-A +A

Onmogelijkheid vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt De schadevergoeding van de benadeelde persoon in gelijke delen wordt verdeeld onder de verzekeraars

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Brugge
Datum van de uitspraak: 
woe, 19/12/2007
Opmerking [actualisering van deze pagina]
 
De wetgever zorgt nu echter voor een duidelijk wettelijk kader (voor de ongevallen vanaf 22/06/2017). Het voegt hiervoor een nieuw artikel 29ter toe aan de WAM-wet (het huidige artikel 19bis-11§2 wordt opgeheven). Dat voorziet in een verdeling van de vergoeding van de slachtoffers in gelijke delen tussen al de in het ongeval betrokken motorrijtuigen, zelfs indien men niet kon vaststellen welke motorrijtuig(en) het werkelijk veroorzaakt had (den). Het toepassingsgebied van deze bepaling is beperkt tot ongevallen die zich in België hebben voorgedaan.
Art. 29ter. § 1. Wanneer twee of meer voertuigen, betrokken zijn bij een verkeersongeval in België, en indien het niet mogelijk is vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt, wordt alle schade geleden door de onschuldige slachtoffers en hun rechthebbenden, zijnde de personen op wie met zekerheid geen aansprakelijkheid rust, ten laste genomen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.

Voor de toepassing van dit artikel dient onder voertuig te worden verstaan, alle motorrijtuigen, zoals gedefinieerd in artikel 1, alsmede de gemotoriseerde voertuigen die aan spoorstaven gebonden zijn.

Schade waarvoor een vergoeding kan uitgekeerd worden in uitvoering van artikel 29bis is uitgesloten van de toepassing van dit artikel.

De schade geleden door de voertuigen die klaarblijkelijk het ongeval niet hebben veroorzaakt, komt in aanmerking voor vergoeding in toepassing van dit artikel. 

De schade aan de andere betrokken voertuigen is uitgesloten van de toepassing van dit artikel.
Voor motorrijtuigen, bedoeld in artikel 1, is dit artikel van toepassing wanneer het ongeval zich voordoet op plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1.

§ 2. Voor motorrijtuigen, bedoeld in artikel 1, rust de vergoedingsplicht op de verzekeraars die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid ervan dekken. Het Fonds vergoedt de onschuldige slachtoffers en hun rechthebbenden in de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ), 2° ), 4° ), 7° ) en 8° ).

Voor motorrijtuigen die in uitvoering van artikel 10 vrijgesteld zijn van de verzekeringsplicht, rust de vergoedingsverplichting op degene aan wie ze toebehoren of op wiens naam ze ingeschreven zijn.

Voor motorrijtuigen die aan spoorstaven gebonden zijn, rust de verplichting tot vergoeding op de eigenaar van deze motorrijtuigen.

Diegenen die waarborg geven aan de voertuigen die het ongeval met zekerheid niet hebben veroorzaakt, zijn niet tot vergoeding gehouden.

§ 3. De personen vermeld in paragraaf 2 en op wie de verplichting tot vergoeding rust, zijn hoofdelijk gehouden ten aanzien van de onschuldige slachtoffers en hun rechthebbenden. Het aandeel in de schadelast wordt onder deze vergoedingsplichtigen in gelijke delen verdeeld.]1
----------
(1)<W 2017-05-31/04, art. 23, 024; Inwerkingtreding : 22-06-2017>

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
848
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Politierechtbank te Brugge, 3e Kamer – 19 december 2007

samenvatting:

Art. 19bis-11, § 2, vstelt dat als verscheidene voertuigen bij het ongeval zijn betrokken en als het niet mogelijk is vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt, de schadevergoeding van de benadeelde persoon in gelijke delen wordt verdeeld onder de verzekeraars die de burgerlijke aansprakelijkheid van de bestuurders van deze voertuigen dekken. Dit artikel slaat op de de gevallen  waarin meer dan twee voertuigen bij het ongeval betrokken zijn.

tekst van het vonnis:

C.L. en BVBA A. t/ NV M.V., NV A.B.I. en VZW Belgisch Bureau voor Autoverzekeraars

A. Gegevens en voorwerp van de vordering

De vordering van eisers strekt ertoe verweerders in gelijke delen te horen veroordelen tot betaling van schadevergoeding voor een verkeersongeval te Beernem op 29 februari 2002. Eiser vordert een vergoeding van 272,39 euro in hoofdsom. Eiseres vordert een vergoeding van 11.488,30 euro in hoofdsom. In latere conclusies heeft eiser zijn vordering uitgebreid tot 336,67 euro. De vorderingen zijn gesteund op art. 19bis-11, § 2, W.A.M.-wet.

Verweerders betwisten de vorderingen van eisers op gronden die hieronder verder worden ontmoet.

In latere conclusies hebben eisers hun vordering uitgebreid tegen de vrijwillig tussenkomende partij.

B. Beoordeling

1. Aan de oorsprong van de vordering van eisers ligt een verkeersongeval dat zich voordeed op 29 september 2002 omstreeks 19 u 15 te Beernem langs de autosnelweg in de richting van Oostende tussen het voertuig Renault Espace, bestuurd door eiser C.L. en eigendom van de eiseres BVBA A. (verzekerd in burgerrechtelijke aansprakelijkheid bij eerste verweerster NV M.V.), en het voertuig Opel Vectra, bestuurd door K.R. (van Bulgaarse nationaliteit), verzekerd in burgerrechtelijke aansprakelijkheid bij A.B.I.

De omstandigheden van het ongeval waren vrij onduidelijk. Op een bepaald moment botste L. in de middenrijstrook tegen het voor hem rijdend voertuig van K. Daardoor verloor L. de controle over het stuur en kwam zijn voertuig Renault Espace in de gracht terecht. L. en zijn echtgenote/passagier, mevrouw B.V., waren licht gewond.

K.R. werd door het openbaar ministerie gedagvaard voor de Politierechtbank wegens overtreding van art. 16.4.1o, Wegverkeersreglement. Ter zitting van 10 oktober 2003 verscheen K. vrijwillig voor de aanvullende tenlastelegging van onvrijwillige slagen en verwondingen aan L.C. en V.B.

K. ging over tot rechtstreekse dagvaarding van L.C. wegens overtreding van art. 12.4, eerste lid, 10.1.1o, 10.1.2o en 10.1.3o, Wegverkeersreglement.

L.C. en zijn echtgenote V.B., zowel handelend in eigen naam als namens de tussen hen bestaande huwgemeenschap, stelden zich burgerlijke partij tegen K.R. Hetzelfde deden de BVBA A. en NV M.V. Voorts stelden zich burgerlijke partij tegen L. en K.: het Vlaamse Gewest, M.K.K.V. en B.J.

In een uitvoerig gemotiveerd vonnis oordeelde de Politierechtbank, rechtsprekend in strafzaken, bij een vonnis van 14 november 2003 dat wegens de tegenstrijdige verklaringen van de betrokken bestuurders en het gebrek aan objectieve beoordelingsgegevens het onmogelijk was om uit te maken wie van de twee bestuurders aansprakelijk was voor de aanrijding. Er bestond volgens de rechtbank twijfel nopens de ware toedracht van de feiten, zodat het niet mogelijk was om met zekerheid uit te maken wie welke overtreding beging. Op grond van twijfel werden K. en L. vrijgesproken van de hen ten laste gelegde feiten. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van de burgerlijke vorderingen.

In hoger beroep werd het vonnis van de Politierechtbank integraal bevestigd bij vonnis van 11 februari 2005. Niemand werd strafrechtelijk veroordeeld. Geen enkele burgerlijke partij verkreeg schadevergoeding.

B.V., echtgenote van L. en passagier in diens voertuig Renault Espace, heeft in een afzonderlijke procedure schadevergoeding gevorderd voor haar lichamelijke schade met toepassing van art. 29bis W.A.M.-wet ten laste van NV M.V. en de VZW Belgisch Bureau van Autoverzekeraars.

Bestuurder L. (lichamelijke schade) en BVBA A. (voertuigschade) van hun kant menen in onderhavige procedure dat zij aanspraak kunnen maken op vergoeding van hun schade ten laste van verweerders. Zij betogen letterlijk in het exploot van dagvaarding: «De gedaagden zijn als verzekeraars burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van de voertuigen, die in dat ongeval waren betrokken, derhalve gehouden overeenkomstig art. 19bis-11, § 2, W.A.M.-wet, in werking getreden op 17 september 2002, in gelijke delen de schadevergoeding van de benadeelden en dus van verzoekers ten laste te nemen».

2. Tweede verweerster voert aan dat zij geen W.A.M.-verzekeraar is van het voertuig van K. en dat de vordering tegen haar om die reden al ongegrond is. Het voertuig van K. was verzekerd bij A.B.I. VZW Belgisch Bureau van Autoverzekeraars kwam vrijwillig tussen in de procedure als vertegenwoordiger in België van de buitenlandse verzekeringsmaatschappij A.B.I. Eisers hebben in latere conclusies hun vordering uitgebreid tegen de vrijwillig tussenkomende partij.

Niettemin blijven eisers volharden in hun vordering tegen tweede verweerster. Zij betogen in conclusies dat tweede verweerster optreedt als schaderegelaar van de buitenlandse verzekeringsmaatschappij A.B.I., tegenover wie zij een vordering in rechte kunnen instellen. Opvallend is dat eisers in de dagvaarding tweede verweerster aanspreken als «verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid», om dat dan later om te buigen tot «vertegenwoordiger van de W.A.M.-verzekeraar van de heer K.» en tot «schaderegelaar».

Nog afgezien van de vraag of eisers zomaar binnen de grenzen van art. 807 Ger. W. de hoedanigheid van de verwerende partij, waarin zij gedagvaard werd, kunnen veranderen en aanpassen naar eigen inzicht en behoefte (Cass. 26 oktober 1995, R.W. 1996-97, 158: «Overwegende dat een vordering met toepassing van art. 807 Ger. W. niet kan worden gericht tegen een gedaagde in een andere hoedanigheid dan die waarin hij gedagvaard werd»), dient te worden vastgesteld dat tweede verweerster formeel ontkent dat zij enig mandaat zou hebben om de W.A.M.-verzekeraar van K. in rechte te vertegenwoordigen, of dat zij zou te beschouwen zijn als schaderegelaar van de W.A.M.-verzekeraar van K. Van hun kant bewijzen eisers niets van hun beweringen dat tweede verweerster «vertegenwoordigster» of «schaderegelaar» zou zijn, laat staan dat zij een rechtstreeks vorderingsrecht zouden bewijzen tegen deze verzekeringsmaatschappij. Overigens zouden eisers geen rechtstreeks vorderingsrecht kunnen instellen tegen de schaderegelaar, omdat de vertegenwoordigingsbevoegdheid beperkt is tot het stellen van rechtshandelingen binnen de minnelijke, buitengerechtelijke, schadeafhandeling (S. Vereecken, «Gewijzigde wetgeving motorrijtuigenverzekering», NjW 2004, 1374). Om deze redenen is de vordering van eisers tegen tweede verweerster alvast ongegrond.

3. Eisers konden geen schadevergoeding verkrijgen ten laste van K. en/of diens verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid, omdat zij er niet in slaagden om voor de strafrechter een fout van K. te bewijzen.

Eisers beroepen zich thans op art. 19bis-11, § 2, van de W.A.M.-wet. Dit artikel bepaalt: «In afwijking van 7o) van de voorgaande paragraaf, indien verscheidene voertuigen bij het ongeval zijn betrokken en indien het niet mogelijk is vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt, wordt de schadevergoeding van de benadeelde persoon in gelijke delen verdeeld onder de verzekeraars die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van deze voertuigen dekken, met uitzondering van degenen wier aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt».

In hoofdorde roepen verweerders en de vrijwillig tussenkomende partij in dat art. 19bis-11, § 2, W.A.M.- wet enkel toepassing kan vinden op verkeersongevallen waarin meer dan twee voertuigen betrokken zijn. In casu kwamen slechts twee voertuigen met elkaar in aanrijding, zodat het schadegeval van 29 september 2002 volgens hen niet onder het toepassingsgebied van art. 19bis-11, § 2, W.A.M.-wet valt. Er ontstaat in conclusies tussen de gedingvoerende partijen een hele polemiek rond de inhoud van het begrip «verscheidene voertuigen». Wordt hiermee bedoeld: meer dan één of meer dan twee?

Het kan niet worden ontkend, en dit volgt duidelijk uit de memorie van toelichting bij het wetsontwerp houdende diverse bepalingen betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (Parl. St. Kamer 2001-02, nr. 50 1716/001, p. 8), dat art. 19bis-11, § 2, W.A.M.-wet is tot stand gekomen als gevolg van het arrest van het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof) van 20 september 2000. In het geding dat aan de basis van dit arrest ligt, zijn meer dan twee voertuigen betrokken. Het arrest van het Hof is van toepassing op de passagiers van een motorrijtuig en op de bestuurder, van wie met zekerheid vaststaat dat hij geen fout heeft begaan (V. Arickx, «Schadevergoedingsrecht voor verkeersongevallen: recente wijzigingen», in Gandais Actueel VII, Gent, Story-Scientia, p. 98). Het gaat over personen die niet aansprakelijk zijn voor het ongeval, maar die niet schadeloos gesteld worden om reden dat tussen verschillende (in casu drie) voertuigen niet kan worden vastgesteld welk voertuig het ongeluk heeft veroorzaakt.

Dit zou bevestigen dat de wetgever in art. 19bis-11, § 2, W.A.M.-wet verkeersongevallen voor ogen had waarin meer dan twee voertuigen betrokken waren (G. Jocqué, «Het mysterie van artikel 19bis-11, § 2, W.A.M. 1989», T.P.R. 2004, p. 351 e.v., nr. 10). In haar hierboven geciteerde bijdrage schreef V. Arickx met de profetische woorden: «Een kleine wetswijziging is dus nodig om de besproken situatie op te vangen. Voortaan dient het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds ook tussen te komen bij een verkeersongeval waarbij alle betrokken motorrijtuigen geïdentificeerd zijn, maar waarbij het onmogelijk is vast te stellen welke bestuurder aansprakelijk is voor het ongeval. Wanneer het slachtoffer een bestuurder is, dient bovendien vast te staan dat hij niet aansprakelijk is voor het ongeval...» (o.c., p. 99). In de gekende bewoordingen van art. 19bis-11, § 2, heeft de wetgever de W.A.M.-wet gewijzigd maar heeft hij niet het Gemeenschappelijk Waarborgfonds maar wel de W.A.M.-verzekeraars van de betrokken voertuigen tot vergoeding van de benadeelden verplicht.

Dat de wetgever de situatie voor ogen had waarin meer dan twee voertuigen betrokken waren, vindt ook steun in de tekst van dat art. 19bis-11, § 2, W.A.M.- wet, dat eindigt met de zin «... met uitzondering van degenen wier aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt». Met dit laatste wordt duidelijk verwezen naar de situatie waarbij minstens bij één bestuurder niet kan worden getwijfeld over diens aansprakelijkheid. Dit veronderstelt dan minstens een «driehoeksverhouding» tussen twee bestuurders wier aansprakelijkheid in het geding is, maar niet kan worden uitgemaakt wegens twijfel, en één bestuurder wiens aansprakelijkheid helemaal niet betrokken kan zijn (bijvoorbeeld: een bestuurder staat te wachten voor het rode licht – hem treft ongetwijfeld geen fout –, en wordt slachtoffer van een ongeval dat zich op het kruispunt voordoet tussen twee andere voertuigen, waarvan niet kan worden uitgemaakt wie aansprakelijk is; volgens art. 19bis-11, § 2, W.A.M.-wet zal de bestuurder die voor het rood licht staat de te verwachten vergoeding kunnen vorderen van de verzekeraars van de andere twee bestuurders). Zijn er maar twee bestuurders in het ongeval betrokken en kan niet worden uitgemaakt wie aansprakelijk is, en dit op grond van twijfel, dan kan van geen van beiden gezegd worden dat «zijn aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt».

Daaruit moet dan ook besloten worden dat de wetgever de situatie bedoelde waarin meer dan twee voertuigen betrokken waren. Onderhavige casus, waarin het gaat om slechts twee bij het ongeval betrokken voertuigen, valt niet onder de toepassing van art. 19bis-11, § 2, W.A.M.-wet. In het andere geval (namelijk wanneer de wet van toepassing zou zijn op de situatie met twee voertuigen) zou dit trouwens ongetwijfeld leiden tot het aansporen van fraude, collusie of heimelijke verstandhouding tussen twee bij een ongeval betrokken bestuurders. Het zou volstaan om bijvoorbeeld onder elkaar op vage, onzorgvuldige of bedrieglijke wijze een ongevalsaangifte in te vullen, en er aldus voor te zorgen dat niet kan worden uitgemaakt wie aansprakelijk is voor het ongeval. In dat geval zouden beide bestuurders aanspraak kunnen maken op volledige vergoeding ten laste van de verzekeraars burgerrechtelijke aansprakelijkheid, waaronder de eigen W.A.M.-verzekeraar. De bestuurders zouden er als het ware belang bij hebben dat niet kan worden uitgemaakt wie aansprakelijk is, want dan zouden zij allebei kunnen rekenen op volledige schadevergoeding. Dit zou noch min noch meer een totale ondermijning betekenen van het aansprakelijkheidsrecht en van de bepalingen van de W.A.M.-wet. Deze verzekering moet de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekken van de eigenaar, van iedere houder, van iedere bestuurder van het verzekerde motorrijtuig, alsmede van ieder die wordt vervoerd met dat motorrijtuig (art. 3, § 1, W.A.M.-wet; C. Van Schoubroek, G. Jocqué, A. Vanderspikken en H. Cousy, «Overzicht van rechtspraak. Verzekering motorrijtuigen (1980-1997)», T.P.R. 1998, 113).

De situatie, waarin art. 19bis-11, § 2, W.A.M.-wet van toepassing zou worden geacht ingeval slechts twee voertuigen zijn betrokken, zou voor gevolg hebben dat de twee bestuurders/eigenaars/verzekerden voor hun materiële voertuigschade schadevergoeding kunnen vorderen en verkrijgen van hun eigen verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid. Dit is wettelijk uitgesloten. Art. 3, § 1, derde lid, W.A.M.-wet bepaalt dat van de verzekering kan worden uitgesloten, de schade aan het verzekerd voertuig, terwijl art. 8 van de Modelovereenkomst (K.B. 14 december 1992) herneemt dat van de verzekering is uitgesloten: de schade aan het verzekerd rijtuig. Eerste verweerster bewijst trouwens dat vergoeding van de schade aan het verzekerde voertuig ook contractueel werd uitgesloten (zie verzekeringspolis met vermelding van de «waarborgbeperkingen»). Deze door de wet geregelde uitsluiting van vergoeding belet bijgevolg dat art. 19bis- 11, § 2, W.A.M.-wet van toepassing zou kunnen zijn in het geval er slechts twee voertuigen betrokken waren in de aanrijding. In ieder geval blijkt niet dat art. 19bis-11, § 2, W.A.M.-wet een uitzonderingsregel heeft willen invoeren op art. 3, § 1, derde lid, 1o, W.A.M.-wet.

Voorts zou dit ook voor gevolg hebben dat de bestuurder vergoeding zou kunnen verkrijgen voor zijn lichamelijke schade van zijn eigen W.A.M.-verzekeraar. Dit is in strijd met het principe dat de bestuurder uitgesloten is van uitkering door de eigen W.A.M.- verzekeraar, tenzij wanneer het ongeval aan een andere verzekerde te wijten is, zoals de eigenaar of een inzittende (art. 4, § 1, tweede lid, W.A.M.-wet). Met andere woorden, de bestuurder die een motorrijtuig bestuurt en daarmee een ongeval veroorzaakt (zelfs al begaat hij geen fout en is hij niet aansprakelijk voor het ongeval), is van uitkering door de eigen W.A.M.-verzekeraar uitgesloten, tenzij bewezen is dat hij (lichamelijke) schade lijdt door de fout van een andere verzekerde (G. Jocqué, De nieuwe W.A.M.-wetgeving, C.A.B.G., 2003/5, p. 22). Het loutere feit dat de aansprakelijkheid van de bestuurder niet bewezen is, volstaat niet om hem een uitkering voor lichamelijke schade ten laste van de eigen W.A.M.-verzekeraar toe te staan. Voorwaarde daartoe is dat het bewijs van een fout van een andere verzekerde moet geleverd zijn. In onderhavige zaak is er geen sprake van een fout van een andere verzekerde van eerste verweerster, zodat laatstgenoemde niet kan gehouden zijn tot enige uitkering aan eiser.

...

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 10/01/2010 - 18:51
Laatst aangepast op: di, 12/09/2017 - 06:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.