 2004 heeft geïntimeerde voor rekening van haar verzekerden, het echtpaar V.-D., onder voorbehoud van haar rechten en voor rekening van wie het behoorde, het saldo van de afrekening van de erven van het slachtoffer, zijnde 65.997,14 euro + 250,66 euro betaald, alsook 2/3 van de verschuldigde registratierechten, 1.858,14 euro.

Aangezien geïntimeerde van oordeel was dat zij slechts de helft van de schade, die hoofdelijk ten laste werd gelegd van de verdachten, moet betalen, zijnde 51.010,58 euro (helft van 102.021,16 euro) en niet de 2/3 die zij onder voorbehoud had betaald (zijnde 68.105,97 euro), meende zij dat zij 17.095,39 euro teveel had betaald.

Bij gebrek aan bepaling in het strafvonnis van de verdeelsleutel van de aansprakelijkheid in de onderlinge verhouding tussen de verzekerden van geïntimeerde enerzijds en de appellant anderzijds, heeft geïntimeerde tegen appellant een vordering ingesteld voor de burgerlijke rechtbank, teneinde deze verdeelsleutel te horen bepalen op 50/50. De vordering is gebaseerd op art. 1382- 1383 BW, maar vooral op art. 1251, derde lid, BW.

Geïntimeerde voert aan dat het ter zake niet dienend is dat er drie daders of mededaders waren, maar wel dat er slechts twee van elkaar te onderscheiden oorzaken waren, behoudens de eigen fout van het slachtoffer die voor de helft aansprakelijk werd verklaard, namelijk enerzijds de fout van de verzekerden (eigenaars), anderzijds de fout van appellant (loodgieter). Zij betoogt dat de fouten van haar verzekerden V.-D. als eigenaars-verhuurders, één en dezelfde fout uitmaken, onderscheiden van de fout van appellant als loodgieter, en verwijst hiervoor naar de overweging van het vonnis van de correctionele rechtbank. Zij vraagt dat de rechtbank zou overgaan tot een verdeling van de aansprakelijkheid bij helften tussen haar verzekerden en de appellant.

Appellant gaat ervan uit dat hij slechts gehouden is tot betaling van één derde van de schadevergoeding, aangezien de drie beklaagden, enerzijds hijzelf en anderzijds het echtpaar V.-D., solidair werden veroordeeld tot het betalen van de schadevergoedingen, zodat ze alle drie hoofdelijk zijn gehouden (art. 50 Sw.).

Het bestreden vonnis volgde het standpunt van geïntimeerde en oordeelde dat er slechts twee partijen fouten hebben begaan, die in oorzakelijk verband staan met het overlijden van het slachtoffer en die in dezelfde mate hiertoe hebben bijgedragen, enerzijds appellant en anderzijds de huwgemeenschap van de verhuurders, die niet zwaarder mag worden belast omdat zij uit twee echtgenoten bestaat, die samen zijn opgetreden, maar op strafrechtelijk gebied afzonderlijk werden vervolgd en veroordeeld.

4. Appellant meent dat de eerste rechter ten onrechte is ingegaan op de vordering van geïntimeerde, omdat hij gebonden is door het strafvonnis, dat zeker en noodzakelijk, minstens impliciet heeft aangenomen dat ieder van de verdachten afzonderlijk een fout heeft begaan en voor een gelijk deel ertoe gehouden is de hierdoor veroorzaakte schade te vergoeden.

Volgens appellant kon de eerste rechter niet meer beslissen over een ongelijkmatige verdeling van de aansprakelijkheid, enerzijds met inachtneming van ieders fout, anderzijds ook met inachtneming van de causale invloed van ieders fout op de totale schade. Hij wijst erop dat de verzekerden van de geïntimeerden geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om voor de strafrechter reeds een ongelijke verdeling van de aansprakelijkheid op burgerlijk gebied te bepleiten en dat de strafrechter evenmin gebruik maakte van art. 50 Sw. om te oordelen welke de ernst was van de diverse fouten van de aansprakelijke daders en mededaders en op die basis, in hun onderlinge verhouding, het aandeel van ieder in de schade te beoordelen. Aangezien geen hoger beroep werd ingesteld tegen het vonnis van de strafrechter, kon geïntimeerde voor de burgerlijke rechtbank geen andere verdeling van aansprakelijkheid bepleiten zonder de kracht van gewijsde van het vonnis van de strafrechter te miskennen. Op grond hiervan vraagt appellant het bestreden vonnis teniet te doen en de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde af te wijzen als ongegrond.

Geïntimeerde vraagt het hoger beroep toelaatbaar, maar ongegrond te verklaren.

Beoordeling

1. Volgens appellant kon de eerste rechter niet meer opnieuw beslissen over een ongelijkmatige verdeling van de verantwoordelijkheid, enerzijds met inachtneming van de zwaarte van ieders fout, anderzijds met inachtneming van de causale invloed van ieders fout op de totale schade. Appellant meent dat de eerste rechter gebonden was door het strafvonnis, dat door de solidaire veroordeling van appellant en de verzekerden van geïntimeerde zeker en noodzakelijk, minstens impliciet heeft aangenomen dat ieder van de verdachten afzonderlijk een fout heeft begaan en voor een gelijk deel gehouden is de hierdoor veroorzaakte schade te vergoeden.

2. De gehoudenheid van wegens eenzelfde misdrijf veroordeelde personen wordt geregeld door art. 50 Sw. dat het volgende bepaalt:

«Alle wegens eenzelfde misdrijf veroordeelde personen zijn hoofdelijk gehouden tot teruggave en schadevergoeding.

«Zij zijn hoofdelijk gehouden tot de kosten, wanneer zij tot eenzelfde vonnis of arrest zijn veroordeeld.

«Nochtans kan de rechter alle veroordeelden of enige van hen vrijstellen van de hoofdelijkheid, mits hij de redenen van die vrijstelling opgeeft en het door ieder persoonlijk te dragen aandeel in de kosten bepaalt (...)».

Uit dit artikel volgt dat het slachtoffer het recht heeft van de veroordeelde(n) volledig herstel van de geleden schade te verkrijgen, welke ook het belang is van de schuld van ieder van de veroordeelden. Wanneer de schade is veroorzaakt door de samenlopende fouten van verschillende personen, is ieder van hen ten aanzien van de benadeelde gehouden tot volledige schadevergoeding.

Het staat vast dat de strafrechter in deze zaak de drie veroordeelden, namelijk de twee eigenaars-verhuurders en de loodgieter, hoofdelijk heeft veroordeeld, zonder gebruik te maken van de mogelijkheid van art. 50 Sw. om een veroordeelde vrij te stellen van hoofdelijkheid of enige afwijkende beslissing te nemen m.b.t. het hoofdelijke aandeel van de veroordeelden in de schadevergoeding.

Appellant en de eigenaars/verhuurders werden alle drie veroordeeld wegens een gebrek aan voorzorg en voorzichtigheid in de zin bedoeld in art. 418 Sw., ingevolge hun respectieve fouten als professioneel loodgieter en als eigenaars. Het vonnis van de strafrechter werd niet aangevochten in hoger beroep.

Aangezien de strafrechter geen gebruik maakte van de mogelijkheid van art. 50, laatste lid, Sw., rijst de vraag of hiermee zeker en noodzakelijk, minstens impliciet en definitief is beslist dat de drie veroordeelden ook in hun onderlinge verhouding elk in gelijke mate gehouden zijn de schadevergoeding en de kosten te betalen en dat de burgerlijke rechter hierop niet meer kan terugkomen wegens het gezag van gewijsde erga omnes van het strafvonnis.

Het antwoord op deze vraag is ontkennend. Door de strafrechter werd immers geen uitspraak gedaan over de onderlinge verdeling tussen de veroordeelden wat de aansprakelijkheid betreft voor het overlijden van de heer Roland V., omdat hij zich in zijn oordeel diende te beperken tot de beoordeling van de aansprakelijkheid van elk van de verdachten ten aanzien van het slachtoffer op grond van art. 418 Sw.

De omstandigheid dat de strafrechter geen vrijstelling verleende van hoofdelijkheid aan een van de veroordeelden, heeft niet tot gevolg dat de burgerlijke rechter in een afzonderlijke procedure niet opnieuw kan oordelen over de uiteindelijke verdeling van de aansprakelijkheid voor de schade in de onderlinge verhouding tussen de verschillende veroordeelde daders. De strafrechter oordeelde niet over de vraag in welke mate de schade, die niet ten laste bleef van het slachtoffer, in de onderlinge verhouding tussen de drie strafrechtelijk veroordeelden verdeeld diende te worden. Derhalve kon deze vraag in een afzonderlijke procedure aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd, zonder dat hierbij afbreuk zou worden gedaan aan enig gezag van gewijsde van het strafvonnis. Daarbij kan geen toepassing worden gemaakt van de regel inzake de bedongen hoofdelijkheid van art. 1213 BW volgens welke de verbintenis die hoofdelijk jegens de schuldeiser is aangegaan van rechtswege deelbaar is tussen de schuldenaars die onder elkaar slechts ieder voor hun aandeel gehouden zijn, welk aandeel in de regel gelijk is. Deze bepaling geldt immers enkel voor een contractueel bedongen hoofdelijkheid en is niet van toepassing op de wettelijk bepaalde hoofdelijke verbintenissen, zoals die op grond van art. 50 Sw.

Het komt het hof toe op onaantastbare wijze te oordelen welke de ernst is van de diverse fouten van de aansprakelijke daders en mededaders en op die basis, in hun onderlinge verhouding, het aandeel van ieder in de schade te beoordelen. De enige beperking bij deze onaantastbare beoordeling is dat de rechter niet kan beslissen dat één van de strafrechtelijk veroordeelde mededaders geen enkel deel van de schade zou moeten vergoeden, zonder meteen vast te stellen dat er tussen de fout van deze mededader en de door de schadelijder geleden schade geen enkel oorzakelijk verband bestaat.

Er kan in casu worden overgegaan tot een ongelijke verdeling van de aansprakelijkheid met inachtneming van de zwaarte van de fout van elk van de drie veroordeelden en van de causale invloed van iedere fout op de totale schade.

In tegenstelling tot wat de eerste rechter heeft beslist, kan niet worden aangenomen dat er slechts twee partijen fouten hebben begaan die in oorzakelijk verband staan met het overlijden van het slachtoffer en die in dezelfde mate hiertoe hebben bijgedragen, enerzijds appellant en anderzijds het echtpaar V.-D. als verhurende partij van een woning die tot de huwgemeenschap behoort en die niet zwaarder mag worden belast omdat zij uit twee echtgenoten bestaat. Het staat immers vast dat elk van de drie partijen, namelijk de appellant enerzijds en elk van beide eigenaars/verhuurders anderzijds, een fout hebben begaan die in causaal verband staat met de schade. Enerzijds is er de fout van appellant als installateur van de gasboiler en anderzijds de – zij het identieke – fout van elk van beide eigenaars, die een pand hebben verhuurd met een slecht werkende gasboiler. Er kan evenwel worden beslist tot een ongelijke verdeling van de aansprakelijkheid met inachtneming van de zwaarte van iedere fout, daarbij rekening houdend met het identieke karakter van de fout van de eigenaars. Het komt het hof voor dat de fout van appellant als professionele installateur van gasverwarmingsinstallaties een zwaarwegender karakter heeft en een grotere causale invloed op de totale schade heeft dan de fout van elk van beide eigenaars-verhuurders.

De fout van de eigenaars-verhuurders, verzekerden van geïntimeerde, bestond erin dat zij als verhuurders hebben nagelaten de noodzakelijke maatregelen te treffen voor het ter beschikking stellen van een veilig en correct functionerende gasboiler in de huurwoning. Rekening houdend met de informatie die hierover via de media regelmatig verspreid wordt en met het feit dat de gevaren van slecht werkende gasboilers algemeen gekend zijn, dienden de eigenaars-verhuurders erop toe te zien dat de uitwasemingen van de waterverwarmer via een leiding naar buiten konden worden geleid, en bij het te huur stellen van de woning de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen om de gevaarlijke toestand te verhelpen.

De fout van appellant bestond erin dat hij als professionele installateur van gasboilers een fundamentele professionele voorzichtigheidsplicht heeft verzuimd door niet na te gaan of er voldoende trek was in het rookkanaal en of de uitwasemingen van de gasboiler naar buiten werden geleid, terwijl hij als professioneel – veel meer nog dan de eigenaars-verhuurders – zeer goed wist en diende te weten welke ernstige zelfs levensbedreigende risico‘s verbonden zijn aan het niet voorzien van een afvoersysteem dat uitgeeft op de buitenlucht.

Uit de voorgelegde stukken blijkt dat appellant in de loop van de tweede helft van het jaar 1983, zijnde zeventien jaar vóór het schadegeval, een nieuwe gasboiler heeft geïnstalleerd in de woning van de eigenaars-verhuurders, en dit in vervanging van een oude boiler. Daarbij heeft hij niet gehandeld zoals een normaal en vooruitziend installateur, geplaatst in dezelfde concrete feitelijke omstandigheden zou hebben gedaan. Aansluitend bij de overwegingen van de strafrechter in het vonnis van 30 april 2004 meent het hof dat appellant, ongeacht het feit dat hij geen opdracht had gekregen om een afvoerbuis (rookkanaal) te plaatsen, de plicht had als professioneel installateur, beroepshalve vertrouwd met de gevaren van gasboilers, om bij de plaatsing van de boiler ook na te zien of er voldoende trek was in het rookkanaal en of de uitwasemingen ervan via een leiding naar buiten geleid werden. Mocht hij deze professionele zorgvuldigheidsplicht in acht hebben genomen, dan had hij kunnen vaststellen dat het rookkanaal van de gasboiler eindigde in de zolderruimte en niet aangesloten was aan een (externe) afvoer naar de buitenlucht. Bij het vaststellen van deze zeer onveilige situatie had hij de eigenaars van de woning hiervan op de hoogte moeten brengen, wat hij evenwel niet deed.

De nalatigheid van appellant maakt een zware tekortkoming uit aan zijn professionele zorgvuldigheidsplicht, die zwaarder is dan elk van de twee identieke fouten van de eigenaars-verhuurders en even zwaar als deze twee fouten samen.

Gelet op het zwaarwegender karakter van de fout van appellant dient de schade, die niet ten laste van het slachtoffer zelf werd gelegd, voor de helft (1/2) ten laste te worden gelegd van appellant en voor een vierde ten laste van elk van beide eigenaars-verhuurders.

Aangezien geïntimeerde op grond van de hoofdelijkheid van het vonnis van de strafrechter 2/3 van de helft van de schade ten opzichte van de erven van het slachtoffer betaalde, terwijl ze slechts 1/2 van deze helft diende te betalen, kan zij op grond van art. 1251, derde lid, BW en art. 1382 BW het door haar teveel betaalde, zijnde 17.095,39 euro, terugvorderen.

 

Noot: 

Ariadne Van den Broeck,Het in solidum-karakter van de hoofdelijke gehoudenheid krachtens art. 50 Sw. RW 2010-2011, 1694
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 27/05/2011 - 21:33
Laatst aangepast op: vr, 27/05/2011 - 21:33

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.