-A +A

Mondelinge verkoopconcessie van alleenverkoop bewijs door feitelijke kenmerken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Hasselt
Datum van de uitspraak: 
din, 07/01/2014

Volgens het consensualisme geldt dat ook mondelinge overeenkomsten geldig zijn, doch hij die het bestaan van een dergelijke overeenkomst inroept dient hiervan het bewijs te leveren. Het bewijs kan met alle rechtsmiddelen geleverd worden. De bewijslast in het handelsrecht is vrij (art. 25 W.Kh.), de rechtbank oordeelt hierover soeverein.

Mom het bewijs van het bestaan van een overeenkomst van concessie van alleenverkoop te leveren, moet aangteoond dat de concessiehouder over bijzondere rechten beschikt en een voorkeursbehandeling geniet die de concessiegever niet zou verlenen indien het om een gewone wederinkoper zou gaan.

Essentieel is hierbij dat de aankopen en bevoorrading door de concessiehouder kaderen in de uitoefening van een contractueel recht waarover de verplichting bestaat deze goederen te verdelen en dat zij deze een geprivilegieerd karakter toekennen..

Werden te dezen als bewijs weerhouden:

• de eigen aanwijzing van verweerster in haar productcatalogi dat het cliënteel verweerster diende te contacteren “voor de aankoop van ons assortiment in België en Luxemburg”;
• het feit dat eiseres nog in de catalogus 2012 vermeld stond onder “Export and Agents”;
• het feit dat er tussen partijen samenwerking was, ook qua vormgeving, over een gemeenschappelijke catalogus;
• het feit dat eiseres een belangrijke stock aanhield, zoals blijkt uit de stukken;
• het feit dat de T.P.-producten een belangrijk aandeel uitmaakten van de totale verkoop bij eiseres: in 2009, 2010 en 2011 respectievelijk 48,22%, 44,15% en 33,50%;
• het feit dat verweerster van eiseres commissies bekwam op verkopen die verweerster rechtstreeks deed binnen het Belux-territorium van eiseres (o.a. in 2011 beperkte commissie voor de G.-vestigingen in (…) en (…)) zoals blijkt uit de stukken van eiseres;
• het feit dat niet werd gereageerd op de vraag van eiseres op 6 juni 2012 om ook voor het 1ste trimester 2012 commissie uit te betalen voor rechtstreekse verkoop door verweerster;
• een verklaring van Mevr. W.d.B., zaakvoerder van T.P. BV van 1986 t.e.m. 2002 die stelt dat eiseres vanaf 1 september 1999 de niet-exclusieve verdeler was in België en Luxemburg voor T.P.-producten en dat deze verdeling in de daarop volgende jaren, maar alleszins voor mei 2002 is overgegaan in een exclusieve verdeling voor België en het feit dat eiseres stock aanhield in België en de kosten voor commercialisering en publiciteit droeg;
• een verklaring van Dhr. H.S., commercieel directeur en zaakvoerder van T.P. BV t.e.m. 30 oktober 2011 tot overname door D.g.w.f. BV, waar hij dezelfde functie uitoefende. Hij verklaart dat eiseres t.e.m. 19 juni 2012 de exclusieve distributeur was in België en Luxemburg voor T.P.-producten ingevolge een mondelinge overeenkomst en dat dit o.a. inhield dat eiseres zelf voorraad aanhield, voor eigen rekening en risico verkocht aan afnemers, commissie ontving voor sommige Belgische klanten die rechtstreeks vanuit Nederland beleverd werden.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/8-9
Pagina: 
577
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(B. BVBA / T.P. BV - Rolnr.: AR 13/355)

(Advocaten: Mr. H. Van Gompel en Mr. S. Van Der Heyden loco Mr. J. Vanden Eynde)

1. Procedure

(…)

1.2.

De vordering van eiseres strekt ertoe de rechtbank te horen zeggen voor recht dat zij internationale rechtsmacht heeft om kennis te nemen van onderhavig geschil en dat de beoordeling ervan onderworpen is aan het Belgisch recht, met inbegrip van de wet van 27 juli 1961 inzake concessieovereenkomsten, en dienvolgens,

  • verweerster te horen veroordelen tot betaling van een vervangende opzegvergoeding in hoofdsom begroot op 134.087,18 EUR, te vermeerderen met nalatigheidsinteresten aan de wettelijke interestvoet vanaf 1 augustus 2012 tot en met de dag van effectieve betaling, alsook alle kosten van het geding;
  • verweerster te horen veroordelen tot betaling van een cliënteelvergoeding in hoofdsom begroot op 77.327,56 EUR, te vermeerderen met interesten zoals hierboven bepaald;
  • verweerster te horen veroordelen tot terugname van de stock van eiseres mits betaling van de aankoopprijs die per 15 maart 2012 kan worden begroot op een bedrag van 28.129,18 EUR en dit op straffe van een dwangsom van 250 EUR per dag vertraging, met een maximum van 30.000 EUR, waarbij de verbeuring van de dwangsom zal gebeuren 10 dagen na de betekening van het tussen te komen vonnis.

Verweerster betwist de vordering en werpt in limine litis op dat de rechtbank van koophandel van Hasselt geen internationale rechtsmacht zou hebben, dat de Belgische concessiewet niet van toepassing is, en ondergeschikt dat de vordering ongegrond is.

2. Relevante feiten

De rechtbank verwijst naar het uitgebreide feitenrelaas in de conclusies van partijen en vat samen als volgt:

2.1.

Eiseres, gevestigd te (…) (België) is actief als groothandel in geschenkartikels, kinderkamerverlichting en (houten) speelgoed voor kinderen tussen 0 en 8 jaar. Als groothandel verkoopt zij voornamelijk door aan volgende detailhandels: geschenkenwinkels, winkels voor baby-artikelen, speelgoedwinkels, decoratiewinkels e.d.

Verweerster is gevestigd in Nederland als producent en verdeler van een groot assortiment kwalitatieve cadeau-, decoratie-, baby- en kinderproducten, voorzien van een CE-keurmerk. Zij maakt deel uit van de Nederlandse H. Groep.

Eiseres houdt voor al 15 jaar werkzaam te zijn als exclusieve verdeler in België en Luxemburg van producten van verweerster (op basis van een mondelinge overeenkomst). Bij wijze van voorbeeld kocht zij bijvoorbeeld houten treintjes met rode letters op de treinstellen, populair als geboortegeschenk.

Verweerster van haar kant betwist dat zij een overeenkomst had met eiseres, laat staan een exclusieve, en meent dat er gewoon sprake was van een klant-leveranciersrelatie.

2.2.

Sinds 2012 ondervond eiseres dat verweerster niet of slechts gedeeltelijk leverde zodat zij zelf bij haar eigen klanten in de problemen kwam bij leveringen.

Zij meldde dit in een e-mail van 7 juni 2012, met name het feit dat zij reeds meer dan 3 maanden geleden herhaaldelijk gemeld had dat er een probleem was met de stock van bepaalde treinletters en de eindwagon. Zij raamde haar schade provisioneel op 15.000 EUR en wees naar haar onverkoopbare stock letters.

Hierop volgde geen antwoord.

Op 6 juni 2012 had eiseres verweerster om een aftekening verzocht voor rechtstreekse verkopen in België en gaf ze een overzicht van commissies haar verschuldigd voor het eerste trimester 2012.

Hierop volgde geen antwoord.

Sinds 2012 ondervond eiseres dat verweerster niet of slechts gedeeltelijk leverde zodat zij zelf bij haar eigen klanten in de problemen kwam bij leveringen.

Zij meldde dit in een e-mail van 7 juni 2012, met name het feit dat zij reeds meer dan 3 maanden geleden herhaaldelijk gemeld had dat er een probleem was met de stock van bepaalde treinletters en de eindwagon. Zij raamde haar schade provisioneel op 15.000 EUR en wees naar haar onverkoopbare stock letters.

Hierop volgde geen antwoord.

Eiseres ondervond dat enkel nog geleverd werd wat beschikbaar was.

Zonder voorafgaandelijke kennisgeving plaatste verweerster op haar website een mededeling (vanaf 1 augustus 2012) dat zij haar activiteiten beëindigd heeft en dat er om die reden ook geen bestelling meer kan gebeuren via de web-shop. Voor meer info wordt verwezen naar een e-mailadres.

Op 13 september 2012 stuurde verweerster eiseres een brief waarbij verweerster stelde dat eiseres klaarblijkelijk eenzijdig een einde had gesteld aan de exclusieve verkoopconcessieovereenkomst. Zij raamde daarbij haar schade op bijna 50.000 EUR.

Op 15 oktober 2012 liet verweerster eiseres weten dat ze de vordering afwees, maar zij reageerde niet op de eenzijdige beëindiging van de concessieovereenkomst.

Op 31 oktober 2012 stuurde eiseres een nieuwe brief met verwijzingen naar de vergoedingen waarop zij overeenkomstig de wet van 27 juli 1961 inzake concessieovereenkomsten meende recht te hebben.

Op 19 december 2012 mocht eiseres van een derde kopie ontvangen van volgende e-mail die verweerster aan haar relaties had verstuurd vanaf een e-mail adres van H. BV, een vennootschap die net als verweerster deel uitmaakt van de Nederlandse H. Groep:

Beste T.P. relatie,

Het jaar loopt ten einde, hopelijk heeft U goede zaken kunnen doen in deze cadeau-maand. Zoals aan U bekend is gemaakt zal T.P. in de huidige vorm stoppen met haar activiteiten. Wij bieden U de gelegenheid om tegen zeer lage prijzen (zie T.-stock aanbieding lijst) nogmaals in te kopen.

(…)

Tevens willen we van de gelegenheid gebruik maken om U te informeren over H. H. is gespecialiseerd in de verkoop van overstocks. Een belangrijke productgroep hiervan is: 'Speelgoed van bekende merken' zoals Mattel/Disney/Clemenoini/Jumbo. Zie een paar voorbeelden (Pdf H.). Wij zien Uw reactie tegemoet.

Nu eiseres van oordeel was dat verweerster vermoedelijk haar stock aan een zustervennootschap heeft overgedragen, en er aldaar kan aangekocht worden aan 50% van de normale inkoopprijzen van eiseres, vreest eiseres met een stock te blijven zitten nu de zustervennootschap van verweerster een rechtstreekse concurrent is om de restvoorraad kwijt te geraken.

3. Beoordeling
3.1. Exceptie van rechtsmacht

Verweerster meent dat de rechtbank geen internationale rechtsmacht heeft en dat in elk geval Nederlands recht van toepassing is. Zij meent dat er geen sprake is van een geldige exclusieve concessieovereenkomst tussen partijen zodat de Belgische concessiewet van 1961 niet van toepassing zou zijn.

Nu eiseres zich baseert op een mondelinge overeenkomst meent verweerster dat eiseres zich niet op een geldig forumbeding kan beroepen. Verweerster beroept zich dan ook op artikel 4, 1., a) van de Rome I-Verordening om aan te tonen dat Nederlands recht van toepassing is, daar waar eiseres voorhoudt dat Belgisch recht, met inbegrip van de concessiewet van 1961 van toepassing is in navolging van artikel 4, 1., f) van de Rome I-Verordening dat stelt dat de distributieovereenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de distributeur zijn gewone verblijfplaats heeft.

De vordering van de concessienemer die schadevergoeding vraagt op basis van de concessiewet van 1961 dient beschouwd te worden als een verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt (Gent 2 mei 2005, IPR 2006, 64).

Om te kunnen beoordelen of deze wet van toepassing is, dient eerst de premisse van partijen onderzocht te worden over het al dan niet bestaan van een concessieovereenkomst.

3.2. Al dan niet bestaan van een concessieovereenkomst

3.2.1.

Partijen erkennen dat er geen schriftelijke overeenkomst werd gesloten. Evenwel geldt volgens het consensualisme dat ook mondelinge overeenkomsten geldig zijn, doch eiseres dient hiervan het bewijs te leveren. Het bewijs kan met alle rechtsmiddelen geleverd worden (Cass. 12 juni 1986, RW 1986-87, 1146). De bewijslast in het handelsrecht is vrij (art. 25 W.Kh.), de rechtbank oordeelt hierover soeverein.

Het bewijs moet geleverd worden dat de concessiehouder over bijzondere rechten beschikt en een voorkeursbehandeling geniet die de concessiegever niet zou verlenen indien het om een gewone wederinkoper zou gaan (M. Willemart en A. DestryckerDe concessieovereenkomst in België, reeks Recht en Praktijk nr. 25, Kluwer, 1996, p. 3).

Essentieel is hierbij dat de aankopen en bevoorrading door de concessiehouder kaderen in de uitoefening van een contractueel recht waarover de verplichting bestaat deze goederen te verdelen en dat zij deze een geprivilegieerd karakter toekennen (M. Willemart en A. Destryckero.c., p. 4; Gent 14 november 2005, Revue@dipr.be 2006, 60).

De rechtbank is van oordeel dat eiseres dit bewijs wel degelijk levert en zij baseert zich op volgende, met elkaar overeenstemmende elementen en feitelijke gegevens (G. Bogaert en P. MayaertDistributierecht 1987-1992, 7-13 met citaat van o.a. Antwerpen 9 maart 1988):

  • de eigen aanwijzing van verweerster in haar productcatalogi dat het cliënteel verweerster diende te contacteren “voor de aankoop van ons assortiment in België en Luxemburg”;
  • het feit dat eiseres nog in de catalogus 2012 vermeld stond onder “Export and Agents”;
  • het feit dat er tussen partijen samenwerking was, ook qua vormgeving, over een gemeenschappelijke catalogus;
  • het feit dat eiseres een belangrijke stock aanhield, zoals blijkt uit de stukken;
  • het feit dat de T.P.-producten een belangrijk aandeel uitmaakten van de totale verkoop bij eiseres: in 2009, 2010 en 2011 respectievelijk 48,22%, 44,15% en 33,50%;
  • het feit dat verweerster van eiseres commissies bekwam op verkopen die verweerster rechtstreeks deed binnen het Belux-territorium van eiseres (o.a. in 2011 beperkte commissie voor de G.-vestigingen in (…) en (…)) zoals blijkt uit de stukken van eiseres;
  • het feit dat niet werd gereageerd op de vraag van eiseres op 6 juni 2012 om ook voor het 1ste trimester 2012 commissie uit te betalen voor rechtstreekse verkoop door verweerster;
  • een verklaring van Mevr. W.d.B., zaakvoerder van T.P. BV van 1986 t.e.m. 2002 die stelt dat eiseres vanaf 1 september 1999 de niet-exclusieve verdeler was in België en Luxemburg voor T.P.-producten en dat deze verdeling in de daarop volgende jaren, maar alleszins voor mei 2002 is overgegaan in een exclusieve verdeling voor België en het feit dat eiseres stock aanhield in België en de kosten voor commercialisering en publiciteit droeg;
  • een verklaring van Dhr. H.S., commercieel directeur en zaakvoerder van T.P. BV t.e.m. 30 oktober 2011 tot overname door D.g.w.f. BV, waar hij dezelfde functie uitoefende. Hij verklaart dat eiseres t.e.m. 19 juni 2012 de exclusieve distributeur was in België en Luxemburg voor T.P.-producten ingevolge een mondelinge overeenkomst en dat dit o.a. inhield dat eiseres zelf voorraad aanhield, voor eigen rekening en risico verkocht aan afnemers, commissie ontving voor sommige Belgische klanten die rechtstreeks vanuit Nederland beleverd werden.

Over de geprivilegieerde positie verklaarde hij verder dat eiseres te allen tijde gerechtigd was een vergoeding te claimen voor defecte T.P.-producten dan wel de goederen te retourneren, ook na het verstrijken van de algemene leverings- en verkoopvoorwaarden van verweerster. Dergelijke afspraken werden ook gemaakt met distributeurs in andere landen. De reden hiervoor was gelegen in het feit dat vanwege de hoeveelheden en de wijze van verpakking het technisch en praktisch niet mogelijk was.

Nu de twee verklaringen ook bevestigd worden door andere stukken (commissies in het verleden, e-mail i.v.m. de commissies 2012) komen deze verklaringen wel degelijk geloofwaardig over. Deze worden door verweerster inhoudelijk ook niet betwist.

Op basis van deze elementen is de rechtbank wel degelijk van oordeel dat er tussen partijen een exclusieve concessieovereenkomst werd gesloten. Van belang is dat meerdere elementen tezamen van toepassing zijn, ook al is de aanwezigheid van één van de elementen soms niet voldoende.

Het is dan ook van geen belang dat er in deze relatie geen sprake was van opgelegde verkoopobjectieven, verkoop- en prijzenpolitiek, gespecialiseerd personeel e.d. zoals verweerster voorhoudt.

3.2.2.

Nu het bestaan van de exclusieve concessieovereenkomst vast staat, betwist verweerster in ondergeschikte orde ook niet langer dat de rechtbank rechtsmacht heeft en dat Belgisch recht van toepassing is, met inbegrip van de wet van 27 juli 1961 inzake concessieovereenkomsten.

Voor de rechtbank staat eveneens vast dat verweerster éénzijdig de overeenkomst verbroken heeft door de facto haar leveringsverplichting niet meer na te komen, wat zij later ook toegaf op haar website. Minstens op het ogenblik dat verweerster aangaf te stoppen met haar activiteiten, maakte zij een einde aan de overeenkomst.

Verweerster heeft dit steeds ontkend nu zij meende dat er geen overeenkomst tot stand gekomen was.

Ook kan de stelling van verweerster niet gevolgd worden dat eiseres verwittigd werd verder te kunnen afnemen bij haar zustervennootschap H. BV. Eiseres moest dit via derden vernemen, en, nog belangrijker, H. BV werd enkel ingeschakeld om de resterende stock van verweerster uit te verkopen aan interessante prijzen en vormde dus zo nog een concurrent voor eiseres die eveneens met een stock achterbleef die onverkoopbaar werd (cf. ontbrekende treinletters).

3.3. Vergoedingen

De gevorderde vergoeding van eiseres bestaat uit drie onderdelen: 1° de billijke vervangende opzegvergoeding, 2° een cliënteelvergoeding en 3° terugname stock.

3.3.1. Billijke vervangende opzegvergoeding

In toepassing van artikel 2 van de wet van 27 juli 1961 inzake concessieovereenkomsten kan iedere overeenkomst worden beëindigd hetzij door een redelijke opzegtermijn na te leven, hetzij door een billijke vervangende opzegvergoeding.

Nu de opzegtermijn niet werd nageleefd, heeft eiseres recht op een vervangende vergoeding. De opzegtermijn dient berekend te worden op een manier dat de opgezegde concessienemer (eiseres) zich in een gelijkwaardige toestand kan bevinden, te weten een toestand die een netto-inkomen oplevert dat gelijkwaardig is aan het gederfde inkomen. De verleende opzegtermijn moet de concessienemer in elk geval toelaten zijn verbintenissen ten aanzien van derden na te komen en zijn activiteiten te reorganiseren (reconversie) (Cass. 10 februari 2005, TBH 2005, 922; Cass. 20 juni 2008TBH 2009, 259).

De in de wet van 27 juli 1961 inzake concessieovereenkomsten bedoelde billijke opzeggingsvergoeding strekt ertoe aan de concessiehouder, aan wie een onvoldoende opzeggingstermijn werd gegeven, onder een geldelijke vorm alle voordelen te verstrekken die de concessiegever haar ingevolge die opzegging heeft ontnomen.

De rechtsleer gaat er hierbij van uit dat de billijke vergoeding moet beantwoorden aan de economische waarde die de uitvoering van de redelijke opzeggingstermijn zou hebben vertegenwoordigd, m.a.w. alle voordelen verschaffen die de concessiehouder had kunnen bekomen ingevolge de uitvoering van een redelijke opzeggingstermijn (Cass. 14 maart 2010, RABG 2011, 260).

Eiseres vraagt een opzegvergoeding die overeenkomt met 24 maanden. Verweerster voert geen inhoudelijke betwisting. Zij stelt enkel dat de exclusieve concessieovereenkomst niet bewezen is, wat volgens de rechtbank om hoger vermelde redenen wel het geval is.

Zij steunt ook op het feit dat er geen opzegging werd meegedeeld, maar dergelijk feit maakt de feitelijke opzeg juist nog deloyaler.

De gevraagde opzegvergoeding komt dan ook billijk voor, mede gelet op het summiere verweer van verweerster. Ook het principe dat deze vergoeding berekend moet worden aan de hand van de semi-brutowinst wordt niet betwist, en is overigens algemeen aanvaard door rechtspraak en rechtsleer. Met de semi-brutowinst wordt de brutowinst van de concessie bedoeld, verminderd met de indrukbare algemene kosten, dan wel de nettowinst, vermeerderd met de indrukbare algemene kosten.

Het referentiepunt situeert zich de laatste 3 jaar voor de beëindiging (2009, 2010 en 2011). Het bedrag van 134.087,18 EUR werd cijfermatig ook niet betwist en kan worden toegekend, te vermeerderen met de interesten vanaf 1 augustus 2012, datum van de bevestiging van de beëindiging conform de website van verweerster.

3.3.2. Een cliënteelvergoeding

Eiseres vraagt een cliënteelvergoeding in hoofdsom begroot op 77.327,56 EUR, d.w.z. éénmaal de gemiddelde jaarlijkse brutowinst. Verweerster meent dat er geen stukken zijn die deze stelling staven.

Eiseres baseert zich op de billijke bijkomende vergoeding conform artikel 3 van de wet van 27 juli 1961 inzake concessieovereenkomsten waarbij vereist is dat 1° de concessienemer zelf het cliënteel heeft aangebracht en 2° dat het betrokken cliënteel na de beëindiging van de overeenkomst verbonden kan blijven met de concessiegever.

De eerste voorwaarde staat niet ter discussie nu eiseres “uit het niets” cliënteel aanbracht. Wel is niet voldaan aan de tweede voorwaarde nu verweerster zelf stopt met de verdeling van de producten. Hierdoor kan redelijkerwijze niet worden aangenomen dat het cliënteel de concessiegever kan trouw blijven (Cass. 7 januari 2005, TBH 2005, 916).

Op dit punt moet de vordering dan ook worden afgewezen.

3.3.3. Terugname stock

Eiseres vraagt de terugname van de stock, per 15 maart 2012 begroot op een bedrag van 28.129,18 EUR en dit op straffe van een dwangsom van 250 EUR per dag vertraging, met een maximum van 30.000 EUR.

De verbintenis tot terugname van de stock door verweerster vloeit voort uit de uitvoering te goeder trouw van de overeenkomst overeenkomstig artikel 1134, derde lid BW en werd bevestigd door het Hof van Cassatie (Cass. 31 oktober 1997, TBH 1998, 228).

Verweerster kan niet worden gevolgd daar waar zij stelt dat eiseres niet aantoont dat zij haar stock niet meer zou kunnen verkopen. Uit de uiteenzetting van de feiten blijkt duidelijk dat eiseres geen volledig gamma meer kon aanbieden, wat nefast is (cf. ontbrekende treinletters) en het aanwezige aanbod veel minder aantrekkelijk maakte voor het detailcliënteel van eiseres. Bovendien heeft verweerster zelf nog eens beslist haar stock uit te verkopen via haar zustervennootschap H. BV.

De vordering van eiseres is op dit punt gegrond; de dwangsom wordt ook niet betwist.

3.4. Uitvoerbaarheid bij voorraad

(…)

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank, rechtdoende OP TEGENSPRAAK

 

Noot: 

• Vanassche, P. en Van den Broeck, K., « Verkoopconcessie: kwalificatie uit geheel van feitelijke kenmerken », R.A.B.G., 2016/8-9, p. 585-591

• Vermeersch, C. en Hansebout, A., « Ceci n'est pas une concession de vente », R.A.B.G., 2016/8-9, p. 565-568

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 12/07/2017 - 10:15
Laatst aangepast op: wo, 12/07/2017 - 10:15

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.