-A +A

landbouwtractor met sleutels achterlaten op terrein maakt geen fout uit

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Kortrijk
Datum van de uitspraak: 
din, 19/06/2007
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
456
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Burgerlijke Rechtbank te Kortrijk

1e Kamer – 19 juni 2007

N. en NV K.V. t/ D., V., S. en T.

1. Feiten

Op 31 mei 2000 waren G.S. (o14 januari 1992) en W.V. (o18 juni 1989) ‘s morgens van school weggelopen.

Op een gegeven ogenblik zagen zij op het veld een tractor met een grasmaaier, eigendom van de heer J.D., staan. W.V. startte deze en bracht G.S. ermee naar huis. Toen W.V. G.S. had afgezet, reed hij een tuinafsluiting, een paar verkeersborden en een weideafsluiting omver. De tractor belandde uiteindelijk in de gracht, waar hij door W.V. met draaiende motor werd achtergelaten.

Bij brief van 8 mei 2001 werd door NV K.V. aan de makelaar van de heer D. een kwitantie gestuurd als voorstel tot minnelijke regeling van het aandeel van hun verzekerde, mevrouw M.N., in het schadegeval voor een bedrag van 885,70 euro (35.729 fr.).

De betreffende kwitantie werd op 11 mei 2001 door de heer D. ondertekend en teruggestuurd.

Bij aangetekende brief van 19 november 2001 verzocht NV K.V. de heer F.V. om een bedrag van 343,80 euro (13.869 fr.) over te schrijven ter minnelijke regeling van het schadegeval.

2. Procedure en bestreden vonnis

Bij dagvaarding betekend op 1 maart 2002 vorderde J.D. dat de ouders van G.S., nl. K.S. en P.T. en van W.V., nl. F.V. en M.N., in hun hoedanigheid van ouders, wettige beheerders over de persoon en de goederen van hun minderjarige zoon en in hun hoedanigheid van burgerlijk aansprakelijken krachtens art. 1384, tweede lid, B.W., solidiair, minstens in solidum of de ene bij gebreke aan de andere, zouden worden veroordeeld tot betaling van de som van 2.157,00 euro, vermeerderd met de interesten en kosten ter vergoeding van de door hem geleden schade ingevolge het ongeval van 31 mei 2000.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 8 juli 2002 is de NV K.V. vrijwillig in het geding tussengekomen. Zij vorderde krachtens art. 1214 B.W. van K.S., P.T. en F.V. de betaling van een bedrag van 221,42 euro, vermeerderd met de interesten, minstens van F.V. een bedrag van 442,85 euro, vermeerderd met de interesten.

Bij conclusies neergelegd ter griffie op 23 januari 2004 herleidde de heer D. de hoofdsom van zijn vordering tot 1.389,51 euro.

Bij vonnis van de Politierechtbank te Kortrijk van 26 oktober 2005 verklaarde de eerste rechter de vordering van de heer D. tegen de heer S. en mevrouw T. ontvankelijk, maar ongegrond en tegen de heer V. en mevrouw N. ontvankelijk en gegrond, zoals herleid in conclusies van de heer D. De tussenvordering van de NV K.V. werd ontvankelijk, maar ongegrond verklaard.

...

4. Beoordeling

4.1. De aansprakelijkheid van G.S. (incidenteel beroep)

De aansprakelijkheid van W.V., die als bestuurder op de tractor heeft plaatsgenomen en G.S. naar huis zou brengen, staat buiten kijf en wordt overigens door de appellanten niet betwist.

Uit geen enkel element in het strafdossier blijkt dat G.S. zelf enig initiatief nam om de tractor te ontvreemden.

G.S. verklaarde: «(...). W. startte deze tractor en kwam naar mij gereden en hij zegde dat ik moe was en dat hij me naar huis zou voeren. Ik ben dan meegereden met W., die me tot aan de hoek van de straat bracht. Ik stapte daar af. Ik heb dan gezien dat W. daar draaide en alles omreed; ik ben dan vlug naar huis gegaan».

W.V. verklaarde: «(...). We vertrokken en zagen op het veld een andere landbouwtractor met een grasmaaier eraan. We begaven ons tot bij die tractor. De sleutels staken op het contact en aldus kon ik deze starten. Ik bracht G. naar zijn woning. Toen G. was afgestapt, diende ik terug te keren. Ik draaide aldaar op de openbare weg en haperde met de maaimachine aan een afsluiting in hout, aldaar. Ik reed verder weg; ik zou de tractor terugbrengen. Ik heb op de terugweg nog enkele afspanningspalen geraakt en reed tevens over de silo met veevoeder en kwam nadien terecht in de gracht. Ik liet de tractor draaiende en liep weg. (...)».

Uit deze verklaringen blijkt duidelijk dat W.V. het initiatief nam om met de tractor weg te rijden en dat G.S. louter als passagier is meegereden en op geen enkel ogenblik de tractor zelf heeft bestuurd.

Evenmin blijkt uit enig element dat G.S. samen met W.V. een plan zou hebben gesmeed om samen de tractor te ontvreemden, noch dat G.S. W.V. zou hebben aangespoord om zulks te doen.

De rechtbank is het eens met de eerste rechter in zoverre deze oordeelde dat het louter meerijden met de tractor niet als een daad van mededaderschap of medeplichtigheid bij de gebruiksdiefstal kan worden beschouwd.

Volkomen terecht oordeelde de eerste rechter verder dat het schadegeval zich pas voordeed toen G.S. reeds was afgestapt en dat deze schade louter werd veroorzaakt door de gebrekkige rijstijl en de stuurfouten van W.V.

Ook in beroep wordt aldus geen enkele fout, noch objectieve onrechtmatige daad in oorzakelijk verband met de schade van G.S. bewezen.

Het incidenteel beroep is niet gegrond.

4.2. De eigen fout van de heer J.D. (principaal hoger beroep)

Mevrouw N. en de NV K.V. zijn van oordeel dat de heer D. zelf een fout heeft begaan in oorzakelijk verband met het ongeval, doordat hij zijn tractor onbeheerd heeft achtergelaten, met de sleutels op het contact. Zij achten hem hiervoor zelf voor de helft aansprakelijk voor de door hem geleden schade.

De vraag rijst of de handelwijze van de heer D. strookt met die van een normaal voorzichtig en vooruitziend landbouwer geplaatst in dezelfde omstandigheden.

De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend beantwoord moet worden.

Er kan de heer D. niet de minste fout of onzorgvuldigheid worden verweten omdat hij op klaarlichte dag op privaat terrein zijn tractor liet staan met de sleutels op het contact. De heer D. moest er zich hoegenaamd niet aan verwachten dat iemand zijn veld zou betreden en er met zijn tractor vandoor zou gaan.

Het principaal hoger beroep is op dit punt ongegrond.

4.3. De door de heer D. ondertekende kwitantie

4.3.1. Volgens mevrouw N. en de NV K.V. zouden hun stukken 2 (regelingsvoorstel met samenstelling van het aangeboden bedrag) en 3 (kwitantie van schadevergoeding) een dading vormen.

Deze stelling kan niet worden gevolgd, omdat een essentieel kenmerk opdat van een dading sprake zou kunnen zijn, nl. het beëindigen van een geschil door middel van toegevingen (zie B. Tilleman, I. Claeys, C. Coudron en K. Loontjens, Dading, in A.P.R., 2000, nr. 2, p. 5), niet voorhanden is.

Uit geen enkel element blijkt immers waarin de toegeving uitgaande van de NV K.V. zou bestaan.

De loutere bewering van de NV K.V. dat zij afzag van elke discussie betreffende de door de heer D. opgegeven schadeomvang, kan bezwaarlijk gelden als bewijs van een «toegeving» van de NV K.V. Alle in het regelingsvoorstel vermelde schadeposten werden door de heer D. gestaafd met de nodige stukken, zodat deze bedragen voor weinig tot geen discussie vatbaar waren.

Het stuk 3 van mevrouw N. en de NV K.V. betreft aldus zonder twijfel een kwitantie ter finale afrekening in de zin van art. 84 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst (hierna afgekort: W.L.V.O.).

4.3.2. Een dergelijke kwitantie betekent voor de benadeelde niet dat hij van zijn rechten afziet (art. 84, eerste lid, W.L.V.O.).

Een kwitantie ter finale afrekening moet de elementen van de schade vermelden waarop die afrekening slaat (art. 84, tweede lid, W.L.V.O.).

Wat deze laatste bepaling betreft, volgt de rechtbank het standpunt van A. De Boeck die betoogt dat, hoewel de wetgever niet heeft bepaald hoe nauwkeurig die schade-elementen in de kwitantie dienen te worden vermeld, een summiere en algemene, vage formulering in elk geval niet aan het wettelijk vereiste beantwoordt. Het omgekeerde aanvaarden zou inderdaad afbreuk doen aan de ratio legis, die een dwingende bescherming tegen wanpraktijken beoogt (zie en vergelijk: A. De Boeck, «De kwitantie ter afrekening van artikel 84 Landverzekeringswet en de dading: verwarrende varianten of toch niet? Bedenkingen n.a.v. Cass. 19 september 2001», T.B.B.R. 2006, p. 59, nr. 8).

In de door de heer D. ondertekende kwitantie worden de elementen van de schade als volgt omschreven: tot eindvereffening van alle rekeningen over schadeloosstelling, d.w.z. ter vergoeding van de stoffelijke schade, inbegrepen geld- en tijdverlies, zowel rechtstreekse als onrechtstreekse en tot dekking van alle te voorziene en niet te voorziene schadelijke gevolgen voortspruitend uit het in de rand aangeduide schadegeval.

De voormelde omschrijving betreft duidelijk een algemene typeformulering en beantwoordt geenszins aan het vereiste zoals gesteld in art. 84, tweede lid, W.L.V.O.

Deze formulering was nog bijkomend misleidend voor de heer D., omdat deze kwitantie werd verstuurd samen met een begeleidend schrijven, waarin enkel melding werd gemaakt van een vergoeding van schade aan de tractor, schade aan de maaier, slepen en loonwerk, en er geen sprake was van de vergoeding van de BTW op de tractorschade en de dervingsvergoeding.

De BTW vormt onmiskenbaar een afzonderlijke schadepost, naast de voertuigschade, wat duidelijk blijkt uit het expertiseverslag, waarin de tractorschade exclusief BTW werd begroot.

Evenmin kan worden aangenomen dat de gevorderde dervingsvergoeding zou zijn vervat in het gedane loonwerk: de herstellingsduur werd geraamd op 1,5 dagen en de wachttijd op 2 dagen, zijnde in totaal 3,5 dagen, terwijl het maaiwerk slechts 2,3/4 uur behelsde. De gevorderde dervingsvergoeding vormt een aparte schadepost, namelijk een forfaitaire begroting van de schade geleden doordat de tractor gedurende 3,5 dagen niet kon worden gebruikt op het landbouwbedrijf.

4.3.3. Ten slotte dient de eerste rechter ook te worden bijgevallen in zoverre zij oordeelde dat mevrouw N. in alle geval nog tot vergoeding gehouden bleef in haar hoedanigheid van ouder, wettig beheerder over de persoon en de goederen van haar minderjarige zoon W.V., namelijk op grond van art. 1382 B.W., gelet op de opzettelijke persoonlijke fout van de bijna elfjarige W.V., waarvoor in principe geen dekking wordt verleend, wat door de appellanten niet wordt ontkracht, omdat zij geen enkel relevant stuk neerleggen ter weerlegging van het feit dat de opzettelijke fout van de minderjarige niet wordt gedekt.

4.3.4. Gelet op al het bovenstaande is het principaal hoger beroep eveneens op dit punt ongegrond.

4.4. De tussenvordering van de NV K.V. tegen F.V.

Ook wat deze vordering betreft oordeelde de eerste rechter op pertinente en oordeelkundige wijze dat de NV K.V. niet gerechtigd is de helft van de door haar gedane betaling terug te vorderen van de heer F.V., omdat de NV K.V. die de burgerlijke aansprakelijkheidsverzekeraar van mevrouw N. is, uitdrukkelijk vermeldde in de begeleidende brief bij de toegestuurde kwitantie dat dit een voorstel tot minnelijke regeling betrof van het aandeel van haar verzekerde in het schadegeval, terwijl art. 1214 B.W. enkel betrekking heeft op de medeschuldenaar van een hoofdelijke schuld, die de gehele schuld voldaan heeft, wat in casu duidelijk niet het geval was.

Het bestreden vonnis wordt bevestigd in al zijn beschikkingen.
 

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 07/11/2009 - 21:35
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 17:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.