Huuropzeg om een goed te betrekken zonder bewoning
Een verhuurder geeft huuropzeg aan de huurder gemotiveerd door het persoonlojk gebruik dat zijn dochter van de woning wil maken. Na enkele maanden stelt de opgezegde huurder vast dat de dochter aldaar niet ingeschreven is als hebbende er haar woonplaats. Hij eist op basis van de woninghuurwet schadevergoeding van de verhuurder. De dochter woonde inderdaad niet in de woning maar maakte hiervan gebruik. Zij betrok de woning om er gebruik van te maken voor een atelier. De Vrederechter stelde deze eigen betrekking gelijk met eigen gebruik en eigen bewoning en gaf de verhuuder gelijk.
Hierna volgt het integrale vonnis, niet alleen om het volledig verloop van de procedure weer te geven waarbij bijna elk aspect van een huuropzeg aan bod komt, maar ook om de verdere motivering van de Vrederechter onder verwijzing naar de rechtsleer te kunnen volgen.
VREDEGERECHT
van het kanton Oudenaarde - Kruishoutem zetel OUDENAARDE
Rolnummer : 08Al25
INZAKE :
G. P. , wonende te 9700 OUDENAARDE, […],
mr Elfri DE NEVE, advocaat te 9700 Oudenaarde, Stationsstraat 29
eisende partij;
TEGEN :
D. J. , wonende te 9700 OUDENAARDE, […],
verwerende partij;
werden de partijen ter openbare terechtzitting van 15 maart tweeduizend en twaalf aanhoord waarna de debatten gesloten werden, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op de terechtzitting van 19 april tweeduizend en twaalf ( artikel 770 Ger.W.); het dossier van de rechtspleging en de overgelegde stavingsstukken werden ingezien.
1) De vordering
Bij verzoekschrift in toepassing van art. 1344bis Ger. W. neergelegd ter griffie op 8.2.2008 vorderde de eisende partij, bij uitvoerbaar verklaard vonnis:
- de veroordeling van de verwerende partij tot betaling aan de eisende partij van de achterstallige huur van 370,00 EUR voor de maand januari 2008 en voor de eventuele verstreken periode op datum uitspraak;
- de ontbinding van de huur tussen de partijen in het nadeel van de verwerende partij en bijgevolg aan de eisende partij toelating te verlenen tot uitzetten van de verwerende partij en de zijnen uit het gehuurde pand, zo nodig met tussenkomst van de openbare macht, binnen de 15 dagen na betekening van het te vellen vonnis;
- de veroordeling van de verwerende partij tot betaling van een vergoeding voor wederverhuring gelijk aan drie maanden huur nl. 1.110,00 EUR;
- subsidiair: de gegeven huuropzeg dd. 25.10.2007 van waarde te horen verklaren, met machtiging om de verwerende partij uit te drijven met behulp van de openbare macht;
- de eisende partij machtiging te horen verlenen de huurwaarborg ten belope van 1.110,00 EUR en interesten die geconsigneerd staan alleen in ontvangst te nemen teneinde in mindering te brengen op de bedragen welke de verwerende partij aan de eisende partij verschuldigd is;
- aan de eisende partij akte te horen verlenen voor het voorbehoud dat hij formuleert voor alle huurschade die zou zijn veroorzaakt door de verwerende partij en een deskundige te horen aanstellen met als opdracht tot vaststelling en raming hiervan over te gaan;
-
- de veroordeling van de verwerende partij tot de kosten van het geding, daarin begrepen een rechtsplegingsvergoeding van 1.200,00 EUR.
Tijdens onderhavige procedure werd aan de huurovereenkomst afgesloten voor een duur van 9 jaar (ingaand op 1.10.2003 om te eindigen op 30.9.2012) betreffende een appartement gelegen te Oudenaarde, […] een einde gesteld ingevolge opzegging van de verhuurder bij aangetekend schrijven dd. 25.10.2007 ten voordele van zijn dochter op 30.4.2008.
De verwerende partij heeft het appartement op 30.4.2008 verlaten.
Bij vonnis dd. 19.2.2009 werd als volgt geoordeeld:
"Veroordeelt de verwerende partij, J. D., om aan de eisende partij, P. G., te betalen het bedrag van DUIZEND VIJFHONDERDTWEEENTACHTIG EURO VIERENZESTIG CENT uit hoofde van huurachterstal.
Beveelt de vrijgave van de huurwaarborg ten belope van 1 110,00 EUR in het voordeel van de eisende partij, méér de inmiddels verworven intresten, mits het bedrag in mindering te brengen van de tegen de verwerende partij uitgesproken veroordelingen.
Alvorens uitspraak te doen nopens de vordering inzake huurschade en genotsderving, bevelen Wij de hiernavolgende onderzoeksmaatregel: Benoemt Dhr. A. Bauwens, architect, te 9000 Gent aan de Visserij 84, als deskundige met de hiernavolgende opdracht:
- zich ter plaatse te begeven te 9700 Oudenaarde, Ter Eecken 5A en er na kennisname van alle nuttige stukken en bemerkingen te pogen een vergelijk tot stand te brengen.
Indien hij hierin niet slaagt: een met redenen omkleed schriftelijk verslag op te maken waarin, ter advisering van de vrederechter, volgende punten worden behandeld:
- het gebouw te bezoeken en te beschrijven en de eventuele schade aan te duiden;
- de oorzaken ervan vast te stellen derwijze dat o.m. kan worden geoordeeld of het al dan niet "huurschade" betreft;
- te adviseren over de herstellingswijze;
- de kostprijs en de duur van de herstelling te bepalen;
- de eventuele minderwaarde te omschrijven en te ramen;
- de genotsderving te omschrijven en te schatten;
- alle vragen van de partijen, nuttig voor de oplossing van het geschil, te beantwoorden;
- desgevallend bijkomende opdrachten, waar over de partijen het eens zijn, uit te voeren mits terzake een onderscheid te maken in zijn kosten- en ereloonstaat;
- vast te stellen of de herstellingswerken (tasso hangen in de living en de slaapkamer en twee lagen verf erboven) al of niet werden uitgevoerd en in voorkomend geval te adviseren of het niet uitvoeren van deze werken enige genotsderving heeft veroorzaakt in hoofde van de verwerende partij;
Zegt dat de installatievergadering zal doorgaan op dinsdag 10 maart 2009 om 11.30 uur in raadkamer van het Vredegerecht van het kanton Oudenaarde-Kruishoutem, zetel Oudenaarde aan de Beverestraat 7b, le verdieping te 9700 Oudenaarde, in aanwezigheid van de gedingvoerdende partijen.
Zegt voor recht dat de griffier overeenkomstig art. 972 par 1, tweede lid en art. 973 par. 2, derde lid Ger.W. kennis zal geven van deze beslissing aan de partijen, hun raadslieden en de deskundige.
Nodigt de deskundige uit om, indien hij de opdracht dient te weigeren, dit overeenkomstig art. 972 par.1 Ger.W., binnen de 8 dagen na kennisgeving door de griffier, met behoorlijk omklede redenen bij een ter post aangetekende brief aan de partijen en bij gewone brief aan de rechter en de raadslieden mede te delen.
Wijzen de vordering van de verwerende partij inzake de betaling van 1 210 EUR door de eisende partij af als ongegrond.
Reserveren de gedingskosten."
Op 30.11.2010 werd het deskundig verslag neergelegd ter griffie, waarbij de deskundige de huurschade raamde op 3 120,50 EUR (excl. BTW) en de gebruiksderving op 370 EUR.
Bij syntheseconclusies neergelegd ter griffie op 18.5.2011 stelt de eisende partij dat inzake de ontvankelijkheid bij tussenvonnis reeds uitspraak werd gedaan, nu alsdan een onderzoeksmaatregel werd bevolen. De eisende partij had wel degelijk het vereiste belang en hoedanigheid op het ogenblik van het instellen van de vordering en heeft die nu nog steeds.
Wat de genotsderving en de huurschade betreft sluit de eisende partij zich volledig aan bij de bevindingen van de deskundige.
De eisende partij vordert vergoedende rente vanaf 30.4.2008, zijnde de datum waarop het pand werd verlaten en de verwerende partij is gehouden tot de expertisekosten.
Inzake de tegenvordering gaat de eisende partij ervan uit dat de verwerende partij niet langer aandringt, nu in de laatste conclusies daaromtrent niets meer wordt geformu-leerd.
Wat de beweerde schending betreft van art. 3 §2 Woninghuurwet, wijst de eisende partij erop dat de opzeg geldig werd verklaard bij tussenvonnis dd. 19.2.2009, doch werpt de verwerende partij op dat de eisende partij het opzegmotief niet is nagekomen.
De eisende partij is van oordeel dat de verwerende partij daaromtrent niets bewijst. De eisende partij wijst erop dat zijn dochter niet noodzakelijkerwijze gedomicilieerd dient te zijn op het adres van de vroegere huurwoonst. Uit het plaatsbezoek van de deskundige blijkt wel degelijk volgens de eisende partij dat zijn dochter de woonst betrekt en desgevallend de deskundige daaromtrent kan worden gehoord.
De eisende partij stelt tenslotte dat van enige rechtsmisbruik in zijnen hoofde geen sprake is.
Bij syntheseconclusies neergelegd ter griffie op 30.6.2011 wijst de verwerende partij er in eerste instantie op dat inzake de genotsderving, de eisende partij heden ten dage niet langer de eigenaar is van de betrokken woning, zodat de vordering dienaangaande onontvankelijk is, nu hij niet langer noch enig belang, noch enige hoedanigheid heeft om deze vordering in te stellen.
Minstens maakt deze vordering thans rechtsmisbruik uit.
In ondergeschikte orde wijst de verwerende partij erop dat er geen sprake is van genotsderving, nu de woning geenszins werd bewoond of verhuurd sinds april 2008. Wat de huurschade betreft maakt de verwerende partij eveneens de opmerking dat ook hier de vordering onontvankelijk is; minstens dient het weerhouden bedrag door de deskundige gereduceerd te worden met een aantal bedragen (370 EUR). Immers, de deskundige heeft een aantal posten weerhouden die nochtans niet waren beschreven bij de ingaande plaatsbeschrijving.
De verwerende partij formuleert een tegenvordering op basis van art. 3 §2 Woninghuurwet, nu de opzeg werd gegeven om het goed persoonlijk te laten betrekken door de dochter van de eisende partij, die thans huidige eigenaar is van het goed.
De verwerende partij houdt voor dat de dochter nooit, minstens niet binnen het jaar na de opzeg, de woning heeft betrokken. Noch is op heden voldaan aan de vereiste van twee jaar werkelijk en doorlopende betrekking. Zo is de dochter er niet gedomicilieerd, noch waren er tekenen tijdens de expertise van effectieve bewoning. Desgevallend dient de deskundige daaromtrent te worden gehoord.
De eisende partij brengt evenmin stukken bij die wijzen op het betrekken van de woning (nutsvoorzieningen, internet, e.d.). Het rechtsmisbruik in hoofde van de eisende partij is bewezen, nu na het ontruimen van de woning de eisende partij de volle eigendom van het goed heeft geschonken aan zijn dochter en het in die optiek is dat een opzeg werd betekend om het goed vrij te krijgen met het oog op schenking.
Nu volgens de verwerende partij geen bewijs wordt aange-bracht dat vereisten van art. 3 §2 Woninghuurwet werden ingelost en tevens geen buitengewone omstandigheden voorhanden zijn, maakt de verwerende partij aanspraak op een schadevergoeding van 18 maanden huur, zijnde 6 660 EUR.
De gedingvoerende partijen werden gehoord op de zitting van 22.9.2011, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.
Bij tussenvonnis dd. 20.10.2011 werd als volgt geoordeeld:
" Veroordeelt de verwerende partij,J. D., om aan de eisende partij, P. G., te betalen het bedrag van DRIEDUIZEND VIERHONDERDNEGENTIG EUR VIJFTIG CENT, méér de vergoedende rente vanaf 30.4.2008 en de gerechtelijke rente tot de dag der algehele betaling uit hoofde van huurschade en genotsderving.
Verklaart de tegenvordering inzake de schadevergoeding ten belope van 6 660 EUR ontvankelijk, doch alvorens te oordelen nopens de gegrondheid ervan:
Beveelt een plaatsopneming op ACHT NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ELF te Oudenaarde, Ter Eecken 5A om 16.00 uur met persoonlijke verschijning van partijen en hun raadslieden.
Beveelt dat de eisende partij de nodige stukken (facturen) aanbrengt inzake de aansluiting van elektriciteit, gas, water, telefoon, kabel, internet e.d. uiterlijk op 8.11.2011.
Neemt akte dat de verwerende partij afstand doet van zijn vordering inzake genotsderving.
Zegt voor recht dat de verwerende partij de kosten van de plaatsopneming zal provisioneren.
Zegt tevens dat de verwerende partij, uiterlijk acht dagen voor de plaatsopneming, de hieraan verbonden kosten ten bedrage van 39,04 EUR zal consigneren ter griffie van dit vredegerecht, hetzij bij contante betaling ter griffie, hetzij door storting op rekeningnummer 679-2008424-39, hetzij door tijdige afgifte van een griffiebon.
Zegt tevens dat bij gebreke aan naleving van bovenvermelde bepaling, de plaatsopneming niet zal doorgaan en de zaak zal worden uitgesteld.
Reserveren de gedingkosten.
Laat de voorlopige tenuitvoerlegging van dit vonnis toe , zonder borgstelling."
Op 8.11.2011 werd de bevolen plaatsopneming gehouden, waarbij van het interieur van de woning 7 foto's werden genomen.
Bij conclusies na tussenvonnis neergelegd ter griffie op 23.1.2012, verdedigt de eisende partij de stelling dat wel degelijk is voldaan aan de voorwaarden van art. 3 §2 Woninghuurwet en dat genoegzaam is gebleken aan de hand van de plaatsopneming dat de woning daadwerkelijk betrokken wordt door de dochter van de eisende partij.
Bij conclusies na tussenvonnis neergelegd ter griffie op 2.2.2012 stelt de verwerende partij dat de stukken van de eisende partij inzake het laag energieverbruik, het ontbreken van aansluiting inzake telefoon, internet e.d. alsmede het feit dat in de woning geen professionele activiteit wordt uitgeoefend door de dochter bewijzen, dat van het daadwerkelijk betrekken van de woning geen sprake is, zodat de verwerende partij aanspraak maakt op een schadevergoeding van 6 660 EUR.
De partijen werden gehoord op de zitting van 15.3.2012, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.
2) Bespreking
Op tegeneis
2.1 Inzake de tegenvordering wegens schending van art. 3 §2 Woninghuurwet
Bij aangetekend schrijven dd. 25.10.2007 werd door de eisende partij een opzeg betekend aan de verwerende partij in toepassing van art. 3 §2 Woninghuurwet, zijnde een opzeg voor eigen gebruik. De eisende partij wenste de vrije beschikking te verkrijgen van de woning tegen uiterlijk 30.4.2008 opdat zijn dochter het appartement wenste te betrekken.
Art. 3 §2 Woninghuurwet stelt:
De verhuurder kan de huurovereenkomst evenwel te allen tijde beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden, indien hij voornemens is het goed persoonlijk en werkelijk te betrekken of het op dezelfde wijze te laten betrekken door zijn afstammelingen, zijn aangenomen kinderen, zijn bloedverwanten in opgaande lijn, zijn echtgenoot, door diens afstammelingen, bloedverwanten in opgaande lijn en aangenomen kinderen, door zijn bloedverwanten in de zijlijn en de bloedverwanten in de zijlijn van zijn echtgenoot tot in de derde graad. Wordt de opzegging gegeven opdat bloedverwanten in de derde graad het goed kunnen betrekken, dan kan de opzeggingstermijn niet verstrijken vóór het einde van de eerste driejarige periode vanaf de inwerkingtreding van de huurovereenkomst.
De opzegging vermeldt de identiteit van de persoon die het goed zal betrekken en de band van verwantschap met de verhuurder. Deze laatste moet op verzoek van de huurder de band van verwantschap bewijzen. De verhuurder moet aan dit verzoek voldoen binnen een termijn van twee maanden te rekenen van de kennisgeving ervan; zoniet kan de huurder de nietigverklaring van de opzegging vorderen. Die vordering moet op straffe van verval uiterlijk twee maanden vóór het verstrijken van de opzeggingstermijn worden ingesteld.
Het goed moet binnen een jaar na het verstrijken van de opzegging door de verhuurder of, ingeval van verlenging, na de teruggave van het goed door de huurder, worden betrokken. Het goed moet gedurende ten minste twee jaar werkelijk en doorlopend betrokken blijven.
Indien de verhuurder, zonder het bewijs te leveren van buitengewone omstandigheden, binnen de gestelde termijn en voorwaarden de betrekking van het goed niet verwezenlijkt, heeft de huurder recht op een vergoeding die gelijk is aan achttien maanden huur.
De partijen kunnen evenwel overeenkomen om de mogelijkheid van vroegtijdige beëindiging uit te sluiten of te beperken.
De sanctie van art. 3, par. 2, lid 4 Huurwet 1991 beoogt de verhuurder die voor eigen gebruik heeft opgezegd, te ontraden lichtzinnig af te zien van de tenuitvoerlegging van het opzeggingsmotief. De ratio legis is te voorkomen dat de verhuurder onder het voorwendsel van eigen gebruik de huurder op elk ogenblik zou kunnen opzeggen, terwijl niet ernstig aan eigen gebruik wordt gedacht.
Eigen gebruik in de zin van de wet betekent "het goed werkelijk betrekken", nu bij het wetsontwerp destijds in de Kamercommissie de term "bewonen" werd vervangen door "betrekken" (zie Verslag Kamercommissie 1990-91,1990-91,55).
Het beoogde gebruik hoeft derhalve geen bewoning te zijn, noch dient de hoofdverblijfplaats er te zijn gevestigd. Het gehuurde goed kan voor andere doeleinden gebruikt worden (bijv. dokterskabinet, kantoren) (zie J. Herbots en Y. Merchiers , "Woninghuur, Die Keure, 1997, 87). Het 'werkelijk betrekken' in de zin van art. 3, par. 2 Woninghuurwet bestaat niet noodzakelijk in bewoning maar kan eveneens de exploitatie van een handel of de uitoefening van een vrij beroep zijn. Het gebruik van een appartement als stockageruimte voor een videotheek kan worden beschouwd als 'werkelijk betrekken' in de zin van voornoemd artikel. De bewijslast voor het beweerde betrekken ligt bij de verhuurders (zie Vred. Wolvertem 18 januari 1996 Huurrecht 1996, 79, noot DE BRUYN, W.).
De rechtbank oordeelt soeverein aan de hand van de feitelijk voorhanden zijnde gegevens of de verhuurder die heeft opgezegd voor eigen gebruik al dan niet voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 3, § 2 Huurwet 1991.
Het door de verwerende partij aangehaalde argument dat de dochter van de eisende partij tot op heden nooit effectief gedomicilieerd is geweest, betekent op zich niet dat de woning niet zou betrokken worden door de dochter van de eisende partij. Het volstaat dienaangaande te verwijzen naar de boven aangehaalde beschouwingen, nu het 'werkelijk betrekken' in de zin van art. 3, par. 2 Woninghuurwet niet noodzakelijk bestaat in bewoning, nu het eveneens de exploitatie van een handel of de uitoefening van een vrij beroep kan zijn.
Dat de verwerende partij in conclusies niet langer betwist dat de dochter van de eisende partij voormelde woning niet daadwerkelijk moet betrekken in de zin van bewonen. In die optiek doet het neergelegde attest van woonst geen afbreuk aan de betekende opzeg in toepassing van art. 3, §2 Woninghuurwet.
Dat er ten tijde van de rondgang door de deskundige geen plaatsen waren van effectieve bewoning, wordt nergens hard gemaakt door de verwerende partij en heeft dus eigenlijk op zich geen enkele relevantie, nu het betrekken van de woning veel ruimer is dan louter het begrip bewonen van de woning.
Dat naar aanleiding van de plaatsopneming werd vastgesteld (zie de 7 genomen foto's) dat wel kan gesproken worden van een daadwerkelijk betrekken van de woning, nu in de diverse plaatsen van de woning spullen en allerhande zaken aanwezig waren die duidelijk verband houden met de professionele activiteit van de dochter van de eisende partij. Uit de stukken 34 en 35 van de eisende partij blijkt dat zij cursussen doceert inzake Marokijnbewerker en Decorateur textielstoffen en de aanwezige vaststellingen ter plaatse hebben duidelijk aangetoond dat de aldaar aanwezige spullen en de inrichting van de woning daar niet vreemd aan zijn.
De verwerende partij kan geenszins worden gevolgd waar hij het heeft over een zogenaamde hobbyactiviteit van de dochter van de eisende partij. Uit de stukken 34 en 35 wordt duidelijk gesproken over de docent G. Catharina en het studieprogramma laat duidelijk zien dat het om een volwaardige opleiding gaat, nu deze opleiding zich richt o.a. naar de werknemers uit de confectiesector en bestemd is voor wie zich o.a. professioneel wil bezighouden met textieldecoratie.
Dezelfde opmerking is toepasselijk voor de opleiding marokijnbewerker (zie stuk 35 - eisende partij), zodat ook hier kan besloten worden dat het om een volwaardige opleiding gaat en niet zozeer een hobbyactiviteit.
Dat ook blijkt dat er aansluiting is van elektriciteit en water in de woning, waarbij de opmerking van de verwerende partij dat er een laag verbruik is, geen afbreuk doet aan de nakoming van de voorwaarde, omdat heel duidelijk blijkt dat de woning niet bewoond is en zulks automatisch een lager verbruik impliceert dan bij een bewoning.
Ook dit verklaart waarom geen aansluiting van telefoon en internet aanwezig is.
Wij zijn dan ook van oordeel dat de eisende partij voldoet aan de gestelde voorwaarde van art. 3 §2 Woninghuurwet en de tegenvordering van de verwerende partij dan ook iedere grond mist.
2.2 Inzake de rechtsplegingsvergoeding
De eerste regel is dat, ex. art. 557 Ger. W., moet worden uitgegaan van de som die in de gedinginleidende akte wordt geëist, met uitsluiting van de gerechtelijke intrest, alle gerechtskosten en dwangsommen.
In casu, was er in de gedinginleidende akte een niet in geld waardeerbare vordering en in geld waardeerbare vorderingen en bestaat de tegenvordering uit een in geld waardeerbare vordering. Zowel in de rechtspraak als in de rechtsleer wordt de stelling verdedigd dat de in het gelijk gestelde partij enkel recht heeft op de hoogste van de beide rechtsplegingsvergoedingen (zie P. Taelman, "Het burgerlijk procesrecht na de hervormingen van 2007: een stand van zaken", Rechtskroniek voor Vrede- en Politierechter 5 Gent, 14 maart 2009, p. 39).
Wanneer het geschil betrekking heeft op zowel in geld als niet in geld waardeerbare vorderingen, past de rechter het hoogste tarief toe (J.F. Van Drooghenbroek en B. De Coninck, "La loi du 21 avril 2007 sur la répétibilité des frais en honoraires d'avocat", J.T., 2008, p. 41, nr. 14).
Uit de procedurestukken blijkt dat de gevorderde ontbinding werd verlaten, nu een opzeg werd betekend waaraan gevolg werd gegeven door de verwerende partij (zie tussenvonnis dd. 19.2.2009), zodat de rechtsplegingsvergoeding voor de in geld waardeerbare vordering dient toegepast te worden.
De eisende partij vordert twee rechtplegingsvergoedingen (voor zowel de hoofdeis als de tegeneis), terwijl de verwerende partij één rechtsplegingsvergoeding vordert.
De aanrekening van een rechtsplegingsvergoeding vindt haar grondslag in het procesrisico en het procesbeleid, waarbij onder procesrisico moet worden verstaan, het risico dat elke partij loopt om haar eis of verweer afgewezen te zien, ongeacht de intrinsieke waarde hiervan, en bij een aan-vullende vordering ongeacht een andere oorzaak of rechtsgrond.
Er dient vastgesteld te worden dat aan de hoofd- als tegenvordering wel een afzonderlijk procesrisico is verbonden, nu een vordering in betaling van huurschade totaal los staat van een vordering inzake schadevergoeding wegens niet nakoming van de voorwaarden vermeld in art. 3, §2 Woninghuurwet. De beide ingestelde vorderingen kunnen duidelijk afzonderlijk worden ingesteld, zodat zowel voor de hoofd- als de tegeneis een rechtsplegingsvergoeding kan worden toegekend.
In toepassing van art. 1017 Ger. W. wordt bij ieder eindvonnis de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt, en de kosten kunnen worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt.
OM DEZE REDENEN Wij, Vrederechter
met inachtneming van de artikelen 2 , 3 ,34 , 36 , 37 , 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken.
Rechtdoende op tegenspraak
Verklaart de tegenvordering ontvankelijk, doch ongegrond.
Veroordeelt de verwerende partij, J. D., tot de kosten van het geding.
Begroot de kosten van het geding als volgt:
- aan de zijde van de eisende partij op 35,00 EUR rolrecht + 1.424,44 EUR expertisekosten + 990,00 EUR rechtsplegingsvergoeding (op hoofdeis) + 990,00 EUR rechtsplegingsvergoeding (op tegeneis)
- aan de zijde van de verwerende partij op 39,04 EUR verplaatsingskosten + 990,00 rechtsplegingsvergoeding (hoofdeis) + 990,00 EUR rechtsplegingsvergoeding (tegeneis).
Laat de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis toe, zonder borgstelling.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag, negentien april tweeduizend en twaalf door de vrederechter van het kanton Oudenaarde - Kruishoutem,
Niet getekend afschrift,
Afgeleverd aan DE NEVE Elfri te Oudenaarde op 19 april 2012
Vrijgesteld van het griffierecht
(art. 280,2 Wetboek Registratie) Afschrift ter kennisgebracht in uitvoering van 792 van de wet van Ger.W.
Woninghuur en opzegging voor eigen bewoning
Rechtbank eerste aanleg Nijvel 03/02/2009, T.Vred. 2011, 7-8, 344
Wanneer een verhuurder gebruik maakt van het recht op te zeggen voor eigen gebruik (woninghuur) , dan heeft hij het recht voorafgaandelijke aanpassingswerken aan het gehuurde goed uit te voeren, teneinde hem toe te laten het goed daadwerkelijk mogelijk te maken. Let wel de uitvoering van deze werken is niet gelijk te stellen met het bewonen van de woning in de zin van de Woninghuurwet.
De termen van artikel 16, I, 1° van de Handelshuurwet hunnen niet naar analogie te gebruiken om de tekst van artikel 3, § 2 van de Woninghuurwet te verduidelijken.
Wanneer laattijdige een stedenbouwkundig attest wordt afgeleverd aflevering van een stedenbouwkundige voor een kinderopvang in een deel van de woning, maakt zulks geen buitengewone omstandigheid in die de verhuurder ontslaat van de verwezenlijking van het opzeggingsmotief binnen de door de wet opgelegde termijnen. Hierbij kan opgemerkt dat de verhuurder nalatig is geweest bij de opvolging van de aanvraag.
Het uistel van de exploitatie van de kinderopvang belette de verhuurder bovendien niet de eerste en tweede verdieping te bewonen.
- Doelgroep:
- Elfricon trefzinnen:
- Instantie:
- Rechtstakken:
- Kernwoorden:
- Soort link:
- Status homepage:
- Toepassingsgebied:
- Topics:
Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
- RSS feeds
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.
