-A +A

Hyperlinks plaatsen naar auteursrechtelijk beschermde werken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Justitie
Datum van de uitspraak: 
don, 08/09/2016
A.R.: 
C-160/15

Zeer kort: Het plaatsen van een link naar een andere website of het opnemen van een site in een i-frame is geen auteursrechtelijke inbreuk indien er verwezen wordt naar een vrij toegankelijke website. Dit is zelfs het geval wanneer verwezen wordt naar een website waarop reeds een werk (tekst/video/foto/bestand...) gepubliceerd staat dat aldaar verspreid wordt zonder instemming van de oorspronkelijke auteur, tenzij men wist of diende te weten dat deze publicatie waarnaar verwezen wordt illegaal was. Indien men met winstoogmerk op het web links naar derden legt heeft men een inspanningsverbintenis na te gaan of de pagina's waarnaar verwezen wordt de auteursrechten van derden niet miskennen. Niemand kan zich verzetten tegen verspreiding van niet beschermde werken.

Uitgebreid:

Auteurs hebben het recht om gebruikers van hun werk de mededeling van hun werk te verbieden aan het publiek.

Auteurs dienen immers bij een mededeling aan het publiek een passende beloning voor het gebruik van hun werk kunnen ontvangen.

Het begrip “mededeling aan het publiek” verbindt twee cumulatieve elementen met elkaar, namelijk een “handeling bestaande in een mededeling” van een werk en de mededeling ervan aan een “publiek”

Het begrip “mededeling aan het publiek” vergt een geïndividualiseerde beoordeling

Bij een dergelijke beoordeling is het van belang rekening te houden met meerdere niet-autonome en onderling afhankelijke, elkaar aanvullende criteria:

• Opzet: De centrale rol van de gebruiker en het weloverwogen karakter van de interventie van de gebruiker dient beoordeeld door het beantwoorden van de vraag in hoeverre de gebruiker een mededelingshandeling verricht (dit is met name het geval wanneer hij, met volledige kennis van de gevolgen van zijn handelwijze, intervenieert om zijn klanten toegang te verlenen tot beschermd werk, met name daar deze klanten zonder een dergelijke interventie in beginsel geen toegang zouden hebben tot het verspreide werk).

• Publiek: Het begrip “publiek” doelt op een onbepaald en vrij groot aantal potentiële ontvangers

• Beschermd werk: Het recht op verbod tot verspreiding betreft enkel de bescherming van een beschermd

• Nieuwe techniek: van verspreiding of nieuw publiek: Om te kunnen spreken van een “mededeling aan het publiek” moet er gehandeld worden volgens een specifieke technische werkwijze, die verschilt van de werkwijzen die tot dan toe werden gebruikt, of, bij gebreke daarvan, gericht moet zijn gericht zijn tot een “nieuw publiek”, dat wil zeggen een publiek dat door de houders van het auteursrecht nog niet in aanmerking werd genomen toen zij toestemming verleenden voor de oorspronkelijke mededeling van hun werk aan het publiek (Svenssonarrest van 13 februari 2014).

• Winst: De auteursrechtelijke bescherming beoogt de eerlijke vergoeding van de auteur, waardoor het eventuele bestaan of ontbreken van winstbejag van de gebruiker een relevant criterium is.

Aan de hand van deze criteria wordt beoordeeld of het plaatsen van een hyperlink naar beschermde werken die zonder toestemming van de auteursrechthebbende vrij beschikbaar zijn op een andere website, al dan niet toelaatbaar zijn en aldus een “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29 vormen.

In het Svenssonarrest (C-466/12, EU:C:2014:76), werd reeds gesteld dat het plaatsen op een website van hyperlinks naar beschermde werken die vrij beschikbaar zijn op een andere website, geen “mededeling aan het publiek”uitmaken. Deze uitlegging werd ook gevolgd in het BestWaterarrest, met betrekking tot dergelijke hyperlinks die gebruikmaakten van de zogenoemde “framingtechniek”.

Uit de motivering van die beslissingen blijkt evenwel dat het Hof zich daarmee enkel heeft willen uitspreken over de plaatsing van hyperlinks naar werken die met toestemming van de rechthebbende op een andere website vrij beschikbaar waren gesteld, aangezien het Hof tot de slotsom was gekomen dat er geen sprake was van een mededeling aan het publiek, daar de betrokken mededeling niet was gedaan aan een nieuw publiek.

Binnen die context merkte het Hof van Justitie op dat, aangezien de hyperlink en de website waarnaar deze verwijst volgens dezelfde technische werkwijze, namelijk via internet, toegang geven tot beschermd werk, een dergelijke link gericht moet zijn tot een nieuw publiek.

Wanneer dat niet het geval is, met name omdat het werk reeds met toestemming van de auteursrechthebbenden voor het algemene internetpubliek vrij beschikbaar is op een andere website, kan die handeling niet worden aangemerkt als een “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29. Aangezien dat werk vrij beschikbaar is op de website waartoe de hyperlink toegang verschaft, moet er immers vanuit worden gegaan dat de houders van het auteursrecht op dat werk, toen zij in die mededeling toestemden, het algemene internetpubliek als publiek beschouwden 

Bijgevolg kan noch uit het arrest van 13 februari 2014, Svensson e.a. (C-466/12, EU:C:2014:76), noch uit de beschikking van 21 oktober 2014, BestWater International (C-348/13, niet gepubliceerd, EU:C:2014:23153) worden afgeleid dat het plaatsen op een website van hyperlinks naar beschermde werken die vrij, doch zonder toestemming van de houder van het auteursrecht op die werken, beschikbaar zijn gesteld op een andere website, in beginsel zou zijn uitgesloten van het begrip “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29.

Integendeel, deze beslissingen bevestigen het belang van een dergelijke toestemming voor de toepassing van die bepaling, aangezien deze laatste nu juist bepaalt dat voor elke handeling bestaande in een mededeling van een werk aan het publiek toestemming moet worden verleend door de auteursrechthebbende.

Indien elke plaatsing van dergelijke links naar op andere websites gepubliceerde werken automatisch als een “mededeling aan het publiek” zou worden aangemerkt wanneer de houders van het auteursrecht op die werken voor die plaatsing op internet geen toestemming hebben gegeven, zou dit sterk beperkende gevolgen hebben voor de vrijheid van meningsuiting en informatie, en zou het rechtvaardige evenwicht dat richtlijn nr. 2001/29 tot stand beoogt te brengen tussen die vrijheid en het algemene belang enerzijds, en een effectieve bescherming van hun intellectuele eigendom anderzijds, in gevaar zijn.

Internet is van bijzonder belang voor de door artikel 11 van het handvest gewaarborgde vrijheid van meningsuiting en van informatie. Hyperlinks dragen bij tot de goede werking ervan, alsmede tot de uitwisseling van meningen en informatie binnen dat netwerk, dat wordt gekenmerkt door de beschikbaarheid van immense hoeveelheden informatie.

Het is voor gebruikers van het internet die links of frames willen plaatsen, moeilijk en vaak onmogelijk om na te gaan of de website waar die links worden geacht naartoe te leiden, toegang geeft tot werken die worden beschermd en, in voorkomend geval, of de houders van auteursrechten op die werken toestemming hebben gegeven voor publicatie daarvan op internet. Een dergelijke verificatie kan nog moeilijker blijken te zijn wanneer deze rechten het voorwerp zijn van sublicenties. Verder kan de inhoud van een via een hyperlink toegankelijke website na de plaatsing van die link worden gewijzigd, en beschermde werken gaan bevatten zonder dat de plaatser van die hyperlink zich daarvan noodzakelijkerwijs bewust is.

Voor de geïndividualiseerde beoordeling van het bestaan van een “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29, moet dan ook, wanneer een hyperlink naar een werk dat vrij beschikbaar is op een andere website, is geplaatst door een persoon die daarmee geen winstoogmerk heeft, rekening worden gehouden met de omstandigheid dat die persoon niet weet - en redelijkerwijs ook niet kan weten - dat dat werk zonder toestemming van de auteursrechthebbende was gepubliceerd op internet.

Een dergelijke persoon stelt voornoemd werk weliswaar beschikbaar aan het publiek, door de andere internetgebruikers rechtstreeks toegang daartoe te verlenen, doch intervenieert immers in de regel niet met volledige kennis van de gevolgen van zijn handelwijze om klanten toegang te verschaffen tot een werk dat illegaal op internet is gepubliceerd. Bovendien kon, wanneer het betrokken werk reeds zonder enige toegangsbeperking beschikbaar was op de website waartoe de hyperlink toegang verschaft, het algemene internetpubliek in beginsel daartoe ook reeds toegang hebben zonder die interventie.

Wanneer daarentegen vaststaat dat een dergelijke persoon wist, of moest weten, dat de door hem geplaatste hyperlink toegang geeft tot een illegaal op internet gepubliceerd werk, bijvoorbeeld doordat hij daarover gewaarschuwd is door de auteursrechthebbenden, moet ervan uitgegaan worden dat de verstrekking van die link een “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29 vormt.

Dit geldt ook in het geval waarin die link de gebruikers van de website waarop deze link zich bevindt in staat stelt om beperkingsmaatregelen te omzeilen die op de website waar zich het beschermde werk bevindt, zijn getroffen teneinde de toegang van het publiek te beperken tot de abonnees ervan, zodat de plaatsing van een dergelijke link dus een weloverwogen interventie vormt zonder welke die gebruikers niet over de verspreide werken zouden kunnen beschikken.

Bovendien kan, wanneer het plaatsen van hyperlinks geschiedt met een winstoogmerk, van de hyperlinkplaatser worden verwacht dat deze de nodige verificaties verricht om zich ervan te vergewissen dat het betrokken werk op de site waarnaar die links leiden niet illegaal is gepubliceerd, zodat moet worden vermoed dat die plaatsing is geschied met volledige kennis van de beschermde aard van dat werk en van het eventuele ontbreken van toestemming van de auteursrechthebbende voor de publicatie op internet. In dergelijke omstandigheden en voor zover dit weerlegbare vermoeden niet is weerlegd, vormt de handeling bestaande in het plaatsen van een hyperlink naar een illegaal op internet gepubliceerd werk een “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29.

Niettemin zou er bij gebreke van een nieuw publiek geen sprake zijn van een mededeling aan het “publiek” in de zin van die bepaling, in het geval waarin de werken waartoe via die hyperlinks toegang kan worden verkregen, met toestemming van de rechthebbende vrij beschikbaar zijn gesteld op een andere website.

53. Een dergelijke uitlegging van artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29 waarborgt het door die richtlijn nagestreefde hoge niveau van bescherming van auteurs. Krachtens die richtlijn en binnen de door artikel 5, 3. daarvan gestelde grenzen, kunnen de auteursrechthebbenden immers niet alleen in rechte optreden tegen de oorspronkelijke publicatie van hun werk op een website, maar ook tegen eenieder die met een winstoogmerk een hyperlink plaatst naar het illegaal op die site gepubliceerde werk, alsook tegen personen die, zonder winstoogmerk een dergelijke hyperlink plaatsen. In dit verband dient er met name op te worden gewezen dat deze rechthebbenden in alle omstandigheden de mogelijkheid hebben om dergelijke personen te wijzen op het illegale karakter van de publicatie van hun werk op internet en in rechte tegen hen op te treden wanneer zij weigeren die link te verwijderen, zonder dat die personen zich kunnen beroepen op een van de voormelde in bovengenoemd artikel 5, 3. opgesomde uitzonderingen.

Artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29 moet aldus worden uitgelegd dat, om vast te stellen of het plaatsen, op een website, van hyperlinks naar beschermde werken die zonder toestemming van de auteursrechthebbende vrij beschikbaar zijn op een andere website, een “mededeling aan het publiek” vormt in de zin van die bepaling, bepaald moet worden of deze links zijn verstrekt zonder winstoogmerk door een persoon die geen kennis had, of redelijkerwijs geen kennis kon hebben, van het illegale karakter van de publicatie van die werken op die andere website, dan wel of, integendeel, voornoemde links met een dergelijk oogmerk zijn verstrekt, in welk geval deze kennis moet worden vermoed.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/20
Pagina: 
1439
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(GS Media BV / Sanoma Media Netherlands BV, Playboy Enterprises International Inc., Britt Geertruida Dekker - Rolnr.: C-160/15)

(…)

Arrest

1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (Pb. 2001, L. 167, p. 10).

2. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen GS Media BV enerzijds en Sanoma Media Netherlands BV (hierna: “Sanoma”), Playboy Enterprises International Inc. en Britt Geertruida Dekker (hierna tezamen: “Sanoma e.a.”) anderzijds, over de plaatsing op de door GS Media beheerde website GeenStijl.nl (hierna: “site GeenStijl”), van hyperlinks naar andere sites, via welke foto's konden worden bekeken die gemaakt waren van Dekker voor het tijdschrift Playboy (hierna: “betrokken foto's”).

Toepasselijke bepalingen
(…)

Hoofdgeding en prejudiciële vragen
6. De betrokken foto's, die moesten verschijnen in de decembereditie van 2011 van het tijdschrift Playboy, werden op 13 en 14 oktober 2011 in opdracht van Sanoma, de uitgever van dat tijdschrift, vervaardigd door de fotograaf C. Hermès. Binnen dit kader heeft Hermès aan Sanoma het uitsluitende recht verleend om deze foto's in voornoemd tijdschrift te publiceren. Ook heeft hij Sanoma toestemming verleend om de uit zijn auteursrecht voortvloeiende rechten en bevoegdheden uit te oefenen.

7. GS Media beheert de site GeenStijl, waarop, volgens de door die site verstrekte inlichtingen, “nieuwsfeiten, schandelijke onthullingen en journalistiek onderzoek elkaar af[wisselen] met luchtige onderwerpen en prettig gestoorde onzin”. De site wordt elke dag bezocht door meer dan 230.000 bezoekers en behoort daarmee tot de 10 best bezochte actualiteitensites van Nederland.

8. Op 26 oktober 2011 ontving de redactie van de site GeenStijl van een persoon die gebruikmaakte van een pseudoniem een bericht dat een hyperlink bevatte naar een bestand op de website Filefactory.com (hierna: “site Filefactory”), een Australische site voor dataopslag. Dat bestand bevatte de betrokken foto's.

9. Sanoma heeft diezelfde dag de moedermaatschappij van GS Media gesommeerd te verhinderen dat de betrokken foto's op de site GeenStijl werden verspreid.

10. Op 27 oktober 2011 werd op de site GeenStijl met betrekking tot deze foto's van Dekker een artikel geplaatst met als titel: “[…]! Naaktfotoos [van] Britt Dekker”, in de marge waarvan een deel van een van de foto's was opgenomen en dat eindigde met de tekst: “En dan nu het linkje met de pics waar u op zat te wachten.” Door te klikken op een in die tekst geplaatste hyperlink werden internetgebruikers doorgeleid naar de site Filefactory, waarop een andere hyperlink hen in staat stelde elf bestanden te downloaden, die elk een van de foto's bevatten.

11. Diezelfde dag heeft Sanoma de moedermaatschappij van GS Media een e-mail gestuurd waarin zij deze sommeert te bevestigen dat de hyperlink naar de betrokken foto's van de site GeenStijl was verwijderd. GS Media heeft aan deze sommatie geen enkel gevolg gegeven.

12. Van de site Filefactory zijn de betrokken foto's daarentegen op verzoek van Sanoma wel verwijderd.

13. Bij brief van 7 november 2011 heeft de raadsman van Sanoma e.a. GS Media gesommeerd het artikel van 27 oktober 2011, met inbegrip van de hyperlink, de foto's die deze bevatte en de op dezelfde pagina van de site GeenStijl geplaatste reacties van internetgebruikers, van die site te verwijderen.

14. Diezelfde dag werd op de site GeenStijl een artikel geplaatst over het geschil tussen GS Media en Sanoma e.a. over de betrokken foto's. Dat artikel eindigde met de zin: “Update: naaktpics [van Dekker] nog niet gezien? Ze staan HIERRR.” Dit bericht bevatte eveneens een hyperlink, en wel naar de website Imageshack.us, waar een of meer van de betrokken foto's zichtbaar waren. Ook de beheerder van die website heeft echter later voldaan aan het verzoek van Sanoma om deze foto's te verwijderen.

15. Op 17 november 2011 verscheen op de site GeenStijl een derde artikel, getiteld: “Bye Bye Zwaai Zwaai Playboy”, dat opnieuw een hyperlink naar de betrokken foto's bevatte. Vervolgens plaatsten internetgebruikers die het forum van die site bezochten nieuwe links naar andere websites waarop de betrokken foto's te zien waren.

16. In december 2011 werden de betrokken foto's gepubliceerd in het tijdschrift Playboy.

17. Sanoma e.a. hebben GS Media gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam, waarbij zij met name stellen dat GS Media door het plaatsen van de hyperlinks en van een uitsnede van een van de betrokken foto's op de site GeenStijl inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van Hermès en onrechtmatig heeft gehandeld jegens Sanoma e.a. De rechtbank Amsterdam heeft de vorderingen grotendeels toegewezen.

18. Het gerechtshof Amsterdam heeft die beslissing vernietigd, daar het van oordeel was dat GS Media, door het plaatsen van de hyperlinks op de site GeenStijl, geen inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van Hermès omdat de betrokken foto's, door het online plaatsen ervan op de site Filefactory, al eerder openbaar waren gemaakt. Het heeft evenwel geoordeeld dat GS Media door het plaatsen van deze hyperlinks onrechtmatig heeft gehandeld jegens Sanoma e.a., aangezien de bezoekers van GeenStijl aldus werden aangespoord om de illegaal op de site Filefactory geplaatste foto's te bekijken. Zonder deze links zouden de foto's niet gemakkelijk te vinden zijn geweest. Bovendien oordeelde het gerechtshof Amsterdam dat GS Media door het plaatsen van een uitsnede van een van de betrokken foto's op de site GeenStijl inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van Hermès.

19. GS Media heeft tegen dat arrest beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

20. Sanoma e.a. hebben incidenteel cassatieberoep ingesteld, in het kader waarvan zij met name verwijzen naar het arrest van 13 februari 2014, Svensson e.a. (C-466/12, EU:C:2014:76), waarbij zij stellen dat het feit dat aan internetgebruikers een hyperlink ter beschikking wordt gesteld naar een website waarop een werk is geplaatst zonder toestemming van de houder van het auteursrecht op dat werk, een mededeling aan het publiek vormt. Sanoma e.a. betogen bovendien dat de toegang tot de betrokken foto's op de site Filefactory werd beschermd door beperkingsmaatregelen in de zin van dat arrest, welke door de interventie van GS Media en haar site GeenStijl door de internetgebruikers konden worden omzeild, zodat deze foto's beschikbaar werden gesteld aan een ruimer publiek dan normaal gesproken toegang zou hebben gehad tot deze foto's op de site Filefactory.

21. In het kader van het onderzoek van dit incidentele cassatieberoep overweegt de verwijzende rechter dat noch uit het arrest van 13 februari 2014, Svensson e.a. (C-466/12, EU:C:2014:76), noch uit de beschikking van 21 oktober 2014, BestWater International (C-348/13, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2315) met voldoende zekerheid kan worden afgeleid of er sprake is van een “mededeling aan het publiek” wanneer het werk daadwerkelijk eerder, maar zonder toestemming van de auteursrechthebbende, openbaar is gemaakt.

22. Enerzijds volgt, volgens de verwijzende rechter, uit deze rechtspraak van het Hof dat moet worden nagegaan of met de desbetreffende interventie een publiek wordt bereikt dat niet in de eerder door de rechthebbende gegeven toestemming begrepen moet worden geacht, hetgeen strookt met het exclusieve recht van de rechthebbende om het werk te exploiteren. Anderzijds wordt, indien een werk op internet reeds beschikbaar is voor het algemene publiek, met het plaatsen van een hyperlink naar de site waarop dit werk zich reeds bevindt, feitelijk geen nieuw publiek bereikt. Er dient bovendien rekening te worden gehouden met het feit dat via internet zeer veel werk te vinden is dat zonder toestemming van de rechthebbende is gepubliceerd. Voor de beheerder van een website is het niet steeds eenvoudig om, wanneer hij een hyperlink wil plaatsen die verwijst naar een site waarop een werk zich bevindt, na te gaan of de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor de eerdere publicatie daarvan.

23. De verwijzende rechter merkt voorts op dat het incidentele cassatieberoep ook de vraag opwerpt onder welke voorwaarden kan worden gesproken van “beperkingsmaatregelen” als bedoeld in het arrest van 13 februari 2014, Svensson e.a. (C-466/12, EU:C:2014:76). Hij wijst er in dit verband op dat de betrokken foto's, voordat GS Media de hyperlink op de site GeenStijl plaatste, niet onvindbaar waren op internet, maar dat zij daar evenmin eenvoudig vindbaar waren, zodat het plaatsen van deze link op haar site de toegang tot deze foto's in hoge mate heeft gefaciliteerd.

24. Daarop heeft de Hoge Raad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

“1. a) Is sprake van een 'mededeling aan het publiek' in de zin van artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29 wanneer een ander dan de auteursrechthebbende door middel van een hyperlink op een door hem beheerde website verwijst naar een door een derde beheerde, voor het algemene internetpubliek toegankelijke website, waarop het werk zonder toestemming van de rechthebbende beschikbaar is gesteld?

b) Maakt het daarbij verschil of het werk ook anderszins niet eerder met toestemming van de rechthebbende aan het publiek is medegedeeld?

c) Is van belang of de 'hyperlinker' op de hoogte is of behoort te zijn van het ontbreken van toestemming van de rechthebbende voor de plaatsing van het werk op de bij 1.a) genoemde website van de derde en, in voorkomend geval, van de omstandigheid dat het werk ook anderszins niet eerder met toestemming van de rechthebbende aan het publiek is medegedeeld?

2. a) Indien het antwoord op vraag l.a) ontkennend luidt: is in dat geval wel sprake van een mededeling aan het publiek, of kan daarvan sprake zijn, indien de website waarnaar de hyperlink verwijst, en daarmee het werk, voor het algemene internetpubliek weliswaar vindbaar is, maar niet eenvoudig, zodat het plaatsen van de hyperlink het vinden van het werk in hoge mate faciliteert?

b) Is bij de beantwoording van vraag 2.a) van belang of de 'hyperlinker' op de hoogte is of behoort te zijn van de omstandigheid dat de website waarnaar de hyperlink verwijst voor het algemene internetpubliek niet eenvoudig vindbaar is?

3) Zijn er andere omstandigheden waarmee rekening moet worden gehouden bij beantwoording van de vraag of sprake is van een mededeling aan het publiek indien door middel van een hyperlink toegang wordt verschaft tot een werk dat niet eerder met toestemming van de rechthebbende aan het publiek is medegedeeld?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen
25. Met zijn drie vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of en onder welke omstandigheden het plaatsen, op een website, van een hyperlink naar beschermde werken die zonder toestemming van de auteursrechthebbende vrij beschikbaar zijn op een andere website, een “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29 vormt.

26. Binnen deze context vraagt hij zich met name af of het relevant is dat de betrokken werken nog niet met toestemming van die rechthebbende op een andere wijze zijn gepubliceerd, dat het verstrekken van deze hyperlinks het vinden van deze werken in hoge mate faciliteert - daar de website waarop deze voor alle internetgebruikers toegankelijk zijn niet eenvoudig vindbaar is - en dat de plaatser van deze hyperlinks kennis had, of moest hebben, van deze feiten, alsook van het feit dat die rechthebbende geen toestemming had gegeven voor de publicatie van de betrokken werken op laatstgenoemde site.

27. Volgens artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29 moeten de lidstaten ervoor zorgen dat auteurs het uitsluitende recht genieten de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.

28. Krachtens deze bepaling beschikken auteurs dus over een recht van preventieve aard om te interveniëren tussen eventuele gebruikers van hun werk en de mededeling aan het publiek die deze gebruikers overwegen te doen, teneinde deze mededeling te verbieden (zie in die zin arresten van 15 maart 2012, C-135/10, SCF, EU:C:2012:140, punt 75 en 31 mei 2016, C-117/15, Reha Training, EU:C:2016:379, punt 30).

29. Aangezien artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29 het begrip “mededeling aan het publiek” niet preciseert, moet voor de betekenis en de draagwijdte ervan rekening worden gehouden met de door die richtlijn nagestreefde doelstellingen en met de context van de uit te leggen bepaling (zie in die zin arresten van 7 december 2006, C-306/05, SGAE, EU:C:2006:764, punten 33 en 34 en 4 oktober 2011, C-403/08 en C-429/08, Football Association Premier League e.a., EU:C:2011:631, punten 184 en 185).

30. Dienaangaande zij in herinnering gebracht dat uit de overwegingen 9 en 10 van richtlijn nr. 2001/29 volgt dat deze als belangrijkste doelstelling heeft een hoog beschermingsniveau voor auteurs te verwezenlijken, zodat zij met name bij een mededeling aan het publiek een passende beloning voor het gebruik van hun werk kunnen ontvangen. Hieruit volgt dat aan het begrip “mededeling aan het publiek” een ruime betekenis moet worden gegeven, zoals overigens uitdrukkelijk vermeld staat in overweging 23 van die richtlijn (zie in die zin arresten van 4 oktober 2011, C-403/08 en C-429/08, Football Association Premier League e.a., EU:C:2011:631, punt 186 en 7 maart 2013, C-607/11, ITV Broadcasting e.a., EU:C:2013:147, punt 20).

31. Tegelijkertijd volgt uit de overwegingen 3 en 31 van richtlijn nr. 2001/29 dat de daardoor tot stand gebrachte harmonisatie beoogt, met name in de elektronische omgeving, een rechtvaardig evenwicht te waarborgen tussen, enerzijds, het belang van de houders van auteursrechten en naburige rechten bij de bescherming van hun door artikel 17, 2. van het handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: “handvest”) gewaarborgde intellectuele-eigendomsrechten en, anderzijds, de bescherming van de belangen en fundamentele rechten van gebruikers van beschermd materiaal, met name hun door artikel 11 van het handvest gewaarborgde vrijheid van meningsuiting en van informatie, alsmede van het algemene belang.

32. Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, verbindt het begrip “mededeling aan het publiek” twee cumulatieve elementen met elkaar, namelijk een “handeling bestaande in een mededeling” van een werk en de mededeling ervan aan een “publiek” (arresten van 13 februari 2014, C-466/12, Svensson e.a., EU:C:2014:76, punt 16; 19 november 2015, C-325/14, SBS Belgium, EU:C:2015:764, punt 15 en 31 mei 2016, C-117/15, Reha Training, EU:C:2016:379, punt 37).

33. Voorts heeft het Hof gepreciseerd dat het begrip “mededeling aan het publiek” een geïndividualiseerde beoordeling vergt (zie arrest van 15 maart 2012, C-162/10, Phonographic Performance (Ireland), EU:C:2012:141, punt 29 en de aldaar aangehaalde rechtspraak, met betrekking tot het begrip “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 8, 2. van richtlijn nr. 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (Pb. 2006, L. 376, p. 28), welk begrip in die richtlijn dezelfde strekking heeft als in richtlijn nr. 2001/29 (zie in die zin arrest van 31 mei 2016, C-117/15, Reha Training, EU:C:2016:379, punt 33)).

34. Bij een dergelijke beoordeling is het van belang rekening te houden met meerdere niet-autonome en onderling afhankelijke, elkaar aanvullende criteria. Aangezien deze criteria in verschillende concrete situaties met een zeer wisselende intensiteit een rol kunnen spelen, moeten zij zowel individueel als in hun onderling verband worden toegepast (arresten van 15 maart 2012, C-135/10, SCF, EU:C:2012:140, punt 79; 15 maart 2012, C-162/10, Phonographic Performance (Ireland), EU:C:2012:141, punt 30 en 31 mei 2016, C-117/15, Reha Training, EU:C:2016:379, punt 35).

35. Van deze criteria heeft het Hof in de eerste plaats de centrale rol van de gebruiker en het weloverwogen karakter van diens interventie benadrukt. Die gebruiker verricht namelijk een mededelingshandeling wanneer hij, met volledige kennis van de gevolgen van zijn handelwijze, intervenieert om zijn klanten toegang te verlenen tot beschermd werk, met name daar deze klanten zonder een dergelijke interventie in beginsel geen toegang zouden hebben tot het verspreide werk (zie in die zin arresten van 15 maart 2012, C-135/10, SCF, EU:C:2012:140, punt 82 en de aldaar aangehaalde rechtspraak en 15 maart 2012, C-162/10, Phonographic Performance (Ireland), EU:C:2012:141, punt 31).

36. In de tweede plaats heeft het Hof gepreciseerd dat het begrip “publiek” ziet op een onbepaald aantal potentiële ontvangers, en overigens een vrij groot aantal personen impliceert (zie in die zin arresten van 15 maart 2012, C-135/10, SCF, EU:C:2012:140, punt 84 en de aldaar aangehaalde rechtspraak en 15 maart 2012, C-162/10, Phonographic Performance (Ireland), EU:C:2012:141, punt 33).

37. Bovendien volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat, om te kunnen spreken van een “mededeling aan het publiek”, een beschermd werk moet worden meegedeeld volgens een specifieke technische werkwijze, die verschilt van de werkwijzen die tot dan toe werden gebruikt, of, bij gebreke daarvan, gericht moet zijn tot een “nieuw publiek”, dat wil zeggen een publiek dat door de houders van het auteursrecht nog niet in aanmerking werd genomen toen zij toestemming verleenden voor de oorspronkelijke mededeling van hun werk aan het publiek (arrest van 13 februari 2014, C-466/12, Svensson e.a., EU:C:2014:76, punt 24 en beschikking van 21 oktober 2014, C-348/13, BestWater International, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2315, punt 14 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

38. In de derde plaats heeft het Hof geoordeeld dat het niet zonder belang is te weten of met een “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29, winst wordt beoogd (zie in die zin arresten van 4 oktober 2011, C-403/08 en C-429/08, Football Association Premier League e.a., EU:C:2011:631, punt 204; 15 maart 2012, C-135/10, SCF, EU:C:2012:140, punt 88 en 15 maart 2012, C-162/10, Phonographic Performance (Ireland), EU:C:2012:141, punt 36).

39. Met name aan de hand van deze criteria dient te worden beoordeeld of, in een situatie zoals die in het hoofdgeding, het feit dat op een website een hyperlink is geplaatst naar beschermde werken die zonder toestemming van de auteursrechthebbende vrij beschikbaar zijn op een andere website, een “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29 vormt.

40. In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat het Hof in zijn arrest van 13 februari 2014, Svensson e.a. (C-466/12, EU:C:2014:76), artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29 aldus heeft uitgelegd dat het plaatsen op een website van hyperlinks naar beschermde werken die vrij beschikbaar zijn op een andere website, geen “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29 vormt. Deze uitlegging werd ook gevolgd in de beschikking van 21 oktober 2014, BestWater International (C-348/13, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2315), met betrekking tot dergelijke hyperlinks die gebruikmaakten van de zogenoemde “framingtechniek”.

41. Uit de motivering van die beslissingen blijkt evenwel dat het Hof zich daarmee enkel heeft willen uitspreken over de plaatsing van hyperlinks naar werken die met toestemming van de rechthebbende op een andere website vrij beschikbaar waren gesteld, aangezien het Hof tot de slotsom was gekomen dat er geen sprake was van een mededeling aan het publiek, daar de betrokken mededeling niet was gedaan aan een nieuw publiek.

42. Binnen die context merkte het Hof op dat, aangezien de hyperlink en de website waarnaar deze verwijst volgens dezelfde technische werkwijze, namelijk via internet, toegang geven tot beschermd werk, een dergelijke link gericht moet zijn tot een nieuw publiek. Wanneer dat niet het geval is, met name omdat het werk reeds met toestemming van de auteursrechthebbenden voor het algemene internetpubliek vrij beschikbaar is op een andere website, kan die handeling niet worden aangemerkt als een “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29. Aangezien dat werk vrij beschikbaar is op de website waartoe de hyperlink toegang verschaft, moet er immers vanuit worden gegaan dat de houders van het auteursrecht op dat werk, toen zij in die mededeling toestemden, het algemene internetpubliek als publiek beschouwden (zie in die zin arrest van 13 februari 2014, Svensson e.a., EU:C:2014:76, punten 24-28 en Besch. van 21 oktober 2014, C-348/13, BestWater International, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2315, punten 15, 16 en 18).

43. Bijgevolg kan noch uit het arrest van 13 februari 2014, Svensson e.a. (C-466/12, EU:C:2014:76), noch uit de beschikking van 21 oktober 2014, BestWater International (C-348/13, niet gepubliceerd, EU:C:2014:23153) worden afgeleid dat het plaatsen op een website van hyperlinks naar beschermde werken die vrij, doch zonder toestemming van de houder van het auteursrecht op die werken, beschikbaar zijn gesteld op een andere website, in beginsel zou zijn uitgesloten van het begrip “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29. Integendeel, deze beslissingen bevestigen het belang van een dergelijke toestemming voor de toepassing van die bepaling, aangezien deze laatste nu juist bepaalt dat voor elke handeling bestaande in een mededeling van een werk aan het publiek toestemming moet worden verleend door de auteursrechthebbende.

44. GS Media, de Duitse, Portugese en Slowaakse regering en de Europese Commissie betogen evenwel dat indien elke plaatsing van dergelijke links naar op andere websites gepubliceerde werken automatisch als een “mededeling aan het publiek” zou worden aangemerkt wanneer de houders van het auteursrecht op die werken voor die plaatsing op internet geen toestemming hebben gegeven, dit sterk beperkende gevolgen zou hebben voor de vrijheid van meningsuiting en informatie, en het rechtvaardige evenwicht dat richtlijn nr. 2001/29 tot stand beoogt te brengen tussen die vrijheid en het algemene belang enerzijds, en een effectieve bescherming van hun intellectuele eigendom anderzijds, niet in acht zou nemen.

45. Dienaangaande moet worden vastgesteld dat internet inderdaad van bijzonder belang is voor de door artikel 11 van het handvest gewaarborgde vrijheid van meningsuiting en van informatie, en dat hyperlinks bijdragen tot de goede werking ervan, alsmede tot de uitwisseling van meningen en informatie binnen dat netwerk, dat wordt gekenmerkt door de beschikbaarheid van immense hoeveelheden informatie.

46. Bovendien kan het, met name voor particulieren die dergelijke links willen plaatsen, moeilijk zijn om na te gaan of de website waar die links worden geacht naartoe te leiden, toegang geeft tot werken die worden beschermd en, in voorkomend geval, of de houders van auteursrechten op die werken toestemming hebben gegeven voor publicatie daarvan op internet. Een dergelijke verificatie kan nog moeilijker blijken te zijn wanneer deze rechten het voorwerp zijn van sublicenties. Verder kan de inhoud van een via een hyperlink toegankelijke website na de plaatsing van die link worden gewijzigd, en beschermde werken gaan bevatten zonder dat de plaatser van die hyperlink zich daarvan noodzakelijkerwijs bewust is.

47. Voor de geïndividualiseerde beoordeling van het bestaan van een “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29, moet dan ook, wanneer een hyperlink naar een werk dat vrij beschikbaar is op een andere website, is geplaatst door een persoon die daarmee geen winstoogmerk heeft, rekening worden gehouden met de omstandigheid dat die persoon niet weet - en redelijkerwijs ook niet kan weten - dat dat werk zonder toestemming van de auteursrechthebbende was gepubliceerd op internet.

48. Een dergelijke persoon stelt voornoemd werk weliswaar beschikbaar aan het publiek, door de andere internetgebruikers rechtstreeks toegang daartoe te verlenen (zie in die zin arrest van 13 februari 2014, C-466/12, Svensson e.a., EU:C:2014:76, punten 18-23), doch intervenieert immers in de regel niet met volledige kennis van de gevolgen van zijn handelwijze om klanten toegang te verschaffen tot een werk dat illegaal op internet is gepubliceerd. Bovendien kon, wanneer het betrokken werk reeds zonder enige toegangsbeperking beschikbaar was op de website waartoe de hyperlink toegang verschaft, het algemene internetpubliek in beginsel daartoe ook reeds toegang hebben zonder die interventie.

49. Wanneer daarentegen vaststaat dat een dergelijke persoon wist, of moest weten, dat de door hem geplaatste hyperlink toegang geeft tot een illegaal op internet gepubliceerd werk, bijvoorbeeld doordat hij daarover gewaarschuwd is door de auteursrechthebbenden, moet ervan uitgegaan worden dat de verstrekking van die link een “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29 vormt.

50. Dit geldt ook in het geval waarin die link de gebruikers van de website waarop deze link zich bevindt in staat stelt om beperkingsmaatregelen te omzeilen die op de website waar zich het beschermde werk bevindt, zijn getroffen teneinde de toegang van het publiek te beperken tot de abonnees ervan, zodat de plaatsing van een dergelijke link dus een weloverwogen interventie vormt zonder welke die gebruikers niet over de verspreide werken zouden kunnen beschikken (zie naar analogie arrest van 13 februari 2014, C-466/12, Svensson e.a., EU:C:2014:76, punten 27 en 31).

51. Bovendien kan, wanneer het plaatsen van hyperlinks geschiedt met een winstoogmerk, van de hyperlinkplaatser worden verwacht dat deze de nodige verificaties verricht om zich ervan te vergewissen dat het betrokken werk op de site waarnaar die links leiden niet illegaal is gepubliceerd, zodat moet worden vermoed dat die plaatsing is geschied met volledige kennis van de beschermde aard van dat werk en van het eventuele ontbreken van toestemming van de auteursrechthebbende voor de publicatie op internet. In dergelijke omstandigheden en voor zover dit weerlegbare vermoeden niet is weerlegd, vormt de handeling bestaande in het plaatsen van een hyperlink naar een illegaal op internet gepubliceerd werk een “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29.

52. Niettemin zou er bij gebreke van een nieuw publiek geen sprake zijn van een mededeling aan het “publiek” in de zin van die bepaling, in het - in de punten 40 tot en met 42 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte - geval waarin de werken waartoe via die hyperlinks toegang kan worden verkregen, met toestemming van de rechthebbende vrij beschikbaar zijn gesteld op een andere website.

53. Een dergelijke uitlegging van artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29 waarborgt het door die richtlijn nagestreefde hoge niveau van bescherming van auteurs. Krachtens die richtlijn en binnen de door artikel 5, 3. daarvan gestelde grenzen, kunnen de auteursrechthebbenden immers niet alleen in rechte optreden tegen de oorspronkelijke publicatie van hun werk op een website, maar ook tegen eenieder die met een winstoogmerk een hyperlink plaatst naar het illegaal op die site gepubliceerde werk, alsook tegen personen die, in de in de punten 49 en 50 van het onderhavige arrest uiteengezette omstandigheden, zonder winstoogmerk een dergelijke hyperlink plaatsen. In dit verband dient er met name op te worden gewezen dat deze rechthebbenden in alle omstandigheden de mogelijkheid hebben om dergelijke personen te wijzen op het illegale karakter van de publicatie van hun werk op internet en in rechte tegen hen op te treden wanneer zij weigeren die link te verwijderen, zonder dat die personen zich kunnen beroepen op een van de in bovengenoemd artikel 5, 3. opgesomde uitzonderingen.

54. Wat het hoofdgeding betreft, staat vast dat GS Media de site GeenStijl beheert en dat zij, met een winstoogmerk, hyperlinks heeft verstrekt naar de bestanden met de betrokken foto's, die waren opgeslagen op de site Filefactory. Ook staat vast dat Sanoma geen toestemming had gegeven voor de publicatie van deze foto's op internet. Bovendien lijkt uit de weergave van de feiten in de verwijzingsbeslissing voort te vloeien dat GS Media zich van die laatste omstandigheid bewust was en dus niet het vermoeden kan weerleggen dat plaatsing van deze links is geschied met volledige kennis van het illegale karakter van die publicatie. In deze omstandigheden heeft GS Media, onder voorbehoud van door de verwijzende rechter uit te voeren verificaties, door deze links te plaatsen een “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29 verricht, zonder dat binnen deze context de andere door die rechter naar voren gebrachte, in punt 26 van het onderhavige arrest genoemde, omstandigheden behoeven te worden onderzocht.

55. Gelet op het voorgaande dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat, om vast te stellen of het plaatsen, op een website, van hyperlinks naar beschermde werken die zonder toestemming van de auteursrechthebbende vrij beschikbaar zijn op een andere website, een “mededeling aan het publiek” vormt in de zin van die bepaling, bepaald moet worden of deze links zijn verstrekt zonder winstoogmerk door een persoon die geen kennis had, of redelijkerwijs geen kennis kon hebben, van het illegale karakter van de publicatie van die werken op die andere website, dan wel of, integendeel, voornoemde links met een dergelijk oogmerk zijn verstrekt, in welk geval deze kennis moet worden vermoed.

Kosten
(…)

Het Hof (2de k.) verklaart voor recht:

Artikel 3, 1. van richtlijn nr. 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, moet aldus worden uitgelegd dat, om vast te stellen of het plaatsen, op een website, van hyperlinks naar beschermde werken die zonder toestemming van de auteursrechthebbende vrij beschikbaar zijn op een andere website, een “mededeling aan het publiek” vormt in de zin van die bepaling, bepaald moet worden of deze links zijn verstrekt zonder winstoogmerk door een persoon die geen kennis had, of redelijkerwijs geen kennis kon hebben, van het illegale karakter van de publicatie van die werken op die andere website, dan wel of, integendeel, voornoemde links met een dergelijk oogmerk zijn verstrekt, in welk geval deze kennis moet worden vermoed.

Noot: 

Dekoninck, Ch., « Het plaatsen van een link: (g)een mededeling aan het publiek », R.A.B.G., 2016/20, p. 1449-1453

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 16/07/2017 - 10:53
Laatst aangepast op: zo, 16/07/2017 - 11:04

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.