-A +A

Loopbaanonderbreking tot de pensioenleeftijd en vervangingsovereenkomsten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 12/03/2018

In een vervangingsovereenkomst van bepaalde duur werd opgenomen dat een werknemer zou worden tewerkgesteld ter vervanging van twee collega's met loopbaanonderbreking. Vervolgens werden verschillende aanvullende vervangingsovereenkomsten gesloten die in totaal een duurtijd van meer dan twee jaar hadden.

Na afloop daarvan vorderde de werknemer een opzeggingsvergoeding.

Aartikel 11ter Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat de identiteit van de vervangen werknemers evenals de reden van de vervanging en de voorwaarden van de indienstneming moeten worden opgenomen in de vervangingsovereenkomst.

Te dezen voldeed een eerste vervangingsovereenkomst aan deze voorwaarden. Daaropvolgende vervangingsovereenkomsten werden omschreven als ·aanhangsel bij de vervangingsovereenkomst' en verwezen naar de oorspronkelijke vervangingsovereenkomst met vermelding dat alle arbeidsvoorwaarden van de oorspronkelijke vervangingsovereenkomst van toepassing blijven.

Het arbeidshof leidde hieruit af dat alle vervangingsovereenkomsten gesloten waren in overeenstemming met de wettelijke vormvereisten, ook al vermelden zij niet expliciet de identiteit van de vervangen werknemers.

Het hof onderzocht verder of de maximumduur van twee jaar voor opeenvolgende vervangingsovereenkomsten werd overschreden dan wel of de door artikel 104 Sociale Herstelwet voorgeschreven uitzondering in geval de vervangen werknemers hun arbeidsprestaties voor bepaalde tijd verminderen, van toepassing iwas

De twee vervangen werknemers hadden beiden om loopbaanonderbreking tot aan de pensioengerechtigde leeftijd gevraagd. Dergelijke arbeidsovereenkomst moet worden beschouwd als een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

Het arbeidshof bevestigde het vonnis van de arbeidsrechtbank en oordeelde dat de vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding ongegrond is. De vervangingsovereenkomsten werden aldus immers gesloten met toepassing van de door artikel 104 Sociale Herstelwet voorgeschreven uitzondering op de maximumduur.

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018
Pagina: 
446
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arbh. Gent 12 maart 2018, NjW 2018, 447.

V.D.C., [ ... ] appellante, [ ... ]

tegen

Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te Zele, [ ... ] geïntimeerde,

[ ... ]

1. DE FEITEN

Op 20 oktober 2011 ondertekenden de partijen een "vervangingsovereenkomst voor bedienden van bepaalde duur", krachtens dewelke de appellante van 24 oktober 2011 tot en met 31 december 2011 in dienst werd genomen "als voltijdse contractuele zorgkundige tijdens de loopbaanhalvering van L.D.M. en vanN.D.".

Deze overeenkomst werd gevolgd door vier identieke overeenkomsten, getiteld "aanhangsel bij de vervangingsovereenkomst als bediende voor bepaalde duur", krachtens dewelke de appellante, "in aansluiting aan de overeenkomst dd. 20 oktober 2011", verder in dienst werd gehouden "als voltijdse contractuele zorgkundige ter vervanging van personeel in loopbaanonderbreking", en wel voor de periodes van 1 januari 2012 tot en met 31 maart 2012, 1 april 2012 tot en met 31 mei 2012, 1 juni 2012 tot en met 31 mei 2013, 1 juni 2013 tot en met 31 december 2013 en 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014.

5. BESPREKING

[ ... ]

5.2. De gegrondheid van het hoger beroep

5.2.1. Artikel llter, § l, tweede tot en met vijfde lid van de Arbeidsovereenkomstenwet luidt als volgt:

"De reden, de identiteit van de vervangen werknemer(s) en de voorwaarden van die indienstneming moeten schriftelijk voor elke werknemer afzonderlijk worden vastgesteld uiterlijk op het tijdstip waarop deze werknemer in dienst treedt. De duur van de overeenkomstig de bepalingen van dit artikel gesloten vervangingsovereenkomst mag niet langer zijn dan twee jaar.

Wanneer de partijen verschillende opeenvolgende vervangingsovereenkomsten hebben gesloten, zonder dat er een onderbreking is, toe te schrijven aan de werknemer, mag de totale duur van die opeenvolgende overeenkomsten niet langer zijn dan twee jaar.

Is er geen geschrift of werd de door het derde en het vierde lid bepaalde termijn van twee jaar overschreden, dan gelden voor die overeenkomst dezelfde voorwaarden als voor de overeenkomst voor onbepaalde tijd.".

Artikel 104 van de Sociale Herstelwet luidt als volgt:

"De werkgever kan de werknemer die geniet van de toepassing van de artikelen 100, 102 en van onderafdeling 3bis vervangen door een werknemer aangeworven met een vervangingsovereenkomst, bepaald bij artikel llter van de wet van 3 juli 1978, voor zover ingeval van toepassing van artikel 102 de wijziging van de arbeidsvoorwaarden niet voor een onbepaalde tijd werd gesloten. In afwijking op dit artikel llter kan, in geval van toepassing van het eerste lid, de duur van de vervangingsovereenkomst twee jaar overschrijden.".

[ ... ]

5.2.2. De partijen zijn het erover eens dat het geschrift dat de partijen op 20 oktober 2011 ondertekenden, alle door de wet verplichte vermeldingen bevat. De appellante betwist dat dit ook het geval is met de overeenkomsten die erop volgden. Zij geeft echter blijkt van een overdreven formalisme. Ook deze geschriften voldoen aan de voorschriften in het tweede lid van artikel llter van de Arbeidsovereenkomstenwet.

Vooreerst dragen zij als titel "aanhangsel bij de vervangings-overeenkomst als bediende voor bepaalde duur", waarna de aanhef duidelijk maakt dat zij werden gesloten "in aansluiting aan de overeenkomst dd. 20 oktober 2011", terwijl artikel 2 stipuleert dat "alle bepalingen van de overeenkomst dd. 20 oktober 2011 ( ... ) verder integraal van toepassing" blijven. Uit één en ander volgt zonneklaar dat "de reden, de identiteit van de vervangen werknemer(s) en de voorwaarden van die indienstneming", zoals in de overeenkomst van 20 oktober 2011 bepaald, ook zouden gelden voor de overeenkomsten die erop volgden.

De partijen waren aldus gedurende de hele periode van tewerkstelling door opeenvolgende vervangingsovereenkomsten verbonden, niet door opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor een bepaalde tijd in de zin van de artikelen 9 tot en met lObis van de Arbeidsovereenkomstenwet.

5.2.3. De periode van twee jaar bepaald in artikel llter, derde en vierde lid van de Arbeids-overeenkomstenwet was op 24 oktober 2013 overschreden. De partijen zullen vanaf deze datum geacht moeten worden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd verbonden te zijn geweest, tenzij de geïntimeerde zich kan beroepen op de bepalingen van artikel 104 van de Sociale Herstelwet.

De vraag is dus of de vervangen werkneemsters hun arbeidsprestaties hadden verminderd "voor onbepaalde tijd", in welk geval de geïntimeerde het tweede lid van artikel 104 niet kan inroepen.

Er weze terloops opgemerkt dat de geïntimeerde de regeling van (inzonderheid) artikel 102 van de Sociale Herstelwet regelmatig op zijn personeel toepasselijk had gemaakt (zie inderdaad artikel 99, zevende lid van de Sociale Herstelwet), wat overigens niet wordt betwist.

Uit de uittreksels uit de notulen van het vast bureau van de geïntimeerde van 6 maart 2000 en 11 april 2005 blijkt dat L.D.M. en N.D., voltijdse poetsvrouwen "in vast dienstverband", om een "loopbaanhalvering (+ 50 jaar) tot de pensioengerechtigde leeftijd" hadden verzocht, en dat dit hen werd toegestaan.

Of de vermelding "tot de pensioengerechtigde leeftijd" van deze gedeeltelijke schorsing er een "voor een bepaalde tijd" maakt, zoals de geïntimeerde voorhoudt, dient niet anders beoordeeld te worden dan, bijvoorbeeld, bij het beantwoorden van de vraag of een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd dan wel voor een bepaalde tijd werd gesloten.

Een arbeidsovereenkomst die wordt gesloten tot de pensioengerechtigde leeftijd, is er een voor een bepaalde tijd (zie I. PLETS, Tijdelijke tewerkstelling door rechtstreekse aanwerving, Gent, Larcier, 2001, 13, nr. 15; W. VAN EECKHOUTTE, Sociaal Compendium Arbeidsrecht. 2016-17, Mechelen, Kluwer, 2017, 708, nr. 1269), want de arbeidsovereenkomst vermeldt een gebeurtenis die zich op een bekende datum zal voordoen (zie Cass. 15 april 1982,JTT 1982, 348, noot M. TAQUET en C. WANTIEZ; Cass. 21 maart 1988, Soc.Kron. 1988, 295, noot).

Dat de beide vervangen poetsvrouwen (behoudens in geval van ontslag, overlijden ... ) op een vooraf bekend ogenblik de pensioengerechtigde leeftijd zouden bereiken, staat vast. Dat die leeftijd op 65 jaar was (en nog is) bepaald, stond evenzeer vast. Anders ware het geweest wanneer de halvering van de arbeidsprestaties zou zijn overeengekomen tot het ogenblik waarop de betrokkenen daadwerkelijk zouden gepensioneerd worden, in welk geval niet kon uitgemaakt worden wanneer zij zou eindigen, nu voor de betrokkenen, afhankelijk van de datum van de effectieve pensionering, mogelijk eerder dan bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar een einde aan de vermindering van de arbeidsprestaties kon komen.

In dit geval zou deze laatste voor onbepaalde tijd zijn overeengekomen ("zonder maximumduur", zoals bepaald in artikel 6 van het KB van 12 december 2001).

Het is anderzijds niet van belang dat de vervangingsovereenkomsten zelf niet stipuleren wanneer de betrokkenen 65 jaar oud zullen worden.

Of voorafgaand of volgend op de door de appellante gesloten vervangingsovereenkomsten nog met anderen soortgelijke overeenkomsten werden gesloten ter vervanging van de dames L.D.M. en N.D., is evenzeer irrelevant (en dat zij niet meteen bij de aanvang van de gedeeltelijke schorsing werden vervangen, of maar gedeeltelijk, dan wel dat de geïntimeerde voor de periode vanaf 1 januari 2015 geen nieuwe vervangingsovereenkomsten zou hebben gesloten, of minstens niet ter vervanging van beide werkneemsters, maakt helemaal geen oneigenlijk gebruik uit van de vervangingsovereenkomsten zoals die met de appellante werden gesloten). Het staat in elk geval vast dat beide poetsvrouwen nog in dienst én in loopbaanonderbreking waren op het ogenblik dat de partijen het laatste aanhangsel ondertekenden.

5.2.4. De eerste rechter heeft de vordering van de appellante terecht als ongegrond afgewezen. Het hoger beroep is ongegrond.

5.2.5. De geïntimeerde houdt voor dat de eerste rechter het bedrag van de rechtsplegings-vergoeding niet correct heeft bepaald. Hij heeft inderdaad een bedrag toegekend dat lager is dan het basisbedrag voor een vordering met een waarde zoals in casu. De eerste rechter heeft echter geen lager bedrag toegekend dan door de geïntimeerde in eerste aanleg was gevorderd. Wat deze laatste thans vraagt, maakt dus geen incidenteel beroep uit. Wél moet het als een nieuwe vordering bestempeld worden, die het arbeidshof gegrond acht.

HET ARBEIDSHOF,

[ ... ]

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

[ ... ]

 

Noot: 

Laura Mylemans, Loopbaanonderbreking tot de pensioenleeftijd en vervangingsovereenkomsten, NJW 2018, 450

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 30/06/2018 - 17:13
Laatst aangepast op: za, 30/06/2018 - 17:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.