-A +A

Minnelijke vereffening verdeling met benadeling heeft geen gevolg

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 17/11/2016
A.R.: 
2015/ AR/0955

Wanneer een huwelijkspartner in het kader van een minnelijke vereffening-verdeling misbruik maakt van de inferieure positie van andere ex-echtgenoot en de termen van de verdeling aldus zijn opgedrongen, kan deze minnelijke vereffening-verdeling geen rechtsgevolgen krijgen.

Publicatie
tijdschrift: 
P&B
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/2
Pagina: 
90
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

( ... )

1. Relevante feitelijke en procedurele elementen 1. R.V. en L.D. zijn ex-echtgenoten.

Zij zijn gehuwd te ( ... ) op ( ... ) onder een gemeenschapsstelsel.

Zij zijn uit de echt gescheiden (op grond van art. 229, § 3 BW) bij vonnis van de vijfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 3 maart 2009, met navolgende betekening op 8 april 2009 en overschrijving van het beschikkende gedeelte van de echtscheidingsuitspraak in de registers van de ambtenaar van de burgerlijke stand te ( ... ) op 29 mei 2009.

2. Krachtens artikel 1278, tweede lid Ger.W. is het huwelijk in de vermogensrechtelijke verhouding tussen de partijen ontbonden op 15 september 2008, dit is de datum van de dagvaarding tot echtscheiding, uitgaande van L.D.

3. In het echtscheidingsvonnis van 3 maart 2009 beveelt de rechtbank van eerste aanleg te Gent de gerechtelijke vereffening-verdeling (in de zin van de oude art. 1207 e.v. Ger.W.) van de gewezen huwelijksgemeenschap R.V.-1.D., met aanwijzing van notaris T.V. ( ... )als notaris-vereffenaar in de zin van het oude artikel 1209, tweede lid Ger.W. en notaris K.D. ( ... ) als notaris-vertegenwoordiger in de zin van het oude artikel 1209, derde lid Ger.W.

4. Middels proces-verbaal van 2 maart 2010 opent de notaris-vereffenaar de werkzaamheden, waarbij de notaris-vereffenaar akte neemt van de uiteenlopende standpunten van de ex-echtgenoten.

L.D. beroept zich op een onderhandse overeenkomst van 1 juni 2009 krachtens welke de gewezen gezinswoning te M. en de inboedel zonder meer aan L.D. worden toebedeeld, terwijl de overige (roerende) vermogenselementen/ vergoedingen tussen de ex-echtgenoten zijn/worden verdeeld/geregeld, derwijze dat een alomvattende minnelijke vereffening-verdeling is tussengekomen. Blijkbaar was op 20 november 2009 een dagstelling bepaald teneinde de bedoelde afstand/verdeling van de gewezen gezinswoning via de notaris-vereffenaar te authentificeren maar weigerde R.V. de ontwerp-akte te ondertekenen.

R. V. betwist de overeenkomst van 1 juni 2009 zowel qua vorm als qua inhoud. Hij stuurt aan op (de voorzetting van) de gerechtelijke vereffening-verdeling. Hij is bereid af te zien van zijn aandeel in de inboedel van de gewezen gezinswoning, maar beoogt de vereffening-verdeling van de (te schatten) gemeenschappelijke/onverdeelde gezinswoning en een autovoertuig NISSAN (aangekocht in 2006 voor de prijs van 8.540,00 euro, BTW inbegrepen). Voorts wil hij een overzicht van de (nog niet verdeelde) overige (roerende) vermogenselementen/vergoedingen, zo ook recuperatie van eigen gelden (inz.) ten bedrage van 23.333,33 euro, ontvangen ingevolge de verkoop van een ouderlijk nalatenschapsvastgoed (en gevallen in de huwelijksgemeenschap R.V.-L.D.).

5. Middels navolgend proces-verbaal van 23 november 2010 neemt de notaris-vereffenaar eens te meer akte van het tussengeschil draaiende rond het al dan niet bewezen/ rechtsgeldige karakter van de overeenkomst van 1 juni 2009. Cruciaal is of en, zo ja, in welke mate R.V. begrijpend kan lezen en schrijven. Weliswaar blijkt R.V. de litigieuze overeenkomst te hebben onderschreven met 'gelezen en goedgekeurd' en een handtekening in drukletters. Niettemin zou hij, los van omkaderende/vormelijke elementen, de draagwijdte van de overeenkomst (die hem door L.D. is voorgeschoteld) niet hebben begrepen.

Volgens de notaris-vereffenaar komt het de rechtbank toe deze vraag te beantwoorden, desnoods gelet op een deskundigenonderzoek.

6. Op 8 december 2010 legt de notaris-vereffenaar een eensluidend afschrift van voormeld proces-verbaal van tussengeschil van 23 november 2010 neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent (naar analogie met het oude art. 1219, § 2 Ger.W.).

7. Bij tussenvonnis van 6 december 2011 in de zaak met AR nummer 2008/313 7 / A stelt de rechtbank van eerste aanleg te Gent vast dat de notaris-vereffenaar het bedoelde tussengeschil zonder meer heeft doorgesluisd naar de rechtbank, terwijl het in de eerste plaats aan de notaris-vereffenaar toekomt standpunt in te nemen.

In die optiek zendt de rechtbank de zaak terug naar de notaris-vereffenaar.

8. Middels navolgend proces-verbaal van 24 oktober 2013 neemt de notaris-vereffenaar eens te meer akte van het tussengeschil draaiende rond het al dan niet bewezen/rechtsgeldige karakter van de overeenkomst van 1 juni 2009.

De notaris-vereffenaar acht deze overeenkomst onbewezen/ nietig, inzonderheid gelet op de miskenning van het vormvereiste van artikel 1325 BW en gebeurlijk bijkomend een wilsgebrek aan de zijde van R.V. De notaris-vereffenaar suggereert daarbij een bedrieglijke handelwijze van L.D. (art. 1116 BW).

ll. Beroepen vonnis

1. Op 20 november 2013 legt de notaris-vereffenaar (eens te meer) eensluidende afschriften van voormelde processenverbaal van 2 maart 2010, 23 november 2010 en 24 oktober 2013 neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent (naar analogie met het oude art. 1219, § 2 Ger.W.).

2. Bij vonnis van 4 november 2014 (nog steeds) ( ... ) beaamt de 13de familiekamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, de zienswijze van de notaris-vereffenaar dat de overeenkomst van 1 juni 2009 onbewezen/nietig is, inzonderheid gelet op de miskenning van het vormvereiste van artikel 1325 BW maar (hoe dan ook) evengoed gelet op een wilsgebrek aan de zijde van R.V. en een bedrieglijke handelwijze van L.D. (art. 1116 BW).

In die optiek zendt de rechtbank de zaak terug naar de notaris-vereffenaar met het oog op voortzetting van de notariële werkzaamheden tot (alomvattende) vereffening-verdeling van het gewezen huwelijksvermogen (zonder inachtneming van de overeenkomst van 1 juni 2009), na (bindende) schatting (door de notaris-vereffenaar) van de gewezen gezinswoning.

De rechtbank legt de niet nader begrote gedingkosten in eerste aanleg ten laste van de massa.

( ... )

III. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift van 2 april 2015 stelt L.D. hoger beroep in tegen het vonnis van 4 november 2014.

Met haar hoger beroep beoogt L.D., met hervorming van het beroepen vonnis, de beslechting van het tussengeschil in die zin dat de overeenkomst van 1 juni 2009 als bewezen/ rechtsgeldig wordt aangezien met alle gevolgen van dien. L.D. wil zodoende de bij overeenkomst van 1 juni 2009 bedoelde (alomvattende) minnelijke vereffening-verdeling en inzonderheid de bedoelde afstand/verdeling van de gewezen gezinswoning via de notaris-vereffenaar zien authentificeren (overeenkomstig de ontwerp-akte van 20 november 2009), desnoods met tussenkomst van de notaris-vertegenwoordiger.

( ... )

2. R.V. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep van L.D. en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis, met terugzending van de zaak naar de notaris-vereffenaar (met voorbehoud voor eventuele toepassing van de helingssanctie in de zin van art. 1448 BW).

R.V. acht de overeenkomst van 1 juni 2009 onbewezen/ nietig en beroept zich achtereenvolgens en telkens meer subsidiair op (1) de miskenning van het vormvereiste van artikel 1325 BW, (2) een verschoonbare dwaling aan de zijnde van R.V., (3) een bedrieglijke handelwijze van L.D., (4) gekwalificeerde benadeling aan de zijde van R.V., (5) het ontbreken van een (alomvattende) wilsovereenstemming tot minnelijke vereffening-verdeling van het gewezen huwelijksvermogen, desnoods na verder (getuigen)bewijs.

( ... )

IV. Beoordeling

( ... )

2. Ten gronde rijst centraal de vraag naar het al dan niet bewezen/rechtsgeldige karakter van de overeenkomst van 1 juni 2009.

L.D. beroept zich op deze onderhandse overeenkomst krachtens welke de gewezen gezinswoning te M. en de inboedel zonder meer aan L.D. worden toebedeeld, terwijl de overige (roerende) vermogenselementen/vergoedingen tussen de ex-echtgenoten zijn/worden verdeeld/geregeld, derwijze dat een alomvattende minnelijke vereffening-verdeling is tussengekomen.

Volgens L.D. moet deze overeenkomst in de juiste context worden gezien. Daar waar L.D. als behoeftige ex-echtgenoot ten aanzien van R.V. als financieel sterkere ex-echtgenoot aanspraak zou kunnen maken op een onderhoudsgeld na echtscheiding in de zin van artikel 301 BW, heeft zij hiervan willen afzien gelet op (1) de toekenning via het OCMW te M. (bij beslissing van 23 maart 2009, met ingang op 3 maart 2009) van een leefloon ten bedrage 711,56 euro per maand en (2) een mondelinge toezegging (nog steeds) van hetzelfde OCMW dat zij geen (formele) aanspraak op een onderhoudsgeld na echtscheiding moet (in)stellen indien de gewezen gezinswoning (waarop geen financiële lasten meer drukken) haar zonder meer wordt toebedeeld.

L.D. vervolgt dat in diezelfde context een (behoorlijk onderschreven onderhandse) overeenkomst tot alomvattende minnelijke vereffening-verdeling is tussengekomen, zij het dat R.V. deze (inz. wat betreft de bedoelde afstand/verdeling van de gewezen gezinswoning) op de daartoe (via de notaris-vereffenaar) bepaalde dagstelling van 20 november 2009 niet heeft willen authentificeren.

R.V. betwist de overeenkomst van 1 juni 2009 zowel qua vorm als qua inhoud. Hij stuurt aan op (de voorzetting van) de gerechtelijke vereffening-verdeling. Hij is bereid af te zien van zijn aandeel in de inboedel van de gewezen gezinswoning, maar beoogt de vereffening-verdeling van de (te schatten) gemeenschappelijke/onverdeelde gezinswoning en een autovoertuig NISSAN (aangekocht in 2006 voor de prijs van 8.540,00 euro, BTW inbegrepen). Voorts wil hij een overzicht van de (nog niet verdeelde) overige (roerende) vermogenselementen/vergoedingen, zo ook recuperatie van eigen gelden (inz.) ten bedrage van 23.333,33 euro, ontvangen ingevolge de verkoop van een ouderlijk nalatenschapsvastgoed (en gevallen in de huwelijksgemeenschap R.V.-L.D.). Aangaande dit laatste punt wijst R.V. op de aangifte van nalatenschap van zijn vader waaruit een roerend (netto-)actief ten bedrage van 48. 785 ,55 euro en een onroerend actief ten bedrage van 70.000,00 euro blijkt.

3. Enigszins in de lijn met de zienswijze van de notaris-vereffenaar en de eerste rechter oordeelt het hof dat de overeenkomst van 1 juni 2009 onbewezen/nietig is inzonderheid gelet op de miskenning van het vormvereiste van artikel 1325 BW en (hoe dan ook) de gekwalificeerde benadeling aan de zijde van R.V.

4. Blijkbaar is R.V. laaggeschoold en kan hij amper lezen en schrijven. Tijdens het huwelijk heeft (inz.) L.D. de vermogensrechtelijke aspecten ('geldzaken') en de bijhorende administratie waargenomen, terwijl (inz.) R.V. (als metser) inkomsten binnenbracht.

L.D. stelt vergeefs dat R.V. reeds andere belangrijke (rechts) handelingen heeft gesteld/onderschreven (zoals bepaalde notariële transacties en/of een aangifte van nalatenschap), nu geenszins blijkt dat hij deze op eigen houtje (zonder omkadering/bijstand) heeft gesteld.

Daar waar L.D. als behoeftige ex-echtgenoot ten aanzien van R.V. als financieel sterkere ex-echtgenoot aanspraak zou kunnen maken op een onderhoudsgeld na echtscheiding in de zin van artikel 301 BW, zou zij hiervan hebben willen afzien gelet op (1) de toekenning via het OCMW te M. (bij beslissing van 23 maart 2009) van een leefloon ten bedrage 711,56 euro per maand en (2) een mondelinge toezegging (nog steeds) van hetzelfde OCMW dat zij geen (formele) aanspraak op een onderhoudsgeld na echtscheiding moet (in) stellen indien de gewezen gezinswoning (waarop geen financiële lasten meer drukken) haar zonder meer wordt toebedeeld.

In die optiek heeft zij via haar toenmalige advocaat een voorgetypt onderhands document opgesteld, dat zij vervolgens 'bij haar thuis' (in de gewezen echtelijke woning) door R.V. heeft laten onderschrijven.

Het document is zowel door L.D. als door R.V. eigenhandig onderschreven met de woorden 'gelezen en goedgekeurd' en een handtekening/naamtekening. R.V. heeft een en ander in drukletters geschreven. Dit blijkt niet de gebruikelijke handtekening te zijn van R.V.

5. Het vormvereiste van artikel 1325 BW is miskend, nu het onderhandse document (de andersluidende bewering van L.D. ten spijt/bij gebrek aan bewijs van het tegendeel) slechts in één origineel exemplaar is opgemaakt, terwijl het hoe dan geen vermelding bevat van het aantal originele exemplaren (B. Cattoir, "Burgerlijk bewijsrecht", APR 2013, 301-306, nrs. 559-570; W. van Gerven en A. Van Oevelen, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2015, 687-688). R.V. blijkt geen origineel exemplaar te hebben ontvangen (Cass. 26 april 2001, TEER 2006, 346, noot A. De Boeck; B. Cattoir, "Burgerlijk bewijsrecht", APR 2013, 306, nr. 571). R.V. en L.D. hebben nochtans verschillende belangen. Depot van de akte bij een onpartijdige derde blijkt geenszins.

Anders dan L.D. wil voordoen, gaat het (niet om een 'eenzijdige belofte' maar) om een wederkerige overeenkomst, waarbij zowel R.V. als L.D. zich verbinden met het oog op een alomvattende minnelijke vereffening-verdeling. Zo worden (roerende) vermogenselementen/vergoedingen (andere dan de inboedel van de gewezen gezinswoning) tussen de ex-echtgenoten verdeeld/geregeld. Hoewel dit niet tekstueel blijkt, geeft L.D. bovendien zelf aan dat zij (in ruil voor de bedoelde afstand/verdeling van de gewezen gezinswoning) zou afzien van een aanspraak op onderhoudsgeld na echtscheiding in de zin van artikel 301 BW. Artikel 1325 BW is derhalve weldegelijk van toepassing (B. Cattoir, "Burgerlijk bewijsrecht", APR 2013, 298-301, nrs. 555-557).

Gelet op de miskenning van artikel 1325 BW is de overeenkomst van 1 juni 2009 onbewezen. De onderhandse akte of het zogeheten instrumentum (is nietig en) kan (derhalve) niet dienen als bewijsstuk. Als begin van schriftelijk bewijs in de zin van artikel 1347 BW behoeft het aanvullend bewijs door getuigen en/of feitelijke vermoedens. Het (aanvullende) bewijs van de beweerde rechtshandeling blijkt evenwel niet anderszins, bijvoorbeeld uit omkaderende briefwisseling. Aanvullende en/of omkaderende elementen tot (volledig) bewijs van/aangaande de beweerde rechtshandeling van 1 juni 2009 ontbreken eveneens. De beweerde rechtshandeling of het zogeheten negotium is en blijft onbewezen (B. Cattoir, "Burgerlijk bewijsrecht", APR 2013, 306- 307, nr. 572).

Uitvoering van de beweerde overeenkomst van 1 juni 2009 blijkt niet, integendeel (vgl. art. 1325, vierde lid BW; B. Cattoir, "Burgerlijk bewijsrecht", APR 2013, 307-309, nr. 573).

6. Met de notaris-vereffenaar en de eerste rechter is ook het hof verder overtuigd dat L.D. (met juridische bijstand) in de gegeven omstandigheden (los van het heikele instrumentum) hoe dan ook manifest misbruik heeft gemaakt van de inferieure positie van (de nagenoeg ongeletterde) R.V. (zonder juridische of andere bijstand), die de draagwijdte van de door L.D. beoogde overeenkomst van 1 juni 2009 niet heeft begrepen. Blijkbaar ging R.V. ervan uit dat nog geen sluitende regeling omtrent de gewezen gezinswoning aan de orde was.

Blijkbaar is de bedoeling van L.D. met de door haar voorgeschotelde overeenkomst voor R.V. pas duidelijk geworden op 20 november 2009, ogenblik waarop de bedoelde afstand/verdeling van de gewezen gezinswoning via de notaris-vereffenaar zou worden geauthentificeerd. Gekwalificeerde benadeling aan de zijde van R.V. blijkt. Wat wederzijds is (willen) bedongen (worden), is manifest uit evenwicht ingevolge het misbruik door L.D. (in de gegeven omstandigheden) van de zwakke (mentale) positie van R.V. (zie ook en vgl. Cass. 9 november 2012, RW 2012-13, 1416, noot E. Adriaens). L.D. heeft haar contractvrijheid kennelijk misbruikt (W. van Gerven en A. Van Oevelen, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2015, 123-124). Zonder het misbruik zou de overeenkomst er hetzij hoe dan ook niet zijn gekomen hetzij tegen voor R.V. minder ongunstige voorwaarden.

De gegeven omstandigheden verantwoorden geenszins waarom R.V. de gewezen gezinswoning te M. en de inboedel (als essentiële bestanddelen van het huwelijksvermogen) zonder meer aan L.D. zou laten toebedelen, terwijl evenmin duidelijk is waarom R.V. zonder dienstig detail de overige (roerende) vermogenselementen/vergoedingen tussen de exechtgenoten zou willen verdeeld/geregeld zien (in het raam van een alomvattende minnelijke vereffening-verdeling). L.D. blijkt manifest misbruik te hebben gemaakt van de inferieure positie van R.V. om hem een disproportionele overeenkomst op te dringen. De wanverhouding is duidelijk en blijkbaar (gelet op prealabele manipulatie van L.D.) pas bij R.V. doorgedrongen naar aanleiding van de dagstelling van 20 november 2009, waarbij de notaris-vereffenaar een en ander heeft voorgelezen. Op dat ogenblik wilde R.V. de bedoelde afstand/verdeling van de gewezen gezinswoning via de notaris-vereffenaar niet authentificeren. Hij weigerde terecht de ontwerp-akte te ondertekenen.

7. Daar komt bij dat L.D., zoals ook de eerste rechter aangeeft, er niet voor terugdeinst om een overheidsinstelling en met name het OCMW te M. op kunstmatige wijze leefloon te doen (blijven) betalen.

8. Uiteindelijk is zij, wars van de door haar vooropgestelde context van de beweerde overeenkomst van 1 juni 2009, toch overgegaan tot het instellen van een vordering tot het verkrijgen van een onderhoudsgeld na echtscheiding met toepassing van artikel 301 BW. Daar waar de vrederechter te Eeklo negatief besliste bij vonnis van 20 januari 2011, is de rechtbank van eerste aanleg te Gent op haar vordering ingegaan bij vonnis van 22 december 2011. De rechtbank kent haar een onderhoudsgeld toe ten bedrage van 150,00 euro per maand vanaf 1 juni 2009.

9. Het hoger beroep faalt.

Het beroepen vonnis verdient bevestiging, derwijze dat de notariële werkzaamheden kunnen doorgaan met het oog op (alomvattende) vereffening-verdeling van het gewezen huwelijksvermogen (zonder inachtneming van de overeenkomst van 1 juni 2009), na (bindende) schatting (door de notaris-vereffenaar) van de gewezen gezinswoning.

( ... )

 

Noot: 

• B. Verlooy De vernietiging van een dading wegens benadeling, RABG 2010/12, 761, noot onder het arrest zoals eveneens gebubliceerd in RABG/12, 755.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 25/06/2018 - 19:01
Laatst aangepast op: ma, 25/06/2018 - 19:01

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.