-A +A

Ministerieplicht van notaris ondanks gebrek aan provisie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 05/12/2017

Notarissen zijn openbare ambtenaren aangesteld om alle akten en contracten te verlijden waaraan partijen de authenticiteit van overheidsakten moeten of willen doen verlenen, de dagtekening ervan te verzekeren, ze in bewaring te houden en er grossen en uitgiften van af te geven (zie art. 1, eerste lid Wet Notarisambt).

Notarissen zijn (wettelijk) verplicht hun dienst te verlenen wanneer zij daartoe worden verzocht (zie art. 3 Wet Notarisambt).

Ongeacht de aard van hun opdracht (gerechtelijk of niet), staat het notarissen weliswaar vrij om aan de verzoekende partij(en) vooraf een provisie te vragen op hun kosten en erelonen (die pas na de voltooiing van hun taak definitief zullen worden afgerekend). Maar de eventuele weigering van de daartoe aangezochte partij(en) om deze gevraagde provisie te betalen zal, in voorkomend geval, de notaris niet ontslaan van zijn voormelde wettelijke verplichting, zoals vervat in art. 3 van de Wet op het Notarisambt.

Geen enkele (wettelijke of reglementaire) bepaling machtigt de notaris immers om zijn (wettelijk verplichte) medewerking te weigeren als hem geen provisie wordt betaald. Dat laatste is de lege lata (d.w.z. naar actueel geldend recht) nog altijd het geval.

Weliswaar dient de notaris een kwijtschrift af te leveren (onder meer) telkens als hij sommen als provisie ontvangt.  Maar alvast déze (reglementaire) bepaling laat de notarissen niet toe om hun (wettelijk verplichte) tussenkomst te weigeren als hen geen provisie wordt betaald.

Sinds het cassatiearrest van 24 oktober 2002, zijn de notarissen verplicht om, voorafgaandelijk aan het verlijden van om het even welk akte, zich te laten provisioneren voor de aktekosten.

Maar ook deze (zuiver reglementaire) verplichting van latere datum houdt,  géén machtiging in voor notarissen om, indien betaling van de door hen gevraagde provisies wordt geweigerd, zich dan maar (prompt) ontslagen te achten van de hierboven vermelde wettelijke verplichting om hun ambt te verlenen, zoals vervat in art. 3 van de Wet op het Notarisambt. Gelet op de gangbare hiërarchie der normen, kan aan die wettelijke verplichting immers onmogelijk afbreuk worden gedaan door een KB (zie ook art. 159 Gw.), laat staan door een bepaling uit een (louter bij KB bekrachtigd) intern reglement van de eigen beroepsorganisatie van de notarissen zelf (anders, maar volkomen ten onrechte: M. De Clercq,

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1470
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

BVBA P. t/ Cons. K.

...

I. Beoordeling

1. De rechtbank voorziet (enkel) in de vervanging van de (door haar eerder aangestelde) notaris-vereffenaar in geval van weigering of verhindering of indien er omstandigheden zijn die gerechtvaardigde twijfel doen ontstaan over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid (zie art. 1211, § 1, eerste lid Ger.W.).

Tot nader order blijkt evenwel, in de voorliggende zaak, niets van dat alles zich (werkelijk) voor te doen. De notaris-vereffenaar heeft tot dusver immers niet (echt) geweigerd om de (reeds) bij vonnis van 28 april 2015 bevolen gerechtelijke verdeling en veiling tot stand te brengen; alléén dringt hij aan op de (voorafgaande) betaling van een provisie om zijn (eerste) kosten en erelonen te dekken, waarna hij (allicht) wel degelijk bereid zou zijn om de hier bedoelde gerechtelijk opdracht (in het kader van art. 1561 Ger.W.) uit te voeren.

De BVBA P. van haar kant blijkt evenwel, om redenen die haar eigen zijn, niet bereid te zijn om zo’n provisie te betalen. Vandaar de actuele impasse waarin de betrokkenen zich bevinden.

De betwisting die tussen de BVBA P. en de notaris-vereffenaar is gerezen, betreft m.a.w. (louter) de vraag of de BVBA P., als vervolgende schuldeiser en (dus) verzoekende partij inzake de thans lopende gerechtelijke verdeling en veiling, al dan niet verplicht is om (voorafgaandelijk) te voorzien in de provisionering van de notaris-vereffenaar dan wel, omgekeerd, of deze laatste al dan niet gerechtigd is om zijn werkzaamheden op te schorten zolang de door hem gevraagde provisie niet is betaald.

Teneinde de voormelde impasse te doorbreken, ziet de rechtbank zich genoodzaakt om die tussen de BVBA P. en de notaris-vereffenaar gerezen betwisting te onderzoeken, te beoordelen en te beslechten. De rechtbank zal daar meteen toe overgaan (zie verder).

2. Notarissen zijn openbare ambtenaren aangesteld om alle akten en contracten te verlijden waaraan partijen de authenticiteit van overheidsakten moeten of willen doen verlenen, de dagtekening ervan te verzekeren, ze in bewaring te houden en er grossen en uitgiften van af te geven (zie art. 1, eerste lid Wet Notarisambt).

Zoals de BVBA P. terecht beklemtoont, zijn notarissen (wettelijk) verplicht hun dienst te verlenen wanneer zij daartoe worden verzocht (zie art. 3 Wet Notarisambt).

Ongeacht de aard van hun opdracht (gerechtelijk of niet), staat het notarissen weliswaar vrij om aan de verzoekende partij(en) vooraf een provisie te vragen op hun kosten en erelonen (die pas na de voltooiing van hun taak definitief zullen worden afgerekend). Maar de eventuele weigering van de daartoe aangezochte partij(en) om deze gevraagde provisie te betalen zal, in voorkomend geval, de notaris niet ontslaan van zijn voormelde wettelijke verplichting, zoals vervat in art. 3 van de Wet op het Notarisambt. Geen enkele (wettelijke of reglementaire) bepaling machtigt de notaris immers om zijn (wettelijk verplichte) medewerking te weigeren als hem geen provisie wordt betaald (zie o.m.: Cass. 24 oktober 2002, Arr.Cass. 2002, nr. 566, andersluidende conclusie advocaat-generaal X. De Riemaecker, T.Not. 2003, 617, noot M. De Clercq). Dat laatste is de lege lata (d.w.z. naar actueel geldend recht) nog altijd het geval.

Weliswaar dient de notaris een kwijtschrift af te leveren (onder meer) telkens als hij sommen als provisie ontvangt (zie art. 11, eerste lid van het Tarief van de honoraria der notarissen, zoals vastgesteld bij KB van 16 december 1950 houdende het tarief van de honoraria der notarissen (BS 25 december 1950, p. 8998, bijlage), dit in uitvoering van art. 1 van de wet van 31 augustus 1891 «houdende tarifering en invordering van de honoraria der notarissen» (BS 3 september 1891, p. 2613). Maar alvast déze (reglementaire) bepaling laat de notarissen niet toe om hun (wettelijk verplichte) tussenkomst te weigeren als hen geen provisie wordt betaald (zie opnieuw: Cass. 24 oktober 2002, Arr.Cass. 2002, nr. 566, andersluidende conclusie advocaat-generaal X. De Riemaecker, T.Not. 2003, 617, noot M. De Clercq).

Sindsdien, m.a.w. ná het voormelde cassatiearrest van 24 oktober 2002, zijn de notarissen zelfs verplicht geworden om, voorafgaandelijk aan het verlijden van om het even welk akte, zich te laten provisioneren voor de aktekosten (zie art. 10 van het Reglement voor de Organisatie van de notariële boekhouding, zoals goedgekeurd door de algemene vergadering van de Nationale Kamer van notarissen op 9 oktober 2001 en gewijzigd door de algemene vergadering van 22 oktober 2002 én bekrachtigd bij KB van 9 maart 2003 «houdende goedkeuring van de reglementen van de Nationale Kamer van notarissen voor de organisatie van de notariële boekhouding en voor het toezicht op de boekhouding» (BS 1 april 2003, p. 16311), dit in uitvoering van art. 91, eerste lid, 1o en 5o, en tweede lid van de Wet op het Notarisambt.

Maar ook deze (zuiver reglementaire) verplichting van latere datum houdt, naar het oordeel van de rechtbank, géén machtiging in voor notarissen om, indien betaling van de door hen gevraagde provisies wordt geweigerd, zich dan maar (prompt) ontslagen te achten van de hierboven vermelde wettelijke verplichting om hun ambt te verlenen, zoals vervat in art. 3 van de Wet op het Notarisambt. Gelet op de gangbare hiërarchie der normen, kan aan die wettelijke verplichting immers onmogelijk afbreuk worden gedaan door een KB (zie ook art. 159 Gw.), laat staan door een bepaling uit een (louter bij KB bekrachtigd) intern reglement van de eigen beroepsorganisatie van de notarissen zelf (anders, maar volkomen ten onrechte: M. De Clercq, «Mag de notaris zijn ambt weigeren bij gebrek aan provisie?» (noot onder Cass. 24 oktober 2002), T.Not. 2003, (622) 626-627; J.-L. Ledoux, «Les frais honoraires du notaire en matière de saisie-exécution immobilière. Peuvent-ils être réclamés au créancier poursuivant?», Rev.not.b. 1997, (301) 304).

Inmiddels is ook de wetgever opgetreden, meer bepaald (precies) m.b.t. de provisionering van de notarissen-vereffenaars die door de rechtbank zijn aangesteld in het kader van een gerechtelijke verdeling (zie art. 1210, § 5 Ger.W., zoals ingevoegd bij art. 5 van de wet van 13 augustus 2011 «houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling» (BS 14 september 2011, 59.603). Krachtens deze laatste wettelijke bepaling zijn de partijen thans, onverminderd de bepalingen inzake rechtsbijstand (hier niet van toepassing) en tenzij de rechtbank anders beslist (hier niet het geval), wettelijk verplicht om in gelijke mate in te staan voor de provisionering van de notaris-vereffenaar (zie nogmaals art. 1210, § 5 Ger.W., zoals ingevoegd bij art. 5 van de wet van 13 augustus 2011 «houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling» (BS 14 september 2011, 59.603)).

Maar ook die laatste (wettelijke) bepaling biedt de notarissen-vereffenaars (versta: die een provisie wensen te ontvangen alvorens hun werkzaamheden van gerechtelijke verdeling aan te vatten of voort te zetten) géén soelaas. Die bepaling betreft immers uitsluitend de zgn. contributio (m.a.w. de vraag in welke mate de partijen moeten bijdragen tot een door de notaris-vereffenaar gevraagde provisie), niet de zgn. obligatio (m.a.w. de vraag naar het al dan niet bestaan van een effectieve verplichting (en zo ja: in wiens persoon) tot betaling van een dergelijke provisie aan de door de rechtbank aangestelde notaris-vereffenaar) (zie o.m.: A. Vanderhaeghen, «Gerechtelijke procedure tot vereffening-verdeling. Hervorming», NJW 2011, (634), p. 640, nr. 22; zie ook: Parl.St. Kamer 2010-11, nr. 53-1513/4, p. 13-14; vgl. J. Demblon, «Le problème» (noot onder Rb. Brussel 27 januari 1986), Rev.not.b. 1986, (426) 428).

Als zodanig bevat ook art. 1210, § 5 (nieuw) Ger.W. dus géén (wettelijke) verplichting voor de partijen bij een gerechtelijke verdeling om de notaris-vereffenaar (voorafgaandelijk) te provisioneren, laat staan een (wettelijke) machtiging voor de laatstgenoemde om, bij gebrek aan provisionering, de uitvoering van zijn eigen (alleszins wél vaststaande) wettelijke verplichting om die door de rechtbank bevolen gerechtelijke verdeling tot stand te brengen, zoals vervat in art. 3 van de Wet op het Notarisambt (zie supra), (tijdelijk of definitief) op te schorten. Het enige wat art. 1210, § 5 (nieuw) Ger.W. thans voorschrijft, is dat, áls de notaris-vereffenaar om een provisie verzoekt én de betrokken partijen ook bereid worden gevonden om deze te betalen, die partijen dan (in principe) in gelijke mate zullen dienen in te staan voor (en dus bij te dragen tot) die provisionering, en niet méér dan dat.

Kortom, ook ná de invoering van art. 1210, § 5 (nieuw) Ger.W. is en blijft de vaststelling dat, net als voorheen (zie andermaal: Cass. 24 oktober 2002, Arr.Cass. 2002, nr. 566, andersluidende conclusie advocaat-generaal X. De Riemaecker, T.Not. 2003, 617, noot M. De Clercq), de lege lata (d.w.z. naar actueel geldend recht) nog steeds geen énkele (wettelijke) bepaling bestaat die, in afwijking van het voorschrift van art. 3 van de Wet op het Notarisambt, de notarissen-vereffenaars zou toelaten om, bij gebreke van effectieve provisionering, (tot nader order) te weigeren om hun werkzaamheden van gerechtelijke verdeling aan te vatten of voort te zetten. Anders dan notaris C. (en wellicht ook vele andere notarissen met hem) lijkt te veronderstellen, bestaat daarvoor – althans naar actueel geldend recht – geen enkele rechtsgrond.

Samen met een deel van de rechtsleer, is ook deze rechtbank derhalve van oordeel dat een notaris een provisie mag vragen vooraleer hij zijn werkzaamheden aanvat, tenzij hij werd aangesteld door de rechtbank, zéker in het kader van een uitvoerend onroerend beslag, in welk geval de notaris wettelijk verplicht is om zijn ambt te verlenen, dus óók wanneer hij niet zou worden geprovisioneerd (zie o.m.: A. Vanderhaeghen, «Gerechtelijke procedure tot vereffening-verdeling. Hervorming», NJW 2011, (634), p. 640, nr. 22; zie ook: Ch. De Clercq, «Draaiboek van een vereffening-verdeling» in W. Pintens en J. Du Mongh (eds.), Themis 2003-2004. Familiaal Vermogensrecht, Brugge, die Keure, 2004, (5) 13-14; Chr. Engels, «De onrechtmatige vraag van de notaris om een voorschot in een procedure van uitvoerend beslag op onroerend goed» (noot onder Beslagr. Brussel 22 juni 2000), T.Not. 2000, (518), p. 524-525, nr. 12; Chr. Engels, noot onder Brussel 29 september 2000, T.Not. 2001, 159-160).

De rechtbank is er zich nochtans van bewust dat de hier bedoelde (juridische) kwestie vrij omstreden was/is en dat in sommige andere (vooral oudere) rechtsleer precies het tegendeel wordt verkondigd, namelijk dat notarissen – óók wanneer zij optreden als zgn. «hulpagenten» van de rechtbank (versta: in uitvoering van een gerechtelijke opdracht) – wel degelijk gerechtigd (en zelfs deontologisch verplicht) zijn om provisies te vragen én om hun werkzaamheden op te schorten zolang daaraan geen gevolg wordt verleend (zie o.m.: J. Demblon, «Le problème» (noot onder Rb. Brussel 27 januari 1986), Rev.not.b. 1986, 436, einde; J. Demblon, noot onder Rb. Brussel 20 oktober 1989, Rev.not.b. 1990, (543), p. 544-546, nrs. 3-4; J.-L. Ledoux, «Les frais et honoraires du notaire en matière de saisie-exécution immobilière. Peuvent-ils être réclamés au créancier poursuivant?», Rev.not.b. 1997, p. 303-306; D. Sterckx, noot onder Beslagr. Dinant 29 mei 1984, JT 1985, 12, einde, i.h.b. voetnoot 14; zie recenter ook nog: M. De Clercq, «Mag de notaris zijn ambt weigeren bij gebrek aan provisie?» (noot onder Cass. 24 oktober 2002), T.Not. 2003, (622) 626-627). Maar om de hierboven uiteengezette redenen, acht de rechtbank de zienswijze van die laatste auteurs dus achterhaald en (sowieso) niet correct.

De rechtbank wil een en ander wel nog preciseren. Ook naar het oordeel van de rechtbank mogen notarissen immers altijd provisies vragen – óók als zij worden belast met een gerechtelijke opdracht, zoals in het kader van een gerechtelijke verdeling (overeenkomstig art. 1210, § 1 Ger.W.). Meer nog, zij zijn daartoe (krachtens hun eigen interne reglementen) zelfs verplicht (zie art. 10 Reglement voor de Organisatie van de notariële boekhouding, goedgekeurd bij KB van 9 maart 2003). In voorkomend geval zullen de betrokken partijen dan (in principe) in gelijke mate dienen in te staan voor die provisionering (zie art. 1210, § 5 Ger.W.) én is de notaris verplicht om een kwijtschrift af te leveren (zie art. 11, eerste lid, Tarief van de honoraria der notarissen, vastgesteld bij KB van 16 december 1950).

Alléén kan een notaris de lege lata (d.w.z. naar actueel geldend recht) zulke provisies niet afdwingen van de partij(en) aan wie zij worden gevraagd. Indien betaling van de provisie wordt geweigerd, is en blijft de notaris immers tóch verplicht om zijn ambt te verlenen. Zijn eigen wettelijke verplichting om op te treden, zoals vervat in art. 3 van de Wet op het Notarisambt (zie supra), blijft namelijk onverkocht bestaan – en daaraan wordt géén afbreuk gedaan door één van de voormelde (wettelijke of reglementaire) bepalingen waarvan hierboven sprake.

Samengevat, ook een notaris-vereffenaar die door de rechtbank werd aangesteld met het oog op de voltrekking van een gerechtelijke verdeling, mag (en, althans volgens zijn interne reglementen, moet zelfs) provisies vragen alvorens hij overgaat tot de desbetreffende werkzaamheden. Maar als de betaling van zulke provisies door de daartoe aangezocht partij(en) wordt geweigerd, mag de notaris-vereffenaar zelf niet weigeren om die werkzaamheden uit te voeren. In dat geval primeert immers hoe dan ook de wettelijke verplichting om zijn ambt te verlenen, zoals vervat in art. 3 van de Wet op het Notarisambt (zie supra).

De rechtbank wenst de partijen ten slotte nog te wijzen op wat door Chr. Engels in dat verband werd geschreven: «Een andere zienswijze aannemen zou erop neerkomen dat men de uitvoering van een gerechtelijke beschikking zou verlammen zolang de openbaar ambtenaar geen provisie ontvangt; dit kan iet anders dan als een rechtsweigering van de notaris gekwalificeerd worden, wat totaal onaanvaardbaar is. (...) De notaris is een openbaar ambtenaar die verplicht is zijn dienst te verlenen wanneer hij daartoe wordt verzocht (art. 3 Organieke Wet Notariaat: Cass. 29 november 1984, Arrr.Cass. 1984-85, 451, Pas. 1985, I, 403, RW 1985-86, 592) (...). Daaruit volgt dat de notaris wanneer hij door de beslagrechter wordt aangesteld om een procedure van uitvoerend beslag op onroerend goed te vervolgen, hij verplicht is zijn ambt te verlenen, temeer omdat hij in dat geval een monopolie heeft (art. 1 tweede lid Organieke Wet Notariaat) (...). Het notariaat moet zich waardig tonen in de uitoefening van de hogere opdracht die de wet verleent. Het is de notaris bijgevolg niet toegelaten om een uitwinningsprocedure te vertragen door een ongegronde eis, terwijl de essentie van zijn opdracht erin bestaat de agens van de uitvoerbare kracht van de authentieke akte te zijn» (zie: Chr. Engels, «De onrechtmatige vraag van de notaris om een voorschot in een procedure van uitvoerend beslag op onroerend goed» (noot onder Beslagr. Brussel 22 juni 2000), T.Not. 2000, p. 524, nrs. 11-12).

Ook déze rechtbank kan, net als het Hof van Cassatie (zie: Cass. 24 oktober 2002, Arr.Cass. 2002, nr. 566), deze niet mis te verstane zienswijze van Chr. Engels (die, voor een goed begrip, bij uitbreiding onverkort geldt voor àlle gevallen waarin een notaris wordt belast met om het even welke gerechtelijke opdracht, zoals ook de notaris-vereffenaar die werd aangesteld in de huidige procedure), om de hierboven uiteengezette redenen, alleen maar volledig bijtreden.

3. Uit dit alles volgt dat, samen met de BVBA P., ook de rechtbank dus van oordeel is dat de (actuele) weigering van notaris C. om over te gaan tot de effectieve uitvoering van de gerechtelijke opdracht waarmee hij (reeds) bij vonnis van 26 april 2016 (in vervanging van een andere notaris-vereffenaar) werd belast – hoe gangbaar, logisch en begrijpelijk ook – de lege lata (d.w.z. naar actueel geldend recht) niet door de beugel kan.

Die (actuele) weigering van de notaris-vereffenaar om op te treden, (enkel en alleen) op basis van de weigering van de BVBA P. als verzoekende partij om de gevraagde provisie te betalen, is derhalve onterecht. In de gegeven omstandigheden is en blijft de notaris-vereffenaar immers wel degelijk (wettelijk) verplicht om zijn ambt te verlenen en de gerechtelijke opdracht waarmee hij belast werd tóch uit te voeren – desnoods met uitgestelde betaling van zijn kosten en erelonen, meer bepaald tot ná de (door hemzelf te voltrekken) gerechtelijke verdeling en veiling, waarbij deze kosten en erelonen (pas) zullen moeten worden betaald met de verkoopopbrengst van het te veilen onroerend goed, die daartoe dan ook bij voorrang zal mogen worden aangewend.

Ter zitting van 21 november 2017 heeft notaris C., verschenen in persoon, nog steeds aangedrongen op (voorafgaande) betaling van een provisie, maar zich niettemin bereid verklaard om de gerechtelijke opdracht waarmee hij werd belast alsnog uit te voeren indien de rechtbank ánders zou beslissen, waarvan akte.

De rechtbank heeft, om de eerder uiteengezette redenen, ook effectief ánders beslist (zie supra). Het valt dan ook te verwachten dat notaris C., die door de rechtbank werd aangewezen als (nieuwe) notaris-vereffenaar bij vonnis van 26 april 2016 – ondanks de (allicht blijvende) weigering van de BVBA P. om de door hem gevraagde provisie te betalen – thans alsnog een aanvang zal willen nemen met de werkzaamheden van gerechtelijke verdeling en veiling waarmee hij destijds werd belast.

In de gegeven omstandigheden acht de rechtbank het raadzaam om, alvorens in te gaan op het actueel hangende (nieuw) verzoek tot vervanging van notaris, de zaak in voortzetting te stellen naar een latere zitting voor verdere evaluatie (versta: om na te gaan of de laatst aangestelde notaris-vereffenaar, in weerwil van wat hierboven werd uiteengezet, al dan niet blijft weigeren om zijn ambt te verlenen), dit volgens de hierna bepaalde modaliteiten.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 05/05/2018 - 14:53
Laatst aangepast op: za, 05/05/2018 - 14:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.