-A +A

Ongeval tijdens snelheidswedstrijd is verkeersongeval waarvoor verzekeringsplicht.

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Benelux gerechtshof
Datum van de uitspraak: 
maa, 24/09/2012

Indien het de bedoeling van artikel 2, § 1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen was geweest om van de verzekering de schade uit te sluiten die voortvloeit uit een ongeval dat tijdens een wedstrijd door een motorrijtuig wordt veroorzaakt, was het niet nodig geweest in artikel 4, § 2, van die Gemeenschappelijke Bepalingen te voorzien in de mogelijkheid van een dergelijke uitsluiting.

Daaruit volgt dat een ongeval dat tijdens een wedstrijd door een motorrijtuig wordt veroorzaakt behoort tot de verkeersongevallen voor de aansprakelijkheid waarvoor artikel 2, § 1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen een verzekeringsplicht oplegt.

Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschrift van de Politierechters
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2013-13
Pagina: 
13
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

COUR DE JUSTICE BENELUX GERECHTSHOF ARREST

In de zaak A 2011/1

Inzake:

LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN tegen:

VZW BELGISCH BUREAU VAN DE AUTOVERZEKERAARS

Vertaling (het alhier weergegeven arrest is de vertaling van het arrest in het Nederlands van het Beneluxgerechtshof. Het bronarrest in de Franse taal is terug te vinden in T. pol 2013,13)

A 2011/1/9

Het Benelux-Gerechtshof heeft in de zaak A 2011/1 het volgende arrest gewezen.

1. Overeenkomstig artikel 6 van het Verdrag van 31 maart 1965 betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof (verder te noemen: het Verdrag) heeft de rechtbank van eerste aanleg te Hoei bij vonnis van 15 juni 2011 in de zaak nr. 10/307 / A van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (hierna: LCM) tegen de vereniging zonder winstoogmerk Belgisch Bureau van de Autoverzekeraars (hierna: BBAV) en tegen de naamloze vennootschap Axa Belgium (hierna: AXA), een vraag van uitleg van artikel 2 van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux¬Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (hierna: de Gemeenschappelijke Bepalingen, respectievelijk de Benelux¬Overeenkomst) gesteld.

Ten aanzien van de feiten

2. Uit de gedingstukken blijken de volgende feiten:

Tijdens een autorally op 3 november 2001 verliest de bestuurder van een van de aan de wedstrijd deelnemende motorrijtuigen de controle over zijn voertuig. De tweede bestuurder raakt bij dat ongeval gewond.

LCM, de ziekte- en invaliditeitsverzekeraar van het slachtoffer, maakt ten behoeve van zijn verzekerde onkosten die hij wil verhalen. Daartoe daagt hij BBAV, dat op het Belgische grondgebied de Nederlandse verzekeringsmaatschappij vertegenwoordigt die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van het motorrijtuig dekt, enerzijds, en AXA, die in het kader van een door de rallyorganisatoren gesloten polis de aansprakelijkheid van alle deelnemers aan de wedstrijd dekt, anderzijds, voor de politierechtbank.

De op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (verder te noemen: de WAM) door LCM ingestelde rechtsvordering wordt bij vonnis van 10 december 2009 van de politierechtbank te Hoei wegens verjaring niet-ontvankelijk verklaard.

De rechter in hoger beroep bevestigt die beslissing ten aanzien van de rechtsvordering tegen AXA. Hij beslist daarentegen dat ten aanzien van BBAV de verjaring regelmatig is gestuit en dat de rechtsvordering tegen die partij derhalve niet is verjaard.

In het vonnis wordt opgemerkt dat de door voormeld artikel 29bis aan de verzekeraar opgelegde vergoedingsplicht geldt bij een verkeersongeval dat zich heeft voorgedaan op een van de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, van de WAM. Volgens het vonnis is het circuit voor autowedstrijden een van die plaatsen, nu het gaat over een niet-openbaar terrein dat evenwel openstaat voor een bepaald aantal personen die het recht hebben om er te komen. De rechter in hoger beroep leidt daaruit af dat aan een van de voorwaarden voor toepassing van artikel 29bis is voldaan.

De rechter is daarentegen van oordeel dat een wedstrijd een risico schept dat verschilt van en zelfs verder gaat dan het risico dat wordt veroorzaakt door het gewone verkeer op de openbare weg, zoals dit in de wegenverkeerswetgeving is gereglementeerd. Hij leidt daaruit af dat er uitsluitsel dient te worden gegeven omtrent de vraag of het rijden met een motorrijtuig in het kader van een sportwedstrijd, d.w.z. in omstandigheden die niet dezelfde zijn als die welke gewoonlijk in het verkeer gelden, mede begrepen is in het in artikel 29bis bedoelde verkeer.

Prejudiciële vraag

3. De rechtbank van eerste aanleg te Hoei meent dat de uitleg van artikel 2 van de

Gemeenschappelijke Bepalingen noodzakelijk is om vonnis te wijzen.

Zij heeft bij vonnis van 15 juni 2011 de uitspraak aangehouden tot het Benelux-Gerechtshof uitspraak zal hebben gedaan over de volgende vraag: « Kan deelname aan een snelheidswedstrijd worden beschouwd als deelname aan het wegverkeer in de zin van artikel 2 van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen? ».

Ten aanzien van het verloop van het geding

4. Het Hof heeft, overeenkomstig artikel 6, lid 5, van het Verdrag, een voor conform getekend afschrift van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hoei gezonden aan de partijen en aan de ministers van Justitie van België, Nederland en Luxemburg.

De partijen hebben de gelegenheid gekregen schriftelijke opmerkingen te maken over de door de rechtbank gestelde vraag. Voor LCM heeft mr. Vincent Delfosse, advocaat bij de balie te Luik, een memorie ingediend. Voor BBAV hebben mr. Alexandre Wilmotte en mr. David Lefevre, advocaten bij de balie te Hoei, een memorie van antwoord ingediend.

De Belgische minister van Justitie heeft op 15 september 2011 een advies ingediend. LCM heeft op 3 november 2011 gerepliceerd.

Plaatsvervangend Advocaat-Generaal André Henkes heeft op 11 april 2012 schriftelijk conclusie genomen, waarop de partijen niet hebben gereageerd.

Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof

5. LCM betoogt dat het Hof onbevoegd is tot beantwoording van de vraag omdat in de gemeenschappelijke rechtsregel om de uitleg waarvan het Hof wordt verzocht het verkeersongeval niet wordt omschreven en er niet naar wordt verwezen.

6. Artikel 2, § 1, eerste lid, van de Gemeenschappelijke Bepalingen bepaalt dat tot het verkeer op de openbare weg en op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een beperkt aantal personen die het recht hebben om er te komen, motorrijtuigen slechts worden toegelaten, indien de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe zij aanleiding kunnen geven, gedekt is door een verzekering welke aan de bepalingen van deze wet beantwoordt.

De strekking van de Benelux-Overeenkomst is op het grondgebied van de drie Verdragsluitende Partijen door middel van een verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid een overeenstemmende bescherming te geven aan de slachtoffers van het gemotoriseerde verkeer.

Uit de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen blijkt dat de verzekering de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de door een motorrijtuig veroorzaakte schade moet dekken wanneer dit zich in het verkeer (als bedoeld in voornoemd artikel 2, § 1, eerste lid) bevindt.

De deelname aan het verkeer is derhalve bepalend voor de dekking door de verzekering.

Nu het ongeval het schadeveroorzakende feit is, wordt met het begrip verkeersongeval het aan het gebruik van een motorrijtuig verbonden risico omschreven waarvoor voornoemd artikel 2, § 1 de gebruikers wil behoeden door middel van de verplichte aansprakelijkheidsverzekering waartoe dat gebruik aanleiding kan geven.

Aangezien de vraag derhalve op het toepassingsgebied van de gemeenschappelijke rechtsregel ziet, behoort de behandeling van de vraag tot de bevoegdheid van het Hof.

Ten aanzien van het tegen de vraag ingeroepen middel van niet-ontvankelijkheid

7. In het advies van de Belgische minister van Justitie wordt geconcludeerd dat de vraag niet relevant is op grond dat de bijzondere verzekering als bedoeld in artikel 3 van de Benelux-Overeenkomst hoe dan ook dekking moet bieden bij een ongeval naar aanleiding van een snelheidswedstrijd, zelfs al wordt geoordeeld dat een dergelijk ongeval niet toe te schrijven is aan het gewone wegverkeer zoals dit in de wegenverkeerswetgeving is gereglementeerd.

Het is echter niet juist te stellen dat de dekking door de bijzondere verzekeraar in ieder geval geldt. Zo kan de rechtsvordering die strekt tot het verkrijgen van die dekking verjaard worden verklaard, hetgeen in het vonnis a quo te dezen is beslist. Voorts kan ieder der Verdragsluitende Partijen krachtens artikel 3.2 van de Benelux-Overeenkomst de schade toegebracht aan bestuurders en andere inzittenden van motorrijtuigen die aan de wedstrijd deelnemen, van de bijzondere verzekering uitsluiten.

Aangezien het middel van niet-ontvankelijkheid op een verkeerd uitgangspunt steunt, kan het niet worden aangenomen.

Ten aanzien van het recht

8. Luidens artikel 4, § 2, van de Gemeenschappelijke Bepalingen kan van de verzekering worden

uitgesloten de schade die voortvloeit uit het deelnemen van het motorrijtuig aan snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten en -wedstrijden waartoe van overheidswege verlof is verleend.

9. Indien het de bedoeling van artikel 2, § 1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen was geweest om van de verzekering de schade uit te sluiten die voortvloeit uit een ongeval dat tijdens een wedstrijd door een motorrijtuig wordt veroorzaakt, was het niet nodig geweest in artikel 4, § 2, van die Gemeenschappelijke Bepalingen te voorzien in de mogelijkheid van een dergelijke uitsluiting.

10. Daaruit volgt dat een ongeval dat tijdens een wedstrijd door een motorrijtuig wordt veroorzaakt behoort tot de verkeersongevallen voor de aansprakelijkheid waarvoor artikel 2, § 1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen een verzekeringsplicht oplegt.

De prejudiciële vraag dient derhalve bevestigend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de kosten

ll. Het Hof moet, volgens artikel 13 van het Verdrag, de kosten vaststellen welke op de behandeling voor het Hof zijn gevallen, welke kosten omvatten de honoraria van de raadslieden van partijen voor zover zulks in overeenstemming is met de wetgeving van het land waar het bodemgeschil aanhangig is.

De kosten worden vastgesteld op 1500 euro.

Het Benelux-Gerechtshof

Uitspraak doende op de door de rechtbank van eerste aanleg te Hoei bij vonnis van 15 juni 2011 gestelde vraag,

Verklaart voor recht

12. Deelname van een motorrijtuig aan een snelheidswedstrijd dient te worden beschouwd als deelname aan het wegverkeer in de zin van artikel 2 van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.

Aldus gewezen op 24 september 2012 

en uitgesproken ter openbare terechtzitting te Brussel, op 9 oktober 2012 

 

CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL BIJ HET BENELUX-GERECHTSHOF

ZAAK A 2011/1-
LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN/ VZW BELGISCH BUREAU VAN DE AUTOVERZEKERAARS

Vertaling van de Conclusie van Advocaat-Generaal A. Henkes (stuk A 2011/1/6) (voor de pdf versie met voetnoeten klik hier)

 

In zake van:

LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN,

Appellant voor de rechtbank van eerste aanleg te Hoei

Vertegenwoordigd door mr. Vincent DELFOSSE, advocaat bij de balie te LUIK

Tegen

VZW BELGISCH BUREAU VAN DE AUTOVERZEKERAARS

Geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Hoei

Vertegenwoordigd door mr. WILMOTTE en mr. LEFEVRE, advocaten bij de balie te HOEI

I. Rechtspleging voor het Hof

Bij vonnis van 15 juni 2011 (10/307 / A) wordt door de rechtbank van eerste aanleg te Hoei een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof.

Rapporteur: raadsheer de Codt.

II. Feiten en voorafgaande rechtspleging

1. Rik Snaet wordt als tweede bestuurder van een motorrijtuig dat door Van Woensel

wordt bestuurd op 3 november 2001 het slachtoffer van een ongeval tijdens de rally van de Condroz te Hoei, als Van Woensel de controle over het motorrijtuig verliest en dit ten slotte tegen een boom aanrijdt.

2. In zijn hoedanigheid van ziekte- en invaliditeitsverzekeraar maakt de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (hierna LCM) ten gevolge van dat ongeval onkosten ten bedrage van 13.894, 48 €.

De vzw Belgisch Bureau van de Autoverzekeraars (hierna BBA V) vertegenwoordigt op het Belgische grondgebied de Nederlandse verzekeringsmaatschappij die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van het motorrijtuig dekt.

De nv Axa Belgium (hierna AXA) is de verzekeringsmaatschappij inzake « burgerrechtelijke aansprakelijkheid sportrisico's motorrijtuigen» in het kader van een door de rallyorganisatoren gesloten polis en dekt de aansprakelijkheid van alle deelnemers aan dat evenement.

3. De LCM daagt bij dagvaarding van 24 september 2007 het BBAV en AXA voor de

politierechtbank te Hoei teneinde de onkosten vergoed te krijgen.

Bij vonnis van 10 december 2009, dat op tegenspraak ten aanzien van de LCM en AXA en bij verstek ten aanzien van het BBA V wordt gewezen, verklaart de politierechtbank te Hoei de rechtsvordering niet ontvankelijk wegens verjaring.

4. De LCM stelt op 19 april 2010 hoger beroep in tegen dat vonnis voor de tweede

burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Hoei.

Bij vonnis van 15 juni 2011 verklaart de rechtbank van eerste aanleg te Hoei, recht doende op tegenspraak ten aanzien van alle partijen, de rechtsvordering tegen AXA niet ontvankelijk wegens verjaring.

De rechtbank beslist daarentegen dat de rechtsvordering tegen het BBA V niet verjaard is.

5. De vordering van de LCM tegen het BBA V steunt op artikel 29bis van de Belgische wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (WAM-wet), dat in § 1, eerste lid, het volgende bepaalt:

« Bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, wordt, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken. Deze bepaling is ook van toepassing indien de schade opzettelijk werd veroorzaakt door de bestuurder.(. . .) »

Artikel 2, § 1, waarnaar in artikel 29bis wordt verwezen, bepaalt dan weer het volgende:

« Tot het verkeer op de openbare weg en op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen, worden motorrijtuigen alleen toegelaten indien de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe zij aanleiding kunnen geven, gedekt is door een verzekeringsovereenkomst die aan de bepalingen van deze wet voldoet en waarvan de werking niet is geschorst.(. . .) »

6. Voornoemde rechtbank is luidens haar uitspraak van 15 juni 2011 van oordeel dat het ten geschille staande ongeval wel degelijk heeft plaatsgevonden op een « terrein dat (. . .) slechts (toegankelijk is) voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen», waarmee aan deze voorwaarde voor toepassing van artikel 29bis is voldaan.

7. Bij de rechtbank rijzen daarentegen vragen over het begrip« verkeersongeval».

Zij is van mening dat dit begrip moet worden beoordeeld in het licht van de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, van de WAM-wet met - naar het oordeel van de rechtbank - een soortgelijke inhoud als de artikelen 2, § 1, en 3, van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheids¬verzekering inzake motorrijtuigen.

Volgens de rechtbank dient de draagwijdte van die laatste bepalingen door het Benelux-Gerechtshof te worden uitgelegd en zij stelt dat Hof de volgende vraag:

« Kan deelname aan een snelheidswedstrijd worden beschouwd als deelname aan het wegverkeer in de zin van artikel 2 van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen? »

III. Bespreking

A) Ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag

1) Bevoegdheid van het Hof

8. De LCM voert de onbevoegdheid van het Hof aan, op grond dat de vraag zoals deze door de rechtbank is geformuleerd, buiten het kader valt van artikel 2 van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966.

Die bepaling luidt voor de goede orde als volgt:

« § 1. Tot het verkeer op de openbare weg en op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een beperkt aantal personen, die het recht hebben om er te komen, worden motorrijtuigen slechts toegelaten, indien de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, waartoe zij aanleiding kunnen geven, gedekt is door een verzekering welke aan de bepalingen van deze wet beantwoordt. De verplichting tot het sluiten van de verzekering rust op de eigenaar van het motorrijtuig. Indien een andere persoon de verzekering heeft gesloten, wordt de verplichting van de eigenaar geschorst voor de duur van het door die andere persoon gesloten contract.

§ 2. De verzekering moet worden gesloten bij een tot dat doel door de Regering toegelaten verzekeraar. Niettemin worden motorrijtuigen, die gewoonlijk in het buitenland zijn gestald, tot het verkeer in België/in Luxemburg/in Nederland toegelaten, mits een bureau, voor dat doel erkend door de Regering, zelf tegenover de benadeelden de verplichting op zich neemt de schade, door die motorrijtuigen toegebracht, overeenkomstig de bepalingen van deze wet te vergoeden.

 

Deze verplichting valt ten laste van het bureau, zelfs als de verplichting tot verzekering niet is nagekomen, wanneer het een motorrijtuig betreft, dat gewoonlijk in een van de beide andere Beneluxlanden is gestald. »

9. De LCM voert in hoofdzaak het volgende aan:

Artikel 1 van het Verdrag van 31 maart 1965 betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof bepaalt dat dit Hof tot taak heeft:

« de gelijkheid te bevorderen bij de toepassing van rechtsregels, welke gemeen zijn aan de drie Beneluxlanden en welke zijn aangewezen: hetzij bij verdrag; hetzij bij een beschikking van het krachtens het Verdrag van 3 februari 1958 tot instelling van de Benelux Economische Unie ingestelde Comité van Ministers; (. . .) »

In artikel 6 van hetzelfde Verdrag is het volgende gespecificeerd:

« 1. In de hierna omschreven gevallen neemt het Beneluxhof kennis van vragen betreffende de uitleg van rechtsregels, aangewezen krachtens artikel 1, voorzover deze zijn gerezen in zaken aanhangig hetzij bij een rechtscollege van één der drie landen dat zitting houdt binnen hun grondgebied in Europa, hetzij bij het in het Unieverdrag bedoelde College van Scheidsrechters.

2. Wanneer blijkt, dat een uitspraak in één voor een nationaal rechtscollege aanhangige zaak medebrengt de beantwoording van een vraag van uitleg van een krachtens artikel 1 aangewezen rechtsregel, kan dat rechtscollege, indien het van mening is dat een beslissing op dit punt noodzakelijk is om vonnis te kunnen wijzen, ook ambtshalve zijn definitieve uitspraak opschorten teneinde een beslissing van het Beneluxhof over de vraag van uitleg uit te lokken. »1

De volledige tekst van deze bepaling luidt als volgt: 1. In de hierna omschreven gevallen neemt het Beneluxhof kennis van vragen betreffende de uitleg van rechtsregels, aangewezen krachtens artikel 1, voorzover deze zijn gerezen in zaken aanhangig hetzij bij een rechtscollege van één der drie landen dat zitting houdt binnen hun grondgebied in Europa, hetzij bij het in het Unieverdrag bedoelde College van Scheidsrechters.

2. Wanneer blijkt, dat een uitspraak in één voor een nationaal rechtscollege aanhangige zaak medebrengt de beantwoording van een vraag van uitleg van een krachtens artikel 1 aangewezen rechtsregel, kan dat rechtscollege, indien het van mening is dat een beslissing op dit punt noodzakelijk is om vonnis te kunnen wijzen, ook ambtshalve zijn definitieve uitspraak opschorten teneinde een beslissing van het Beneluxhof over de vraag van uitleg uit te lokken.

3. Indien aan de voorwaarden, omschreven in het voorgaande lid is voldaan, is een nationaal rechtscollege, tegen de uitspraken waarvan krachtens het nationale recht geen beroep kan worden ingesteld, verplicht de vraag van uitleg aan het Beneluxhof voor te leggen.

4. Het in lid 2 of 3 bedoelde rechtscollege zal dit echter niet doen:

1° indien het van oordeel is, dat er redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan omtrent de oplossing van de gerezen vraag van uitleg;

2° indien de zaak wegens haar spoedeisend karakter geen uitstel gedoogt.

Voorts kan het rechtscollege nalaten de vraag aan het Beneluxhof voor te leggen, indien het zich verenigt met een reeds eerder door het Beneluxhof in een andere zaak of bij een advies op dezelfde vraag gegeven antwoord.

10. De begrippen «verkeersongeval» en «wegverkeer» worden in de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966 niet nader omschreven. Het Hof is dan ook niet bevoegd tot uitlegging van deze begrippen, die trouwens menigmaal zijn omschreven door het Belgische Hof van Cassatie zonder dat dit meende het Benelux-Hof daarover een vraag hoeven te stellen.

Naar de mening van de LCM blijkt mitsdien dat het Benelux-Hof onbevoegd is tot beantwoording van de vraag zoals deze door de rechtbank van eerste aanleg te Hoei is gesteld.

11. Ik adviseer dit middel van niet-ontvankelijkheid dat tegen de prejudiciële vraag wordt ingeroepen en dat is afgeleid uit 's Hofs onbevoegdheid tot beantwoording van die vraag, niet aan te nemen.

Het begrip « deelname aan het wegverkeer » wordt in artikel 2 van voornoemde Gemeenschappelijke Bepalingen inderdaad niet genoemd noch nader omschreven.

Desondanks is het Hof bevoegd om de rechtsregels van de Bijlage bij de Benelux¬Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen uit te leggen, voor zover de inhoud daarvan is opgenomen in de wetgeving van de Staat waarin de vraag van uitleg is gerezen 2.

Volgens het Hof van Cassatie van België3 hebben de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen - op grond waarvan het begrip verkeersongeval in de zin van artikel 29bis van dezelfde wet te beoordelen is en die bepalend zijn voor de toepasselijkheid ervan - een soortgelijke inhoud als de artikelen 2, § 1, en 3, van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.

Voor zover genoemd Hof van Cassatie dus verwijst naar de uitlegging die het Benelux-Gerechtshof aan de Gemeenschappelijke Bepalingen heeft gegeven, volgt daaruit dat er een voldoende band met het uit te leggen Benelux-recht bestaat enerzijds en dat in die rechtspraak steun kan worden gevonden voor 's Hofs bevoegdheid in deze zaak anderzijds.

5. De beslissing waarbij uitleg wordt gevraagd omschrijft de feiten, waarop de door het Beneluxhof te geven uitleg moet worden toegepast. Van de beslissing behoeft noch grosse te worden gelicht noch betekening te worden gedaan. Ambtshalve wordt een door de griffier voor conform getekend afschrift der beslissing zo spoedig mogeli jk aan het Beneluxhof toegezonden. Dit doet daarvan afschrift toekomen aan de Ministers van Justitie van de drie landen. Het Hof kan overlegging van de dossiers verlangen.

6. Het rechtscollege, dat zonder tegelijkertijd een eindbeslissing te wijzen overeenkomstig de tweede alinea van dit artikel beslist over de wenselijkheid om een vraag van uitleg aan het Beneluxhof voor te leggen, kan bepalen of een rechtsmiddel, dat tegen die beslissing openstaat, onmiddellijk kan worden aangewend dan wel tegelijk met een rechtsmiddel tegen de eindbeslissing.

In dit verband doet het er niet toe dat de termen « deelname aan het wegverkeer » niet zijn genoemd noch nader omschreven in voormeld artikel 2. Dit geldt des te meer daar het Benelux-Gerechtshof in zijn arresten ter zake naar deelneming aan het verkeer verwijst 4.

2) Noodzaak van een prejudiciële vraag

12. De Belgische minister van Justitie roept tegen de prejudiciële vraag een middel van niet-ontvankelijkheid in dat eruit is afgeleid dat deze vraag niet relevant is nu het antwoord daarop niet noodzakelijk is om in de zaak zelf te kunnen beslissen.

Dat middel van niet-ontvankelijkheid steunt op de volgende overwegingen:

Het staat vast dat de BA-verzekeraar van het motorrijtuig dat deelneemt aan de vergunde snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten of -wedstrijden niet gehouden is om dekking te bieden voor de burgerlijke aansprakelijkheid omdat deze aansprakelijkheid moet verzekerd zijn in de speciale BA-verzekering die moet worden afgesloten door de organisator van de vergunde wedstrijd. Dit wordt ten overvloede bevestigd door artikel 8, 2° van de modelovereenkomst, vastgesteld in de bijlage van het koninklijk besluit van 14 december 1992. Deze bepaling sluit van de verzekering uit, de schade die voortvloeit uit het deelnemen van het verzekerde rijtuig aan snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten of -wedstrijden waartoe van overheidswege verlof is verleend.

Bovendien kan de passagier van een motorrijtuig dat deelneemt aan een vergunde wedstrijd niet op grond van artikel 8, derde lid WAM-wet van vergoeding volgens artikel 29bis WAM-wet (zwakke weggebruiker) uitgesloten worden. Artikel 29bis WAM-wet is immers een specifieke bepaling en bovendien later dan artikel 8 ingevoegd in de WAM-wet. Artikel 29bis WAM-wet heeft daarom voorrang op voormeld artikel 8, derde lid WAM-wet.

Ten slotte bestaat de directe doelstelling van artikel 29bis WAM-wet in het ontlasten van het budget van de sociale zekerheid.

Volgens de - door de minister van Justitie doorgeleide - nota van de Dienst der Verzekeringen had de rechtbank bijgevolg de zaak kunnen afsluiten door vast te stellen dat de LCM zijn vordering ten aanzien van AXA had laten verjaren en het BBAV als vertegenwoordiger van de Nederlandse aansprakelijkheidsverzekeraar niet gehouden was. Het feit of het ongeval van 3 november 2001 zich heeft voorgedaan tijdens de deelname aan het wegverkeer of niet sluit de tussenkomst van de bijzondere verzekering dan ook niet uit. Het is enkel de nalatigheid van de LCM die maakt dat de uitgekeerde vergoeding niet wordt terugbetaald.

[Zie Benelux-Gerechtshof, 23 oktober 1984, zaak A 83/2. Vergelijk tevens Cass., 6 januari 2005, A.R. C.02.0583.F: « de begrippen verkeer en, derhalve, het begrip schade in verband met het verkeer, in de zin van de artikelen 2, §1, en 3 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen moeten worden omschreven overeenkomstig de uitlegging die het Benelux-Gerechtshof gegeven heeft aan de artikelen 2, §1 en 3, met een soortgelijke inhoud, van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst van 2 4 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen»; Verg. Benelux-Gerechtshof, 20 mei 1983, zaak A 82/4. ]

13. Naar het oordeel van genoemde Dienst is het antwoord van het Gerechtshof wel van belang voor latere ongevallen. Wanneer het Gerechtshof tot de bevinding zou komen dat een dergelijk ongeval als een verkeersongeval kan beschouwd worden, dan heeft deze beslissing ipso facto in België de toepassing van artikel 29bis tot gevolg, een stelling die door de Dienst der Verzekeringen wordt verdedigd (zie hoger).

In aansluiting hierop en om te vermijden dat de samenleving geconfronteerd wordt met niet¬vergoede schade wegens de niet-toepasselijkheid van de WAM-wet zou het wenselijk zijn dat het Benelux-Gerechtshof bevestigend antwoordt op de gestelde vraag.

14. Ik denk het Hof te kunnen adviseren het middel van niet-ontvankelijkheid dat door de Dienst der Verzekeringen, door bemiddeling van de Belgische minister van Justitie, wordt ingeroepen tegen de ontvankelijkheid van de door de rechtbank te Hoei gestelde prejudiciële vraag en dat eruit is afgeleid dat deze vraag niet relevant is omdat het antwoord daarop niet noodzakelijk zou zijn om in deze zaak te kunnen beslissen, niet aan te nemen.

15. Het is in de eerste plaats een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het concrete geval, de noodzaakvan een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis alsmede de relevantievan de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen.

Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van de gemeenschappelijke rechtsregels, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden.

16. Het staat evenwel ook aan het Hof om, ter toetsing van zijn eigen bevoegdheid wat de aan hem voorgelegde prejudiciële vraag betreft, een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden waaronder het door de nationale rechter is geadieerd.

Over de relevantievan de vraag schijnt er geen specifieke rechtspraak van het Hof te zijn, behalve dan in een arrest van 15 december 2003 5, waarin het Hof nagaat waarop de prejudiciële vraag werkelijk betrekking heeft (artikel 7 § 2 of de artikelen 2 en 3 van de Gemeenschappelijke Bepalingen) en meteen ook zijn bevoegdheid beoordeelt.

Ten aanzien van de noodzaakvan de prejudiciële vraag is het Hof in zijn arrest van 29 november 2001 6 daarentegen uitgegaan van de weigering uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter, wanneer de gestelde vraag geen betrekking heeft op het onderhavige geval 7.

BenGH, 15 december 2003, zaak A 2002/1, http://www.courbeneluxhof.be/nl/arresten. BenGH, 29 november 2001, zaak A 99/1, http://www.courbeneluxhof.be/nl/arresten.

In navolging van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat een dergelijke vraag als een vraagstuk van hypothetische aard aanmerkt.

Het Hof brengt in r.o. 10 en 11 (vraag I.b) het volgende naar voren:

« 10. Overwegende dat deze vraag betrekking heeft op het zich in de onderhavige zaak blijkens de hiervoor onder 2 weergegeven omschrijving van de feiten niet voordoende geval dat het BMB [Benelux-Merkenbureau} niet een kennisgeving als bedoeld in artikel 6bis, vierde lid, BMW [Eenvormige Beneluxwet op de merken} aan de deposant heeft toegezonden;

11. Overwegende dat zich dan ook niet voordoet een geval als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag, zodat deze vraag thans geen beantwoording behoeft; »

17. In zijn conclusie voorafgaand aan dat arrest concludeert advocaat-generaal L. Strikwerda als volgt (punten 19 en 20):

« 19. Vraag I.b stelt aan de orde op welk tijdstip de in art. 6ter BMW bedoelde termijn van twee maanden aanvangt, indien het BMB geen kennisgeving van de gehele of gedeeltelijke weigering van het depot, als bedoeld in art. 6bis lid 4 BMW, heeft verzonden.

20. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft in het onderhavige geval vastgesteld dat het BMB de kennisgeving, als bedoeld in art. 6bis lid 4 BMW, op 28 januari 1998 aan KPN heeft verzonden. De uitspraak in de voor het Gerechtshof te 's-Gravenhage aanhangige zaak brengt de beantwoording van de in vraag I.b aan de orde gestelde vraag van uitleg van art. 6ter BMW derhalve niet mee. Een beslissing op dit punt kan dan ook niet geacht worden noodzakelijk te zijn om vonnis te kunnen wijzen. De gestelde vraag voldoet derhalve niet aan daaraan ingevolge art. 6 lid 2 van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof te stellen eisen, zodat de vraag niet-ontvankelijk is »8 9.

Raadpl. de aanvullende conclusie van advocaat-generaal L. Strikwerda met betrekking tot het tweede arrest in deze zaak (Benelux-Gerechtshof, 1 december 2004, zaak A 99/1, punten 9 en 27). In deze conclusie besluit onze zeer geachte collega eveneens dat de vragen VII en XV ( eerste onderdeel) gebaseerd zijn op een situatie die zich in de voorgelegde zaak niet voordoet. Hij leidt daaruit af dat een beslissing van het Benelux-Gerechtshof niet kan geacht worden noodzakelijk te zijn om vonnis te wijzen, zodat zich geen geval voordoet als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof en dit onderdeel van de vraag geen beantwoording behoeft. Vraag VII heeft het Benelux-Gerechtshof echter wel beantwoord door te verwijzen naar het antwoord op een vraag van gelijke strekking in een vroeger arrest (waarop eveneens was gewezen door advocaat-generaal L. Strikwerda in punt 10). Met betrekking tot vraag XV ( eerste en tweede onderdeel) heeft het Benelux-Gerechtshof voor recht verklaard dat deze geen beantwoording behoeft, voor zover de nationale rechter deze slechts stelde als vraag XIII.b in bevestigende zin zou worden beantwoord, terwijl deze in ontkennende zin werd beantwoord.

[Contra J. SPREUTELS en J.-Th. DEBRY, « Le concours de questions préjudicielles (Cour d'arbitrage, Cour de justice des Communautés européennes et Cour de justice Benelux)», in Les rapports entre la Cour d 'arbitrage, Ze Pouvoir judiciaire et Ze Conseil d 'Etat, Brussel, La charte, 2006, p. 331 ), die schrijven: « la Cour de Justice Benelux ne peut contràler la nécessité de la décision d 'interprétation pour le jugement à rendre par le juge national. Il ne lui appartient dès fors pas de se prononcer sur les raisons de poser la question préjudicielle et sur son importance pour Ze litige ». Zie echter S. SWARTENBROUX-V ANDERHAEGEN, « De rechtsprekende bevoegdheid van het Benelux-Gerechtshof», R. W, 1973-1974, kol. 1701 en 1702, die het dienaangaande over discretionaire en soevereine bevoegdheid heeft. ]

 

18. Opgemerkt wordt nog dat, voor zover kan worden verwezen naar de Europese rechtspraak betreffende de bevoegdheid om de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag te onderzoeken, nu de prejudiciële regeling van de Benelux vergelijkbaar heet te zijn met het prejudiciële regime van het Hof van Justitie in Luxemburg 1°, weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter slechts mogelijk is, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van de gemeenschappelijke rechtsregels geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor hem noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen 11•

19. Dit gezegd hebbende staat het, in de huidige stand van 's Hofs rechtspraak, gewis aan het Hof om, wanneer een prejudiciële vraag door de nationale rechter aan hem wordt voorgelegd, zijn eigen bevoegdheid aan artikel 6, eerste lid, van het Verdrag te toetsen en te weigeren uitspraak te doen op de prejudiciële vraag wanneer het vraagstuk dat via de vraag aan hem wordt voorgelegd van hypothetische aard is 12•

20. Uit het antwoord op het eerste middel van niet-ontvankelijkheid volgt dat dit in casu niet het geval is.

B) Beantwoording van de prejudiciële vraag

21. De strekking van de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen en de daarbij behorende Gemeenschappelijke Bepalingen is, in het Koninkrijk der Nederlanden, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk België door middel van een verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid een in hoofdzaken overeenstemmende bescherming te geven aan de slachtoffers van het gemotoriseerde verkeer13•

22. Artikel 2, § 1, eerste zin, van de Gemeenschappelijke Bepalingen bepaalt dat tot het verkeer op de openbare weg en op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een beperkt aantal personen, die het recht hebben om er te komen, motorrijtuigen slechts worden toegelaten, indien de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, waartoe zij aanleiding kunnen geven, gedekt is.

23. Een bescherming ter zake van schade die wel is veroorzaakt door een motorrijtuig, maar zonder dat deze schadeveroorzaking verband houdt met de deelneming van het motorrijtuig aan het verkeer als bedoeld in die bepaling, valt dus buiten deze ratio legis'",

Zoals door advocaat-generaal H.L.J. Roelvink in zijn conclusie in de zaak A 83/2 wordt onderstreept, “ (zal) de verzekeringsplicht en daarmede de dekking (. . .) zich derhalve niet verder uitstrekken dan tot de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van het motorrijtuig in het verkeer. De deelname aan het verkeer is derhalve bepalend voor de dekking door de verzekering”.

24. De prejudiciële vraag die in deze zaak wordt gesteld, komt op de vraag neer of, gelet op artikel 2, § 1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux¬Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, de omstandigheid dat een motorrijtuig aan een snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsrit of -wedstrijd deelneemt, waartoe van overheidswege verlof is verleend, op een terrein dat slechts toegankelijk is voor een beperkt aantal personen, die het recht hebben om er te komen, eraan in de weg staat dat het motorrijtuig op dat moment deelneemt aan het wegverkeer?

25. Gememoreerd wordt dat volgens het Hof van Cassatie van België 16 de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen - op grond waarvan het begrip verkeersongeval in de zin van artikel 29bis van dezelfde wet te beoordelen is en die bepalend zijn voor de toepasselijkheid ervan - een soortgelijke inhoud hebben als de artikelen 2, § 1, en 3, van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.

26. Vanuit het oogpunt van voormeld artikel 29bis is voornoemde prejudiciële vraag

(hierboven, nr. 24) reeds door het Hof van Cassatie van België impliciet ontkennend beantwoord naar aanleiding van een ongevaldat zich vóór de wedstrijdvoordeed, tijdens een verkenning van het parcours van een autorally,in casu de "boucles de Spa", die op de openbare weg plaatsvindt 17.

Dat Hof brengt naar voren:

" ( ... ) dat artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, (. . .), in het algemeen belang en onder de daarin bepaalde voorwaarden, de vergoeding regelt van de schade veroorzaakt aan bepaalde slachtoffers van wegverkeersongevallen waarin een motorrijtuig betrokken is, of aan de rechthebbenden van dergelijke slachtoffers, en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden;

"dat die wetsbepaling, die de bescherming van die slachtoffers of van hun rechthebbenden, alsook de beperking van de kosten van het RIZIV beoogt, de openbare orde raakt;

"( ... )dat de appèlrechters, te dezen, vaststellen dat eiser een beding van afstand van beroep heeft getekend met betrekking tot elke vorm van schade die hij tijdens de wedstrijd kon lijden, met inbegrip van de tijdens oefening, verkenning en tests geleden schade, en dat het ongeval zich vóór de wedstrijd, nl. tijdens de verkenning van het parcours heeft voorgedaan, en op grond hiervan oordelen dat eiser geen beroep kon doen op voormeld artikel 29bis om van verweerster, verzekeraar van de burgerlijke aansprakelijkheid van de verweerder B M de vergoeding van zijn lichamelijke schade te verkrijgen;

"dat, aldus, het bestreden vonnis die wetsbepaling schendt;

"dat het middel [ dat erop neerkomt dat aanspraak wordt gemaakt op de toepassing van de bescherming van voormeld artikel 29bis op dit geval van een "verkeers"ongeval] gegrond is".

27. Op grond van het - in strafzaken gewezen - arrest, waarin de conclusies niet zijn

vermeld waarop het antwoordt en dat is gewezen op de mondelinge conclusie van het Openbaar Ministerie, is het, hoe cruciaal de beslissing ook is, haast niet mogelijk zich zonder de geringste twijfel te vergewissen van de grond die genoemd Hof ertoe heeft gebracht te overwegen dat een ongeval dat vóór de wedstrijd is veroorzaakt door een motorrijtuig dat wordt verondersteld deel te nemen aan die wedstrijd, tijdens een verkenning van het parcours van een autorally, in casu de "boucles de Spa", die op de openbare weg plaatsvindt, in aanmerking komt voor de bescherming van artikel 29bis.

28. Een arrest van 25 januari 200818 is daarentegen explicieter.

De voorziening is als volgt gemotiveerd:

"Om die vergoedingsregeling te kunnen genieten, moet het slachtoffer met name aantonen dat het een verkeersongeval betreft waarin een motorrijtuig betrokken is en dat er een oorzakelijk verband tussen het ongeval en de lichamelijke letsels bestaat.

Het begrip verkeersongeval dient weliswaar niet strikt te worden uitgelegd maar het betrokken voertuig moet, op het ogenblik van het ongeval, niettemin als een vervoermiddel rechtstreeks of onrechtstreeks aan het verkeer deelnemen of hiermee verbonden zijn.

Een voertuig (te dezen een motorrijwiel) dat gebruikt wordt als middel om aan een wedstrijd deel te nemen die op een gesloten racecircuit gehouden wordt, kan, ook al is het terrein van dat circuit toegankelijk voor de toeschouwers, voor de toepassing van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 niet worden aangemerkt als een voertuig dat aan het verkeer deelneemt.

Wanneer, meer bepaald, het motorrijtuig zich verplaatst op een terrein dat niet toegankelijk is voor het publiek maar voor een bepaald aantal personen die het recht hebben er te komen in de zin van artikel 2, § 1, van de wet van 21 november 1989, zoals een gesloten racecircuit voor sportwedstrijden dat evenwel toegankelijk is voor het publiek, en in de loop van de wedstrijd schade berokkent, en dat voertuig bijgevolg als een middel voor sportwedstrijden gebruikt wordt, beantwoordt dergelijk ongeval niet aan het begrip verkeersongeval in de zin van artikel 29bis, § 1, van die wet.

Te dezen blijkt uit de redenen van het bestreden vonnis dat het ongeval zich tijdens een motorcrosswedstrijd heeft voorgedaan nadat de bestuurder van het schadeveroorzakend voertuig de controle erover had verloren.

Aldus heeft de appelrechter vastgesteld dat het voertuig dan gebruikt werd als sportmiddel en niet als vervoermiddel, en dat het dus niet aan het verkeer deelnam.

Het bestreden vonnis kon bijgevolg niet zonder de in de aanhef van het middel opgegeven artikelen 2, §1, en 29bis, §1, van de wet van 21 november 1989 te schenden, beslissen dat het motorrijwiel deelnam aan het verkeer en dat het ongeval een verkeersongeval was in de zin van die bepalingen".

Het Hof van Cassatie antwoordt dat dit middel, waarin in wezen wordt betoogd dat een voertuig dat wordt gebruikt als middel om aan een wedstrijd deel te nemen die op een gesloten racecircuit wordt gehouden, ook al is het terrein van dat circuit toegankelijk voor de toeschouwers, voor de toepassing van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 niet kan worden aangemerkt als een voertuig dat aan het verkeer deelneemt, naar recht faalt omdat:

( a) Het begrip verkeersongeval in de zin van [ voormeld artikel 29bis] zowel een wegverkeersongeval betreft waarbij een motorrijtuig betrokken is die op de openbare weg rijdt, als een soortgelijk ongeval dat zich voordoet op de terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek en de terreinen die niet toegankelijk zijn voor het publiek maar wel voor een zeker aantal personen.

(b) Uit de omstandigheid dat het betrokken motorrijtuig op het ogenblik van het ongeval deelneemt aan een sportwedstrijd, niet kan worden afgeleid dat het ongeval geen verkeersongeval is in de zin van de voormelde bepaling.

29. Op 15 mei 200819 geeft ditzelfde Hof, op een grief met betrekking tot het geval waarin een motorpiloot ter gelegenheid van het Belgisch Kampioenschap motoren dat op een gesloten circuit van een industriezoneplaatsvindt, tijdens de wedstrijdten val komt en de motorfiets tegen een fotograaf schuift die in de lucht wordt gekatapulteerd en ernstig wordt gekwetst, het volgende antwoord:

• Het begrip schade geleden door het slachtoffer van een verkeersongeval, in de zin van artikel 29bis, § 1, van de WAM-wet moet beoordeeld worden in het licht van de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, van die wet. De draagwijdte van laatstgenoemde bepalingen moet bepaald worden overeenkomstig de uitlegging door het Benelux-Gerechtshof van de artikelen 2, § 1, en 3, met een soortgelijke inhoud, van de gemeenschappelijke bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.

• De feitenrechters kunnen zich voor de invulling van het begrip schade geleden door het slachtoffer van een verkeersongeval op wettige wijze baseren op de in het arrest van 23 oktober 1984 van het Benelux-Gerechtshof gegeven maatstaf, volgens welke beslissend is of de schade door het motorrijtuig is veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer".

• Daar een verkeersongeval in de zin van artikel 29bis van de WAM-wet het ongeval is dat zich voordoet op de openbare weg en op de terreinen, zij het privé, die toegankelijk zijn voor een aantal personen die het recht hebben om er te komen, kanuit de omstandigheid dat het ongeval zich heeft voorgedaan tijdens een snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsrit of -wedstrijd op een afgesloten circuit niet worden afgeleid dat het ongeval geen verkeersongeval is in de zin van voornoemde bepaling21•

• De feitenrechters kunnen op wettige wijze oordelen dat het feit dat het motorrijtuig (in casu) als sportvoertuig werd gebruikt, niet belet dat de schade moet worden aangemerkt als in het verkeer veroorzaakt,waarbij zodoende de stelling wordt verworpen volgens welke het begrip verkeer volkomen vreemd zou zijn aan een gemotoriseerde rallywedstrijd":

30. Zo lijkt op grond van de rechtspraak van het Hof van Cassatie, dat zich weliswaar bovenal buigt over voormeld artikel 29bis maar tevens verwijst naar de door het Benelux-Gerechtshof in een arrest van 23 oktober 1984 (zie verderop) gegeven maatstaf, in het licht van de gelijkenissen de facto en de jure, een ontkennende beantwoording van de thans gestelde prejudiciële vraag geoorloofd te zijn.

31. Wat het Benelux-Gerechthof betreft, is het van belang om twee arresten naar voren te brengen.

's Hofs arrest van 23 oktober 198423, waarnaar het Hof van Cassatie van België in zijn voornoemde arrest van 15 mei 2008 verwijst, zet prima facie aan tot meer terughoudendheid dan de Belgische rechtspraak, nu dit zich er niet alleen toe bepaalt de door het Hof van Cassatie overgenomen maatstaf te geven.

In het geding in deze zaak is een vorkheftruck die als werktuig bezig is met hef- en stapelwerkzaamheden in een opslagplaatsen die bij het manoeuvreren in die opslagplaats een werknemer die andere werkzaamheden verricht, verwondt.

Het Hof heeft voor recht verklaard dat:

• de aansprakelijkheid voor schade, veroorzaakt bij het manoeuvreren van een motorrijtuig, zonder dat sprake is van deelneming door dat motorrijtuig aan het verkeer, niet een aansprakelijkheid is welke krachtens artikel 3, § 1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966 moet zijn gedekt;

• de omstandigheid dat schade is veroorzaakt door een motorrijtuig dat niet of niet alleen is ingericht voor het verplaatsen van personen of goederen over wegen of terreinen,maar uitsluitend of mede om te dienen als werktuig voor andere verrichtingen dan het bewerkstelligen van zodanig vervoer, en dat die schade is veroorzaaktterwijl het motorrijtuig aldus als werktuigwerd gebruikt, er niet aan in de weg staat, dat het motorrijtuig op dat moment deelnam aan het verkeer;

• met name, wanneer het motorrijtuig bij het zich verplaatsen op een openbare weg of op terreinen als bedoeld in artikel 2, § 1, van genoemde Gemeenschappelijke Bepalingen, schade veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer, het feit dat het motorrijtuig tegelijkertijd als werktuig in de hiervoor bedoelde zin werd gebezigd, er niet aan in de weg zou staan dat de schade zou moeten worden aangemerkt als in het verkeer veroorzaakt;

• de enkele omstandigheid dat tijdens de schadeveroorzaking het motorrijtuig zich bij het verrichten van de desbetreffende werkzaamheden met behulp van zijn wielen verplaatste teneinde de juiste positie in te nemen, nog niet meebrengt dat de schadeveroorzaking in het verkeer plaatsvond; zulks zal met name niet het geval zijn,

als het zich verplaatsen van het motorrijtuig redelijkerwijs slechts gezien kan worden als een onderdeel van de manoeuvre waarbij het motorrijtuig als "werktuig" wordt gebezigd en als de schade niet is veroorzaakt op een wijze die overigens karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer;

• het feit dat een motorrijtuig, voordat het als werktuig te werk wordt gesteld en schade veroorzaakt, zich naar de plaats van het werk heeft bewogen en daarbij aan het verkeer heeft deelgenomen, nog niet meebrengt dat de daarna, bij het gebruik van het motorrijtuig als werktuig, veroorzaakte schade moet worden aangemerkt als in het verkeer veroorzaakt.

Kortom, het Hof, waaraan zeer specifieke prejudiciële vragen zijn gesteld, geeft, gelet op het bijzondere karakter van de feiten, die een genuanceerde beantwoording vergen, geen eenduidige regel.

32. Blijkens dit arrest zou kunnen worden overwogen dat wedstrijdvoertuigen - naar het voorbeeld van "als werktuig gebruikte motorrijtuigen", die weliswaar ook speciale motorrijtuigen zijn, maar is dit wel hetzelfde? - niet deelnemen aan het verkeer indien, bij het plaatshebben van het ongeval, (a) zij enkel manoeuvres uitvoeren waarbij zij als wedstrijdvoertuig worden gebezigd en (b) de schade niet is veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer.

Omgekeerd zou dus kunnen worden geconcludeerd dat motorrijtuigen die deelnemen aan wedstrijden op de openbare, de gesloten, de gedeeltelijk gesloten of de voor het vrije verkeer opengebleven weg, dan wel op gesloten circuits die slechts toegankelijk zijn voor personen die er mogen komen, aan het verkeer zouden deelnemen wanneer (a) zij niet enkel manoeuvres zouden uitvoeren waarbij zij als wedstrijdvoertuig worden gebezigd en (b) de schade zou zijn veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer.

33. In een arrest van 27 mei 199124 verklaart het Hof naar aanleiding van een prejudiciële vraag van het Hof van Cassatie van België betreffende de uitleg van artikel 4, § 2, van voormelde Gemeenschappelijke Bepalingen25 dat "van de verplichte verzekering alleen kan worden uitgesloten de schade veroorzaakt door motorrijtuigen gedurende de eigenlijke deelname aan snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten of -wedstrijden", op grond dat "snelheids-, regelmatigheids- en behendigheidsritten en -wedstrijden een risico scheppen

Waarvan het Hof van Cassatie meent dat de door deze bepaling georganiseerde schadedekking gelijk is aan de dekking die is bepaald in artikel 20 van de Belgische wet van 1 juli 1956 betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid, en waarvan de toepassing de inzet is van het bij het Hof van Cassatie aanhangig gemaakte geschil. dat onmogelijk kan worden beschouwd als te zijn gedekt door een op de gebruikelijke voorwaarden afgesloten aansprakelijkheidsverzekering+"'.

Gaat het hier, weliswaar in een ander verband en op veeleer impliciete wijze, niet opnieuw om het in aanmerking nemen, als bepalende factor, van de omstandigheid dat de schade die tijdens een wedstrijd door een gemotoriseerd wedstrijdvoertuig wordt veroorzaakt, niet een schade is die wordt veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer, waar de oorzaken van ongevallen in de regel niet te vinden zijn in risico's die vergelijkbaar zijn met de onderhavige risico's en die zelfs worden teweeggebracht in races en andere wedstrijden?

34. Uit het vorenstaande zou op zijn minst volgen dat een motorrijtuig dat al dan niet een wedstrijdvoertuig is en dat op een gesloten circuit aan een snelheids- of behendigheidswedstrijd deelneemt en daarbij een ongeval met schade veroorzaakt door een manoeuvre die in het wegverkeer verboden is maar in deze omstandigheden is toegestaan en zelfs wordt nagestreefd (hindernis voor het inhalen, 180 graden draaien, ontijdig remmen, even ongewone als gevaarlijke hindernissen opzettelijk nemen, luchtacrobatiek, stockcarraces enz.), niet deelneemt aan het verkeer in de zin van artikel 2, § 1, van de voornoemde Gemeenschappelijke Bepalingen.

35. Maar afgezien van een dergelijk uitgesproken geval, wat is, voor een motorrijtuig dat aan een snelheids- of behendigheidswedstrijd deelneemt, waartoe van overheidswege verlof is verleend, op de openbare, de gesloten, de gedeeltelijk gesloten of de voor het vrije verkeer opengebleven weg, dan wel op terreinen, zij het privé, die toegankelijk zijn voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen, een manoeuvre waarbij het motorrijtuig niet als wedstrijdvoertuig wordt gebezigd, of meer nog, wat met de schade die het motorrijtuig zou hebben veroorzaakt op een wijze die niet karakteristiek zou zijn voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer?

Zelfs al wordt blijk gegeven van verbeeldingskracht, toch vallen zonder moeite de grenzen te bespeuren van de algemene regels van de jurisprudentie die voor de oneindige variëteiten van de onderwerpelijke casuïstiek zouden moeten gelden.

IV. Conclusie

36. Gemeten naar wat mij de grondslag van de diverse hierboven besproken arresten lijkt te zijn, denk ik het Hof derhalve te kunnen adviseren de door de rechtbank van eerste aanleg te Hoei gestelde prejudiciële vraag als volgt te beantwoorden:

Deelname van motorrijtuigen aan een snelheidswedstrijd kan worden beschouwd als deelname aan het wegverkeer in de zin van artikel 2 van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, indien de motorrijtuigen bij het plaatshebben van het ongeval manoeuvres uitvoerden die, ofschoon ook samenhangend met het gebruik van die motorrijtuigen als wedstrijdvoertuig, schade hebben veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer.

De plaatsvervangend advocaat-generaal,

André HENKES Brussel, 5 april 2012.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 07/09/2017 - 08:06
Laatst aangepast op: do, 07/09/2017 - 08:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.