-A +A

Indiciaire belasting discrepantie tussen gegoedheid belastingplichtige en aangegeven inkomsten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 07/04/2016
A.R.: 
F.14.0065.N

Een discrepantie tussen de uiterlijke tekenen van welstand of het uitgavenpatroon en de aangegeven of gekende inkomsten waarvoor de belastingplichtige geen sluitende uitleg kan geven nadat hem dat is gevraagd, geldt als een aanwijzing van belastingontduiking in de zin van artikel 333,derde lid, WIB92; aangezien de bijkomende onderzoekstermijn onder meer ertoe strekt klaarheid te scheppen over de aard van de inkomsten, is het niet vereist dat het fiscaal bestuur, alvorens het de onderzoekstermijn kan uitbreiden, eerst moet bewijzen dat aan een vastgesteld indiciair tekort inkomsten ten grondslag liggen die bewust worden verzwegen en waarvan aangifte diende te worden gedaan .

Voor de toepassing van artikel 333, derde lid, WIB92 volstaat het dat de aanwijzingen inzake belastingontduiking nauwkeurig worden vermeld in de voorafgaande kennisgeving zonder dat vereist is dat die kennisgeving nauwkeurig vermeldt welke inzichten of bedoelingen te schaden aan de belastingplichtige ten laste kunnen worden gelegd; evenmin is vereist dat het fiscaal bestuur over bekende feiten of vaststellingen beschikt die tot het bewijs van fraude aanleiding kunnen geven en dat zij dit moet meedelen in de voorafgaande kennisgeving nu het immers in strijd zou zijn met de wil van de wetgever het bestuur op voorhand te dwingen te bewijzen wat het juist op grond van een bijkomend onderzoek wil bewijzen.

De voorafgaande kennisgeving van nauwkeurig omschreven aanwijzingen van belastingontduiking volstaat bijgevolg, zonder dat het bewijs van de belastingontduiking reeds objectief moet zijn geleverd; enkel wanneer de aanwijzingen onnauwkeurig zijn omschreven of berusten op vage of ongeloofwaardige veronderstellingen, kan niet tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking worden besloten

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/19
Pagina: 
1386
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(Belgische Staat / K.D.G., M.S. - Rolnr.: F.14.0065.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 17 december 2013.

II. Cassatiemiddel

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. Beslissing van het Hof
Beoordeling
(…)

Gegrondheid
5. Krachtens artikel 354, tweede lid WIB 1992 wordt de termijn van drie jaar waarbinnen de belasting kan worden gevestigd, met 4 jaar verlengd in geval van een inbreuk op de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.

Krachtens artikel 333, derde lid WIB 1992 mogen onderzoekingen bovendien worden verricht gedurende de in artikel 354, tweede lid bedoelde aanvullende termijn van 4 jaar, op voorwaarde dat de administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoelde tijdperk. Die voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag.

6. Een discrepantie tussen de uiterlijke tekenen van welstand of het uitgavenpatroon en de aangegeven of gekende inkomsten waarvoor de belastingplichtige geen sluitende uitleg kan geven nadat hem dat is gevraagd, geldt als een aanwijzing van belastingontduiking.

7. Artikel 333, derde lid WIB 1992 vereist niet dat die kennisgeving nauwkeurig vermeldt welke inzichten of bedoelingen te schaden aan de belastingplichtige ten laste kunnen worden gelegd. Het volstaat dat de aanwijzingen inzake belastingontduiking nauwkeurig worden vermeld.

Evenmin is vereist dat het fiscale bestuur over bekende feiten of vaststellingen beschikt die tot het bewijs van fraude aanleiding kunnen geven en dat zij dit moet meedelen in de voorafgaande kennisgeving. Het zou immers in strijd zijn met de wil van de wetgever het bestuur op voorhand te dwingen te bewijzen wat het juist op grond van een bijkomend onderzoek wil bewijzen.

De voorafgaande kennisgeving van nauwkeurig omschreven aanwijzingen van belastingontduiking volstaat bijgevolg, zonder dat het bewijs van de belastingontduiking reeds objectief moet zijn geleverd. Enkel wanneer de aanwijzingen onnauwkeurig zijn omschreven of berusten op vage of ongeloofwaardige veronderstellingen, kan niet tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking worden besloten.

Aangezien de bijkomende onderzoekstermijn onder meer ertoe strekt klaarheid te scheppen over de aard van de inkomsten, is het niet vereist dat het fiscale bestuur, alvorens het de onderzoekstermijn kan uitbreiden, eerst moet bewijzen dat aan een vastgesteld indiciair tekort inkomsten ten grondslag liggen die bewust worden verzwegen en waarvan aangifte diende te worden gedaan.

8. De appelrechter stelt vast dat het bericht van 4 februari 2010, houdende de kennisgeving van de aanwijzingen van belastingontduiking, als volgt besluit:

“Samengevat zijn deze aanwijzingen van [belastingontduiking] gesteund op volgende vaststellingen:

het bestaan van een investering (aankoop - verbouwingen) in Italië van dergelijke omvang en waarde, zij het nu rechtstreeks of via de SS L.M. waarvan u alle aandelen bezit, vormt een teken en indicie waarvan tot op de datum van de inzage van het gerechtsdossier geen spoor terug te vinden was in uw fiscaal dossier en dat belangrijkere inkomsten laat vermoeden dan de aangegeven inkomsten;
de tegenstrijdigheid tussen het antwoord op de vraag om inlichtingen volgens hetwelk het onroerend goed in Italië eigendom zou zijn van de SS L.M. en de gegevens van het gerechtsdossier waaruit eerder blijkt dat het om uw persoonlijke eigendom gaat;
het feit dat de bewering als zou het onroerend goed eigendom zijn van de SS L.M. door geen enkel stuk wordt gestaafd en dit niettegenstaande zulks in de vraag om inlichtingen uitdrukkelijk werd gevraagd;
het niet vermelden van de brutohuur/waarde in vak III van de aangiften in de personenbelasting wat wel diende te gebeuren indien het onroerend goed uw persoonlijke eigendom is;
het feit dat de administratie in het antwoord op uw vraag om inlichtingen volledig in het ongewisse wordt gelaten omtrent de aan het project (aankoop + verbouwingen) bestede bedragen en de belastbare tijdperken waarin deze bestedingen hebben plaatsgevonden;
de bedrieglijke redeneringen op basis waarvan u in het antwoord beweert sommige gestelde vragen niet te moeten beantwoorden;
het totaal gebrek aan medewerking om te komen tot een objectieve en juiste berekening van uw indiciaire toestand.”
9. De appelrechter oordeelt dat:

het niet valt te betwisten dat de taxatiedienst op het moment van het bericht van 4 februari 2010 redenen had om te stellen dat er een discrepantie bestond tussen enerzijds de gegoedheid die moet gepaard gaan met het aankopen en de restauratie van een villa in Italië waarvan in een gerechtsdossier gesteld wordt dat de waarde ervan op 5 miljoen euro moet worden geschat en anderzijds de inkomsten die de verweerders in de voorbije jaren in hun aangiften in de personenbelasting hebben aangegeven;
dit op zich voldoende reden kan zijn om een indiciaire taxatie voorop te stellen;
het enkele feit dat iemand kennelijk belangrijke inkomsten moet hebben gehad, evenwel nog niet volstaat om ervan uit te gaan dat het voor het fiscale bestuur bewust verzwegen inkomsten betreft omdat het mogelijk kan gaan om inkomsten die niet moeten aangegeven worden.
10. Door te oordelen dat een vastgestelde discrepantie tussen de gegoedheid van een belastingplichtige en zijn aangegeven inkomsten geen aanwijzing van belastingontduiking kan zijn, omdat het mogelijk kan gaan om inkomsten die niet dienden te worden aangegeven, terwijl de bijkomende onderzoekstermijn precies moet toelaten dit laatste te onderzoeken, en door te oordelen dat de aangevoerde elementen niet toelaten te besluiten tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking, zonder vast te stellen dat deze elementen onnauwkeurig zijn omschreven of berusten op ongeloofwaardige veronderstellingen, miskent de appelrechter het wettelijk begrip “aanwijzingen van belastingontduiking” in de zin van artikel 333, derde lid WIB 1992.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

(…)
F.14.0065.N
Conclusie van advocaat-generaal Thijs:

1. Bij inzage in een gerechtsdossier bij het parket te Gent bleek dat verweerders over eigendommen beschikten in Italië waarvan geen spoor was te vinden in het persoonlijk fiscaal dossier van betrokkenen.

Op 20 november 2009 verstuurde eiser naar verweerders hieromtrent een vraag om inlichtingen betreffende de aanslagjaren 2007, 2008 en 2009.

Waar verweerders geen afdoend antwoord boden op voormelde vraag om inlichtingen, werden verweerders op 4 februari 2010 schriftelijk door eiser op de hoogte gebracht van aanwijzingen van belastingontduiking die in hunnen hoofde bestaan en die een uitbreiding van de onderzoekstermijn rechtvaardigen overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92.

Op 4 maart 2010 werd met betrekking tot de eigendommen van verweerders in Italië een vraag om inlichtingen verstuurd naar de Italiaanse belastingdiensten.

Na ontvangst van het antwoord van de Italiaanse administratie, bevestigde eiser aan verweerders, bij schrijven van 15 april 2010, dat alle elementen uit de voormelde kennisgeving van 4 februari 2010 beschouwd kunnen worden als voldoende aanwijzingen van fraude in de zin van artikel 333, derde lid, WIB92, wat in dat schrijven nader werd gemotiveerd.

Op 15 juli 2011 werd door eiser een vraag om inlichtingen toegezonden aan verweerders betreffende de aanslagjaren 2005, 2006 en 2007, waarbij overeenkomstig artikel 322, §2, derde lid, WIB92, werd aangegeven dat de toepassing van artikel 322, §2, WIB92, kan worden gevraagd indien de belastingplichtige de gevraagde bankgegevens verborgen houdt of ze weigert te verschaffen.

Op 11 oktober 2011 werden verweerders, overeenkomstig de bepalingen van artikel 333/1, §1, WIB92, in kennis gesteld van de aanwijzingen van belastingontduiking die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen. Aansluitend werd op 11 oktober 2011, overeenkomstig de bepalingen van artikel 322, §2, WIB92, een vraag gericht aan drie financiële instellingen.

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent op 4 november 2011, vorderden verweerders:

- een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof betreffende de nieuwe procedure inzake het bankonderzoek, neergelegd in de artikelen 55 en 56 van de Wet houdende diverse bepalingen van 14 april 2011;

- de vernietiging uit te spreken van de schriftelijke kennisgeving van 11 oktober 2011 van de aanwijzingen van belastingontduiking die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen;

- dienvolgens ook de vernietiging uit te spreken van de vraag om inlichtingen bij de betrokken financiële instellingen.

Bij tussenvonnis van 19 december 2011 werd geweigerd om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, waarna het pretaxatiegeschil in voortzetting werd gesteld.

Tegen dit vonnis werd bij verzoekschrift van 15 februari 2012 hoger beroep ingesteld door verweerders.

Bij tussenarrest van 3 april 2012 stelde het Hof van Beroep te Gent, alvorens verder recht te doen, een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof i.v.m. de bestaanbaarheid van de artikelen 55 en 56 van de Wet houdende diverse bepalingen van 14 april 2011 met het recht op privé-leven.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde, bij arrest van 14 maart 2013 (nr. 39/2013), dat voormelde bepalingen artikel 22 van de Grondwet niet schenden, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 EVRM en 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Het bestreden eindarrest van 17 december 2013 verklaart de vordering van de verweerders gegrond en vernietigt de machtiging tot bankonderzoek verleend door de gewestelijke directeur op 6 oktober 2011, alsook de op 11 oktober 2011 aan de verweerders verstuurde schriftelijke kennisgeving van de aanwijzingen van belastingontduiking die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling in toepassing van artikel 322, §2 WIB92 zouden moeten rechtvaardigen, evenals de vragen om inlichtingen bij de betrokken financiële instellingen die op basis van de genoemde machtiging en de genoemde kennisgeving zijn gesteld, waarbij ook het verbod wordt opgelegd op om de op grond van die vragen om inlichtingen overgemaakte gegevens op enige wijze aan te wenden voor taxatie- of voor onderzoeksdoeleinden.

Het bestreden arrest oordeelt dat eiser ten onrechte is overgegaan tot uitbreiding van de onderzoekstermijn overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92, zoals aan de verweerders ter kennis gebracht bij brief van 4 februari 2010, op grond dat eiser over geen objectieve aanwijzingen van belastingontduiking beschikte zodat de door eiser, na het verstrijken van de gewone onderzoekstermijn gestelde onderzoeksdaden, nietig worden verklaard.

2. In het zevende onderdeel van het enig middel tot cassatie voert eiser aan dat de appelrechters door in die zin te oordelen het wettelijk begrip "aanwijzingen van belastingontduiking" in de zin van de artikelen 322, §2 en 333, derde lid, WIB92 hebben miskend, en mitsdien niet wettig hebben beslist dat eiser ten onrechte is overgegaan tot uitbreiding van de onderzoekstermijn overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92.

3. Inzake inkomstenbelastingen bedraagt de normale onderzoekstermijn, krachtens artikel 333, eerste en tweede lid, WIB92, drie jaar. Binnen die termijn kan de administratie, zonder voorafgaande kennisgeving, de in het Wetboek van Inkomstenbelastingen vermelde onderzoeksdaden verrichten.

Overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92, kan de administratie, binnen de in artikel 354, tweede lid, bedoelde aanvullende onderzoekstermijn van vier jaar, nieuwe onderzoekshandelingen stellen, op voorwaarde dat de administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoeld tijdperk. Die voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag.

"Die bepaling vereist niet dat die kennisgeving nauwkeurig vermeldt welke inzichten of bedoelingen te schaden aan de belastingplichtige ten laste kunnen worden gelegd; het volstaat dat de aanwijzingen inzake belastingontduiking nauwkeurig worden vermeld."(1)

Evenmin is vereist dat de administratie reeds over "indicaties, dit zijn (...) bekende feiten of vaststellingen, zou moeten beschikken die tot het bewijs van fraude aanleiding kunnen geven en dat hij die indicaties aan de belastingplichtige zou moeten meedelen in de voorafgaande kennisgeving. Het zou immers in strijd zijn met de wil van de wetgever het bestuur op voorhand te dwingen te bewijzen wat het juist op grond van een bijkomend onderzoek wil bewijzen"(2).

Een nauwkeurig omschreven vermoeden van belastingontduiking volstaat bijgevolg, zonder dat het bewijs van de belastingontduiking reeds objectief moet zijn geleverd. Enkel wanneer de aanwijzingen onnauwkeurig zijn omschreven of berusten op "wilde of vage veronderstellingen", kortom niet geloofwaardig zijn, kan niet tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking worden besloten(3).

4. De vraag of er in een concreet dossier aanwijzingen van belastingontduiking voorhanden zijn is in de eerste plaats een feitenkwestie waarover de feitenrechter in beginsel soeverein oordeelt.

Nu de notie "aanwijzingen van belastingontduiking" een rechtsbegrip betreft, beschikt Uw Hof ter zake over een marginaal toetsingsrecht en kan het nagaan of de rechter dit begrip niet heeft miskend of gedenatureerd door uit de gedane vaststellingen gevolgtrekkingen te maken die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

5. Het bestreden arrest stelt vast dat het bericht van 4 februari 2010 onvoldoende elementen bevat om te laten besluiten tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking, zonder hierbij aan te geven dat die aanwijzingen, hetzij onnauwkeurig zijn omschreven, hetzij berusten op vage of lichtzinnige veronderstellingen.

De ontstentenis van aanwijzingen van belastingontduiking werd zodoende niet wettig vastgesteld.

6. Niettegenstaande het bestreden arrest zelf vaststelt dat de taxatiedienst op het moment van het bericht van 4 februari 2010 redenen had om te stellen dat een discrepantie bestond tussen enerzijds de gegoedheid die moet gepaard gaan met het aankopen en de restauratie van een villa in Italië waarvan in een gerechtsdossier gesteld wordt dat de waarde ervan op 5 miljoen euro moet worden geschat, en anderzijds de inkomsten die de verweerders in de voorbije jaren in hun aangiften in de personenbelasting hadden aangegeven, wat volgens de appelrechters op zich een voldoende reden kan zijn om een indiciaire taxatie voorop te stellen(4), weigert het arrest om dit pertinente element als een relevante aanwijzing van belastingontduiking in aanmerking te nemen louter op grond van de mogelijkheid dat het niet om bewust verzwegen inkomsten zou gaan:

"Het enkele feit evenwel dat iemand kennelijk belangrijke inkomsten moet hebben gehad, volstaat evenwel nog niet om ervan uit te gaan dat het voor de belastingadministratie (bewust) verzwegen inkomsten betreft; het kan immers gaan om inkomsten de niet moeten aangegeven worden. Dat is in het bijzonder het geval wanneer het inkomsten zouden zijn van privéverrichtingen..."(5)

Waar de bijkomende onderzoekstermijn precies tot doel heeft om klaarheid te scheppen over de aard van de inkomsten is het niet vereist dat de administratie, alvorens zij de onderzoekstermijn kan uitbreiden, eerst moet bewijzen dat aan een vastgesteld "incidiair tekort" inkomsten ten grondslag liggen die bewust werden verzwegen en waarvan aangifte diende te worden gedaan.

7. In de parlementaire voorbereiding bij de Wet van 14 april 2011 houdende diverse bepalingen, werd uitdrukkelijk bepaald dat als aanwijzing van belastingontduiking kan gelden:

"(een) belangrijke discrepantie tussen de uiterlijke tekenen van welstand of het uitgavenpatroon en de aangegeven of gekende inkomsten en waarvoor de belastingplichtige geen sluitende uitleg kan geven nadat hem dat is gevraagd"(6).

Het bestreden arrest citeert het bericht van 4 februari 2010 als volgt:

"Samengevat zijn deze aanwijzingen [van belastingontduiking] gesteund op volgende vaststellingen:

- Het bestaan van een investering (aankoop + verbouwingen) in Italië van dergelijke omvang en waarde, zij het nu rechtstreeks of via de SS LA MACCINAIA waarvan u alle aandelen bezit, vormt een teken en indicie waarvan tot op de datum van de inzage van het gerechtsdossier geen spoor terug te vinden was in uw fiscaal dossier en dat belangrijkere inkomsten laat vermoeden dan de aangegeven inkomsten.

- De tegenstrijdigheid tussen het antwoord op de vraag om inlichtingen volgens hetwelk het onroerend goed in Italië eigendom zou zijn van de SS LA MACCINAIA en de gegevens van het gerechtsdossier waaruit eerder blijkt dat het om uw persoonlijke eigendom gaat.

- Het feit dat de bewering als zou het onroerend goed eigendom zijn van de SS LA MACC1NA1A door geen enkel stuk wordt gestaafd en dit niettegenstaande zulks in de vraag om inlichtingen uitdrukkelijk werd gevraagd.

- Het niet vermelden van de brutohuur/waarde in vak III van de aangiften in de personenbelasting wat wel diende te gebeuren indien het onroerend goed uw persoonlijke eigendom is.

- Het feit dat de administratie in het antwoord op de vraag om inlichtingen volledig in het ongewisse wordt gelaten omtrent de aan het project (aankoop + verbouwingen) bestede bedragen en de belastbare tijdperken waarin deze bestedingen hebben plaats gevonden.

- De bedrieglijke redeneringen op basis waarvan u in het antwoord beweert sommige gestelde vragen niet te moeten beantwoorden.

Het totaal gebrek aan medewerking om te komen tot een objectieve en juiste berekening van uw indiciaire toestand."

Uit deze kennisgeving blijkt dat verweerders in hun antwoord op de desbetreffende vraag om inlichtingen geen sluitende uitleg hebben gegeven over de door de administratie vastgestelde indicie van gegoedheid.

8. Hieruit volgt dat het bestreden arrest het wettelijk begrip "aanwijzingen van belastingontduiking" in de zin van artikel 333, derde lid, WIB92, heeft miskend, met name door te oordelen dat:

- een vastgestelde discrepantie tussen de gegoedheid van een belastingplichtige en zijn aangegeven inkomsten geen aanwijzing van belastingontduiking kan zijn, omdat het mogelijk kan gaan om inkomsten die niet dienden te worden aangegeven, terwijl de bijkomende onderzoekstermijn precies moet toelaten dit laatste te onderzoeken;

- de aangevoerde elementen niet toelaten te besluiten tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking, zonder vast te stellen dat deze elementen onnauwkeurig zijn omschreven of berusten op ongeloofwaardige veronderstellingen.

De appelrechters hebben op die grond niet wettig beslist dat eiser ten onrechte is overgegaan tot uitbreiding van de onderzoekstermijn overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92.

De aanwijzingen inzake belastingontduiking kunnen bovendien niet worden ter zijde geschoven op de enkele grond dat ze reeds aan bod kwamen in de pers of in de media.

Ook in zoverre de appelrechters hun beoordeling laten steunen op de overweging dat "(verweerders) overigens terecht laten gelden dat het bestaan van de villa en het feit dat die was gerenoveerd al in de kranten had gestaan, zoals ze in het antwoord van 22 december 2009 lieten weten", verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht.

Waar de appelrechters verder overwegen dat de taxatieambtenaar geen reden had om te twijfelen aan de verklaring van de raadsman van verweerders dat de onroerende goederen in Italië niet hun persoonlijke eigendom waren maar die van 'La Maccinaia ss', kan zulks evenmin afbreuk doen aan de in het bericht van 4 februari 2010 vastgestelde aanwijzing van belastingontduiking waarbij als een teken en indicie in aanmerking wordt genomen: "het bestaan van een investering (aankoop + verbouwingen) in Italië van dergelijke omvang en waarde, zij het nu rechtstreeks of via de SS LA MACCINAIA waarvan u alle aandelen bezit"(7).

Het onderdeel komt mij dan ook gegrond voor.

9. Ik sluit mij dan ook aan bij de kritische commentaar van auteur K. JANSSENS bij het bestreden arrest:

"Als er een manifest indiciair tekort is én de belastingplichtige weigert elke medewerking, lijkt het in het algemeen logisch te veronderstellen dat die mogelijk iets te verbergen heeft en dat er dus mogelijk een belastbaar inkomen bewust niet aangegeven is. Meer dan dat is niet nodig want het gaat ten slotte maar om aanwijzingen, niet om een bewijs van fraude. 'Bekende feiten' of vaststaande gegevens zijn niet nodig (Cass. 8 mei 2009, F.07.0113.N). Het verwijt van het hof aan de fiscus dat die bepaalde zaken slechts 'veronderstelde', lijkt dan ook naast de kwestie. De vraag die beantwoord moet worden, is of het aannemelijk is dat de belastingplichtige een aan te geven inkomen bewust verzwegen heeft. De vraag is niet of het mogelijk is dat hij zich van geen kwaad bewust was. Het arrest mag dus zeker niet zo gelezen worden als zou dat laatste de bepalende vraag zijn.

Dat een villa misschien niet toebehoort aan de belastingplichtige zelf maar aan zijn vennootschap, doet er daarom eigenlijk niet toe. Dat was juist het punt dat verder onderzocht had moeten worden. (...) In dit geval had het 'tegenargument' overigens niet veel om het lijf. Want de vennootschap was transparant (iets wat het hof zelf ook als vaststaand aanneemt). Fiscaal kan men dus zeggen dat dat op hetzelfde neerkomt als persoonlijke eigendom van de villa. (...)

Wat ook opvalt, is dat het hof op het eerste gezicht weinig aanstoot lijkt te nemen aan het gebrek aan medewerking van de belastingplichtige. Een indiciair onderzoek impliceert nochtans een omkering van de bewijslast: het is aan de belastingplichtige om uit te leggen dat de welstand die niet overeenstemt met zijn aangegeven inkomen, voortkomt uit een inkomen dat niet belastbaar is. Hij heeft dus onmiskenbaar een meewerkplicht. Anders zou het bewijsmiddel van tekenen en indiciën elke zin verliezen. Een belastingplichtige moet trouwens toch beseffen dat de fiscus geen onredelijke vragen stelt als die meer wil weten over de aankoop van een dure villa die niet verklaard kan worden op basis van de aangegeven inkomsten. (...)."(8)

Besluit: VERNIETIGING.
_______________________
(1) Cass. 14 oktober 1999, AC 1999, nr. 535.
(2) Cass. 8 mei 2009, AC, 2009, nr.303; zie JVD, "Over welke ‘aanwijzingen' van fraude moet fiscus beschikken", Fiscoloog, 2009, afl. 1167, 7-8.
(3) Parl.St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1208/007, p. 13.
(4) Bestreden arrest, folio 36002, voorlaatste alinea.
(5) Bestreden arrest, folio 36002, laatste alinea.
(6) Parl.St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1208/007, p.13.
(7) Tekstmarkering en onderlijning toegevoegd.
(8) K. JANSSENS, "Karel vs. Karel eindigt (voorlopig) op technisch KO", Fisc. Act., 8 mei 2014, nr. 17, p. 9-14.
 

Noot: 

Sas, T., « Indiciair tekort kan een aanwijzing van fraude zijn », R.A.B.G., 2016/19, p. 1389-1392

Rechtsleer:

• K. Janssens, “Karel vs. Karel eindigt (voorlopig) op technisch KO”, Fisc.Act. 2014, afl. 17, 9;

• J. Vanden Branden, “Loutere indicie is geen aanwijzing van belastingontduiking”, Fisc.Act. 2014, afl. 10, 5;

• M. Vermeesch, “Hof van beroep Gent beslist in pretaxatiegeschil: vraag om inlichtingen aan buitenlandse fiscus en financiële instelling buiten normale onderzoekstermijn vereisen voorafgaande kennisgeving ex artikel 333, derde lid WIB 1992”, TFR 2014, afl. 462, 494.

• C. Buysse, “Verlenging controletermijn: indiciair tekort kan fraudeaanwijzing zijn”, Fiscoloog 2016, afl. 1476, 1.

Rechtspraak

• Gent 17 december 2013, TFR 2014, afl. 462, 487, noot M.
• Cass. 8 mei 2009, F.07.0113.N, www.monkey.be.
• Cass. 14 oktober 1999, F.98.0102.N, www.monkey.be.Vermeesch.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 15/07/2017 - 09:43
Laatst aangepast op: za, 15/07/2017 - 09:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.