-A +A

Levensverzekering gevolgen van de aanvaarding voor afkoop

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 01/03/2013
A.R.: 
C.12.0307.N

Uit de artikelen 114 en 121 Wet Landverzekeringsovereenkomst volgt dat de aanvaarding de begunstiging onherroepelijk maakt en de verzekeringnemer zijn recht van afkoop na de aanvaarding slechts kan uitoefenen mits toestemming van de begunstigde, ook al heeft deze de begunstiging aanvaard in tweede orde.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.12.0307.N
A.B.,
eiseres,
tegen
PRIVATE ESTATE LIFE, naamloze vennootschap naar Luxemburgs recht, met zetel te 8303 Capellen (Groot-Hertogdom Luxemburg), rue Pafebruch 38,
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 8 februari 2012.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling

1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eise-res voor de appelrechters heeft aangevoerd dat aangezien de rechten van de beide begunstigden slechts eventuele rechten zijn zolang de eiseres niet is vooroverleden vóór de in de polis bepaalde datum waarop de verzekerde som haar zou worden uitbetaald, hun recht op begunstiging nog niet actueel is, zodat artikel 114 Wet Landsverzekeringsovereenkomst niet van toepassing is.

Het middel is in zoverre nieuw en mitsdien niet ontvankelijk.

2. Anders dan waarvan het middel uitgaat, oordelen de appelrechters niet dat de begunstiging in de door de eiseres gesloten levensverzekeringsovereenkomst moet beschouwd worden als een opschortende voorwaarde in de zin van de artikelen 1168, 1169 en 1181 Burgerlijk Wetboek maar wel dat het recht van de subsidiair aangewezen begunstigde op de verzekeringsprestatie overeenkomstig artikel 111 Wet Landverzekeringsovereenkomst afhankelijk is van de dubbele opschortende voorwaarde van overlijden van de verzekerde en overlijden van de hoofdbegunstigde dan wel diens afstand van de begunstiging.

Het middel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.

3. Krachtens artikel 114, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst komt het recht van afkoop van een levensverzekeringsovereenkomst toe aan de verzekeringnemer.

Krachtens artikel 114, tweede lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst is na de aanvaarding van de begunstiging voor de uitoefening van dat recht de toestemming van de begunstigde vereist.

Krachtens artikel 121, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst heeft de be-gunstigde door het enkele feit van zijn aanvaarding recht op de verzekeringspres-taties.

Krachtens artikel 121, tweede lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst wordt dat recht onherroepelijk door de aanvaarding van de begunstiging, onverminderd de herroeping van de schenkingen overeenkomstig de artikelen 953 tot 958 en 1096 Burgerlijk Wetboek en behoudens de toepassing van artikel 111.

4. Hieruit volgt dat de aanvaarding de begunstiging onherroepelijk maakt en de verzekeringnemer zijn recht van afkoop na de aanvaarding slechts kan uitoefenen mits toestemming van de begunstigde, ook al heeft deze de begunstiging aan-vaard in tweede orde.

5. De appelrechters oordelen dat:

- er tussen partijen geen betwisting bestaat dat de levensverzekeringsovereen-komst op de datum van het verzoek tot afkoop, S. als hoofdbegunstigde en B. als subsidiaire begunstigde aanwees;

- evenmin betwist wordt dat de beide begunstigden deze begunstiging hebben aanvaard;

- de begunstiging van B. door diens aanvaarding onherroepelijk is geworden.

6. De appelrechters die op deze gronden oordelen dat de verweerster het ver-zoek van de eiseres tot afkoop van de verzekeringsovereenkomst zonder de toe-stemming van de subsidiaire begunstigde niet konden honoreren, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 742,07 euro en voor de verweerder op 213,49 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, en in openbare rechtszitting van 1 maart 2013 uitgesproken

C.12.0307.N
Conclusie van procureur-generaal J.F. Leclercq:

1. Op 12 mei 2004 sloot eiseres een levensverzekeringsovereenkomst af met de N.V. PANEUROPEÉNNE D'ASSURANCES - VIE, later verweerster.

Het betrof een verzekering met inleg van kapitaal.

De polis wees aanvankelijk de heer F. B. en mevrouw M.-Th. S. aan als begunstigden ingeval van overlijden van de verzekerde.

Op 23 augustus 2004 werd, met akkoord van de partijen en beide begunstigden, de begunstiging gewijzigd in die zin dat mevrouw S. als eerste begunstigde (hierna eerste begunstigde) werd aangewezen ingeval van overlijden van de verzekeringnemer, en, bij vooroverlijden van mevrouw S., de heer B. (hierna tweede begunstigde), en, bij zijn vooroverlijden, de rechthebbenden van eiseres.

Op 7 maart 2005 richtte eiseres aan verweerster het verzoek om een bedrag van 17.500 en van 12.500 euro af te kopen.

Het verzoek werd voor akkoord mede ondertekend door eerste begunstigde.

Het bedrag van 17.500 euro werd door verweerster uitgekeerd.

De betaling van de som van 12.500 euro werd pas uitgevoerd na akkoordverklaring vanwege tweede begunstigde.

Bij brief d.d. 22 januari 2007 richtte eiseres aan verweerster een verzoek tot volledige afkoop van de polis.

De verzekeraar weigerde echter de afkoopsom uit te betalen en verwees hierbij naar het ontbreken van instemming met de afkoop van tweede begunstigde.

Eiseres dagvaardde op 31 december 2008 verweerster voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen in betaling van een bedrag van 747.255,67 euro , vermeerderd met de moratoire interest vanaf 22 januari 2007, met de gerechtelijke interest en met de proceskosten.

In de loop van het geding werd haar vordering uitgebreid met een bijkomende som van 80.000 euro .

Bij vonnis d.d. 16 maart 2010 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen de oorspronkelijke eis van eiseres toelaatbaar doch ongegrond.

Eiseres stelde hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 10 mei 2010.

Bij arrest d.d. 8 februari 2012 verklaarde het appelgerecht het hoger beroep van eiseres ontvankelijk doch ongegrond en bevestigde het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het veroordeelde eiseres tot de kosten in hoger beroep ten bedrage van 11.000 euro .

Het bestreden arrest verwerpt de vordering tot afkoping door eiseres op grond van 114 van de Landverzekeringsovereenkomstwet ingesteld, op grond dat de begunstiging van F. B., door diens aanvaarding, onherroepelijk is geworden, en dat zonder de toestemming van deze partij de verzekeraar het verzoek van [eiseres] tot afkoop niet kon honoreren.

2. Het cassatiemiddel voert de schending aan van de artikelen 1168, 1169 en 1181 van het Burgerlijk Wetboek en 111 en 114 van de Wet van 25 juni 1992 (de Landverzekeringsovereenkomstwet). Het besluit als volgt.

"Door de begunstiging van eerste en tweede begunstigde als een opschortende voorwaarde te beschouwen en daarom artikel 114 van het Burgerlijk Wetboek toe te passen terwijl, zolang eiseres niet is vooroverleden vóór de in de polis aangegeven datum, de respectieve rechten van de begunstigden slechts eventueel zijn en (nog) niet actueel, in de zin van de artikelen 1168 en 1169 van het Burgerlijk Wetboek, noch voorwaardelijk, in de zin van artikel 1181 van het Burgerlijk Wetboek, zodat de toepassingsvoorwaarden van artikel 114 van de Landverzekeringsovereenkomstwet en van de artikelen 1181 van het Burgerlijk Wetboek (nog) niet van toepassing zijn, schendt het aangevochten arrest de artikelen 114 van de Landverzekeringsovereenkomstwet en 1168, 1169 en 1181 van het Burgerlijk Wetboek.

Door te stellen dat er, met betrekking tot tweede begunstigde, op grond van artikel 111 van de Landverzekeringsovereenkomstwet, sprake zou zijn van een "dubbele opschortende voorwaarde" terwijl dit artikel nergens de rechten van de subsidiair begunstigden kwalificeert als een opschortende voorwaarde, geeft het aan dit artikel een draagwijdte dat het niet heeft, zodat het, mitsdien, dit artikel schendt."

3. Ik ben van mening dat het middel niet kan slagen.

Het middel berust vooreerst op een onjuiste lezing van het arrest en mist, in zoverre, feitelijke grondslag.

Anders dan waarvan het middel uitgaat, oordelen de appelrechters immers niet dat de begunstiging in de door de eiseres afgesloten levensverzekeringsovereenkomst moet beschouwd worden als een opschortende voorwaarde in de zin van de artikelen 1168, 1169 en 1181 Burgerlijk Wetboek, maar wel dat het recht van de subsidiair aangewezen begunstigde op de verzekeringsprestatie overeenkomstig artikel 111 Wet Landverzekeringsovereenkomst afhankelijk is van de dubbele opschortende voorwaarde van overlijden van de verzekerde en overlijden van de hoofdbegunstigde dan wel diens afstand van de begunstiging.

4. Voorts stelt het middel de vraag aan de orde te weten of voor de uitoefening van het recht van afkoop van een levensverzekering ook de toestemming vereist is van de begunstigde die in ondergeschikte orde heeft aanvaard.

Dit lijkt mij inderdaad het geval te zijn, zoals beslist door de appelrechters, zodat het middel, in zoverre, niet kan worden aangenomen.

Krachtens artikel 114, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst komt het recht van afkoop van een levensverzekeringsovereenkomst toe aan de verzekeringnemer.

Krachtens het tweede lid is na de aanvaarding van de begunstiging voor de uitoefening van dat recht de toestemming van de begunstigde vereist.

Krachtens artikel 121, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst heeft de begunstigde door het enkele feit van zijn aanvaarding recht op de verzekeringsprestaties.

Krachtens het tweede lid wordt dat recht onherroepelijk door de aanvaarding van de begunstiging, onverminderd de herroeping van de schendingen overeenkomstig de artikelen 953 tot 958 en 1096 Burgerlijk Wetboek en behoudens de toepassing van artikel 111.

Uit deze bepalingen volgt dat de aanvaarding de begunstiging onherroepelijk maakt(1) en de verzekeringnemer zijn recht van afkoop na de aanvaarding slechts kan uitoefenen mits toestemming van de begunstigde, ook al heeft deze de begunstiging aanvaard in tweede orde.

In geval van het overlijden van de begunstigde voor de opeisbaarheid van de verzekeringsprestatie, komt deze toe aan de in ondergeschikte orde aangewezen begunstigde wanneer de verzekerde overlijdt. Slechts wanneer geen begunstigde in tweede orde aanvaard heeft, komt de vergoeding toe aan de verzekeringnemer(2).

De aanvaarding van de begunstiging leidt er aldus toe dat de verzekeringnemer geen aanspraak kan maken op de verzekeringsprestatie wanneer deze opeisbaar wordt. Of hierbij een begunstiging in eerste orde dan wel in tweede orde speelt, is niet van belang. De afkoop houdt noodzakelijkerwijze de herroeping van de begunstiging in(3). Door de afkoop verliest de begunstigde het voordeel van de verzekeringsprestatie waarop hij door de aanvaarding kon rekenen. Dit verlies verantwoordt dat de afkoop slechts mogelijk is met zijn toestemming(4). Ook voor een begunstigde die in tweede rang heeft aanvaard, is dit het geval.

De appelrechters oordelen dat:

- er tussen partijen geen betwisting bestaat dat de levensverzekeringsovereenkomst op de datum van het verzoek tot afkoop M.-Th. S. als (hoofd)begunstigde en F. B. als subsidaire begunstigde aanwees;

- evenmin betwist wordt dat de beide begunstigden deze begunstiging hebben aanvaard;

- de begunstiging van F. B. door diens aanvaarding onherroepelijk is geworden.

De appelrechters die op deze gronden oordelen dat de verweerster het verzoek van de eiseres tot afkoop van de verzekeringsovereenkomst zonder de toestemming van F. B. niet konden honoreren, verantwoorden hun beslissing naar recht.

5. Conclusie: verwerping.
__________________________
(1) M. FONTAINE, Verzekeringsrecht, Larcier 1999, p. 445, nr. 1031.
(2) M. FONTAINE, o.c., p. 441, nr. 1020.
(3) P. COLLE, Handboek bijzonder gereglementeerde verzekeringscontracten, Intersentia 2010, p. 320, nr. 388.
(4) J.-M. BINON, Droit des assurances de personnes, Larcier 2007, p. 167, nr. 236.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 11/09/2017 - 06:22
Laatst aangepast op: ma, 11/09/2017 - 06:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.