-A +A

Leiding van het geschil door de verzekering bij belangenconflict met verzekerde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
woe, 04/12/2013
A.R.: 
C.12.0128.N

Wanneer een van de aansprakelijkheidsgronden waarop de verzekerde, als CMR vervoerder, door de benadeelde wordt aangesproken niet gedekt is door de polis, vallen de belangen van de verzekeraar en van de verzekerde in zoverre niet samen en heeft de verzekeraar niet het recht om, in de plaats van de verzekerde, de vordering van de benadeelde te bestrijden (1). (1) Zie concl. O.M.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
750
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.12.0128.N

ZEEMAR nv, met zetel te 8380 Zeebrugge, Koggestraat 21,

eiseres,



tegen

1. AXA BELGIUM nv, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 25,

2. HDI GERLING VERZEKERINGEN nv, met zetel te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Tervurenlaan 273, bus 1,

verweersters,

 

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te van Ant-werpen van 12 september 2011.



II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eiseres voert een middel aan.



Geschonden wetsbepalingen

- artikel 79, eerste lid en tweede lid, van de Wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst;

- artikel 1134, derde lid, Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 823 en 824 Gerechtelijk Wetboek;

- het algemeen rechtsbeginsel inzake de goede trouw bij de uitvoering van overeenkomsten of het verbod van rechtsmisbruik;

- het algemeen rechtsbeginsel inzake afstand van recht.



Aangevochten beslissing en motieven

Het hoger beroep van eiseres ongegrond verklarend en het eerste vonnis bevestigend, verwerpt het bestreden arrest de door eiseres tegen verweerster ingestelde vordering strekkende tot dekking van het schadegeval door betaling van de bedragen die eiseres als schadevergoeding aan M betaalde, en dit om volgende redenen:



"C. Over de leiding van het geding en de (vermeende) schijn van dekking

1. [De eiseres] verdedigt verder dat [de verweersters] minstens niet meer gerechtigd zijn zich op een niet-dekking onder de verzekeringspolis te beroepen gezien zij minstens een schijn van dekking hebben geschapen, zodat zij vervallen zijn van het recht om de afwezigheid van dekking in te roepen.



Dit blijkt volgens [de eiseres] uit de volgende elementen:



[De verweersters] hebben onder de aansprakelijkheidspolis de leiding van het geding genomen in de zin van artikel 79 Wet op Landverzekeringsovereenkomst van 25 juni 1992 (hierna WLVO). De leiding van het geding komt volgens [de eiseres] slechts aan de verzekeraars toe op voorwaarde dat de belangen van de verzekeraar en de verzekerde samenvallen. Van een gedeelde of gezamenlijke leiding van het geding is volgens [de eiseres] geen sprake, nu de gebruikelijke raadsman van [de eerste verweerster] werd aangesteld die op zijn beurt een Engelse raadsman inschakelde.



Het zeer algemeen geformuleerde voorbehoud bij schrijven d.d. 31 december 1997 vanwege de verzekeraars kan volgens [de eiseres] niet als een geldig voorbehoud aanzien worden gezien het een louter inhoudsloos voorbehoud betreft waaraan geen enkele waarde kan gehecht worden.



Het gebrek aan dekking werd volgens [de eiseres] niet tijdig ingeroepen nu voor het eerst op 9 november 2000 de dekking geweigerd werd door [de eerste verweerster], en dit na het vonnis van 27 december 2000, terwijl de aangifte reeds gedaan werd op 26 december 1997.



In het eerste advies van 28 januari 1998 van de raadsman van de verzekeraars werd reeds vermeld en gewaarschuwd dat de kans groot was dat de verzekerde van [de verweersters] als CMR vervoerder zou worden beschouwd. Er werd slechts drie jaar na aangifte voor het eerst beroep gedaan op de niet-dekking, hetgeen volgens [de eiseres] laattijdig is.



[De eiseres] besluit dat de verzekeraars door aldus te handelen de schijn gewekt hebben dat de dekking verworven was.



2. Naar het oordeel van het [hof van beroep] is er van een schijn van dekking in hoofde van [de verweersters] geen sprake noch op grond van de vertrouwensleer, noch op basis van een misbruik van recht noch wegens een schending van de verplichting de overeenkomsten te goeder trouw uit te voeren in toepassing van artikel 1134, derde lid, Burgerlijk Wetboek omwille van de volgende redenen:



Op grond van artikel 79 WLVO (onder de titel leiding van het geschil) is de verzekeraar (wettelijk en contractueel) verplicht om zich achter de verzekerde te stellen van zodra de verzekeraar tot het geven van dekking is gehouden. Terecht stellen [de verweersters] dat de leiding van het geding door de verzekeraar niet alleen de kosten van de advocaat in België maar ook in Engeland diende te dragen.



Overigens heeft de verzekeraar op grond van artikel 79, tweede lid, WLVO ook het recht om het geschil te leiden en om in de plaats van de verzekerde de vordering van de benadeelde te bestrijden. Uit het advies van meester Straatman d.d. 28 januari 1998 en zijn schrijven van 19 september 2000 blijkt dat er (in hoofdorde) geen tegenstrijdige belangen waren tussen [de verweersters] en [de eiseres] in de procedure in Engeland gezien het hoofdverweer gestoeld werd op mogelijke aansprakelijkheidsgronden die onder de polis gedekt waren.

Uit het enkele feit dat [de verweersters] in de Engelse procedure de leiding van het geding op zich genomen hebben kan geenszins een schijn van dekking ingeroepen worden gezien de verzekeraars de plicht hebben om de leiding van het geding te nemen, en dit zelfs indien in welbepaalde omstandigheden en in ondergeschikte orde gewezen werd op een mogelijke aansprakelijkheid als CMR vervoerder die niet onder de dekking van de polis viel.



Door de verplichting om de leiding van het geding waar te nemen, verzaken de verzekeraars [de verweersters] niet aan het recht om op een later tijdstip (nadat zij kennis krijgen van een uitspraak over de verantwoordelijkheid van de verzekerde) om een definitief standpunt in te nemen over de al dan niet dekking onder de polis, temeer daar [de verweersters] in het schrijven van 31 december 1997 voorbehoud nopens de dekking hebben geformuleerd. Alhoewel het een algemeen voorbehoud was, volstond dit (gebruikelijke) voorbehoud in het licht van de gespecialiseerde contractuele wederpartij aan wie het voorbehoud gericht was, Herfurth & Boutmy, verzekeringnemer en verzekeringbemiddelaar van [de eiseres], die de draagwijdte en de betekenis van dit gebruikelijke voorbehoud kent (of geacht wordt te kennen) als professionele makelaar in verzekeringen.



Aan de verzekeraars [de verweersters] kan niet verweten worden dat zij wachten tot zij kennis krijgen van de motivatie van een uitspraak, alvorens over te gaan tot het weigeren van de dekking, ook al verstrijkt er een geruime periode tussen de aangifte en het tijdstip van het weigeren van dekking. Van een laattijdig beroep op het gebrek aan dekking is evenmin sprake.



3. Besluit over C.: louter op basis van het feit dat verzekeraars gedurende jaren de leiding van het geding hebben waargenomen onder de hogervermelde voorwaarden, kan de verzekerde [de eiseres] niet stellen dat zij hoe dan ook recht heeft op dekking onder de polis noch dat [de verweersters] een schijn van dekkingsverlening hebben gewekt en/of verzaakt hebben aan hun recht om dekking te weigeren. Ook op deze grond is [de eiseres] niet gerechtigd [verweersters] in dekking onder de polis aan te spreken."



Grieven



1. Luidens artikel 79, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst is de verzekeraar verplicht zich achter de verzekerde te stellen binnen de grenzen van de dekking, vanaf het ogenblik dat de verzekeraar tot het geven van dekking is gehouden en voor zover deze wordt ingeroepen.



Luidens artikel 79, tweede lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst heeft de verzekeraar het recht om, in de plaats van de verzekerde, de vordering van de benadeelde te bestrijden, ten aanzien van de burgerrechtelijke belangen en in zover de belangen van de verzekeraar en van de verzekerde samenvallen.



Uit de samenhang van beide bepalingen vloeit voort dat van zodra een mogelijke grond van niet-dekking opduikt, met als gevolg een potentieel belangenconflict tussen verzekerde en verzekeraar, de verzekeraar niet alleen geen verplichting, maar ook geen recht heeft om de leiding van het geschil op zich te nemen of verder te zetten, tenzij de verzekerde hiermee akkoord gaat.



Vanaf het bestaan van een potentieel belangenconflict moet de verzekerde in staat gesteld worden om zelf de leiding van het geding te nemen of om met kennis van zaken zijn akkoord te betuigen met de leiding van het geding door de verzekeraar. Die mogelijkheid wordt hem niet geboden door de verzekeraar die zonder uitdrukkelijk voorbehoud, maar slechts onder een algemeen voorbehoud bij het openen van het verzekeringsdossier, de leiding van het geding neemt of verderzet.



2. De verzekeraar die met kennis van een mogelijke grond van niet-dekking, en dus van een potentieel belangenconflict, toch de leiding van het geding neemt of verderzet zonder akkoord van de verzekerde, handelt in strijd met de uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten wanneer hij zich op het einde van het geding precies op die grond van niet-dekking beroept om dekking te weigeren (artikel 79, eerste lid en tweede lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst juncto artikel 1134, derde lid, Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel inzake de uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten of het verbod van rechtsmisbruik).



Minstens wekt de verzekeraar die met kennis van een mogelijke grond van niet-dekking, en dus van een potentieel belangenconflict, toch de leiding van het geding opneemt of verderzet zonder akkoord van de verzekerde, de schijn dat het schadegeval onder de dekking van de polis valt en verzaakt hij aan het recht om zich op de niet-dekking te beroepen (artikel 79, eerste lid en tweede lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst juncto de artikelen 823 en 824 Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel inzake afstand van recht).



3. Tussen partijen was niet betwist en door het bestreden arrest wordt vastgesteld dat:

- reeds in de aangifte van het schadegeval door eiseres op 26 december 1997 melding was gemaakt van het feit dat eiseres door M aangesproken werd als CMR-vervoerder;

- dat de verweersters bij brief van 31 december 1997 meedeelden het verzekeringsdossier onder "het gebruikelijke voorbehoud" te hebben geopend;

- dat de verweersters de leiding van het geschil namen eerst door meester Straatman voor advies aan te stellen en vervolgens door de leiding op zich te nemen van de procedure in Engeland;

- dat meester Straatman in zijn eerste advies van 28 januari 1998 zowel als in zijn brief van 19 september 2000, ondanks de in hoofdorde verdedigde stelling dat de eiseres als commissionair-expediteur of als bewaarnemer was opgetreden, had gewezen op het feit dat er een ernstig risico bestond dat de eiseres aansprakelijk zou worden gesteld als CMR-vervoerder;

- dat de verweersters pas voor het eerst bij brief van 9 november 2000, en dus na het Engelse vonnis van 27 september 2000, aanvoerden dat de aansprakelijkheid als CMR-vervoerder niet door de polis is gedekt.



Het arrest oordeelt dat de verweersters konden wachten tot na het Engelse vonnis alvorens zich op een niet-dekking wegens de aansprakelijkheid van eiseres als CMR-vervoerder te beroepen, ook al hadden zij tot dan de leiding van het geschil genomen zonder ander voorbehoud te maken dan een algemeen "gebruikelijk" voorbehoud bij de opening van het dossier, terwijl zij al van bij de aangifte en zeker door het advies van meester Straatman van 28 januari 1998 op de hoogte waren van het risico dat de eiseres door de Engelse rechter als CMR-vervoerder aansprakelijk zou worden gesteld.



4. Het arrest steunt die beslissing in hoofdorde op het feit dat de leiding van het geschil een verplichting is voor de verzekeraar en bijkomend op het feit dat de leiding van het geschil ook een recht is van de verzekeraar.



Uit het bestreden arrest blijkt dat de appelrechters van oordeel waren dat het enkele bestaan van de mogelijkheid dat de eiseres door de Engelse rechter aansprakelijk zou worden gesteld als CMR-vervoerder (niet gedekt door de polis) geen belangenconflict deed ontstaan tussen eiseres en verweersters, nu het verweer van eiseres in de Engelse procedure in hoofdorde was gesteund op aansprakelijkheidsgronden die wel onder de dekking van de polis vielen (commissionair-expediteur of bewaarnemer). Hierdoor bleven verweersters, volgens het arrest, de plicht (en het recht) hebben om het geding te leiden en hebben zij, door dat te doen, geen schijn van dekking gecreëerd.



Uit het arrest blijkt ook dat de appelrechters van oordeel waren dat door hun verplichting om de leiding van het geding op zich te nemen, de verweersters niet konden verzaken aan hun recht om nog na de uitspraak over de aansprakelijkheid van de eiseres standpunt in te nemen over de al dan niet dekking onder de polis.



Dat verweersters niet aan dit recht hadden verzaakt, bleek volgens de appelrechters bovendien ook uit het voorbehoud van dekking dat zij op 31 december 1997 (bij de opening van het dossier) hadden geformuleerd, ook al was dat voorbehoud een algemeen ("gebruikelijk") voorbehoud.



5. Door zo te oordelen, gaat het bestreden arrest er in de eerste plaats ten onrechte van uit dat de plicht om het geschil te leiden slechts ophoudt te bestaan wanneer de opgedoken grond van niet-dekking niet louter een mogelijkheid maar een realiteit is en dat het recht om het geschil te leiden slechts ophoudt te bestaan wanneer het belangenconflict door de opgedoken grond van niet-dekking niet louter een potentieel maar een reëel conflict is. Hiermee schendt het bestreden arrest artikel 79, eerste lid en tweede lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst.



Door zo te oordelen, gaat het arrest er eveneens aan voorbij dat het volstaat dat de verzekeraar kennis heeft van een mogelijke grond van niet-dekking of van een potentieel belangenconflict, opdat hij niet meer te goeder trouw zou optreden of misbruik van recht zou plegen wanneer hij desondanks toch de leiding van het geding op zich neemt of verder zet zonder akkoord van de verzekerde. Bovenop artikel 79, eerste lid en tweede lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst, schendt het arrest dus ook artikel 1134, derde lid, Burgerlijk Wetboek en het daarin uitgedrukte algemeen rechtsbeginsel inzake de uitvoering te goede trouw van overeenkomsten of het verbod van rechtsmisbruik.



Door zo te oordelen, gaat het bestreden arrest er tenslotte ook ten onrechte van uit dat het voor de verzekeraar volstaat om een algemeen voorbehoud te maken bij de opening van het verzekeringsdossier of bij de aanvang van het geschil, opdat hij geen schijn van dekking zou creëren of niet aan zijn recht op niet-dekking zou verzaken door het geschil te blijven leiden, ook niet wanneer ondertussen een mogelijke grond van niet-dekking en dus een potentieel belangenconflict is opgedoken of versterkt.



Bovenop artikel 79, eerste lid en tweede lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst, schendt het bestreden arrest hierdoor ook de artikelen 823 en 824 Gerechtelijk Wetboek en het daarin uitgedrukte algemeen rechtsbeginsel inzake afstand van recht.



III. BESLISSING VAN HET HOF



Beoordeling



Middel



Ontvankelijkheid



1. De verweersters werpen een grond van niet-ontvankelijkheid van het middel op: de door de eiseres aangevoerde schending van artikel 79 Wet Landverzeke-ringsovereenkomst, al zou die gegrond zijn, kan niet tot cassatie leiden, gelet op de niet-bestreden beslissing van de appelrechters dat het feit dat de verzekeraars gedurende jaren het geschil hebben geleid, hoe dan ook geen recht op dekking kan meebrengen.



2. Die beslissing van de appelrechters wordt door de eiseres wel betwist en is daarenboven gegrond op het eveneens betwist oordeel van de appelrechters dat de verzekeraars het recht en de plicht hadden het geding te leiden ook al werd in on-dergeschikte orde verwezen naar een mogelijke aansprakelijkheid van de eiseres als CMR-vervoerder die niet onder de dekking van de polis viel.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.



Gegrondheid



3. Artikel 79, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de verzekeraar verplicht is zich achter de verzekerde te stellen binnen de grenzen van de dekking, vanaf het ogenblik dat hij tot het geven van dekking is gehouden en voor zover deze wordt ingeroepen.



Artikel 79, tweede lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat, ten aan-zien van de burgerrechtelijke belangen en in zover de belangen van de verzekeraar en van de verzekerde samenvallen, de verzekeraar het recht heeft om, in de plaats van de verzekerde, de vordering van de benadeelde te bestrijden.



4. Wanneer een van de aansprakelijkheidsgronden waarop de verzekerde door de benadeelde wordt aangesproken niet gedekt is door de polis, vallen de belan-gen van de verzekeraar en van de verzekerde in zoverre niet samen en heeft de verzekeraar niet het recht om, in de plaats van de verzekerde, de vordering van de benadeelde te bestrijden.



5. De appelrechters die oordelen dat er geen tegenstrijdige belangen waren tus-sen de verweersters en de eiseres omdat de vordering van de benadeelde in hoofd-orde gesteund was op mogelijke aansprakelijkheidsgronden die onder de dekking van de polis vielen en dat de verweersters als verzekeraars de plicht hadden de leiding van het geding te nemen, zelfs indien de benadeelde zich in ondergeschik-te orde beriep op een mogelijke aansprakelijkheid van de eiseres als CMR-vervoerder die niet onder de dekking van de polis viel, schenden artikel 79, twee-de lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst.



Het middel is gegrond.



Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer


C.12.0128.N

Conclusie van procureur-generaal J.F. LECLERCQ.



1. De verweersters werpen een grond van niet-ontvankelijkheid van het enige middel op.



Ik ben van mening dat de grond van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aangenomen.



De appelrechters oordelen dat de eiseres, louter op basis van het feit dat de verweersters gedurende jaren de leiding van het geding hebben waargenomen, niet kan stellen dat de verweersters een schijn van dekking hebben verleend en/of verzaakt hebben aan hun recht om dekking te weigeren.



Het middel dat deze beslissing bekritiseert, kan, indien het gegrond is, tot cassatie leiden.



2. Ik adviseer dat het enige middel gegrond is.



Aanleiding van het geschil is een diefstal van 33 paletten videorecorders uit de hangars van de eiseres in de haven van Zeebrugge.



Uit artikel 79, eerste en tweede lid, van de wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst, volgt dat wanneer een van de aansprakelijkheidsgronden waarop de verzekerde, als CMR vervoerder, door de benadeelde wordt aangesproken niet gedekt is door de polis, de belangen van de verzekeraar en van de verzekerde in zoverre niet samenvallen en de verzekeraar niet het recht heeft om, in de plaats van de verzekerde, de vordering van de benadeelde te bestrijden. (Art. 79, eerste en tweede lid, Wet Landverzekerings-overeenkomst).



De appelrechters die anders oordelen, schenden het voornoemde artikel 79.



3. In dit geval heeft de verzekeraar er belang bij dat de verzekerde ofwel in het geheel niet aansprakelijk wordt gesteld (in zoverre vallen zijn belangen samen met die van de verzekerde), ofwel aansprakelijk wordt gesteld op de niet gedekte aansprakelijkheidsgrond (in zoverre is er een belangenconflict tussen hen).

Het gaat om een reëel belangenconflict. Het gevaar bestaat immers dat de verzekeraar zijn verweer vooral concentreert op de gedekte aansprakelijkheidsgronden en de verdediging van de verzekerde m.b.t. de niet-gedekte aansprakelijkheidsgrond verwaarloost (zie V. CALLEWAERT, "La direction du procès par l'assureur de responsabilité: questions choisies", in Liber amicorum Jean-Luc Fagnart, 2008, 398-399. Deze auteur geeft als voorbeeld van een belangenconflict in de zin van artikel 79 Wet Landverzekeringsovereenkomst onder meer het geval waarin de vordering van het slachtoffer het dekkingsplafond overschrijdt. Ook in dat geval vallen de belangen van de verzekeraar en de verzekerde weliswaar gedeeltelijk samen, aangezien zij er allebei belang bij hebben dat de verzekerde niet aansprakelijk wordt gesteld, maar is er ook gedeeltelijk een belangenconflict, aangezien alleen de verzekerde er belang bij heeft dat de schadevergoeding niet het dekkingsplafond overschrijdt).



De omstandigheid dat de afloop van het geding bepalend is om uit te maken of de verzekeraar dekking verschuldigd is, neemt niet weg dat er in de voorliggende situatie een reëel belangenconflict is met betrekking tot de leiding van het geschil. Van zodra de verzekeraar er weet van had dat zijn verzekerde door de benadeelde (ook) werd aangesproken op basis van een niet-gedekte aansprakelijkheids-grond, had hij de verzekerde dan ook moeten uitnodigen om zich door een eigen advocaat naar keuze te laten verdedigen. De honoraria en kosten van die advocaat moeten door de verzekeraar gedragen worden, zelfs boven de dekkingsgrenzen, voor zover die kosten niet onredelijk zijn gemaakt (art. 82, derde lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst).



Wanneer de verzekeraar, niettegenstaande hij op de hoogte is van de omstandigheid dat er mogelijk een grond tot weigering van de dekking is, de leiding van het geschil neemt en zich na afloop daarvan daadwerkelijk op die weigeringsgrond beroept, kan het gedrag van de verzekeraar beschouwd worden als zijnde in strijd met het principe van de uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten (art. 1134, derde lid, BW).

Dit kan tot gevolg hebben dat de verzekeraar het recht verliest om de dekking te weigeren (zie V. CALLEWAERT, l.c., p. 408).

De formulering door de verzekeraar van een algemeen en gebruikelijk voorbehoud ten aanzien van de verzekerde, doet daaraan niet af.



Tot slot nog dit: de memorie van antwoord stelt, met verwijzing naar Marcel Fontaine, Verzekeringsrecht, 2011, nr. 687: "Artikel 79 houdt in dat de verzekeraar de verdediging moet opnemen in de gevallen waarin zijn waarborg waarschijnlijk verschuldigd is indien de aansprakelijkheid van de verzekerde zou komen vast te staan".

Volgens mij, is de betrokken zin uit het werk van Fontaine echter uit zijn context gelicht. Fontaine schrijft dit namelijk m.b.t. de in artikel 79, eerste lid, bepaalde verplichting van de verzekeraar om het op te nemen van zijn verzekerde "vanaf het ogenblik dat hij tot verlenen van dekking is gehouden en voor zover deze wordt ingeroepen".



Hij schrijft hierover: "Men mag het eerste lid van die bepaling niet letterlijk nemen, vermits de schuld van de verzekeraar slechts zal vaststaan na afloop van het geding waarvan hij juist de leiding zal nemen, zonder twijfel moet men hieronder verstaan dat de verzekeraar de verdediging moet opnemen in de gevallen waarin zijn waarborg waarschijnlijk verschuldigd is indien de aansprakelijkheid van de verzekerde zou komen vast te staan". De door de memorie van antwoord aangehaalde tekst heeft dus, volgens mij, geen betrekking op het recht van de verzekeraar om de leiding van het geschil te nemen, neergelegd in artikel 79, tweede lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst (door Fontaine behandeld in nrs. 713-722).



Conclusie: vernietiging.



 

Noot: 

Art. 9 Wet Landverzekeringsovereenkomst is ongewijzigd overgenomen in art. 143 van de Verzekeringswet van 4 april 2014.

Rechtsleer:

• Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] HEIRMAN, Glenn; Noot 'De leiding van het geschil door de aansprakelijkheidsverzekeraar (art. 79 WLVO): draagwijdte en gevolgen van belangenconflicten' 2014, nr. 11, p. 740-757.

Rechtspraak:

• Antwerpen 31/01/2018, NJW 2018, 542

Samenvatting:

Wanneer de verzekeraar in een geschrift de aansprakelijkheid van zijn verzekerde erkent, kan deze erkenning van aansprakelijkheid geen nadeel toebrengen aan de verzekerde (art. 143 lid 3 W.Verz.).

De verzekerde kan in dit geval nog steeds zijn aansprakelijkheid betwisten, zonder dat de erkening va de aansprakelijkheid door de verzekering tegen de verzekerde kan worden aangewend.

In deze situatie vallen de belangen van de verzekeraar en de verzekerde niet samen, en verliest de verzekeraar het recht het geschil te leiden (art. 143 lid 2 W.Verz.).

De verzekerde is dus niet gebonden door de aanvaarding van aansprakelijkheid door de verzekeraar.

Een glibberige vloer is op zich geen gebrek in de zin van artikel 1384 lid 1 BW en kan slechts een fout in de zin van artikel 1382 BW uitmaken indien een concrete fout wordt bewezen.

Tekst arrest

A.Z. H.F. VZW, [ ... ] appelante, [ ... ]

tegen

C.V.I., [ ... ] geïntimeerde,

[ ... ]

DE ANTECEDENTEN EN DE VORDERINGEN

1. Het voorwerp van de door C.V.I. [ ... ] bij dagvaarding van 7 februari 2012 tegen vzw A.Z. H.F. (hierna "het ziekenhuis" genoemd) ingestelde vordering en de daaraan ten grondslag liggende feiten, werden correct uiteengezet in het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 11 juni 2012 en dit hof verwijst daar naar.

De eerste rechter verklaarde de vordering van C.V.I. ontvankelijk en reeds gegrond voor het provisioneel bedrag van € 5 000,00 en stelde als gerechtsdeskundige dr. C.D.M. aan.

2. Het ziekenhuis heeft met een ter griffie van dit hof op 7 augustus 2014 neergelegd verzoekschrift, hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis en besluit tot de ongegrondheid van de oorspronkelijke vordering van C.V.I. en tot haar veroordeling tot betaling van haar proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

Ondergeschikt vraagt zij de verpleegkundigen en de leden van de poetsdienst onder eed te horen.

Meer ondergeschikt vraagt zij een geneesheer-deskundige aan te stellen om na te gaan op welke wijze C.V.I. ten val is gekomen, na te gaan of de aangestelden van het ziekenhuis, hetzij het ziekenhuis zelf, al dan niet lege arte hebben gehandeld en desgevallend de schade in causaal verband met dit handelen te beschrijven.

3. C.V.I. besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

BEOORDELING

4. C.V.I. stelt dat zij in het ziekenhuis [ ... ] (alwaar zij was opgenomen voor een longontsteking) op 3 november 2009 omstreeks 13.10 uur, toen zij vanuit haar bed naar het toilet wilde gaan, uitgeschoven is over een glibberige substantie op de vloer, waardoor zij ernstig letsel aan haar rechterschouder zou hebben opgelopen. Kort voordien (30-tal minuten) zou er op haar kamer gekuist zijn. Zij voert de aansprakelijkheid van het ziekenhuis aan op basis van artikel 1384, eerste lid B.W., namelijk een gladde of vochtige vloer.

Zij voert in conclusies ook aan "Minstens diende de poetshulp die de kamer reinigde er de nodige aandacht aan te besteden geen poetsmiddel op de vloer te morsen of achter te laten". Zij blijkt zodoende ook de aansprakelijkheid van het ziekenhuis aan te voeren op basis van artikel 1382-1383 B.W.

5. De eerste rechter heeft de aansprakelijkheid van het ziekenhuis aanvaard op basis van de brief van de verzekeraar van het ziekenhuis, A.C.I. nv [ ... ],d.d. 11 oktober 2011 waarin deze stelde "Op basis van de gegevens in ons bezit aanvaarden wij de aansprakelijkheid van onze verzekerde ... " en met verwijzing naar de brief die de raadsman van het ziekenhuis d.d. 6 maart 2012 (verklaring van verschijning) aan de rechtbank had geschreven, waaruit volgens de eerste rechter zou blijken dat hij niet alleen door het ziekenhuis, maar ook door A.C.I. werd geraadpleegd.

6. Terecht stelt het ziekenhuis dat zij nog steeds haar aansprakelijkheid voor onderhavig schadegeval kan betwisten en dat de brief van A.C.I. d.d. 11 oktober 2011 waarin deze stelde: "Op basis van de gegevens in ons bezit aanvaarden wij de aansprakelijkheid van onze verzekerde ... " geen nadeel aan haar kan toebrengen (artikel 143, derde lid, Wet Verz.).

Onterecht verwees de eerste rechter bovendien naar de verklaring van verschijning d.d. 6 maart 2012 van de raadsman van het ziekenhuis, die enkel in zijn hoofding "A.C.!." vermeldt, maar waar uit de inhoud blijkt dat het ziekenhuis de vordering van C.V.I. betwist.

Onterecht verwijst C.V.I. ook naar de bepalingen in de Verzekeringswet met betrekking tot de leiding van het geschil, nu de verzekeraar kennelijk een ander standpunt dan haar verzekerde heeft ingenomen, zodat bezwaarlijk nog sprake kan zijn dat de verzekeraar de leiding van het geschil in deze procedure heeft opgenomen (artikel 143 Verz.W.).

Het op zich nemen van de leiding van het geschil is inderdaad een verplichting van de verzekeraar (artikel 143 Verz.W.), maar dit recht op leiding van het geschil speelt slechts in zover de belangen van de verzekeraar met de verzekerde samenvallen, wat ten deze niet het geval is nu de verzekeraar de aansprakelijkheid van de verzekerde heeft erkend en de verzekerde haar aansprakelijkheid betwist, zodat in dergelijk geval de verzekeraar het recht om het geschil te leiden verliest.

7. Het ziekenhuis betwist de feiten. Het komt toe aan C.V.I., die de aansprakelijkheid van het ziekenhuis voorhoudt, om deze feiten te bewijzen (artikel 1315, eerste lid B.W. en art. 870 Ger.W.), alsook een fout van het ziekenhuis of haar aangestelde (art. 1382 - 1383 B.W.), hetzij een gebrek van de vloer (art. 1384, eerste lid B.W.).

Het hof oordeelt dat C.V.I. niet slaagt in deze bewijslast en dit op grond van de volgende motieven:



- Er waren geen getuigen van de val en/of van de abnormale glibberige toestand van de vloer. De feiten worden aangevoerd op basis van de eenzijdige verklaring van C.V.I. De omstandigheden waaronder de val gebeurde werden door niemand gezien.

- Uit de voorgebrachte verklaring van de dienstverantwoordelijke Schoonmaak van het ziekenhuis d.d. 17 maart 2010 blijkt daarentegen dat de normale gehanteerde werkwijze van het kuisen van de vloer in een ziekenhuis geschiedt met een voorafgaandelijk klaargemaakt kuismiddel waarbij het vloerreinigingsmiddel reeds wordt toegebracht aan het water (dus verdund), alsook dat de vloer gedurende maximaal nog 10 minuten na het kuisen ervan vochtig blijft, zodat op basis van deze verklaring uit te sluiten is dat er zich nog een half uur na het kuisen een natte plek zou bevinden, laat staan een glibberige substantie, zoals verklaard door C.V.I.

- De verklaring die is afgelegd door deze verantwoordelijke van de onderhoudsdienst van het ziekenhuis is weliswaar eenzijdig, maar wordt geenszins weerlegd door C.V.I., op wie de bewijslast van de feiten rust. C.V.I. betwist bovendien niet deze procedure op zich zoals beschreven door de verantwoordelijke van de onderhoudsdienst in zijn verklaring d.d. 17 maart 2010, maar beperkt zich met het aanvoeren dat "in casu - in afwijking van de normale procedure - toch teveel water of zeep werd gebruikt zodat er zeepresten achterbleven op de vloer", waarvan zij echter het bewijs niet levert.

- De eigen verklaring van C.V.I. bevat tevens een aantal ongerijmdheden. Volgens de verklaringen van de verpleegkundigen [ ... ] zou zij aangetroffen zijn op 1,5 meter van het nachttafeltje, zonder haar GSM in de hand, niettegenstaande zij had verklaard dat zij niet meer kon rechtstaan na haar val en blijkt zij toch in staat te zijn geweest het nachttafeltje naar zich te hebben toegetrokken, haar GSM (die 90cm hoger lag) van het nachttafeltje te hebben genomen, te hebben getelefoneerd en het tafeltje met erop de GSM in de oorspronkelijke toestand te hebben teruggeplaatst, om dan terug te keren naar haar oorspronkelijke plaats van de val (1,5 meter verder) alwaar de verpleegsters verklaren haar te hebben gevonden.

- Het hof besluit zodoende dat aan het waarheidsgetrouw karakter van C.V.I. over de omstandigheden van haar val kan getwijfeld worden, laat staan dat deze verklaring (als enig bewijs dat wordt aangebracht) afdoende is tot het bewijs van de feiten, zoals door C.V.I. aangevoerd.

- De verklaring van verpleegster V.

"Patiënt is uitgeschoven over natte vloer om naar het toilet te gaan" doet niet anders besluiten, nu het vast staat dat zij zelf de betreffende val niet heeft gezien en deze zin in haar verklaring niet gebaseerd is op eigen vaststellingen, maar zodoende slechts een weergave is van wat C.V.I. aan haar verteld heeft toen ze de kamer binnenkwam. Zij verwijst niet naar eigen vaststellingen die zij heeft gedaan m.b.t. de toestand van de vloer (nat of glibberig).

- C.V.I. doet evenmin desbetreffend een bewijsaanbod. Integendeel, zij verzet zich tegen het bewijsaanbod gedaan door het ziekenhuis, namelijk het horen van de verpleegkundigen onder eed en het bevelen van een deskundigenonderzoek m.b.t. een mogelijk niet "lege arte" handelen van de aangestelden van het ziekenhuis. Het komt nochtans aan C.V.I. - en niet aan het ziekenhuis - toe om het bewijs te leveren van de feiten en van haar schade, in oorzakelijk verband met het schadegeval.

Het hofbesluit dat de feiten, zoals aangevoerd door C.V.I., niet bewezen geraken en zodoende evenmin een fout/onvoorzichtigheid in hoofde van het ziekenhuis, hetzij een gebrek van de vloer.

Het hof wijst de vordering in aansprakelijkheid af.

8. Het hoger beroep van het ziekenhuis is gegrond. Het hof hervormt het bestreden vonnis.

[ ... ]

Marc Kruithof, Kan een verzekerde zijn aansprakelijkheid betwisten indien zijn aansprakelijkheidsverzekeraar deze heeft aanvaard?, NJW 2018, 547

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 04/01/2016 - 17:43
Laatst aangepast op: vr, 29/06/2018 - 15:16

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.