-A +A

Kapitalisatie morele schade vereist niet bewijs dat morele schade in toekomst constant zal blijven

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 27/05/2016
A.R.: 
C.15.0509.F

Degene die door zijn schuld een ander schade heeft berokkend, is verplicht ze te vergoeden en de getroffene heeft, in de regel, recht op de integrale vergoeding van de schade die hij heeft geleden.

De rechter raamt in concreto de schade die door een onrechtmatige daad is veroorzaakt.

De rechter mag de schade naar billijkheid ramen, mits hij de redenen aangeeft waarom hij de door de getroffene voorgestelde berekeningswijze niet kan aannemen en tevens vaststelt dat de schade onmogelijk anders kan worden bepaald.

Hoewel de getroffene van een onrechtmatige daad zijn schade hoort aan te tonen, dient hij niet, wanneer hij voorstelt zijn blijvende morele schade te berekenen door de kapitalisatie van een forfaitaire dagbasis, aan te tonen dat die schade in de toekomst constant zal blijven. Sommige auteurs, die steunen op de verplichting voor de getroffene om het bestaan van zijn schade en het quantum ervan te bewijzen, zijn van oordeel dat die getroffene de rechtlijnigheid en het terugkeren van zijn blijvende schade moet aantonen wanneer hij vordert dat een forfaitaire basis wordt gekapitaliseerd om de vergoeding van zijn schade te berekenen.

Die bewering komt voort uit een verwarring tussen de raming van de schade en de berekening van de vergoeding. De kapitalisatie is geen ramingstechniek; het is gewoon een berekeningswijze van de vergoeding.

De getroffene moet enkel zijn blijvende schade aantonen en indien zulks het geval is, wordt de schade verondersteld niet te veranderen, behoudens bewijs van het tegendeel.

Het is trouwens tegenstrijdig de kapitalisatie te weigeren om reden dat de grondslag in de loop van de tijd kan veranderen wegens een zogenaamde gewenning (morele schade) of eventuele wijzigingen van de gezinstoestand (huishoudschade), en ze te vergoeden door een allesomvattend forfait precies alsof die schade constant bleef tijdens de gehele vergoede periode.

De kapitalisatie (of beter de geïndexeerde rente wanneer ze wordt gevorderd) biedt uitgerekend de mogelijkheid om rekening te houden met eventuele toekomstige wijzingen van de schade (

Hoewel de getroffene van een onrechtmatige daad zijn schade hoort aan te tonen, dient hij niet, wanneer hij voorstelt zijn blijvende huishoudschade te berekenen door de kapitalisatie van een forfaitaire dagbasis, aan te tonen dat die schade in de toekomst constant zal blijven 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1703
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.15.0509.F

L. C.,

tegen

AXA BELGIUM nv,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Luxemburg van 5 januari 2015.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Derde onderdeel

Degene die door zijn schuld een ander schade heeft berokkend, is verplicht ze te vergoeden en de getroffene heeft, in de regel, recht op de integrale vergoeding van de schade die hij heeft geleden.

De rechter raamt in concreto de schade die door een onrechtmatige daad is ver-oorzaakt.

Hij mag de schade naar billijkheid ramen, mits hij de redenen aangeeft waarom hij de door de getroffene voorgestelde berekeningswijze niet kan aannemen en tevens vaststelt dat de schade onmogelijk anders kan worden bepaald.

Hoewel de getroffene van een onrechtmatige daad zijn schade hoort aan te tonen, dient hij niet, wanneer hij voorstelt zijn blijvende morele schade te berekenen door de kapitalisatie van een forfaitaire dagbasis, aan te tonen dat die schade in de toekomst constant zal blijven.

De eiseres vorderde in haar conclusie in eerste aanleg, voor de blijvende morele schade voor de periode van 1 oktober 2005 tot 28 februari 2014, 3.073 dagen × 25 euro × 20 pct., zijnde 15.365 euro, en, voor de toekomstige morele schade na 1 maart 2014, dat er een kapitalisatie van die schade zou plaatsvinden volgens de formule die zij vermeldde.

In haar appelconclusie vorderde zij de bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, in zoverre hij die vordering inwilligde, en voerde zij daartoe aan "dat het verrassend is dat [de verweerster] oordeelt dat [de eiseres] niet het bewijs levert van het lineaire en constante karakter van haar schade"; dat "de deskundigen van elke partij echter eensgezind een vast en definitief percentage van 20 pct. in aan-merking hebben genomen" en "de blijvende morele schade hebben willen kwantificeren in de vorm van een blijvend gemiddelde dat dus noodzakelijkerwijs de eventuele (maar niet zekere) gewenning van de getroffene aan de schade in aanmerking neemt [...]; dat de eerste rechter bijgevolg en terecht en met de wil om [de eiseres] een billijke vergoeding toe te kennen, toepassing heeft gemaakt van de kapitalisatiemethode, namelijk die welke trouwens voortaan de voorkeur moet krijgen omdat zij de billijkste is, a fortiori wanneer er consolidatie op 20 pct. gebeurt".

Het bestreden vonnis stelt vast dat "[de eiseres] vordert dat haar blijvende morele schade vergoed wordt door de kapitalisatie methode" en "hetzelfde forfait als dat wat werd gekozen voor [de periode] die [...] aan [de consolidatie] voorafgaat" als uitgangspunt te nemen.

Het overweegt dat "de omstandigheid dat de vergoeding van de schade na de consolidatie wordt gegrond op hetzelfde forfait als datgene wat werd gekozen voor wat aan die consolidatie voorafgaat, het vaststaande karakter van de schade veronderstelt, of althans dat de verhouding tussen, enerzijds, de schade vóór de consolidatie en, anderzijds, de schade na de consolidatie bekend moet zijn", dat "[de eiseres] dient aan te tonen dat haar blijvende invaliditeit een schade veroor-zaakt die zich met de verleden schade verhoudt op een wijze die thans al kan wor-den bepaald", dat "het verslag van de deskundigen daaromtrent geen enkele duidelijkheid schept, noch in het voordeel van het blijvend karakter van de hierboven omschreven morele gevolgen, noch in de omgekeerde zin" en dat "niet wordt aangetoond dat de morele schade van [de eiseres] constant is gebleven na de consolidatie en zo zal blijven na dit vonnis, dan wel in een bepaalbare verhouding staat tot de forfaits die werden gekozen voor de periode betreffende de tijdelijke ongeschiktheid", en dat "de vergoeding van de morele schade door een methode die gebaseerd is op een tijdens de periode van de tijdelijke ongeschiktheid gekozen forfait, inzonderheid door een beroep te doen op de kapitalisatie voor de toekomst, bijgevolg niet in aanmerking kan worden genomen omdat die ertoe zou leiden dat haar een deel van de schadeloosstelling wordt toegekend dat niet is aangetoond".

Het bestreden vonnis, dat zonder te ontkennen dat de eiseres aantoont een blijven-de morele schade heeft geleden, om de voornoemde redenen de door de eiseres voorgestelde berekeningswijze weigert, schendt de artikelen 1315 Burgerlijk Wetboek en 870 Gerechtelijk Wetboek.

In zoverre is het onderdeel gegrond.

Tweede middel

Derde onderdeel

Hoewel de getroffene van een onrechtmatige daad zijn schade moet aantonen, dient hij niet, wanneer hij voorstelt de vergoeding van zijn blijvende huishoud-schade te berekenen door de kapitalisatie van een forfaitaire dagbasis, aan te tonen dat die schade in de toekomst constant zal zijn.

De eiseres vorderde in haar conclusie in eerste aanleg, voor de blijvende verleden huishoudschade van 1 oktober 2005 tot 28 februari 2014, 3.073 dagen x 25 euro x 65 pct. x 20 pct., zijnde 9.987,25 euro, en preciseerde daarbij dat zij, voor die pe-riode een kind ten laste had, en, voor de toekomstige huishoudschade na 1 maart 2014, dat er een kapitalisatie van die schade zou plaatsvinden volgens de formule die zij vermeldde, waarbij zij preciseerde dat zij, voor die periode geen kind meer ten laste had.

In haar appelconclusie vorderde zij, op grond van de redenen die zijn weergege-ven in het antwoord op het tweede onderdeel van het eerste middel, de bevestiging van het vonnis van de eerste rechter in zoverre hij die vordering inwilligde.

Het bestreden vonnis overweegt dat "de bepaling van de blijvende huishoudscha-de volgens het voorheen in aanmerking genomen forfait of volgens een forfait dat in een bekende verhouding staat tot met datgene wat voorheen in aanmerking is genomen, impliceert dat de schade een blijvend karakter vertoont of dat de verle-den en de toekomstige schade in een bekende verhouding tot elkaar staan", dat "het aan [de eiseres] staat te bewijzen dat haar huishoudelijke taken een vast-staande plaats in haar leven zullen innemen en dat de samenstelling van haar huidige gezin dezelfde zal zijn tot aan haar dood", dat "zij dat bewijs niet levert" en dat, "aangezien de dagbasis kan evolueren volgens een niet te voorziene ver-houding tot het verleden, haar huishoudschade die het gevolg is van haar blijvende ongeschiktheid, dient te worden vergoed op grond van een allesomvattend forfait, omdat er geen andere, meer objectieve, berekeningsmethode voorhanden is".

Het bestreden vonnis, dat zonder te ontkennen dat de eiseres aantoont een blijven-de huishoudschade te hebben geleden, om de voornoemde redenen de door de eiseres voorgestelde berekeningswijze weigert, schendt de artikelen 1315 Burgerlijk Wetboek en 870 Gerechtelijk Wetboek.

In zoverre is het onderdeel gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de blijvende morele en huishoudschade van de eiseres en over de kosten.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiseres tot een derde van de kosten; houdt de overige kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Luik, zitting houdend in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, en in openbare terechtzitting van 27 mei 2016 uitgesproken 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 18/06/2018 - 15:37
Laatst aangepast op: di, 26/06/2018 - 20:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.